archive-nl.com » NL » A » AGRITON.NL

Total: 63

Choose link from "Titles, links and description words view":

Or switch to "Titles and links view".
  • EM-Technologie op Weiden:
    0 0 37 5 36 2 49 51 4 7 4 3 1106 1009 1 0 1 39 7 35 2 47 53 4 5 4 5 1038 996 1 1 0 39 2 35 5 49 58 4 6 4 8 1071 1092 0 0 A 38 6 36 5 52 57 5 1 4 8 1177 1163 0 1 A 39 7 38 6 52 55 4 9 4 7 1191 1115 1 0 A 38 6 35 6 50 55 4 8 4 6 1104 1127 1 1 A 33 2 33 2 52 57 4 9 4 9 1163 1135 1 KM kunstmest 0 geen kunstmest 1 gebruikelijke hoeveelheid kunstmest EM Effectieve Micro organismen 0 geen EM 1 4 maal 1L ha DM drijfmest 0 geen drijfmest 1 gebruikelijke hoeveelheid mest A gebruikelijke hoeveelheid drijfmest welke tijdens de stalperiode is behandeld volgens het Agriton procédé toevoegen van kleimineralen en EM Teneinde het effect van EM vast te stellen worden veranderingen in CEC en het C N en P gehalte van de grondmonsters van proefveldjes welke behandeld zijn met EM vergeleken met de overeenkomstige analyse resultaten van de monsters waaraan geen EM is toegevoegd Invloed van EM op het C gehalte van de grond Het koolstofgehalte is gekoppeld aan het organische stofgehalte Tabel 2 geeft het verschil in C gehalte van de monsters gemeten in maart 1998 t o v het C gehalte van de monsters genomen in maart 1997 Tabel 2 Resultaten grondanalyses proefveldjes Ossenkampen verschil in C gehalte g kg in maart 1998 t o v maart 1997 KM0 DM0 DM1 DMA KM1 DM0 DM1 DMA EM0 3 6 3 6 5 10 4 8 6 13 5 10 EM1 4 8 2 4 3 6 9 18 7 14 5 10 Toelichting om het lezen van de tabel te verduidelijken zie arcering het C gehalte van het mengmnonster van de drie identiek behandelde proefveldjes waaraan geen kunstrnest is toegevoegd KMO geen drijfmest DM0 en ook geen EM EMO is in 1998 3 g kg ofwel 6 hoger dan in 1997 Zoals uit tabel 2 kan worden berekend is het C gehalte van de mengmonsters afkomstig van de proefveldjes die niet met EM zijn behandeld in 1998 gemiddeld 4 3 g kg ofwel 8 8 hoger dan in 1997 Het C gehalte van de mengmonsters afkomstig van veldjes die wel met EM zijn behandeld blijkt in 1998 gemiddeld 5 0 g kg ofwel 10 0 hoger te zijn dan in 1997 Statistische analyse F en t test toont aan dat het verschil tussen deze gemiddelde waarden 8 8 en 10 0 niet significant is Conclusie het is voor minstens 95 zeker dat EM behandeling in deze proef geen effect heeft op het C gehalte Invloed van EM op de CEC Tabel 3 geeft het verschil in de CEC gemeten in maart 1998 t o v maart 1997 Tabel 3 Resultaten grondanalyses proefveldjes Ossenkampen verschil in CEC cmol kg in maart 1998 t o v maart

    Original URL path: http://www.agriton.nl/emtechweide.html (2016-02-18)
    Open archived version from archive


  • Egeraat
    de verschillende testmonsters gebracht Resultaten van het onderzoek EM1 onverdund remt de groei van alle geteste bacteriën Schimmel en gist worden niet geremd EM1 100x verdund geen groeiremming van de geteste micro organismen EM1 onverdund verhit tot 90 Â C remt de groei van alle geteste bacteriën Schimmel en gist worden niet geremd EM1 onverdund pH gebracht op 6 50 geen groeiremming van de geteste micro organismen Conclusies De groeiremming door EM1 van de geteste bacteriën wordt veroorzaakt door de lage pH van het product t g v het in hoge conc aanwezig zijn van organische zuren vnl melkzuur Schimmels en gisten kunnen een lagere pH beter verdragen dan bacteriën Indien EM1 honderd maal wordt verdund is de remmende werking afwezig conc aan organische zuren is nu te laag Verhitting tot 90 Â C heeft geen invloed op de werking van EM1 Wanneer de pH van EM1 wordt verhoogd tot pH 6 50 is de remmende werking verdwenen De organisehe zuren zijn omgezet in hun resp zouten melkzuur bijv is omgezet in lactaat Voor het gebruik in land en tuinbouw wordt EM1 1000x verdund Dit product zal geen enkele remmende werking kunnen uitoefenen op het microbe leven in de bodem in het water of op planten Dr Ad van Egeraat Leerstoelgroep Microbiologie LU Wageningen MICRO ORGANISMEN IN EM1 Met behulp van plaattellingen en selectieve media zijn de micro organismen aanwezig in het product EM1 bepaald In het product EM1 zouden veel soorten micro organismen behorend tot 10 geslachten aanwezig moeten zijn Streptomyces sp 10 5 per ml Rhodopseudomonas Rhodobactersp 10 3 per ml Lactobacillussp 10 5 per ml Propionibacterium sp 10 5 per ml Streptococcus Lactococcus sp 10 5 per ml Streptococcus faecalis Enterococcus faecalis 10 5 per ml Aspergillus sp 10 5 per ml Mucor sp 10 5 per

    Original URL path: http://www.agriton.nl/Egeraatinter.html (2016-02-18)
    Open archived version from archive

  • EM Onderzoek op blijvend grasland
    keuze van de behandelingen is de aandacht in het bijzonder gericht op het vergelijken van de opbrengst bij toevoegen van nutriënten in de vorm van kunstmest KAS en daarnaast enige triple en kali met de opbrengst bij toevoegen van nutriënten voornamelijk als drijfmest gecombineerd met een EM behandeling Op deze vergelijking is in 1998 ook de behandeling gericht van subpercelen 6A en 6B maar nu bij een aanmerkelijk lager stikstofniveau Verder heeft subperceel 7 in 1998 ongeveer dezelfde dosis stikstof gekregen als in 1997 maar nu met een hogere verhouding KAS drijfmest Teneinde de efficiëntie van de toegevoegde nutriënten op de resp subpercelen met elkaar te kunnen vergelijken is de toegevoegde hoeveelheid N en P in de tabellen gegeven Daarbij is het gehalte aan stikstof in KAS op 27 en in drijfmest op 0 4 gesteld en fosfaat in drijfmest op 0 18 en in triple op 0 43 Het perceel op bedrijf 2 ligt op komklei en is verdeeld in vier subpercelen A t m D In de tabellen 2a 2b en 2c is de behandeling van de subpercelen en de berekende hoeveelheden toegevoegd N en P gegeven Evenals bij bedrijf 1 is ook hier de behandeling in 1997 vooral gericht op het vergelijken van de opbrengst die wordt verkregen met kunstmest ten opzichte van de opbrengst met drijfmest gecombineerd met EM behandeling Zoals tabellen 2a en 2c laten zien hebben de subpercelen A en D in 1997 dezelfde behandeling gekregen Het voordeel hiervan is dat een indruk wordt verkregen van de spreiding die ondanks een identieke behandeling van subpercelen in de resultaten kan optreden In 1998 is de aandacht bij bedrijf 2 vooral gericht op het effect op de opbrengst van drijfmest en EM behandeling in combinatie met een verlaging van de hoeveelheid KAS verlaging van de gebruikelijke 750 tot 0 kg ha Op deze wijze wordt een indruk gekregen in hoeverre verlaging van de gebruikelijke kunstmestgift gecombineerd met de EM behandeling en gebruikelijke drijfmestgift effect heeft op de opbrengst en stikstofefficiëntie Het oppervlak van de subpercelen is nauwkeurig opgemeten De behandeling van de subpercelen is door de bedrijfsvoerders zelf uitgevoerd De opbrengst aan kuilgras van eerste en tweede snede is in 1997 en in 1998 door de loonwerker op een weegbrug gemeten Analyses van het gras zijn gedaan door het BLGG te Oosterbeek Teneinde een indruk te krijgen van het effect van EM behandeling op het organische stofgehalte van de bodem zijn in het voorjaar 1997 en voorjaar 1998 grondmonsters genomen Deze zijn geanalyseerd door het Centraal Laboratorium van de vakgroep Bodemkunde en Plantevoeding van de Landbouwuniversiteit te Wageningen Resultaten De grasproduktie Boerderij 1 Subpercelen met weiden op zandgrond In de tabellen 1a en 1b is voor 1997 resp 1998 de opbrengst vermeld van de eerste en tweede snede afzonderlijk In tabel 1c worden de resultaten van 1997 geplaatst naast die van 1998 Bij de interpretatie van de resultaten is grote voorzichtigheid geboden Op de eerste plaats omdat onbekende oorzaken grote invloed kunnen hebben op de opbrengst dit wordt bij de bespreking van de resultaten van boerderij 2 nader toegelicht Verder heeft verschil in behandeling tussen kunstmest enerzijds en drijfmest anderzijds naast consequenties voor verschil in toegevoegde hoeveelheden N ook betekenis voor de toegevoegde hoeveelheid P en K Daarnaast kan een relatief hoge opbrengst in de eerste snede gevolgd worden door een relatief lage opbrengst in de tweede snede Het effect van behandeling op de opbrengst wordt daarom beoordeeld aan de opbrengsten van de eerste en tweede snede gezamenlijk gegeven in tabel 1c Tabel 1a Weiden op zandgrond bemesting en opbrengst van eerste resp tweede snede in 1997 Eerste snede Tweede snede Subperceel 6A 6B 7 6A 6B 7 Bemesting KAS kg ha Triple kg ha Kali kg ha Drijfmest m 3 ha EM L ha N toegevoegd kg ha 1 uit kunstmest uit drijfmest totaal kg N ha P toegevoegd totaal kg ha 1 400 50 50 0 0 108 0 108 22 40 0 0 17 1 11 68 79 31 125 0 0 17 1 34 68 102 31 300 50 50 0 0 81 0 81 22 40 0 0 17 1 11 68 79 31 100 0 0 17 1 27 68 95 31 Opbrengst kuilgras kg ha 2 dr stof kg ha 3 8865 1950 100 8825 2110 108 10070 2165 111 6975 2015 100 5280 1560 77 7025 1945 97 Kwaliteit dr stofgehalte 3 VEM DVE OEB 22 0 835 7 3 1 3 23 9 845 7 4 1 0 21 5 838 7 5 2 1 28 8 826 7 5 0 9 29 5 814 7 3 0 6 27 7 822 7 5 1 4 1 Teneinde de efficiëntie van de nutriënten op de resp percelen met elkaar te kunnen vergelijken is de toegevoegde hoeveelheid zuivere N en P berekend Daarbij is het gehalte aan zuivere N in KAS op 27 en in drijfmest op 0 4 gesteld zuivere P in drijfmest 0 18 en in triple op 43 2 De hoeveelheid kuilgras is gewogen bij het inkuilen 3 Het droge stofgehalte is bepaald aan monsters korte tijd na het maaien enige dagen voor het inkuilen Het droge stofgehalte van het ingekuilde gras is in werkelijkheid dus hoger dan hier opgegeven Om dezelfde reden is ook de opbrengst aan droge stof van het ingekuilde gras in werkelijkheid hoger dan hier opgegeven deze opbrengst is berekend als het produkt van de hoeveelheid ingekuild gras en het hier opgegeven droge stofgehalte De bruikbaarheid van deze resultaten wordt er echter niet door beperkt aangezien het om een onderling vergelijk gaat van het effect van de resp behandelingen op de opbrengst Tabel 1b Weiden op zandgrond bemesting en opbrengst van de eerste resp tweede snede in 1998 Eerste snede Tweede snede Subperceel 6A 6B 7 6A 6B 7 Bemesting KAS kg ha Triple kg ha Kali kg ha Drijfmest m 3 ha EM L ha Toegevoegd N kg ha 1 uit kunstmest uit drijfmest totaal kg ha Toegevoegd P totaal kg ha 1 150 50 50 0 0 41 0 41 22 50 0 0 20 2 13 80 93 36 250 0 0 20 2 67 80 147 36 150 50 50 0 0 41 0 41 22 50 0 0 0 1 13 0 13 0 250 0 0 0 1 67 0 0 0 Opbrengst dr stof kg ha 3 2195 100 2395 109 2375 108 3170 100 3380 107 3125 99 Kwaliteit dr stofgehalte 3 VEM DVE OEB 710 932 94 36 724 932 90 4 731 945 90 2 193 812 71 4 232 843 71 15 237 852 76 6 1 3 zie voetnoten na tabel 1a Opmerking het droge stof gehalte van de eerste snede was tijdens het maaien reeds zeer hoog Resultaat van de analyses van de kwaliteit van het gras zijn in de tabellen 1a en 1b vermeld Hieruit blijkt dat de verschillende behandelingen niet hebben geleid tot een duidelijk verschil in kwaliteit van het gras Tabel 1c Weiden op zandgrond bemesting en opbrengst van eerste plus tweede snede in 1997 resp van eerste plus tweede snede in 1998 1 ste 2de snede 1997 1 ste 2de snede 1998 Subperceel 6A 6B 7 6A 6B 7 Bemesting KAS kg ha Triple kg ha Kali kg ha Drijfmest m 3 ha EM L ha Toegevoegd N kg ha 1 uit kunstmest uit drijfmest totaal kg ha Toegevoegd P totaal kg ha 1 700 100 100 0 0 189 0 189 43 80 0 0 35 2 22 140 162 63 225 0 0 35 2 61 140 201 63 300 100 100 0 0 81 0 81 43 100 0 0 20 2 27 80 107 38 500 0 0 20 2 135 80 215 38 Opbrengst dr stof kg ha 3 kg dr stof per kg N toegevoegd 3965 100 21 0 3670 93 22 7 4110 104 20 4 5365 100 66 2 5780 108 54 0 5500 103 25 6 1 3 zie voetnoten na tabel 1a Zoals tabel 1c laat zien is in 1997 de droge stofopbrengst van eerste en tweede snede gezamenlijk van subperceel 7 behandeld met 35 m 3 drijfmest en EM en aangevuld met ongeveer 1 3 van de gebruikelijke hoeveelheid KAS van dezelfde orde als de opbrengst van 6A behandeld met de gebruikelijke 700 kg KAS aangevuld met Triple en Kali De droge stofopbrengst van de subpercelen houdt gelijke tred met de berekende hoeveelheid toegevoegde stikstof ongeacht of deze afkomstig is van kunstmest of drijfmest Dit komt tot uiting in de grote overeenkomst in de droge stofproduktie per kg toegevoegde stikstof zie tabel 1c laatste regel De efficiëntie van de stikstof toegevoegd met drijfmest in combinatie met EM is hier gelijk is aan die van kunstmest stikstof Zoals in tabel 1c aangegeven is in 1998 de opbrengst aan droge stof van de eerste plus tweede snede gezamenlijk het laagst op het subperceel 6A waar alleen kunstmest KAS Triple en Kali is gegeven De hoogste opbrengst heeft subperceel 6B drijfmest plus EM plus een lage gift aan KAS Verschillen in opbrengst zijn echter niet bijzonder groot Dit betekent dat voor deze subpercelen 6A en 6B ook in 1998 evenals in 1997 de efficiëntie van de stikstof toegevoegd in de vorm van drijfmest in combinatie met EM van dezelfde orde is als de efficiëntie van stikstof gegeven als kunstmest Dit blijkt ook uit de berekende opbrengst aan droge stof per kg toegevoegde stikstof zoals zie tabel 1c Interessant is om vast te stellen dat in 1998 de opbrengst van subperceel 7 niet hoger is dan van subperceel 6B ondanks dat op subperceel 7 naast eenzelfde drijfmest en EM behandeling een aanmerkelijk hogere dosis aan KAS is gegeven Door deze hoge dosis KAS is de totaal toegevoegde stikstof verhoogd van 107 naar 215 kg ha maar dat heeft hier dus niet tot een verhoging van de opbrengst geleid Resultaten Boerderij 2 Subpercelen met weiden op komklei Bemesting en opbrengst zijn gegeven in tabellen 2a en 2b en 2c In de tabellen 2a en 2b zijn voor 1997 en 1998 de gegevens vermeld welke betrekking hebben op de eerste en tweede snede afzonderlijk Tabel 2c geeft een samenvatting van de resultaten van 1997 en 1998 Tabel 2a laat zien dat er tussen subperceel A en D een beduidend verschil in de opbrengst is van zowel kuilgras als van droge stof Dit ondanks dat deze subpercelen een identieke behandeling kregen en onderdeel zijn van een perceel dat al jaren homogeen is behandeld Dit toont duidelijk aan dat onbekende oorzaken een grote invloed kunnen uitoefenen en men zeer voorzichtig moet zijn met het interpreteren van de resultaten Tabellen 2a en 2b laten verder zien dat een relatief lage opbrengst bij de eerste snede gevolgd wordt door een relatief hoge opbrengst bij de tweede snede en omgekeerd Daarom geeft de opbrengst van eerste plus tweede snede gezamenlijk zoals weegegeven in tabel 2c een beter beeld van het effect van de behandeling op de opbrengst dan resultaten van de afzonderlijke sneden In de tabellen 2a en 2b zijn ook de resultaten gegeven van de analyses van de kwaliteit van het gras Er blijkt geen groot verschil te zijn tussen de kwaliteit van het gras van de resp subpercelen Het verschil in behandeling met drijfmest kunstmest en EM heeft hier dus niet geleid tot duidelijke verschillen in de kwaliteit van het gras Tabel 2c geeft aan dat er ondanks grote verschillen in behandeling en toegevoegde hoeveelheid stikstof in 1997 geen relevante verschillen zijn in de opbrengst kuilgras en droge stof van de resp subpercelen Zo heeft subperceel B behandeld met 16 m 3 drijfmest en de gebruikelijke hoeveelheid van 700 kg KAS dezelfde opbrengst dan subpercelen A en D waaraan 36 m 3 drijfmest plus EM en geen KAS is toegevoegd Tabel 2a Weiden op komklei bemesting en opbrengst van eerste resp tweede snede in 1997 Subperceel A B C D A B C D Bemesting KAS kg ha Drijfm m 3 ha EM L ha N toegev 1 met kunstm met drijfmest totaal kg ha P 2 O 5 toegev totaal kg ha 1 0 20 1 0 80 80 36 400 0 0 108 0 108 0 150 20 1 41 80 121 36 0 20 1 0 80 80 36 0 16 1 0 64 64 29 300 16 0 81 64 145 29 100 16 1 27 64 91 29 0 16 1 0 64 64 29 Opbrengst kuilgras kg ha 2 droge stof kg ha 3 11250 79 1715 83 14330 100 2065 100 12080 84 1655 80 14670 102 2055 100 8420 122 2325 125 6920 100 1860 100 7830 113 2190 118 6250 90 1780 96 Kwaliteit dr stofgeh 3 VEM DVE OEB 153 898 86 3 7 144 885 85 6 1 137 884 85 6 2 140 868 81 4 3 276 822 81 5 1 269 850 86 6 9 280 845 85 6 4 285 843 85 6 4 1 Teneinde de efficiëntie van de nutriënten op de resp percelen met elkaar te kunnen vergelijken is de toegevoegde hoeveelheid zuivere N en P berekend Daarbij is het gehalte aan zuivere N in KAS op 27 en in drijfmest op 0 4 gesteld zuivere P in drijfmest 0 18 2 De hoeveelheid kuilgras is gewogen bij het inkuilen 3 Het droge stofgehalte is bepaald aan monsters korte tijd na het maaien enige dagen voor het inkuilen Het droge stofgehalte van het ingekuilde gras is in werkelijkheid dus hoger dan hier opgegeven Om dezelfde reden is ook de opbrengst aan droge stof van het ingekuilde gras is in werkelijkheid hoger dan hier opgegeven deze opbrengst is berekend als het produkt van de hoeveelheid ingekuild gras en het hier opgegeven droge stofgehalte De bruikbaarheid van deze resultaten wordt er echter niet door beperkt aangezien het om een onderling vergelijk gaat van het effect van de resp behandelingen op de opbrengst Tabel 2b Weiden op komklei bemesting en opbrengst van eerste resp tweede snede in 1998 Eerste snede 1998 Tweede snede 1998 Subperceel A B C D A B C D Bemesting KAS kg ha Drijfm m 3 ha EM L ha N toegev 1 met kunstm met drijfmest totaal kg ha P 2 O 5 toegev totaal kg ha 1 0 38 2 0 152 152 68 400 38 2 108 152 260 68 0 38 2 0 152 152 68 125 38 2 34 152 186 68 0 21 2 0 84 84 38 350 21 2 95 84 179 38 100 21 2 27 84 111 38 100 21 2 27 84 111 38 Opbrengst kuilgras kg ha 2 droge stof kg ha 3 8225 3965 13250 5075 12005 4250 12895 4410 11995 3395 14225 3400 14770 3855 12785 3695 Kwaliteit dr stofgeh 3 VEM DVE OEB 482 921 87 2 383 916 92 40 354 898 88 22 342 908 89 21 283 868 75 15 239 899 91 39 261 879 87 32 289 868 81 6 1 2 3 zie voetnoten na tabel 1a Tabel 2c Weiden op komklei bemesting en opbrengst van 1ste plus 2de snede in 1997 resp 1ste plus 2de snede in 1998 1ste 2de snede 1997 1ste 2de snede 1998 Subperceel A B C D A B C D Bemesting KAS kg ha Drijfm m 3 ha EM L ha N toegev 1 met kunstm met drijfmest totaal kg ha P 2 O 5 toegev totaal kg ha 1 0 36 2 0 144 144 65 700 16 0 189 64 253 29 250 36 2 68 144 212 65 0 36 2 0 144 144 65 0 59 2 0 236 236 106 750 59 2 203 236 439 106 100 59 2 27 236 253 106 225 59 2 61 236 297 106 Opbrengst kuilgras kg ha 2 droge stof kg ha 3 kg dr stof per kg N toegevoegd N overschot 4 19670 4045 103 28 23 21250 3925 100 16 135 19910 3845 98 18 97 20920 3835 97 27 29 20220 7360 87 31 15 27475 8475 100 19 184 26775 8105 96 32 10 25680 8100 96 27 54 1 2 3 zie voetnoten na tabel 1a 4 N overschot is een benadering van de wel toegevoegde maar niet door de plant opgenomen hoeveelheid stikstof Deze is als volgt berekend N overschot N toegevoegd 0 03 droge stof Evenals bij boerderij 1 zandgrond heeft in 1997 ook op deze boerderij kleigrond een subperceel behandeld met de gebruikelijke dosis KAS en lage drijfmestgift tabel 2c subperceel B dezelfde opbrengst dan de overige subpercelen welke een hogere drijfmestgift en EM behandeling kregen maar een veel lagere hoeveelheid KAS subperceel C of in het geheel geen KAS subpercelen A en D Dat de opbrengst van dit subperceel B met de gebruikelijke hoeveelheid KAS van 700 kg ha en een lage drijfmestgift van 16 m 3 niet hoger is dan de opbrengt van de overige percelen is des te opmerkelijk aangezien aan dit perceel veruit de grootste hoeveelheid stikstof is toegevoegd Uiteraard betekent dit ook dat de efficiëntie van de toegevoegde hoeveelheid stikstof op dit perceel lager is dan van de overige percelen Samenvatting van het verschil in het effect van de behandelingen in 1997 Subperceel B 700 kg KAS 16 m 3 drijfmest Opbrengst kuilgras en dr stof Efficiëntie kg dr stof kg N toegev Minas N overschot Subpercelen A C en D 36 m 3 drijfmest EM 0 tot 250 kg KAS Opbrengst kuilgras en dr stof Efficiëntie kg dr stof kg N toegev Minas N overschot In deze proef levert een relatief lage stikstofgift behandeling met drijfmest EM en weinig of geen KAS dezelfde opbrengst dan een behandeling met een veel hogere stikstofgift gegeven in de vorm van KAS en lage drijfmestgift Uiteraard is deze laatste behandeling uit oogpunt van efficiëntie en Minas ongunstiger dan de eerste In 1997 heeft subperceel B minder fosfaat en kalium heeft gekregen dan de overige

    Original URL path: http://www.agriton.nl/santfijt.html (2016-02-18)
    Open archived version from archive

  • Huidig Onderzoek
    Kempenaar AB DLO WUR 1999 Effect van EM op de bodem en bodem plant systeem Ir P J van Erp Dr G Velthof en J Nelemans NMI ism WUR 1999 Invloed van EM1 op de groei en kwaliteit van suikerbieten Ir P Wilting IRS ism Agriton 1999 Deze rapporten zullen op korte termijn op onze website te vinden zijn Meer informatie E mail info agriton nl Agriton Molenstraat 10 1

    Original URL path: http://www.agriton.nl/huidig.html (2016-02-18)
    Open archived version from archive

  • EM research in the Netherlands
    EM1 Unfortunately the heterogeneity of grassland turns out to be too high 1997 M G M Bruggenwert et al WUR and D Peters Agriton Noordwolde II 3 Influence of EM on quality and quantity of grass production on farm research Aim In order to improve insight concerning the possibities of EM technology on meadows on farm research attention will be given to the influence of EM1 on quantity and quality of grass in particular when nutrient supply will be decreased Attention is also focused on the relation between yield and the way nutrients are supplied fertilizer or cattle manure Does EM1 increase the efficiency of nutrients present in manure Methods and materials Farm 1 sandy soil A parcel divided in three subparcels about 0 6 ha each Farm 2 heavy river clay soil A parcel is divided in four subparcels about 0 5 ha each Related to the goal of this experiment in 1997 as well as in 1998 the subparcels are treated with fertilizers cattle slurry and EM1 in different ways First and second cut yield of dry matter is determined and its quality is analysed Results Farm 1 and 2 N fertilizer on one side and N cattle slurry in combination with EM1 on the other side show he same relation between production of dry matter and amount of nitrogen added Yield dry matter on subparcel treated with EM1 and usual amounts of cattle slurry and fertilizer is almost equal to the dry matter production of the subparcel treated with EM1 cattle slurry and a very small amount of fertilizer The quality of the grass is almost the same for all the treatments Yield of parcels which are treated in the same way can differ a lot Conclusions Under the prevailing conditions Nitrogen added as cattle slurry in combination with EM1 shows the same efficiency as N fertilizer Efficiency N cattle surry EM1 Efficiency N fertilizer In combination with applications of cattle slurry and EM1 the usual amount of fertilizers can strongly be decreased keeping the yield almost on the usual level This is important for farmer and environment farmer works within environmental laws The quality of grass is not influenced by addition of EM1 and the decrease in fertilizers A lot of unkown causes may influence the yield Interpretation of results from on farm research must be done very carefully Further research also under well defined conditions is important in order to improve insight of the influence of environmental conditions soil plant manure tillage etc and optimal application of EM technology 1998 M G M Bruggenwert et al WUR and D Peters Agriton Noordwolde Remark Experiment will be continued in 1999 on one farm The other farm with sandy soil uses no fertilizers anymore because of the positive effect of cattle slurry treated with EM1 II 4 Influence of EM1 on chlorophyl fluorescence Aim Experiences show that EM1 has a positive effect on the vitality of plants use of sunlight energy should be increased This experiment focuses the attention on the influence of EM1 on the photosynthetic acitivity of plants Methods and materials Photosynthetic activity is measured with the EARS Plant Photosynthesismeter PPM Measurements are made on four locations three with grass and one with maize Eight parcels are involved four with and four without EM1 treatment In order to have statisitical evidence thirty measurements are made on each parcel Measurements are made within one day Results Table Mean PPM values measured on the eight parcels Location Plant PPM value with EM1 without EM1 1 grass 78 6 Â 1 2 59 0 Â 1 2 2 grass 63 4 Â 0 6 59 0 Â 0 6 3 grass 71 4 Â 0 8 57 3 Â 1 3 4 maize 53 8 Â 0 8 36 2 Â 2 1 Conclusions EM1 treated parcels show a statistical significant higher photosynthetic activity than the parcels without EM1 Visual observable differences quality of sod length of maize etc correspond with differences measured in PPM values During the growing season more measurements are necessary to see to what degree these differences are representative for the whole season Besides the EM1 treatment other factors can have influenced the differences in PPM values N fertilizers was added to all the parcels except those parcels treated with EM1 on location 1 3 and 4 1998 Dr D Ketel Dept Agro Biology WUR II 5 Application of EM1 in Horticulture Aim In 1999 Agriton initiates application of EM technology in horticulture In the Netherlands horticulture which is very important from economical point of view struggles a lot on one side there is a fast increase in the occurrence of diseases and pests while on the other side environmental laws limit the application of pesticides in an increasing degree To what extent can EM technology helps the market gardeners Methods and materials About 15 market gardeners are involved in this experiment EM1 and bokashi are added to the soil EM1 is sprayed These market gardeners strongly decrease the use of pesticides in their greenhouses Results The experiment is still going on First results are interesting Some examples One market gardener couldnâ t grow tulips anymore because of pythium After application of bokashi and EM1 he could grow tulips again very well Young plant cuttings root much better in potsoil which is treated with EM1 In certain greenhouses the impact of pests is almost zero when EM1 is sprayed weekly usual spray of pesticides is not necessary However in another greenhouse plants are still covered with pests in spite of the use of EM1 EM1 sprayed weekly improved the growth of young cuttings Addition of bokashi to potsoil needs more attention The potsoil used was not prepared in the proper way Moreover attention must be given to the nutrient supply in relation to the need of the plants Conclusion Based on the first results most of the market gardeners who become acquainted with EM technology are very enthusiast and will continue with this technology

    Original URL path: http://www.agriton.nl/higareview.html (2016-02-18)
    Open archived version from archive

  • Proceedings
    advocated in the United States by many farmers researchers politicians consumers and environmentalists We believe that it is also appropriate but somewhat ironic that many of the advanced agricultural technologies including mechanization fertilizers pesticides monoculture cropping systems and high yielding varieties were developed in the USA and were heralded as the ultimate means of feeding an expanding world population However they essentially failed to do so because the farming systems comprised of these technologies were neither economically nor environmentally sustainable In some cases they were neither soically nor politically sustainable Fourth International Conference Kyusei Nature Farming Held at The Hotel Sofitel Saint Jacques Paris France June 19 21 1995 The Green Revolution of the l960 s demonstrated the production potential that could be achieved from high yielding crop cultivars especially rice and wheat grown mainly in monoculture systems with large and costly inputs of chemical fertilizers pesticides and irrigation water and on the most fertile and productive soils available In view of the dramatic yield increases that were possible Green Revolution technologies were soon adopted by both developing and developed countries alike Unfortunately the widespread acceptance of this heralded panacea often occured with vitual neglect and abandonment of proven soil conservation practices and environmentally sound farming methods Fifth International Conference Kyusei Nature Farming Held at Embassy Suites Windsor Palace Bangkok Thailand 23 26 October 1997 A significant achievement in the agricultural sectors of the world over the past few decades was the rapid increase in food production which in many instances was greater than the growth of populations However this success was based on the development of intensive agricultural systems and the exploitation of fragile ecosystems which are not sustainable over time This phenomenon has led to the problems of modern agriculture which are based on the lack of sustainability of production systems over time and the rapid pollution of the environment First Conference on Effective Microorganisms EM Proceedings of this Conference are not longer available Second Conference on Effective Microorganisms EM Held at Kyusei Nature Farming Center Saraburi Thailand 17 19 November 1993 From the papers presented it is evident that EM technology has a great future in the production of healthy and quality food free from dangerous agricultural chemicals Particularly the introduction of EM5 has enabled farmers to find subvstitutes to the dangerous pesticides used to control pests and diseases For the first time results on animal production were discussed Hopefully more research along this line will be taken up so that the future generation can have chemical free food both from crop and animal sources Third Conference on Effective Microorganisms EM Held at Kyusei Nature Farming Center Saraburi Thailand 16 19 November 1994 This annual conference enables many scientists especially those who are new to this subject to bring forward their findings to be discussed together with findings from other countries As evident from this third conference more countries are involved in EM research and development compared to the first two conferences While some countries are quite

    Original URL path: http://www.agriton.nl/proceed.html (2016-02-18)
    Open archived version from archive

  • Gesunde und sichere Nahrung
    auf Basis von Oxydation der DNS erklärt werden Über Krankheiten und Immunität wurde viel geforscht Es ist noch nicht ausreichend bekannt daß Immunität und Antioxydation zusammengehören Es wird immer deutlicher daß die Immunität gegen Krankheiten las Altern und die Vitalität lebendiger Organismen von der Fähigkeit zur Bildung von Antioxydantien abhängig ist Oxydative Substanzen INHALT Alle Stoffe die als Verschmutzer gekennzeichnet werden sind stark oxydativ Selbst kleine Mengen dieser Substanzen sind in der Lage große Mengen freier Radikale zu produzieren Chemische Pflanzenschutzmittel Kunstdünger aggressive Reinigungsmittel chemische Unkrautvertilger Nahrungsadditive Auspuffgase von Verkehr und Industrie organische Abfälle und andere gefaulte Substanzen wie tierischer Mist Gülle usw sind alle Produzenten von Oxydation Wenn das Problem der Umweltverschmutzung nicht gelöst wird dann wird auch das Problem der Oxydation nicht gelöst wodurch auch die Ursache der belasteten und ungesunden Nahrungsmittel nicht beseitigt wird In der Natur gibt es zwei Prozesse nämlich der des Aufbaus und der des Abbaus des Lebens Weil man von Mikroorganismen weiß daß sie in der Lage sind Stoffe abzubauen erwecken diese Organismen den Eindruck daß sie nur mit dem Abbauprozeß beschäftigt sind Jedoch wenn man den Aufbauprozeß näher betrachtet dann sind die Mikroorganismen sehr wohl mit der Synthese von organischen Substanzen beschäftigt Die Kraft dieses Aufbauprozesses liegt im antioxydativen Vermögen und im Immunsystem der lebenden Substanzen Oxyde und bestimmte Mikroorganismen die eine schnelle Oxydation und Dekomposition bewirken sind die Verursacher des Abbauprozesses Fig 6 gibt einen Überblick der Relation zwischen dem Abbau und Aufbauprozeß Mikroorganismen sind die kleinsten Lebewesen unsichtbar für das bloße Auge Der Anfang von Abbau und oder Aufbau wird von Mikroorganismen bestimmt So wie in Fig 6 angegeben produzieren die meisten Mikroorganismen die den Aufbau bewirken Antioxydantien Beispiele derartiger Mikroorganismen sind Milchsäurebakterien Photosynthesebakterien Hefen Pilze und grampositive Aktinomyceten Antioxydantien sind Substanzen die freie Radikale bremsen Es gibt verschiedene Arten von Antioxydantien wie mehrere organische Säuren Ester Enzyme Proteine und Polysaccharide Ihre Rolle ist jedoch noch nicht vollkommen klar Die nützlichen Mikroorganismen fördern den Aufbauprozeß wobei Antioxydantien produziert werden Die schädlichen Mikroorganismen fördern den Abbauprozeß wobei Oxydantien gebildet werden die freie Radikale produzieren können Mikroorganismen und der Boden INHALT Mikroorganismen sind lebendige Wesen die sehr schnell auf Änderungen in ihren Lebensumständen reagieren Die Zusammensetzung und die Population der Mikroorganismen in den Böden kultivierter Flächen sind nicht zu vergleichen mit denen der Bodenflora in unkultivierten Böden Landwirtschaftliche Aktivitäten wie Bodenbearbeitung Unkrautvertilgung Bewässerung Monokulturen und Kunstdüngeraufwand haben großen Einfluß auf die Lebensumstände der Mikroorganismen im Boden Die Fortpflanzung der Mikroorganismen in der freien Natur ist verschieden Die aeroben Bakterien werden ganz einfach durch die Luft transportiert die anaeroben dagegen haben größere Probleme sich zu bewegen und vermehren sich auch bedeutend langsamer Fig 3 Stickstoffbindende Mikroorganismen INHALT Symbiotisch Wichtigste Mikroorganismen Algen Anabena Nostoc leben in Symbiose mit Azolla Aktinomyceten Frankia lebt in Symbiose mit Erlen Bakterien Rhizobium leben in Symbiose mit Leguminosen Unabhängig Aerobe Algen Anabena Nostoc sp Azotobacter Azotobacter sp Methanoxydierende Bakterien Methylomonas sp Schwefelbakterien Thiobacillus thiooxidans Aerobe Photosynthesebakterien Erythrobacter longus Mikro aerofile Kreisförmige Bakterien mit Endosporen Bacillus Polymyxa Darmbakterien Klebsiella Pneumonia

    Original URL path: http://www.agriton.nl/embros.html (2016-02-18)
    Open archived version from archive



  •