archive-nl.com » NL » B » BELASTINGCOLLECTIEF.NL

Total: 1024

Choose link from "Titles, links and description words view":

Or switch to "Titles and links view".
  • Geruisloze terugkeer (art 14c Wet Vpb) & standaardvoorwaarden - Belasting Collectief Nederland
    ontbinden vennootschap al dan niet met zijn partner of een van de bloed of aanverwanten in de rechte lijn van de aandeelhouder of zijn partner voor ten minste eenderde gedeelte onmiddellijk of middellijk is gerechtigd geacht te zijn aangegaan ter financiering van de aandelen in de vervreemdende rechtspersoon Toelichting Indien de voortzettende aandeelhouder de verwerving van de aandelen in de vennootschap financiert met vreemd vermogen is de verschuldigde rente op deze schuld in box 2 inkomen uit aanmerkelijk belang aftrekbaar als kosten van reguliere voordelen Voorzover deze schuld verband houdt met de onderneming die door de aandeelhouder wordt voortgezet zal zij indien geen nadere voorwaarde wordt gesteld bij of als gevolg van de ontbinding van de vennootschap kunnen gaan behoren tot het vermogen van de onderneming die door de aandeelhouder wordt voortgezet Hierdoor kan de verhouding aanzienlijk wijzigen tussen het werkzame eigen vermogen en vreemde vermogen waarmee de onderneming voorafgaand aan de geruisloze terugkeer en na deze terugkeer is gefinancierd Voorzover de aandelen zijn verkregen van een met de voortzettende aandeelhouder gelieerde vennootschap leidt deze wijziging tot een resultaat dat niet verenigbaar is met doel en strekking van de geruisloze terugkeer Door de verwerving van de aandelen tegen een tegenprestatie van een gelieerde vennootschap wordt bij deze gelieerde vennootschap namelijk vermogen liquide gemaakt dat vervolgens aan de aandeelhouder als dividend kan worden uitgekeerd De voorwaarde beoogt te voorkomen dat in de onderneming werkzaam eigen vermogen wordt vervangen door vreemd vermogen met renteaftrek in box 1 terwijl het voordeel uit het vrijgemaakte eigen vermogen van de gelieerde vennootschap na uitkering wordt belast tegen het tarief van box 3 b Financiering onderneming verkrijging van gelieerde vennootschap Schulden ter financiering van de verwerving van vermogensbestanddelen door de vennootschap in de drie jaren voorafgaande aan het overgangstijdstip aangegaan worden indien de vermogensbestanddelen zijn verworven van een rechtspersoon waarin de aandeelhouder van de te ontbinden vennootschap al dan niet met zijn partner of een van de bloed of aanverwanten in de rechte lijn van de aandeelhouder of zijn partner ten tijde van de verwerving voor ten minste eenderde gedeelte onmiddellijk of middellijk is gerechtigd geacht op het overgangstijdstip te zijn aangegaan door de aandeelhouder ter financiering van de aandelen in de vervreemdende rechtspersoon Toelichting Indien de vennootschap de verwerving van de onderneming financiert met een lening bijvoorbeeld bij een dochtermaatschappij ontstaat de situatie dat de lening na het overgangstijdstip tot het vermogen van de voortgezette onderneming gaat behoren De met deze opzet bereikte structuur dient op dezelfde wijze te worden behandeld zoals geschiedt in voorwaarde 1 en 2 onder a In die voorwaarden wordt geregeld dat de lening die door de voortzettende aandeelhouder is aangegaan ter verkrijging van de vermogensbestanddelen of de aandelen in de deelneming waarvan de onderneming daarna wordt voortgezet met toepassing van artikel 14c Wet Vpb bij fictie gaat behoren tot box 3 de situatie bij voorwaarde 1 dan wel box 2 de situatie bij voorwaarde 2a De voorwaarde beoogt gelijk de eerder genoemde voorwaarden te voorkomen dat in de onderneming werkzaam eigen vermogen wordt vervangen door vreemd vermogen met renteaftrek in box 1 terwijl het voordeel uit het vrijgemaakte vermogen van de gelieerde vennootschap na uitkering belast wordt tegen het tarief van box 3 In de voorwaarde wordt geregeld dat de schuld die is aangegaan door de vennootschap ter verwerving van de onderneming bij fictie wordt aangemerkt als aangegaan door de aandeelhouder ter financiering van de aandelen in de vervreemdende rechtspersoon 4 3 Derde standaardvoorwaarde Toerekening van de passiva van de vennootschap Indien en voorzover een gedeelte van de activa van de vennootschap niet kan gaan behoren tot het vermogen van de onderneming die door de aandeelhouder wordt voortgezet en dit gedeelte tevens geen functie vervult ter dekking van verplichtingen en voorzieningen van de vennootschap die naar hun aard niet kunnen gaan behoren tot het vermogen van de onderneming die door de aandeelhouder wordt voortgezet wordt dit gedeelte van de activa geacht te zijn gefinancierd met de schulden van de vennootschap Voor de toerekening van de schulden aan dit gedeelte van de activa worden schulden met het hoogste rentepercentage als eerste in aanmerking genomen Bij de toerekening worden de activa gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer Voor de toepassing van de voorwaarde worden dividenduitkeringen welke hebben plaatsgevonden in de aan het overgangstijdstip voorafgaande drie jaren op het moment onmiddellijk voorafgaand aan het overgangstijdstip bij fictie tot het bruto bedrag aangemerkt als activa welke geen functie vervullen binnen de onderneming die wordt voortgezet Voor de toepassing van de voorwaarde hoeft geen rekening te worden gehouden met dividenden die zijn uitgekeerd voor de dagtekening van dit besluit Het voorgaande geldt eveneens met betrekking tot terugbetaling van op aandelen gestort kapitaal onder vermindering van de nominale waarde van de desbetreffende aandelen bij statutenwijziging plaatsgevonden binnen drie jaren voorafgaand aan het overgangstijdstip Toelichting Bij de geruisloze terugkeer moet worden beoordeeld welke schulden zijn toe te rekenen aan de onderneming die door de aandeelhouder wordt voortgezet In de voorwaarde is gekozen voor een fictieve toerekening van de schulden De voorwaarde bepaalt dat de schulden worden toegerekend aan de onderneming die wordt voortgezet tenzij de vennootschap tevens bezittingen heeft die niet kunnen gaan behoren tot de onderneming van de voortzettende aandeelhouder bijvoorbeeld beleggingen en overtollige liquiditeiten die geen functie in de onderneming vervullen De fictieve toerekening van de schulden is ingegeven door het verschil in aftrekbaarheid van de rentelasten bij de voortzettende aandeelhouder Indien schulden worden toegerekend aan de onderneming die door de aandeelhouder wordt voortgezet is de rente op deze schulden aftrekbaar in box 1 Schulden die verband houden met vermogensbestanddelen die niet kunnen gaan behoren tot de onderneming die wordt voortgezet worden of door de vennootschap in de ontbindingsfase afgelost of door de aandeelhouder als onderdeel van de liquidatie uitkering overgenomen Indien de schulden door de aandeelhouder worden overgenomen worden zij nadat zij als onderdeel van de liquidatie uitkering zijn uitgekeerd onderdeel van de rendementsgrondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in box 3 en zijn de rentelasten niet voor het werkelijke bedrag aftrekbaar De schulden van de vennootschap die niet kunnen gaan behoren tot de onderneming die wordt voortgezet zijn te verdelen in twee categorieën De eerste categorie betreft de verplichtingen van de vennootschap die naar hun aard niet tot de onderneming van de voortzettende aandeelhouder kunnen gaan behoren zoals pensioen en lijfrenteverplichtingen en schulden die door vermenging teniet gaan De tweede categorie betreft de schulden van vennootschap die geen verband houden met de onderneming die door de aandeelhouder wordt voortgezet Door de voorwaarde vindt toerekening van de beide categorieën fictief plaats Met de fictieve toerekening wordt beoogd de financieringslasten van de vennootschap op praktische wijze in redelijkheid toe te rekenen aan de onderneming en de beleggingen Hierdoor wordt voorkomen dat in de onderneming werkzaam eigen vermogen wordt vervangen door vreemd vermogen met renteaftrek in box 1 terwijl het voordeel uit het overige niet ondernemingsgebonden eigen vermogen van de vennootschap na liquidatie wordt belast tegen het tarief van box 3 De fictieve toerekening is in de voorwaarde als volgt vormgegeven Ten eerste wordt beoordeeld of de activa van de vennootschap een functie vervullen binnen de onderneming die door de aandeelhouders wordt voortgezet Indien dit het geval is worden alle schulden van de vennootschap voorzover mogelijk toegerekend aan de onderneming die door de aandeelhouder wordt voortgezet Indien een gedeelte van de activa geen functie vervult binnen de onderneming die door de aandeelhouder wordt voortgezet wordt vervolgens beoordeeld of dit gedeelte dient ter dekking van verplichtingen en voorzieningen van de vennootschap die niet kunnen gaan behoren tot de onderneming die door de aandeelhouder wordt voortgezet Ook in dat geval worden alle schulden van de vennootschap voorzover mogelijk toegerekend aan de onderneming die door de aandeelhouder wordt voortgezet Indien een gedeelte van de activa noch behoort tot het vermogen van de onderneming die wordt voortgezet noch dient ter dekking van verplichtingen en voorzieningen van de vennootschap die niet kunnen gaan behoren tot het vermogen van de onderneming worden de rentedragende schulden van de vennootschap geacht te dienen ter financiering van dit gedeelte van de activa Bij deze toerekening wordt de waarde in het economische verkeer van de activa in aanmerking genomen De voorwaarde bepaalt dat de schuld met het hoogste rentepercentage het eerst in aanmerking wordt genomen De fictieve toerekening van het vreemde vermogen van de vennootschap voorkomt discussie in de uitvoeringspraktijk over de aanvaardbaarheid van de bij de geruisloze terugkeer in aanmerking genomen methode van toerekening van het vreemde vermogen De uitkomst is redelijk te noemen aangezien de vennootschap de niet ondernemingsgebonden bezittingen kan aanwenden om de hier aan toegerekende schulden direct af te lossen Voorbeeld BW WEV BW WEV Bedrijfsmiddelen 160 180 Eigen vermogen 160 190 Beleggingspand 80 90 Pensioen aandeelhouder 60 60 Liquide middelen 100 100 Milieuvoorziening 30 30 Crediteuren 20 20 Lening 8 10 10 Lening 6 40 40 Lening aandeelhouder 20 20 Toerekening op grond van voorwaarde Stap 1 Vervullen de activa een functie binnen de onderneming die wordt voortgezet De bedrijfsmiddelen vervullen naar hun aard een functie binnen de onderneming Tot de vermogensbestanddelen van de onderneming die wordt voortgezet behoren de volgende passiva Milieuvoorziening 30 Crediteuren 20 Totaal 50 Van het totaal van de liquide middelen en het beleggingspand ad 190 wordt 50 toegerekend aan de onderneming die wordt voortgezet Resteert 140 niet ondernemingsgebonden activa Stap 2 Dienen de niet ondernemingsgebonden activa ter dekking van verplichtingen en voorzieningen van de vennootschap die naar hun aard niet tot het ondernemingsvermogen kunnen gaan behoren De volgende passiva kunnen naar hun aard niet gaan behoren tot het vermogen van de onderneming die wordt voortgezet Pensioenvoorziening 60 Lening aandeelhouder 20 Totaal 80 Van het resterende gedeelte van de beleggingen en liquide middelen ad 140 dient 80 ter dekking van verplichtingen en voorzieningen die niet kunnen gaan behoren tot het vermogen van de onderneming die wordt voortgezet Na deze toerekening resteert aan niet gebonden activa 60 Stap 3 De schulden van de vennootschap worden toegerekend aan het resterende gedeelte van de niet gebonden activa waarbij de schulden met het hoogste rentepercentage als eerste in aanmerking worden genomen In het voorbeeld wordt het gehele bedrag aan schulden ad 50 toegerekend aan de niet gebonden activa ad 60 De rentedragende schulden gaan derhalve niet behoren tot de vermogensbestanddelen van de onderneming van de voortzettende aandeelhouder BW WEV BW WEV Beleggingspand 80 90 Eigen vermogen 0 10 Liquide middelen 50 50 Pensioen dga 60 60 Lening 8 10 10 Lening 6 40 40 Lening dga 20 20 De vennootschap draagt de pensioenverplichting over aan een kwalificerende verzekeraar De schuld van de vennootschap aan de voortzettende aandeelhouder gaat door vermenging teniet De liquidatie uitkering door de vennootschap anders dan de voortzetting van de onderneming als bedoeld in artikel 4 16 vijfde lid Wet Vpb bedraagt 10 veronderstellende dat er gedurende de vereffening geen resultaten meer worden behaald Deze wordt op reguliere wijze in de aanmerkelijkbelangheffing betrokken en vervolgens betrokken in de grondslag van box 3 Gelet op de mogelijkheid tot het ontgaan van met de voorwaarde beoogde gevolgen dienen dividenduitkeringen gedaan in de drie jaren voorafgaand aan het overgangstijdstip bij fictie tot het bruto bedrag te worden aangemerkt als op het moment onmiddellijk voorafgaand aan het overgangstijdstip aanwezige activa die geen functie kunnen vervullen binnen de onderneming die wordt voortgezet Hierdoor vindt de kwalificatie van de schulden als bedoeld in de derde voorwaarde plaats alsof de dividenduitkeringen niet waren gedaan Er geldt een overgangsmaatregel voor dividenduitkeringen die zijn gedaan voor de dagtekening van dit besluit Het voorgaande geldt eveneens met betrekking tot terugbetaling van op aandelen gestort kapitaal onder vermindering van de nominale waarde van de desbetreffende aandelen bij statutenwijziging plaatsgevonden binnen drie jaren voorafgaand aan het overgangstijdstip 4 4 Vierde standaardvoorwaarde Ontbindingstermijn De vennootschap verstrekt binnen drie maanden na de dagtekening van de beschikking waarvan deze voorwaarden onderdeel uitmaken een uittreksel uit de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven waaruit het ontbindingsbesluit blijkt als bedoeld in artikel 19 eerste lid onder a Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek aan de voor de heffing van de vennootschapsbelasting bevoegde Inspecteur In bijzondere gevallen kan deze termijn op verzoek door de Inspecteur worden verlengd Toelichting Bij toepassing van de faciliteit van de geruisloze terugkeer wordt de winst vrijgesteld die bij of als gevolg van de ontbinding van de vennootschap tot uitdrukking komt De ontbinding van de vennootschap is een absoluut vereiste voor toepassing van de faciliteit Uit het verzoek om toepassing van de faciliteit dat door de vennootschap en al haar aandeelhouders is ingediend blijkt de intentie tot ontbinding van de vennootschap De voorwaarden die worden gesteld aan het toepassen van de faciliteit van de geruisloze terugkeer kunnen belanghebbenden aanleiding geven alsnog af te zien van de ontbinding van de vennootschap Nadat de voorwaarden kenbaar zijn gemaakt waaronder de terugkeerfaciliteit wordt verleend is er geen aanleiding het ontbindingsbesluit langer uit te stellen De voorwaarde stelt een termijn van drie maanden waarbinnen het bewijs van inschrijving van het ontbindingsbesluit in het handelsregister aan de voor de heffing van de vennootschapsbelasting bevoegde Inspecteur wordt verstrekt De Inspecteur is bevoegd in bijzondere gevallen deze termijn te verlengen Van een bijzondere omstandigheid in dit kader is sprake indien de oorzaak van de termijnoverschrijding buiten de beïnvloedingssfeer van de vennootschap en of de voortzettende aandeelhouder ligt Met de voorwaarde wordt een beperking gesteld aan de termijn die verstrijkt tussen de fiscaal begeleide overgang van de heffing van vennootschapsbelasting naar de heffing van inkomstenbelasting en de ontbinding van de vennootschap 4 5 Vijfde standaardvoorwaarde Vereffeningstermijn De vennootschap verstrekt binnen negen maanden na de dagtekening van de beschikking waarvan deze voorwaarden onderdeel uitmaken een uittreksel uit de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven waaruit de opgaaf blijkt van de beëindiging van de vereffening als bedoeld in artikel 19 zesde lid Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek aan de voor de heffing van de vennootschapsbelasting bevoegde Inspecteur In bijzondere gevallen kan deze termijn op verzoek door de Inspecteur worden verlengd Toelichting De ontbinding van de vennootschap wordt voltooid door de beëindiging van de vereffening van de vennootschap Alle bezittingen en schulden van de vennootschap zijn aan het einde van deze fase vereffend Ook de vermogensbestanddelen die niet gaan behoren tot de onderneming die door de aandeelhouders wordt voortgezet zijn door de vennootschap overgedragen De winst die bij de overdracht van deze vermogensbestanddelen is gerealiseerd is niet vrijgesteld op grond van artikel 14c Wet Vpb en zal in de belastingheffing worden betrokken Dit geldt ook voor de heffing van het inkomen uit aanmerkelijk belang over de vermogensbestanddelen van de vennootschap die niet gaan behoren tot de onderneming van de voortzettende aandeelhouder Het stellen van een termijn aan de vereffening voorkomt vertraging in de liquidatie van de vennootschap en hiermee uitstel in de belastingheffing De Inspecteur is bevoegd in bijzondere gevallen de termijn te verlengen Van een bijzondere omstandigheid in dit kader is sprake indien de oorzaak van de termijnoverschrijding buiten de beïnvloedingssfeer van de vennootschap en of de voortzettende aandeelhouder ligt 4 6 Zesde standaardvoorwaarde Aansprakelijkheid voortzettende aandeelhouder voor vennootschapsbelasting De voortzettende aandeelhouder betaalt als ware het zijn eigen schuld op vordering van de ontvanger aanslagen vennootschapsbelasting voorzover de te betalen belasting betrekking heeft op het alsnog in de heffing van vennootschapsbelasting betrekken van winst die met toepassing van artikel 14c Wet Vpb bij de vennootschap eerder niet in aanmerking is genomen De eerste volzin is slechts van toepassing indien de vennootschap niet aan deze verplichtingen voldoet De betaling van deze belastingbedragen is uitgesloten van aftrek bij het bepalen van de winst uit de voortgezette onderneming Indien de vennootschap meer aandeelhouders heeft bedraagt de vordering per aandeelhouder ten hoogste het gedeelte dat overeenkomt met de verhouding tussen zijn gerechtigdheid in de vennootschap en de totale gerechtigdheid in de vennootschap Toelichting Vanaf het overgangstijdstip wordt winst uit de onderneming van de vennootschap die door de aandeelhouder wordt voortgezet bij de voortzettende aandeelhouder in de inkomstenbelastingheffing begrepen Na het afgeven van de beschikking kan alsnog bijvoorbeeld door overschrijding van de termijn van ontbinding of vereffening blijken dat de terugkeerfaciliteit van artikel 14c Wet Vpb niet van toepassing is Ook indien op een later tijdstip blijkt dat de overdracht van de onderneming door de vennootschap aan de voortzettende aandeelhouder onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op overdracht of liquidatie van de voortgezette onderneming kan de faciliteit worden teruggenomen In deze gevallen wordt de vennootschap alsnog belasting verschuldigd over de winst die bij of als gevolg van de ontbinding tot uitdrukking komt en over de winst die de voortzettende aandeelhouder heeft behaald na het overgangstijdstip maar voorafgaande aan de feitelijke overdracht van de onderneming Door de voortzettende aandeelhouders op vordering van de ontvanger te verplichten alsnog de verschuldigde vennootschapsbelasting te betalen wordt de invordering van de vennootschapsbelasting zekergesteld die zou zijn geheven indien de faciliteit niet was toegepast 4 7 Zevende standaardvoorwaarde Toerekening te verrekenen verlies aan meer dan één voortzettende aandeelhouder Indien de vennootschap meer dan één aandeelhouder heeft worden verliezen als bedoeld in artikel 14c derde lid Wet Vpb aan de aandeelhouders toegerekend naar rato van het belang van een ieder in de vennootschap Toelichting De verliezen van de vennootschap kunnen met toepassing van artikel 14c derde lid Wet Vpb worden aangemerkt als verliezen van de aandeelhouder die de onderneming voortzet Indien de onderneming door meer aandeelhouders wordt voortgezet bepaalt artikel 14c zesde lid Wet Vpb dat in een voorwaarde wordt bepaald dat de verliezen worden toegerekend naar rato van het belang van een ieder der voortzettende aandeelhouders in de vennootschap Gelet op doel en strekking van de terugkeerfaciliteit moet tussen de voortzettende aandeelhouders de verhouding in de gerechtigdheid tot de voortgezette onderneming gelijk zijn aan de verhouding in de indirecte gerechtigdheid tot de vennootschap die zij voorafgaande aan de overdracht in de voortgezette onderneming hadden 4 8 Achtste standaardvoorwaarde Vervreemdingsverbod aandelen Op of na het overgangstijdstip worden geen aandelen in de vennootschap uitgegeven of vervreemd Onder het vervreemden van aandelen wordt mede verstaan het vervreemden van claims het verlenen van een koopoptie het inkopen van eigen aandelen door de vennootschap het afstempelen van aandelenkapitaal een verdeling van de gemeenschap waartoe de aandelen behoren het van rechtswege worden van aandeelhouder in een andere vennootschap ingeval de vennootschap ophoudt te bestaan en het vermogen van de vennootschap onder algemene titel overgaat op de andere vennootschap ook als de aandeelhouder van rechtswege houder wordt van rechten op aandelen in of schuldvorderingen op de andere vennootschap wijziging van de tenaamstelling van op naam gestelde aandelen Toelichting De gecombineerde belastingclaim over de stille en fiscale reserves bij de vennootschap en over het inkomen uit aanmerkelijk belang bij de voortzettende aandeelhouder wordt naar de situatie op het overgangstijdstip omgezet in een enkelvoudige claim op de belastbare winst uit onderneming bij de voortzettende aandeelhouder Dit wordt gerealiseerd door enerzijds op de openingsbalans van de voortgezette onderneming de vermogensbestanddelen voor de boekwaarde op te nemen en anderzijds het opnemen van een terugkeerreserve als bedoeld in artikel 3 54a Wet IB 2001 op deze openingsbalans Door een mutatie in de gerechtigdheid tot de vennootschap op of na het overgangstijdstip wordt het onmogelijk om binnen de wettelijke systematiek op een juiste wijze de fiscale claims te behouden Daarom wordt in de voorwaarde een verbod op dergelijke mutaties gesteld 4 9 Negende standaardvoorwaarde Negatieve stille reserves Indien de gezamenlijke waarde in het economische verkeer van de vermogensbestanddelen waarmee de onderneming van de vennootschap door de aandeelhouder wordt voortgezet lager is dan de boekwaarde van deze vermogensbestanddelen worden de vermogensbestanddelen op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan het overgangstijdstip te boek gesteld op de waarde in het economische verkeer Toelichting Van vrij te stellen winst bij of als gevolg van de ontbinding van de vennootschap is geen sprake indien bij de vennootschap de gezamenlijke waarde in het economische verkeer van de vermogensbestanddelen waarmee de onderneming door de aandeelhouders wordt voortgezet lager is dan de gezamenlijke boekwaarde Toch kan er in deze gevallen een belang bestaan bij toepassing van artikel 14c Wet Vpb De vrijstelling van artikel 4 42a Wet IB 2001 in het aanmerkelijkbelangregime bijvoorbeeld kan uitsluitend worden verkregen indien de vennootschap met toepassing van artikel 14c Wet Vpb is ontbonden Ook indien de vennootschap aanspraak kan maken op voorwaartse verrekening van verliezen wordt dit verliessaldo binnen de kaders van artikel 14c derde lid Wet Vpb gedeeltelijk aangemerkt als ondernemingsverlies van de voortzettende aandeelhouder Dit verlies is op grond van artikel 3 150 achtste lid Wet IB 2001 uitsluitend verrekenbaar met winst uit de onderneming die door de aandeelhouder wordt voortgezet De voornoemde wettelijke beperking in de mogelijkheid tot verliesverrekening op grond van artikel 3 150 achtste lid Wet IB 2001 voor de verliezen die met toepassing van de faciliteit van de geruisloze terugkeer als ondernemingsverlies van de voortzettende aandeelhouder worden aangemerkt geeft aanleiding een nadere voorwaarde te stellen in de situatie waarin in de vermogensbestanddelen van de onderneming die door de aandeelhouder wordt voortgezet latente verliezen in de vorm van een negatieve stille reserve schuilen Zonder nadere voorwaarde wordt het latente verlies doorgeschoven naar de onderneming van de voortzettende aandeelhouder Indien dit verlies vervolgens bij de voortzettende aandeelhouder tot uitdrukking komt is de beperking in de verrekeningsmogelijkheid van artikel 3 150 achtste lid Wet IB 2001 hierop niet van toepassing Een verschil in de behandeling van latente verliezen en verrekenbare verliezen van de vennootschap is niet te rechtvaardigen In de voorwaarde is daarom de herwaardering van de vermogensbestanddelen direct voorafgaande aan het overgangstijdstip verplicht gesteld indien de waarde in het economische verkeer van de vermogensbestanddelen die gaan behoren tot de onderneming die door de aandeelhouder wordt voortgezet lager is dan de boekwaarde van deze vermogensbestanddelen De voorwaarde is niet van toepassing indien en voorzover een negatieve stille reserve in een individueel vermogensbestanddeel wordt gecompenseerd door positieve stille reserves in de overige vermogensbestanddelen die gaan behoren tot de onderneming van de voortzettende aandeelhouder Indien de voorwaarde van toepassing is wordt door de verplichte herwaardering van de vermogensbestanddelen het latente verlies omgezet in een regulier verlies van de vennootschap voorafgaande aan de geruisloze terugkeer Voorzover dit verlies op grond van artikel 14c derde lid Wet Vpb wordt aangemerkt als ondernemingsverlies van de aandeelhouder die de onderneming voortzet is dit op grond van artikel 3 150 achtste lid Wet IB 2001 uitsluitend verrekenbaar met de winst uit de voortgezette onderneming 4 10 Tiende standaardvoorwaarde Aandelen in een huwelijksgemeenschap Indien de aandelen in de vennootschap tot een huwelijksgemeenschap behoren en de gezamenlijke gerechtigdheid in de onderneming van de vennootschap niet door beide partners in gelijke delen wordt voortgezet wordt het ter zake van de ontbinding van de vennootschap gerealiseerde vervreemdingsvoordeel als bedoeld in artikel 4 34 vierde lid Wet IB 2001 geacht te zijn genoten in de verhouding tussen het door elk der partners voortgezette gedeelte van de onderneming van de vennootschap en het totaal van deze gedeelten Voor de toepassing van artikel 3 54a derde lid Wet IB 2001 wordt in situaties als bedoeld in de eerste volzin verstaan onder aandeel van de belastingplichtige in de vennootschap het aandeel dat door de desbetreffende partner wordt voortgezet Toelichting Indien aandelen in een vennootschap vallen in een huwelijksgemeenschap zijn beide echtelieden gerechtigd tot de helft van het in de aandelen belichaamde vermogen Indien de gerechtigdheid kwalificeert als een aanmerkelijk belang in de zin van artikel 4 6 Wet IB 2001 zijn beide echtelieden ieder voor de helft van de totale gerechtigdheid houder van een aanmerkelijk belang Eén van de uitgangspunten van de geruisloze terugkeer is claimbehoud door de gecombineerde vennootschapsbelasting en aanmerkelijkbelangclaim om te zetten in een ongeveer gelijkwaardige enkelvoudige belastingclaim op winst uit onderneming De conversie van de gecombineerde belastingclaim in de enkelvoudige belastingclaim is wettelijk vorm gegeven door de voortzettende aandeelhouders te verplichten de vermogensbestanddelen op hun openingsbalans op te nemen voor de bij de vennootschap gehanteerde boekwaarden Voor een volledige conversie van de aanmerkelijkbelangclaim wordt tevens een positieve of negatieve terugkeerreserve op de openingsbalans van de voortzettende aandeelhouders gevormd Om de aanmerkelijkbelangclaim bij de geruisloze terugkeer te kunnen veiligstellen dienen alle houders van een aanmerkelijk belang de onderneming voort te zetten omdat de aanmerkelijkbelangclaim wordt omgezet in een latente belastingclaim op de winst uit onderneming Ik acht een verplichte evenredige deelname van beide partners aanmerkelijk belanghouders die in gemeenschap van goederen zijn gehuwd niet wenselijk daar in vele gevallen feitelijk en ook volgens het aandeelhoudersregister slechts één van beide partners participeert in de vennootschap Vooral in situaties waarin de vennootschap meer aandeelhouders heeft die in gemeenschap van goederen zijn gehuwd kan een verplichte toetreding van alle partners tot het samenwerkingsverband waarin de onderneming van de vennootschap wordt voortgezet door alle houders van een aanmerkelijk belang een zwaarwegende belemmering zijn voor de toepassing van de faciliteit Door de gestelde voorwaarde wordt het de in gemeenschap van goederen gehuwde partners mogelijk gemaakt om de onderneming in een andere verhouding voort te zetten dan de gelijke verhouding die voortvloeit uit de huwelijksgemeenschap De latente belastingclaim op het inkomen uit aanmerkelijk belang wordt op grond van de voorwaarde aan beide partners toegerekend in de verhouding waarin zij hun gezamenlijke belang in de onderneming van de vennootschap afzonderlijk voortzetten Hierdoor is het mogelijk dat een gedeelte van de subjectieve box 2 claim van de ene partner door toepassing van de terugkeerfaciliteit wordt omgezet in een subjectieve box 1 claim van de andere partner In artikel 3 98 Wet IB 2001 is een faciliteit opgenomen om voor vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3 92 Wet IB 2001 resultaat uit overige werkzaamheden die door de toepassing van de geruisloze terugkeer niet langer door de voortzettende aandeelhouder ter beschikking worden gesteld aan de vennootschap de behaalde stakingswinst op verzoek van de voortzettende aandeelhouder niet in aanmerking te nemen Deze faciliteit geldt uitsluitend indien de vermogensbestanddelen gaan behoren tot de onderneming van de voortzettende aandeelhouder die voor de geruisloze terugkeer de vermogensbestanddelen ter beschikking stelde Indien een voortzettende aandeelhouder in gemeenschap van goederen is gehuwd en er voorafgaande aan de geruisloze terugkeer vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3 92 Wet IB 2001 ter beschikking worden gesteld aan deze vennootschap stellen beide partners deze vermogensbestanddelen voor evenredige delen ter beschikking Indien de partners niet beiden in een gelijke verhouding de onderneming van de vennootschap voortzetten is artikel 3 98 Wet IB 2001 niet van toepassing op de vermogensbestanddelen die gaan behoren tot de onderneming van de partner Ik acht de onverkorte toepassing van artikel 3 98 Wet IB 2001 in dergelijke gevallen onwenselijk Ik keur goed dat de doorschuiffaciliteit van artikel 3 98 Wet IB 2001 ook wordt toegepast indien de onderneming niet door beide in gemeenschap van goederen gehuwde partners in gelijke delen wordt voortgezet Aangezien de toepassing van de faciliteit in deze gevallen een verschuiving van een subjectieve belastingclaim tussen de partners tot gevolg heeft dienen beide partners het verzoek om toepassing van artikel 3 98 Wet IB 2001 met deze verschuiving van de subjectieve belastingclaim gezamenlijk in te dienen 4 11 Elfde standaardvoorwaarde Indeplaatstreding voor aan vennootschap gestelde voorwaarden Indien aan de vennootschap voorwaarden zijn gesteld in verband met een vervreemding of verkrijging met toepassing van artikel 14 14a 14b of 15 Wet Vpb treedt de voortzettende aandeelhouder met betrekking tot de voorwaarden voorzover zij mede verband houden met de onderneming die wordt voortgezet in de plaats van de vennootschap Toelichting Met het stellen van deze voorwaarde wordt voorkomen dat door de toepassing van de faciliteit van de geruisloze terugkeer de onderneming van de vennootschap buiten het bereik komt van eerder gestelde voorwaarden bij of in verband met het verlenen van een fiscale faciliteit bij een voorafgaande bedrijfsfusie juridische splitsing juridische fusie of fiscale eenheid Gedacht kan hierbij worden aan een bij een eerdere juridische fusie gestelde voorwaarde die verplicht tot winstsplitsing bij verrekening van verliezen ook na de geruisloze terugkeer is deze winstsplitsingsbepaling onverkort van toepassing 4 12 Twaalfde standaardvoorwaarde Waardering schulden van de vennootschap aan de voortzettende aandeelhouder Indien de boekwaarde van een schuld van de vennootschap aan een voortzettende aandeelhouder of de partner met wie deze in gemeenschap van goederen is gehuwd meer bedraagt dan de waarde van de met die schuld corresponderende schuldvordering wordt deze schuldvordering indien en voorzover zij als gevolg van de geruisloze terugkeer tenietgaat en zij behoort tot de vermogensbestanddelen waarmee winst uit onderneming wordt behaald dan wel tot de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3 92 Wet IB 2001 onmiddellijk voorafgaand aan het overgangstijdstip gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer doch niet hoger dan de nominale waarde Schulden van de vennootschap als bedoeld in de vorige volzin worden bij de vennootschap onmiddellijk voorafgaande aan het overgangstijdstip gewaardeerd op het bedrag waarvoor de vorderingen zijn gewaardeerd Voor de bepaling van de winst van de onderneming dan wel het resultaat uit overige werkzaamheden waartoe de vordering behoort en de winst voor de vennootschapsbelasting na het overgangstijdstip wordt tevens voor zover nodig aangenomen dat de vennootschap op het moment onmiddellijk voorafgaand aan het overgangstijdstip de ten gunste van het resultaat van de vennootschap afgewaardeerde schuld aan de resultaatgenieter heeft voldaan Toelichting Indien tot het vermogen van de voortzettende aandeelhouder een vordering op de vennootschap behoort welke ten laste van het belastbare inkomen uit werk en woning is afgewaardeerd zal indien en voorzover deze vordering door de voortzetting van de onderneming door de aandeelhouder door schuldvermenging tenietgaat latere heffing over het verschil tussen de boekwaarde van de vordering en de nominale waarde van de schuld verloren gaan Om dit te voorkomen wordt een nadere voorwaarde gesteld De voorwaarde schrijft voor dat bij de schuldvermenging van deze onderlinge financiële verhouding de aandeelhouder zijn vordering op de vennootschap die als resultaat uit overige werkzaamheid wordt aangemerkt onmiddellijk voorafgaande aan het overgangstijdstip waardeert op de waarde in het economische verkeer met als maximum de nominale waarde voor zover dit niet reeds is gebeurd De tweede volzin van de voorwaarde bewerkstelligt dat de schuld door de vennootschap op hetzelfde bedrag te boek wordt gesteld als de vordering bij de aandeelhouder of zijn partner Aldus wordt het verschil tussen de boekwaarde van de schuld en die van de daartegenoverstaande vordering geneutraliseerd voordat die schuld en vordering door schuldvermenging tenietgaan Met de derde zin wordt tenslotte voorkomen dat de aandeelhouder na het overgangstijdstip een afwaardering op de vordering ten laste van de winst van een onderneming dan wel het resultaat uit overige werkzaamheden toepast omdat de vennootschap gelet op haar als gevolg van de geruisloze terugkeer uitgeholde vermogenspositie geen middelen heeft om deze te voldoen voor het tijdstip waarop de liquidatie is voltooid Fiscaal wordt voor de toepassing van de bepaling van de winst dan wel het resultaat uit overige werkzaamheden en de winst voor de vennootschapsbelasting aangenomen dat de schuld door de vennootschap is afgelost op het onmiddellijk aan het overgangstijdstip voorafgaand moment 4 13 Dertiende standaardvoorwaarde Vervreemdingsvoordeel bij verrekenbare verliezen van de vennootschap Bij het berekenen van het vervreemdingsvoordeel als bedoeld in artikel 4 34 vierde en vijfde lid Wet IB 2001 wordt de waarde van de vermogensbestanddelen van de onderneming voorzover die door de aandeelhouder wordt voortgezet vermeerderd met 50 van het verlies dat op grond van artikel 14c derde lid Wet Vpb wordt aangemerkt als ondernemingsverlies in de zin van artikel 3 148 tweede lid Wet IB 2001 Toelichting In artikel 4 34 vijfde lid Wet IB 2001 is bepaald waarop het vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang bij een geruisloze terugkeer moet worden gesteld In wezen wordt hierbij een overdrachtsprijs benaderd door uit te gaan van de actuele waarde van de bezittingen en de schulden waarmee de onderneming wordt voortgezet rekening houdend met een nominale vennootschapsbelastingclaim van 35 Op grond van artikel 14c derde lid Wet Vpb worden bij een geruisloze terugkeer nog niet door de vennootschap verrekende verliezen aangemerkt als ondernemingsverlies van de voortzettende aandeelhouder s Dit naar de voortzettende aandeelhouder door te schuiven verlies vertegenwoordigt ook een waarde Belastingheffing blijft namelijk achterwege over toekomstige winsten waarmee deze verliezen kunnen worden verrekend Met deze waarde houdt het vijfde lid van artikel 4 34 Wet IB 2001 evenwel geen rekening Door de werking van de voorwaarde wordt deze waarde van de verliezen wel in aanmerking genomen Het in de voorwaarde in aanmerking genomen percentage van 50 is als volgt te herleiden De vennootschapsbelastingclaim is in artikel 4 34 vijfde lid Wet IB 2001 op 35 gesteld Ook de voorwaarde gaat uit van dit wettelijke percentage van 35 Het voor de toepassing van deze voorwaarde relevante verlies van de vennootschap is 50 35 van het verlies dat op grond van artikel 14c derde lid Wet Vpb wordt aangemerkt als ondernemingsverlies van de voortzettende aandeelhouder De verhoging van de waarde van de vermogensbestanddelen in verband met de belastinglatentie op de verliezen bedraagt 35 50 35 50 4 14 Veertiende standaardvoorwaarde Minimum vervreemdingsvoordeel Bij de berekening van het vervreemdingsvoordeel als bedoeld in artikel 4 34 vijfde lid Wet IB 2001 wordt de waarde van de vermogensbestanddelen van de onderneming voorzover die door de aandeelhouder wordt voortgezet na te zijn vermeerderd met 50 van het verlies dat op grond van artikel 14c derde lid Wet Vpb wordt aangemerkt als ondernemingsverlies in de zin van artikel 3 148 tweede lid Wet IB 2001 ten minste gesteld op nihil Toelichting Deze voorwaarde heeft de volgende achtergrond Bij een reguliere aandelenoverdracht tussen derden bedraagt de overdrachtsprijs van de aandelen ten minste nihil Dit is ook het geval indien bijvoorbeeld door geleden verliezen in voorgaande jaren het vermogen van de vennootschap negatief is In artikel 4 34 vijfde lid Wet IB 2001 wordt met dit natuurlijk minimum geen rekening gehouden De voorwaarde voorkomt dat met toepassing van de faciliteit van de geruisloze terugkeer een groter verlies uit aanmerkelijk belang in aanmerking wordt genomen dan zonder toepassing van de terugkeerfaciliteit mogelijk is 4 15 Vijftiende standaardvoorwaarde Lijfrente en of pensioenverplichting op of na het overgangstijdstip a Lijfrente en pensioenverplichtingen waarop artikel 3 133 Wet IB 2001 dan wel artikel 19b Wet LB 1964 van toepassing kan zijn Indien tot het vermogen van de vennootschap op of na het overgangstijdstip een lijfrente of pensioenverplichting jegens de voortzettende aandeelhouder behoort wordt voor het gedeelte van de verplichting dat niet wordt overgedragen aan een door de Wet IB 2001 dan wel Wet LB 1964 toegelaten verzekeraar aangenomen dat sprake is van afzien door de gerechtigde van voor verwezenlijking vatbare rechten in de zin van artikel 3 133 Wet IB 2001 of artikel 19b Wet LB 1964 uiterlijk op het moment onmiddellijk voorafgaand aan het moment waarop de liquidatie van de vennootschap is beëindigd Het voorgaande vindt geen toepassing indien en voor zover gelet op de vermogenspositie van de vennootschap op het moment onmiddellijk voorafgaand aan het overgangstijdstip sprake is van niet voor verwezenlijking vatbare rechten in de zin van de eerder genoemde bepalingen en de gerechtigde daadwerkelijk en formeel afziet van een gedeelte van die rechten Tot laatstbedoeld bedrag is sprake van winst van de vennootschap in het jaar waarin wordt afgezien waarop artikel 3 13 van de Wet IB 2001 toepassing kan vinden Voor zover sprake is van kwijtscheldingswinst in de zin van artikel 3 13 Wet IB 2001 vermindert dit bedrag de met toepassing van artikel 3 151 Wet IB 2001 juncto artikel 14c derde lid Wet Vpb vast te stellen verliezen b Stamrechtverplichtingen als bedoeld in artikel 19 oud dan wel 44j oud Wet IB 1964 Indien tot het vermogen van de vennootschap op of na het overgangstijdstip een stamrechtverplichting jegens de voortzettende aandeelhouder behoort welk stamrecht is bedongen met toepassing van artikel 19 oud dan wel artikel 44j oud van de Wet IB 1964 zoals deze bepalingen luidden op 31 december 1991 wordt voor het gedeelte van de verplichting dat niet wordt overgedragen aangenomen dat sprake is van afzien van voor verwezenlijking vatbare rechten in de zin van artikel 3 13 Wet IB 2001 uiterlijk op het moment onmiddellijk voorafgaand aan het moment waarop de liquidatie is beëindigd Het voorgaande vindt geen toepassing indien en voor zover gelet op de vermogenspositie van de vennootschap op het moment onmiddellijk voorafgaand aan het overgangstijdstip sprake is van niet voor verwezenlijking vatbare rechten in de zin van artikel 3 13 Wet IB 2001 en de gerechtigde daadwerkelijk en formeel afziet van een gedeelte van

    Original URL path: http://www.belastingcollectief.nl/fiscalisten/wetteksten/vennootschapsbelasting/geruisloze-terugkeer-art-14c-wet-vpb-standaardvoorwaarden (2016-01-09)
    Open archived version from archive


  • Juridische fusie (art 14b Wet Vpb) & standaardvoorwaarden - Belasting Collectief Nederland
    van der Veer Corine van der Maden LEXX Advocaten in Leeuwarden Mr Martijn S Dunant Maurits Tóth Belastingadvies Andries Tóth Eikenaar Belastingadvies in Drachten Ed Eikenaar Groningen Stetler in Haren Wim Dijkstra HS26 Advocatuur in Groningen Gerhard Sjobbema Caraad Belastingadviseurs in Groningen Wietze Hoekstra Martijn Thalen Rutger Hotsma Bastide in Groningen Petrus Zijlstra Drenthe Consensio in Zuidlaren Gonard Wagenaar Bloemsma Faassen in Assen Willem Faassen Anne Marc van de Wal Gelderland Kleijsen Cortenbach Kuijpers LLP in Nijmegen P E Art and Tax in Doetinchem Peter Kleinreesink ScholsBurgerhartSchols in Nijmegen Mr dr W Burgerhart Prof dr B M E M Schols Prof mr F W J M Schols Van Lienden Kooistra in Barneveld Eric Jan Sobels Jonne Tijssen Noord Brabant De Vries Partners in Valkenswaard Hans van Kuyk Wesselman in Eindhoven Bert Bogie Wesselman in Helmond Bert Bogie Lucas Belastingadvies in Den Bosch Jurrian Lucas Ooms Partners in Breda drs Marco Ooms mr Hans Seijkens Limburg Rebastion in Maastricht Frodo Oude Groeniger Rob Engelbert Wesselman in Weert Bert Bogie Noord Holland HDK Advocaten en Fiscalisten in Amsterdam Roy Vliese Pavel der Kinderen MB Legal Tax in Alkmaar F van Elk FB Fedor mr drs J D Hoogendoorn RA Jaap J Beijert Jan MB Legal Tax in Middenbeemster mr M F Marco Bezoet de Bie mr J D M J den Boer RA CRAd Schut en Bruggink Estate Planners in Haarlem Paul Schut Marian Bruggink Rogier Pak Abel Advisory in Amsterdam Frank Schwarte Joost Lagerberg AsjesBisseling in Amsterdam Arjan Bisseling B B Accountants in Den Burg De Bont Advocaten in Amsterdam prof mr G J M E de Bont mr J M Sitsen mr M B Weijers mr P de Haas VanOoijen in Haarlem Adriaan Daniels Ognjen Soldat Just Tax in Nieuw Vennep Utrecht AccountantsTEAM in Utrecht Joost Rietveld Pay Check in Houten Pieter Miedema Fiscaal Jurist in Baarn Pieter Miedema Overijssel ELBERT fiscaal in Hengelo mr H A Elbert Beersen Grandiek in Hengelo Mr V J Vincent Grandiek Cervus Belastingadvies in Zwolle mr H A Elbert EVFA in Deventer Eric Versteegh Zuid Holland Scientia Fiscalis in Alblasserdam Yvonne Tigelaar Klootwijk Van Driel Fruijtier in Dordrecht MB Internationaal in Rotterdam Zeeland Rijkse Partners Belastingadviseurs in Middelburg Curacao Wesselman in Curaçao Bert Bogie Duitsland Strick Rechtsanwälte Steuerberater in Kleve Anton Ingenerf Frank J Lamers Sabine van Wickeren Lenk Christian Theissen Freddy B Heinzel Belgie Cobofisk in Gent Hendrik Huys Cobofisk in Aalter Luc Coopman Spanje Arcos Lamers Asociados in Marbella Wim Lamers Maite Arcos Kennisgroepen BTW specialisten Loonheffing specialisten Pensioen specialisten Estate Planning specialisten Formeel Belastingrecht specialisten Fusie Overname specialisten Herinvesteringsreserve specialisten Huwelijk Echtscheiding specialisten Innovatiebox specialisten Internationaal Belastingrecht specialisten Douane specialisten Auto van de zaak Sport Sprekers Cursussen Allround Auto van de zaak Bedrijfsoverdracht BTW Douane Estate Planning FFP VBI FBI Formeel belastingrecht Loonheffingen Pensioenen Partners Fiscaal Kenniscentrum Fiscaal up to Date Hoge Raad geeft happy end aan nasleep Van der Steen naheffingen van tafel Verhuur van theaterruimte was niet vrijgesteld van BTW Betalingsonmacht hoefde pas na aanmaning te worden gemeld HIR viel vrij wegens verkoop herinvesteringslichaam aan gelieerde BV Tbs regeling voor verhuur camping na verkoop aandelen aan schoonmoeder Leningconstructie taxpartners was ongewenste boxarbitrage Rechtbank torpedeert listige aandelenoptieconstructies DGA in Van der Steen f e niet aansprakelijk voor BTW van BV Overdrachtsbelasting vanaf 15 juni 2011 verlaagd naar 2 Verliesverrekeningsbeperking niet in strijd met EU recht Privégebruik auto per 1 juli 2011 fictieve dienst correctie los van IB en LB BTW bij levering terrein met reeds gestarte sloop van opstallen Don Bosco 30 Regeling voor na terugkeer genoten optievoordeel Fiscaal up to Date kennispartner van Belasting Collectief Nederland Werkzaamheid bij vastgoed eindigt in principe bij vervreemding Premies vrijwillige ANW vangnetverzekering niet aftrekbaar Sale lease back van school door gemeente misbruik van recht Melding betalingsonmacht liep niet door na onjuiste aangifte EHRM rekt zwijg en inzagerecht in fiscale boetezaak op Volgens staatssecretaris geen misstanden bij de Belastingdienst 30 regel voor na uitdiensttreding ontvangen optievoordeel Arresten over landbouwvrijstelling rechtvaardigden heretikettering niet Negeren van belaste winstuitkering in aanvullende aangifte was ambtelijk verzuim Navordering na fout in vooringevulde aangifte vernietigd Voorwaarde voor geruisloze inbreng buitenlandse ondernemer in strijd met EU recht Kostenvergoeding voor telefonisch horen in bezwaarfase Valutawinst op lening bij aankoop binnenlandse deelneming was niet vrijgesteld Eindheffing voor niet maatschappelijk aanvaardbare 55 plusregeling Lening omlaag die niet door bank zou zijn verstrekt was onzakelijk Verhuurde bovenverdiepingen vormden ondernemingsvermogen Herinvesteringsvoornemen concerndirectie toegerekend aan BV Erfbelasting over oudere WOZ waarde leidde tot buitensporige last Betalingen aan bestuursvoorzitter woningstichting waren resultaatsinkomen BOF ondanks afwezigheid van ondernemingsvermogen Studenten waren niet bij onderneming van vereniging in dienstbetrekking Geen verlaagd BTW tarief voor rondleiding in stadion Vrijstelling overdrachtsbelasting bij inbreng gold ook voor niet tbs deel pand Omzetcorrecties autosloperij in het kader van actie Klaproos Onzakelijke borgstelling in tbs sfeer leidde tot verlies uit a b Hogere ambtenaren Financiën willen naar systeem van voldoening op aangifte Geen pensioen in eigen beheer voor DGA met aandelen zonder stemrecht Hof Den Bosch legt met prejudiciële vragen bom onder CO2 heffing in BPM MKB winstvrijstelling gold ook na inbreng met terugwerkende kracht Beperking verrekening houdsterverliezen onterecht door geslaagd tegenbewijs Vruchtgebruikconstructie school was misbruik van recht Rechtbank Arnhem bedrijfsopvolging in SW is niet discriminerend Van der Steen arrest verhinderde aansprakelijkheid DGA niet Rechtbank had zaak volgens Hof zelf moeten afdoen Inspecteur mocht VAR loon afgeven in plaats van gevraagde VAR DGA Achterblijven pand verhinderde toepassing van bedrijfsfusiefaciliteit Regresvordering a b houder van meet af aan in box I 12 regeling voor ingevoerde gebruikte auto s niet EU proof Valutawinst op besmette lening na saldering vrijgesteld Bezwaarschriften worden toch inhoudelijk bekeken Fiscus gaat 90 van voorraad bezwaren blindelings volgen Hoge servicekosten deels van invloed op WOZ waarde van serviceflat Verkoop horecapand betekende nog geen staking Heffingsrente herzien volgens herzieningregels van aanslag Aanslag successierecht kon niet aan echtgenoten tezamen worden opgelegd Geen schadeplicht jegens fiscus na onjuiste etikettering pand Apart soort aandeel door verschil in stemrecht over winst Onderhandse schuldigerkenning verminderde verkrijging niet EU Hof onder voorwaarden akkoord met Nederlandse exitheffing Kwijtscheldingsverlies bij onzakelijke lening omlaag in tbs regeling Bij meerderheidsbelang wordt groepsrelatie voor thincapregeling verondersteld Korte huurperiode pand irrelevant bij overgang algemeenheid Ontbreken echtgenotenvrijstelling bij recht van overgang niet discriminerend Nota van door gemeente ingeschakele WOZ taxateur openbaar Cursus Belastingrecht voor niet fiscalisten Ontvanger mag niet bekendgemaakte aanslag niet invorderen Adviseur via kort geding verplicht tot informatieverstrekking Immateriële schadevergoeding na vernietiging navorderingsaanslag Fiscus moest onevenredig rentenadeel bij VA s compenseren Hof had beroep enkel vanwege undue delay ongegrond moeten verklaren Prejudiciële vragen over het begrip bouwterrein Revisierente onzuivere pensioenregeling vernietigd Kamervragen over problemen met verliesverrekening Vpb 2010 Niet tot ondernemingsvermogen behorende gelden verhinderde afwaardering in box I Intranet Modellen Overeenkomst van geldlening van durfkapitaal Overeenkomst rekening courant tussen DGA en BV NOTULEN Algemene vergadering aandeelhouders van bv met beperkte aansprakelijkheid Managementovereenkomst beheer BV 100 procent werk BV Arbeidsovereenkomst DGA Akte van cessie koop en verkoop van een vordering Akte geruisloze inbreng Aansprakelijkheidsverklaring Aandeelhoudersovereenkomst Wetteksten Inkomstenbelasting Wet op de inkomstenbelasting 2001 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 Vennootschapsbelasting Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 Besluit Fiscale Eenheid 2003 Geruisloze terugkeer art 14c Wet Vpb standaardvoorwaarden Juridische fusie art 14b Wet Vpb standaardvoorwaarden Bedrijfsfusie art 14 Wet Vpb standaardvoorwaarden Juridische afsplitsing art 14a Wet Vpb standaardvoorwaarden Loonbelasting Wet op de loonbelasting 1964 Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 Omzetbelasting Wet op de omzetbelasting 1968 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 BUA Dividendbelasting Wet op de dividendbelasting 1965 Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 Successiewet Successiewet 1956 Uitvoeringsbesluit successiewet 1956 Uitvoeringsregeling schenk en erfbelasting Rechtsverkeer Wet op belastingen van rechtsverkeer Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer Bestuursrecht Algemene wet bestuursrecht Besluit proceskosten bestuursrecht Algemene wet Algemene wet inzake rijksbelastingen Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst Invorderingswet Invorderingswet 1990 Uitvoeringsregeling inleners keten en opdrachtgeversaansprakelijkheid Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 Internationaal belastingrecht Besluit voorkoming dubbele belastingen 2001 Voorkoming dubbele belasting onder toepassing van belastingverdragen Verdragen Type DTA Albanië in werking Argentinië in werking Armenië in werking Australië in werking Australië Tweede Protocol in werking Azerbeidzjan in werking Bahrein in werking Bangladesh in werking Barbados in werking Barbados Protocol in werking Belarus in werking België in werking België Protocol geratificeerd door nl Brazilië in werking BRK Aruba in werking BRK Cura çao in werking BRK Sint Maarten in werking Bulgarije in werking Canada in werking Canada Protocol in werking China in werking Denemarken in werking Duitsland in werking Duitsland Protocol 1 in werking Duitsland Protocol 2 in werking Duitsland Protocol 3 in werking Egypte in werking Estland in werking Estland Protocol 1 in werking Estland Protocol 2 in werking Filippijnen in werking Finland 1996 in werking Frankrijk 1973 in werking Frankrijk Protocol bij 1973 in werking Georgië in werking Ghana in werking Griekenland in werking Hongkong in werking Hongarije in werking Ierland in werking Ijsland in werking India in werking India Protocol ondertekend Indonesië 2002 in werking Israël in werking Israël Protocol in werking Italië Protocol in werking Japan 1970 beëindigd Japan 2010 in werking Japan Protocol beëindigd Joegoslavië in werking Jordanië in werking Kazachstan in werking Koeweit in werking Korea in werking Korea Protocol in werking Kroatië in werking Kyrgyzstan Sovjetverdrag in werking Letland in werking Litouwen in werking Luxemburg in werking Luxemburg Protocol in werking Marcedonië in werking Malawi in werking Maleisië in werking Maleisië Protocol 1 in werking Maleisië Protocol 2 in werking Malta in werking Malta Protocol in werking Marokko in werking Mexico in werking Mexico Protocol in werking Moldavië in werking Mongolië in werking Nieuw Zeeland in werking Nieuw Zeeland Protocol in werking Nigeria in werking Noorwegen in werking Noorwegen Protocol in werking Oekraïne in werking Oezbekistan in werking Oman in werking Oostenrijk in werking Oostenrijk Protocol 1 in werking Oostenrijk Protocol 2 in werking Oostenrijk Protocol 3 in werking Oostenrijk Protocol 4 in werking Pakistan in werking Panama in werking Polen in werking Portugal in werking Qatar in werking Roemenië in werking Russische Federatie in werking Saudi Arabië in werking Singapore in werking Singapore Protocol 1 in werking Singapore Protocol 2 in werking Slovenië in werking Slowakije in werking Slowakije Protocol 1 in werking Slowakije Protocol 2 in werking Spanje in werking Sri Lanka in werking Suriname in werking Taiwan in werking Thailand in werking Tunesië in werking Turkije in werking Turkmenistan Sovjetverdrag in werking Uganda in werking Venezuela in werking Venezuela Protocol in werking Verenigd Koninkrijk 1980 beëndigd Verenigd Koninkrijk 2008 in werking Verenigd Koninkrijk Protocol 1 beëindigd Verenigd Koninkrijk Protocol 2 beëindigd Verenigde Arabische Emiraten in werking Verenigde Staten in werking Verenigde Staten Protocol 1993 in werking Verenigde Staten Protocol 2004 in werking Vietnam in werking Zambia in werking Zimbabwe in werking Zuid Africa in werking Zuid Africa Protocol in werking Zweden in werking Zwitserland 2010 in werking Type S E Zweden in werking Verenigd Koninkrijk Successie in werking Oostenrijk Successie in werking Israël Successie in werking Finland Successie in werking Search Zoeken Javascript is required to use this website translator free translator Skip to content vrijdag 21 september 2012 12 54 Juridische fusie art 14b Wet Vpb standaardvoorwaarden Geschreven door Redactie Belasting Collectief Nederland Print E mail Opschrift Vennootschapsbelasting juridische fusie toelichting en voorwaarden voor de fiscale begeleiding verzoeken artikel 14b derde lid Wet Vpb Aanhef De Directeur Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten Hoofdstukken Dit besluit is een herdruk van het besluit van 8 juli 1998 nr DB98 1507M Deze herdruk is noodzakelijk in verband met de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 met ingang van 1 januari 2001 De wijzigingen zijn de volgende De beperking van de voorwaarden van het Besluit tot juridische fusie van en naar NV s of BV s is vervallen in verband hiermee is een aanvullende voorwaarde opgenomen met betrekking tot de juridische fusie met een buiten Nederland gevestigd lichaam De verwijzingen naar gewijzigde of vervallen artikelen zijn aangepast De overige wijzigingen zijn redactioneel en beogen slechts verduidelijking 1 Inleiding Dit Besluit bevat de voorwaarden welke in het algemeen zullen worden gesteld bij de toepassing van artikel 14b derde lid Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 hierna Wet Vpb Deze voorwaarden zijn als bijlage opgenomen Dit Besluit bevat ook een toelichting op deze voorwaarden Met nadruk wordt erop gewezen dat het algemene karakter van de voorwaarden meebrengt dat deze zullen worden gewijzigd en of aangevuld al naar gelang de bijzondere omstandigheden van het individuele geval Verder wordt kort de werking van artikel 14b Wet Vpb toegelicht Daarnaast wordt ingegaan op de samenloop met de verliesverrekening en de fiscale eenheid Ook wordt aandacht besteed aan het fusiestijdstip en aan enkele formele aspecten van de toepassing van artikel 14b derde lid Wet Vpb Voor de volledigheid merk ik nog op dat de fiscale begeleiding van de aandeelhouders van de verkrijgende en verdwijnende rechtspersonen hier niet wordt besproken Hun begeleiding wordt niet geregeld in artikel 14b Wet Vpb maar in artikel 8 eerste lid Wet Vpb dat bepaalt dat artikel 3 57 Wet IB 2001 overeenkomstige toepassing vindt ten aanzien van aandeelhouders welke onderworpen zijn aan de Wet Vpb Verder zijn in de artikelen 13h en 13k van de Wet Vpb een aantal bepalingen opgenomen inzake de mogelijke samenloop met de regeling voor de deelnemingsvrijstelling 2 Fiscale gevolgen van een juridische fusie Een juridische fusie is blijkens artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek hierna Boek 2 BW de rechtshandeling van twee of meer rechtspersonen waarbij een van deze het vermogen van de andere onder algemene titel verkrijgt of waarbij een nieuwe rechtspersoon die bij deze rechtshandeling door hen samen wordt opgericht hun vermogen onder algemene titel verkrijgt Civielrechtelijk is bij een juridische fusie derhalve sprake van een rechtshandeling waarbij de vermogensbestanddelen tussen de fuserende rechtspersonen onder algemene titel overgaan Als tegenprestatie voor de in het kader van de juridische fusie verkregen vermogensbestanddelen zal in het algemeen de verkrijgende rechtspersoon aandelen toekennen aan de aandeelhouders van de rechtspersoon waarvan het vermogen onder algemene titel overgaat Bij een juridische fusie verdwijnt deze laatste rechtspersoon Deze rechtspersoon wordt dan ook wel de verdwijnende rechtspersoon genoemd Een bijzondere vorm van juridische fusie is de zogenoemde driehoeksfusie Bij deze fusievorm die slechts mogelijk is bij een juridische fusie tussen naamloze vennootschappen en of besloten vennootschappen worden de aandeelhouders van een verdwijnende rechtspersoon geen aandeelhouder van de verkrijgende rechtspersoon maar van een groepsmaatschappij van de verkrijgende rechtspersoon Artikel 14b eerste lid van de Wet Vpb kwalificeert de juridische fusie als een overdracht van vermogensbestanddelen van de verdwijnende rechtspersoon naar de verkrijgende rechtspersoon De verdwijnende rechtspersoon houdt van rechtswege op te bestaan en wordt geacht zijn onderneming te hebben gestaakt De verdwijnende rechtspersoon zal daarom dienen af te rekenen op grond van artikel 15d van de Wet Vpb Omdat er fiscaalrechtelijk sprake is van een overdracht zal in dit besluit en in de voorwaarden steeds de term overdracht en niet de term overgang worden gebruikt Tot 1 januari 2001 geldt de fiscale kwalificatie van artikel 14b eerste lid van de Wet Vpb alleen voor de juridische fusie op de voet van artikel 309 Boek 2 BW Met ingang van 1 januari 2001 geldt zij voor elke overgang onder algemene titel in het kader van een juridische fusie en vindt zij dus ook toepassing op de juridische fusie naar buitenlands recht Het Nederlandse recht blijft leidend in die zin dat de inhoud die naar Nederlands recht toekomt aan het begrip overgang onder algemene titel en het begrip juridische fusie beslissend is voor de vraag of een buitenlandse rechtshandeling kwalificeert als overgang onder algemene titel in het kader van een juridische fusie in de zin van artikel 14b Wet Vpb Artikel 14b tweede lid van de Wet Vpb bepaalt dat de juridische fusie geruisloos kan plaatsvinden als aan de volgende drie vereisten wordt voldaan voor het bepalen van de winst bij de verdwijnende rechtspersoon en de verkrijgende rechtspersoon zijn dezelfde bepalingen van toepassing en bij geen van de fuserende rechtspersonen bestaat aanspraak op voorwaartse verrekening van verliezen op de voet van artikel 20 van de Wet Vpb en de latere heffing is verzekerd Alsdan treedt de verkrijgende rechtspersoon met betrekking tot de in het kader van de juridische fusie verkregen vermogensbestanddelen geheel in de plaats van de verdwijnende rechtspersoon Indien niet aan de vereisten van het tweede lid wordt voldaan biedt het derde lid desalniettemin de mogelijkheid de winst buiten aanmerking te laten Daartoe moeten de fuserende rechtspersonen vóór de civielrechtelijke juridische fusie een gezamenlijk verzoek doen bij de inspecteur Indien het verzoek wordt ingewilligd worden hieraan voorwaarden gesteld De inspecteur beslist op het verzoek bij een voor bezwaar vatbare beschikking Ook in deze situatie treedt de verkrijgende rechtspersoon bij inwilliging van het verzoek met betrekking tot al hetgeen in het kader van de juridische fusie is verkregen in de plaats van de verdwijnende rechtspersoon voor zover daaraan geen voorwaarden zijn gesteld De verkrijging onder algemene titel wordt dan ook hier gevolgd De verkrijgende rechtspersoon krijgt de vermogensbestanddelen met alle daarbij behorende lusten en lasten De vrijstelling van het tweede en derde lid geldt niet voor elke overgang onder algemene titel in het kader van een juridische fusie Artikel 14b tiende lid Wet Vpb eist dat de verdwijnende en de verkrijgende rechtspersoon zijn gevestigd in Nederland dan wel zijn gevestigd in een Lidstaat van de Europese Unie in de zin van artikel 3 55 vijfde lid Wet IB 2001 Artikel 2 vierde lid Wet Vpb vindt hierbij geen toepassing Met ingang van 1 januari 2001 geldt niet langer als vereiste voor fiscale begeleiding dat met of bij de juridische fusie positieve winst wordt behaald Derhalve kan ook in de situatie dat de winst 0 of negatief is om toepassing van de faciliteit worden verzocht Ik beraad mij er nog over of in dergelijke gevallen aanvullende voorwaarden noodzakelijk zijn Het vierde lid van artikel 14b van de Wet Vpb regelt dat de in het derde lid bedoelde voorwaarden slechts mogen strekken ter verzekering van de heffing en de invordering Onder die voorwaarden worden voorts begrepen voorwaarden die betrekking kunnen hebben op het bepalen van de in een jaar genoten winst van de verkrijgende rechtspersoon de toelaatbare reserves en de verrekening van verliezen In het vijfde lid wordt aangegeven dat de fiscaal geruisloze doorschuiving van het tweede en derde lid niet mogelijk is indien de juridische fusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstel van belastingheffing 3 Verrekening van verliezen Bij een juridische fusie zouden zonder nadere regelgeving de nog te verrekenen verliezen van de verdwijnende rechtspersoon verloren gaan Immers de verdwijnende rechtspersoon houdt van rechtswege op te bestaan Tijdens de parlementaire behandeling voorafgaand aan de invoering van artikel 14b van de Wet Vpb heb ik aangegeven dat ik het ongewenst acht dat door de juridische fusie de verliezen van de verdwijnende rechtspersoon teloor gaan Daarom wordt de mogelijkheid geopend dat deze verliezen overgaan op de verkrijgende rechtspersoon indien hierom wordt verzocht Hierbij zal worden gewaakt voor effecten die vergelijkbaar zijn met handel in verliezen zie Tweede Kamer vergaderjaar 1997 1998 25709 nr 5 blz 10 Indien in concrete gevallen een dergelijk effect dreigt zal de aanspraak niet kunnen overgaan of zullen aanvullende voorwaarden worden gesteld In Besluit 8 juli 1998 nr DB98 1509M zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 december 2000 nr CPP2000 3148M is de overgang van de verliezen van de verdwijnende naar de verkrijgende rechtspersoon geregeld Teneinde te voorkomen dat deze verliezen worden verrekend met winsten die niet zijn toe te rekenen aan vermogensbestanddelen die in het kader van de juridische fusie zijn verkregen zal de verkrijgende rechtspersoon de winst dienen te splitsen De winstsplitsing zal moeten plaatsvinden op de wijze zoals deze bekend is bij de fiscale eenheid In de situatie waarin de verkrijgende rechtspersoon over te verrekenen verliezen beschikt zal eveneens winstsplitsing dienen plaats te vinden en wel om te voorkomen dat deze verliezen worden verrekend met winsten die worden behaald met vermogensbestanddelen die in het kader van de juridische fusie zijn overgegaan In paragraaf 5 wordt een toelichting op de winstsplitsing gegeven Voor de winstsplitsing zullen in de bedrijfsvoering veelal voldoende aangrijpingspunten te vinden zijn bijvoorbeeld in de vorm van filiaalboekhoudingen of budgetten Indien de winstsplitsing desalniettemin tot grote problemen leidt kan worden getracht met de inspecteur tot een forfaitaire verdeelsleutel te komen De inspecteurs dienen bij de winstsplitsing in de praktijk een zekere soepelheid te betrachten Voorts kunnen zich situaties voordoen waarbij na het fusietijdstip bij de verkrijgende rechtspersoon verliezen ontstaan die zijn toe te rekenen aan vermogensbestanddelen die in het kader van de fusie zijn verkregen Zonder nadere voorziening zouden deze verliezen niet kunnen worden teruggewenteld naar winsten die met deze vermogensbestanddelen door de verdwijnende rechtspersoon zijn behaald Dit is aanleiding om in beginsel onder nader te stellen voorwaarden welke onder meer ten doel hebben oneigenlijk gebruik van deze faciliteit te voorkomen achterwaartse verrekening van verliezen met winsten van de verdwijnende rechtspersoon op verzoek mogelijk te maken De achterwaartse verrekening van verliezen is geregeld in Besluit 8 juli 1998 nr DB 98 1510M zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 december 2000 nr CPP2000 3149M Aan de achterwaartse verrekening van verliezen naar de verkrijgende rechtspersoon worden geen regels inzake winstsplitsing gesteld 4 Fusietijdstip In de begripsbepalingen die voorafgaan aan de voorwaarden is het fusietijdstip omschreven als het tijdstip van wanneer af de overgedragen vermogensbestanddelen worden geacht rechtstreeks voor rekening en risico van de verkrijgende rechtspersoon te komen Dit tijdstip wordt in beginsel bepaald door wat de fuserende rechtspersonen daaromtrent zijn overeengekomen voor zover passend binnen wet en jurisprudentie In het algemeen zal in deze gevallen als vroegste tijdstip gelden het tijdstip waarop het in artikel 317 van Boek 2 BW bedoelde fusiebesluit wordt genomen Met het oog op hetgeen is opgemerkt tijdens de parlementaire behandeling voorafgaand aan de invoering van artikel 14b van de Wet Vpb kan voor de bepaling van dit tijdstip in beginsel ook worden aangesloten bij de civielrechtelijke regeling In dit verband keur ik goed dat het fusietijdstip kan worden gesteld op de aanvang van het boekjaar mits a de in artikel 312 tweede lid onderdeel f van Boek 2 BW bedoelde verantwoording van financiële gegevens eveneens vanaf dat tijdstip plaatsvindt en b de in artikel 318 eerste lid van Boek 2 BW bedoelde notariële akte binnen twaalf maanden na dat tijdstip wordt verleden en c daarbij geen incidenteel fiscaal voordeel wordt beoogd of behaald 5 Toelichting op de voorwaarden In het derde lid van artikel 14b van de Wet Vpb wordt geregeld hoe de juridische fusie fiscaal geruisloos kan plaatsvinden als niet aan de in het tweede lid genoemde vereisten is voldaan De in dit besluit opgenomen voorwaarden hebben betrekking op gevallen waarin niet voldaan is aan de in het tweede lid genoemde vereisten met betrekking tot aanspraak op voorwaartse verliesverrekening en het verzekerd zijn van latere heffing Voorwaarde 1 Onderlinge vorderingen en schulden In deze voorwaarde is bij een tussen de fuserende rechtspersonen bestaande onderlinge vordering schuldverhouding voorgeschreven dat de crediteur zijn vordering op een andere fuserende rechtspersoon onmiddellijk voorafgaand aan het fusietijdstip waardeert op de bedrijfswaarde met als maximum de nominale waarde voor zover dit niet reeds is gebeurd De tweede volzin van deze voorwaarde bewerkstelligt dat de schuld door de debiteur op hetzelfde bedrag te boek wordt gesteld als de vordering van de crediteur Aldus wordt het verschil tussen de boekwaarde van de schuld en die van de daar tegenoverstaande vordering geneutraliseerd voordat die schuld en vordering door schuldvermenging tenietgaan Onder vorderingen worden mede obligaties begrepen Voor zover sprake is van een afgewaardeerde vordering zoals bedoeld in artikelen 13b en 13ba van de Wet Vpb blijft de sanctie als bedoeld in het eerste lid van die artikelen daarna achterwege Voorwaarde 2 Verrekening van verliezen buitenlandse resultaten en bronbelasting Deze voorwaarde regelt de wijze waarop op het fusietijdstip nog te verrekenen verliezen van de verkrijgende rechtspersoon en de verdwijnende rechtspersoon hierna voorfusie verliezen worden verrekend met de na het fusietijdstip door de verkrijgende rechtspersoon behaalde winst hierna nafusie winst Tijdens de parlementaire behandeling heb ik aangegeven dat ik het ongewenst acht dat door de juridische fusie de verliezen van de verdwijnende rechtspersoon teloor gaan Daarom heeft de verdwijnende rechtspersoon de mogelijkheid te verzoeken dat zijn aanspraken op de verrekening van verliezen bij de juridische fusie overgaan op de verkrijgende rechtspersoon In het Besluit CPP2000 3148M is aangegeven aan welke eisen een dergelijk verzoek dient te voldoen De verrekening door de verkrijgende rechtspersoon van de voorfusieverliezen met nafusiewinst is aan voorwaarden gebonden Het uitgangspunt hierbij is dat de verrekening van voorfusieverliezen uitsluitend mogelijk is met nafusiewinst van de verkrijgende rechtspersoon die is toe te rekenen aan de vermogensbestanddelen met de daarbij eventueel behorende activiteiten welke de verliezen in het verleden hebben veroorzaakt Dit wordt bewerkstelligd door winstsplitsing voor te schrijven Het gaat bij deze winstsplitsing om het toerekenen van de nafusiewinst van de verkrijgende rechtspersoon aan de onderneming van de verkrijgende respectievelijk de verdwijnende rechtspersoon zoals die vóór de juridische fusie werd gedreven Het begrip onderneming is niet statisch Nieuwe activiteiten dienen hierbij zoveel mogelijk in historisch perspectief te worden geplaatst De inspecteurs dienen bij de winstsplitsing in de praktijk een zekere soepelheid te betrachten Bij elke voorwaartse verliesverrekening over het fusietijdstip heen dient door de verkrijgende rechtspersoon winstsplitsing te worden toegepast Dit geldt ook ten aanzien van rechtsverhoudingen die als gevolg van de juridische fusie teniet zijn gegaan Met nadruk merk ik op dat zolang de verkrijgende rechtspersoon voorfusieverliezen over het fusietijdstip heen wil verrekenen winstsplitsing onbeperkt in de tijd in acht dient te worden genomen Met betrekking tot de toepassing van voorwaarde 2c wordt opgemerkt dat deze bepaling in beginsel niet ziet op het geval dat nog te verrekenen verlies van de ene fuserende rechtspersoon tot uitdrukking is gekomen op een vordering van de andere rechtspersoon In dat geval werkt voorwaarde 1 Indien echter bijvoorbeeld zo n vordering vóór ingang van de juridische fusie is omgezet in aandelen in de desbetreffende rechtspersoon en deze omzetting plaatsvond voor 28 april 1990 waardoor op die omzetting artikel 13b oud van de Wet Vpb niet van toepassing is geweest worden op grond van voorwaarde 2c de verliezen van de desbetreffende rechtspersoon wel gekort met het reeds op de omgezette vordering tot uitdrukking gebrachte verlies In voorwaarde 2d is een beperking van de verrekening van vóór de fusie geleden verliezen met winst van de onderneming van de desbetreffende rechtspersoon opgenomen Hierbij valt te denken aan de situatie dat een fuserende rechtspersoon als moedermaatschappij in een fiscale eenheid is opgenomen waarbij het bepaalde in de gestelde voorwaarde die overeenkomt met de 14e standaardvoorwaarde fiscale eenheid gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 30 september 1991 nr 189 van toepassing is Dit besluit regelt niet de achterwaartse verrekening van nafusieverlies met voorfusiewinsten van de verdwijnende rechtspersoon Dit is geregeld in het besluit Besluit 8 juli 1998 nr DB 98 1510M zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 december 2000 nr CPP2000 3149M Voorwaarde 2e regelt de wijze waarop na het fusietijdstip met de in het buitenland opgekomen resultaten en buitenlandse bronbelasting dient te worden omgegaan Ingeval bij een juridische fusie tot de overgedragen vermogensbestanddelen een vaste inrichting die in het buitenland wordt gedreven behoort treedt de verkrijgende rechtspersoon voor wat betreft de zogenoemde doorschuifregeling én de inhaalregeling artikel 34 en artikel 35 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 voor zover deze op die vaste inrichting betrekking heeft in de plaats van de verdwijnende rechtspersoon Hetzelfde geldt bij overdracht van schuldvorderingen aandelen rechten en dergelijke voor de daarop betrekking hebbende nog niet verrekende buitenlandse bronbelasting artikel 37 van genoemd Besluit Indien zich een dergelijke plaatsvervanging voordoet schrijft voorwaarde 2e winstsplitsing voor Hiervoor wordt aangesloten bij de regeling inzake verliesverrekening Aan deze voorwaarde liggen ook dezelfde overwegingen ten grondslag als bij de regeling inzake verliesverrekening Voorwaarde 3 Een fuserende rechtspersoon is in het bezit van aandelen in een andere fuserende rechtspersoon In de gevallen waarin een fuserende rechtspersoon aandelen bezit in een andere fuserende rechtspersoon zal onmiddellijk voorafgaand aan het fusietijdstip het verschil tussen enerzijds de waarde in het economische verkeer van die aandelen en anderzijds de fiscale boekwaarde van die aandelen in de fiscale winst tot uitdrukking moeten worden gebracht een en ander met inachtneming van de deelnemingsvrijstelling artikel 13 van de Wet Vpb en de zogenoemde compartimenteringsleer zoals die in de jurisprudentie van de Hoge Raad is uitgewerkt BNB 1986 305 BNB 1991 268 en BNB 1997 101 Dat laatste kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een aandelenbezit dat als voorraad is of was aan te merken en bij een bezit dat tijdens de bezitsperiode op enig moment minder is geweest dan 5 Dit voordeel kan niet worden doorgeschoven omdat de aandelen verdwijnen dan wel moeten worden geacht te zijn ingetrokken Voorwaarde 4 Een fuserende rechtspersoon houdt een deelneming in een andere fuserende rechtspersoon waarop artikel 13c dan wel artikel 13ca van de Wet Vpb van toepassing is In artikel 13c eerste lid van de Wet Vpb is onder de daar genoemde omstandigheden de deelnemingsvrijstelling uitgesloten voor positieve voordelen uit een deelneming in een rechtspersoon die een onderneming drijft die voordien als een buitenlandse onderneming werd gedreven door de belastingplichtige of een met deze verbonden rechtspersoon Voorts is in artikel 13c tweede lid van de Wet Vpb een sanctie opgenomen om te voorkomen dat de fiscale claim zou kunnen worden ontgaan Deze sanctie houdt in dat tot het bedrag waarvoor de fiscale claim verloren zou gaan winstneming moet plaatsvinden Krachtens artikel 325 vierde lid Boek 2 BW vervallen bij een juridische fusie de aandelen in het kapitaal van een verdwijnende rechtspersoon die worden gehouden door of voor rekening van de fuserende rechtspersonen Indien op deze aandelen bij de houder ervan artikel 13c eerste lid van de Wet Vpb van toepassing is vormt dit vervallen een omstandigheid soortgelijk aan die welke zijn opgesomd in het tweede lid van dat artikel Derhalve is deze voorwaarde opgenomen waarin de sanctie van artikel 13c tweede lid van de Wet Vpb van overeenkomstige toepassing wordt verklaard Een soortgelijke omstandigheid doet zich ook voor indien een verdwijnende rechtspersoon een artikel 13c deelneming houdt in de verkrijgende rechtspersoon Op de aldus in aanmerking genomen negatieve buitenlandse winst vindt de inhaalregeling van artikel 35 eerste lid van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 geen toepassing op grond van het tweede lid van dat artikel Daarnaast ziet deze voorwaarde op de situatie waarin een fuserende rechtspersoon een deelneming bezit als bedoeld in artikel 13ca eerste lid van de Wet Vpb in een andere fuserende rechtspersoon Alsdan volgt uit artikel 13ca vierde lid van de Wet Vpb dat winstneming verplicht is Artikel 14b derde lid van de Wet Vpb bepaalt dat de verkrijgende rechtspersoon in de plaats treedt van de verdwijnende rechtspersoon Aangezien bij de juridische fusie de aandelen worden geacht te zijn ingetrokken dan wel te zijn vervallen zou heffing niet verzekerd zijn zodat ook in deze situatie afrekening wordt voorgeschreven door het stellen van deze voorwaarde Voorwaarde 5 Tot het vermogen van de verkrijgende rechtspersoon of een verdwijnende rechtspersoon behoort een deelneming waarvan de onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt In de voorwaarde die winstsplitsing voorschrijft wordt geregeld op welke wijze de verrekening van verliezen over het fusietijdstip heen met winsten geschiedt De voorfusie verliezen zijn globaal gesproken slechts verrekenbaar met de winst van de verkrijgende rechtspersoon voor zover deze is toe te rekenen aan de onderneming die deze verliezen heeft geleden De term verlies dient hierbij te worden opgevat in de zin van artikel 20 eerste lid van de Wet Vpb De vraag wanneer een verlies als zodanig tot uitdrukking moet worden gebracht wordt in het algemeen beheerst door goed koopmansgebruik Ingeval echter verliesneming niet door goed koopmansgebruik wordt beheerst kan zich oneigenlijk gebruik voordoen door verliesneming uit te stellen tot ná het fusietijdstip Indien bijvoorbeeld een deelneming is verkregen en op het moment van het fusievoorstel de onderneming die in deze deelneming werd uitgeoefend reeds geheel of nagenoeg geheel is gestaakt als bedoeld in artikel 13d van de Wet Vpb dan wel daartoe is besloten doet zich een dergelijke situatie voor Teneinde de verrekening van een zogenoemd latent liquidatieverlies met de gehele winst van de verkrijgende rechtspersoon tegen te gaan heb ik deze voorwaarde opgenomen daar in dat geval de heffing niet volledig is verzekerd Latente liquidatieverliezen kunnen dus alleen op eigen overige winst in mindering worden gebracht De aftrek kan zowel op eerdere als op latere winst plaatsvinden met dien verstande dat voor zover het liquidatieverlies afkomstig is van de verdwijnende rechtspersoon het verlies in beginsel slechts in mindering kan worden gebracht op de overige winst ontstaan na het fusietijdstip Bovendien kan na het fusietijdstip niet meer verlies in aanmerking worden genomen dan het positief belastbare bedrag van de verkrijgende rechtspersoon Indien echter op basis van het besluit nr CPP2000 3149M is goedgekeurd dat terugwenteling van een verlies van de verkrijgende rechtspersoon naar winsten van de verdwijnende rechtspersoon kan plaatsvinden dan kan het nog niet verrekende liquidatieverlies ook bij de verdwijnende rechtspersoon in mindering worden gebracht op de winst in de drie voorafgaande jaren dus ook voor zover deze vóór het fusietijdstip zijn gelegen Heffingsrente wordt in dit geval niet vergoed nu het belastbaar feit stamt uit een later jaar Voorwaarde 6 De verkrijgende rechtspersoon is buiten Nederland gevestigd Met ingang van 1 januari 2001 kan aanspraak bestaan op fiscale begeleiding zonder dat de verkrijgende rechtspersoon in Nederland is gevestigd Zonder nadere regeling is heffing niet verzekerd wanneer deze rechtspersoon de verkregen vermogensbestanddelen deels niet rekent tot een met behulp van een vaste inrichting in Nederland gedreven onderneming Daarom bepaalt voorwaarde 6 dat in een dergelijk geval de vrijstelling geen betrekking heeft op deze vermogensbestanddelen 6 Juridische fusie en fiscale eenheid Indien een verdwijnende rechtspersoon tot een fiscale eenheid behoort leidt de juridische fusie in beginsel tot verbreking van de fiscale eenheid met terugwerkende kracht tot het begin van het boekjaar De juridische fusie vindt daardoor plaats buiten fiscale eenheid Op deze uitgangspunten dienen naar mijn mening in een aantal gevallen afwijkingen mogelijk te zijn Ik denk hierbij aan de volgende vier situaties 1 De verdwijnende rechtspersoon is dochtermaatschappij in een fiscale eenheid waartoe ook de verkrijgende rechtspersoon behoort Door de mogelijkheden die worden geboden in het besluit van 8 juli 1998 nr DB98 1662M zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 26 juli 1999 nr DB99 1564M verbreekt de fiscale eenheid niet door de juridische fusie 2 De verdwijnende rechtspersoon is moedermaatschappij in een fiscale eenheid waartoe ook de verkrijgende rechtspersoon behoort Door de mogelijkheden die worden geboden in het besluit van 8 juli 1998 nr DB98 1662M zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 26 juli 1999 nr DB99 1564M verbreekt de fiscale eenheid niet door de juridische fusie Indien naast de verdwijnende rechtspersoon ook een andere rechtspersoon als dochtermaatschappij onderdeel vormde van de fiscaal eenheid treedt de verkrijgende rechtspersoon in de plaats van de verdwijnende rechtspersoon als moedermaatschappij van de fiscale eenheid voor deze dochtermaatschappij 3 De verdwijnende rechtspersoon is dochtermaatschappij in een fiscale eenheid waartoe de verkrijgende rechtspersoon niet behoort Indien de in artikel 318 van Boek 2 BW bedoelde fusieakte op de laatste werkdag van het boekjaar wordt verleden en tevens de economische eigendom van de aandelen in de verdwijnende rechtspersoon gedurende het hele boekjaar nog bij de moedermaatschappij blijft keur ik hierbij goed dat de fiscale eenheid niet met terugwerkende kracht tot het begin van het boekjaar verbreekt 4 De verdwijnende rechtspersoon is moedermaatschappij in een fiscale eenheid waartoe de de verkrijgende rechtspersoon niet behoort De fiscale eenheid wordt verbroken door de juridische fusie Door de mogelijkheden die in het besluit van 5 september 1995 nr DB95 1225M BNB 1995 331 worden geboden is het evenwel mogelijk direct een aansluitende fiscale eenheid tot stand te doen komen met de verkrijgende rechtspersoon dan wel haar moedermaatschappij en de overige dochtermaatschappijen van de oude fiscale eenheid Ik keur goed dat voornoemd besluit van 5 september 1995 eveneens kan worden toegepast op juridische fusies vallende onder artikel 14b van de Wet Vpb Tot slot van dit onderdeel wordt nog gewezen op de werking van artikel VI van de Wet van 17 juni 1998 Stb 1998 350 In dit artikel wordt kort

    Original URL path: http://www.belastingcollectief.nl/fiscalisten/wetteksten/vennootschapsbelasting/juridische-fusie-art-14b-wet-vpb-standaardvoorwaarden (2016-01-09)
    Open archived version from archive

  • Bedrijfsfusie (art 14 Wet Vpb) & standaardvoorwaarden - Belasting Collectief Nederland
    de Wet Vpb zijn voor rekening van belanghebbenden 5 Bijzondere situaties 5 1 In een buitenlandse vaste inrichting geleden nog onverrekende verliezen Indien tot de overgedragen onderneming een buitenlandse vaste inrichting behoort waarin verliezen zijn geleden die in mindering zijn gebracht op in Nederland belastbare winst terwijl op de winst uit die vaste inrichting een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing was treedt in voorkomende gevallen artikel 13c van de Wet Vpb in werking Dat betekent dat tot het bedrag van de in te halen buitenlandse verliezen artikel 35 van het Bvdb de deelnemingsvrijstelling in beginsel geen toepassing vindt op positieve voordelen uit hoofde van de deelneming in de overnemer Dat gevolg treedt zowel op bij de overdracht aan een in Nederland gevestigd lichaam als bij de overdracht aan een niet in Nederland gevestigd lichaam Toch is er verschil tussen beide gevallen Bij de overdracht aan een niet in Nederland gevestigd lichaam valt zoals opgemerkt in de toelichting bij voorwaarde 8 onder ad a hoofdstuk 6 de met of bij de overdracht behaalde winst op de vermogensbestanddelen van de buitenlandse vaste inrichting niet onder de vrijstelling van artikel 14 van de Wet Vpb Deze winst komt dan in beginsel in aanmerking voor een tegemoetkoming ter voorkoming van dubbele belasting waarbij de nog onverrekende buitenlandse verliezen geheel of ten dele worden verrekend hierna is op het eventuele restantverlies artikel 13c van de Wet Vpb van toepassing Bij de overdracht aan een in Nederland gevestigd lichaam valt ook de met of bij de overdracht behaalde winst op de vermogensbestanddelen van de buitenlandse vaste inrichting onder de vrijstelling van artikel 14 van de Wet Vpb en zal dus geen verrekening van buitenlandse verliezen plaatsvinden Artikel 13c van de Wet Vpb zal dan door de in de plaats treding in beginsel van toepassing zijn op het volledige bedrag van de nog onverrekende buitenlandse verliezen 5 2 Tot de overgedragen onderneming behoort een vordering respectievelijk deelneming waarop of van toepassing is Artikel 13b van de Wet Vpb heeft betrekking op een vordering die is afgewaardeerd ten laste van in Nederland belastbare winst Onder bepaalde omstandigheden bijvoorbeeld vervreemding aan een verbonden lichaam treedt een sanctie in werking Die sanctie bestaat uit het tot de winst rekenen van een bedrag gelijk aan de afwaardering Artikel 13c van de Wet Vpb gaat over een deelneming in een lichaam dat een onderneming drijft die voordien als een buitenlandse onderneming buitenlandse vaste inrichting werd gedreven Artikel 13c van de Wet Vpb is ook van toepassing op een deelneming in een lichaam indien de belastingplichtige via deze deelneming een belang heeft van ten minste vijf procent in een lichaam dat een onderneming drijft die voordien als buitenlandse onderneming werd gedreven Als er nog te verrekenen verliezen uit die buitenlandse vaste inrichting zijn is onder bepaalde omstandigheden de deelnemingsvrijstelling tot het bedrag van die verliezen niet van toepassing op positieve voordelen uit een dergelijke deelneming Indien tot de overgedragen onderneming een vermogensbestanddeel behoort waarop artikel 13b of 13c van de Wet Vpb van toepassing is zal in het algemeen de overdracht aanleiding geven tot heffing ten aanzien van dat vermogensbestanddeel Echter doordat de overnemer in de plaats treedt van de overdrager is latere heffing ter zake verzekerd Latere heffing is echter niet verzekerd indien de vordering respectievelijk deelneming dan wel andere vermogensbestanddelen niet gaat behoren tot de in Nederland gedreven onderneming van de overnemer Het gevolg zou zijn dat de gehele bij de overdracht geconstateerde winst in de heffing wordt betrokken omdat de latere heffing niet is verzekerd Belanghebbenden kunnen in die situatie deze volledige heffing voorkomen door een verzoek te doen om toepassing van artikel 14 tweede lid van de Wet Vpb In dat geval zal de faciliëring slechts gelden voor de vermogensbestanddelen die gaan behoren tot de in Nederland gedreven onderneming van de overnemer De faciliëring zal geen betrekking hebben op het bepaalde in artikel 13b respectievelijk 13c van de Wet Vpb ten aanzien van de overdrager Met andere woorden er vindt een directe heffing plaats over de bij de overdracht op grond van artikel 13b respectievelijk 13c van de Wet Vpb geconstateerde winst en over de overige vermogensbestanddelen die niet gaan behoren tot de in Nederland gedreven onderneming van de overnemer Verder wordt gewezen op paragraaf 5 1 Daar is opgemerkt dat indien tot de overgedragen onderneming een buitenlandse onderneming buitenlandse vaste inrichting behoort artikel 13c van de Wet Vpb in werking kan treden 5 3 De overdrager heeft een opwaarderingsreserve gevormd in de zin van Artikel 13ba van de Wet Vpb ziet op de situatie waarin een vordering op een deelneming ten laste van de winst is afgewaardeerd Indien de met deze vordering corresponderende schuld wordt omgezet in aandelen in de schuldenaar de met de schuldvordering corresponderende schuld gaat functioneren als eigen vermogen of indien de schuldvordering geheel of gedeeltelijk wordt prijsgegeven moet de eerdere afwaardering door de schuldeiser worden teruggenomen Winstneming kan op verzoek worden voorkomen door het bedrag van de terug te nemen afwaardering aan een opwaarderingsreserve toe te voegen Als de deelneming schuldenaar vervolgens in waarde stijgt schrijft het vijfde lid van artikel 13ba van de Wet Vpb voor dat er tot het bedrag van de waardestijging een belaste vrijval van de opwaarderingsreserve moet plaatsvinden Voor de waardestijging wordt niet alleen gekeken naar de aandelen in de schuldenaar die in het bezit zijn van belanghebbende maar ook naar het bezit van met hem verbonden lichamen Een overdracht van aandelen in de deelneming leidt in het algemeen niet tot vrijval van de opwaarderingsreserve Zolang de aandelen van de deelneming binnen het concern blijven kan het vijfde lid jaarlijks worden toegepast bij de overdrager De opwaarderingsreserve kan niet worden overgedragen en blijft dus bij een bedrijfsfusie achter bij de overdrager De bedrijfsfusie kan ertoe leiden dat direct voorafgaande aan de bedrijfsfusie het vijfde lid van artikel 13ba van de Wet Vpb voor het laatst wordt toegepast artikel 13ba achtste lid van de Wet Vpb Deze belastingheffing kan evenmin naar de overnemer worden doorgeschoven De bedrijfsfusie kan er ook toe leiden dat het restant van de opwaarderingsreserve onbelast vrijvalt zie artikel 13ba achtste en twaalfde lid van de Wet Vpb 5 4 Deelnemingsverrekening Ook een recht op deelnemingsverrekening blijft net als een opwaarderingsreserve en het recht op verliesverrekening gezien het subjectgebonden karakter achter bij de overdrager Voor de volledigheid merk ik op dat de aanwezigheid van een recht op deelnemingsverrekening bij de overnemer op grond van artikel 14 tweede lid van de Wet Vpb meebrengt dat de vrijstelling slechts mogelijk is onder het stellen van nadere voorwaarden en dat hiervoor een regeling is opgenomen in voorwaarde 2f 6 Toelichting op de voorwaarden In artikel 14 tweede lid van de Wet Vpb is bepaald hoe de bedrijfsfusie fiscaal geruisloos kan plaatsvinden als niet aan de in het eerste lid genoemde vereisten is voldaan De in dit besluit opgenomen voorwaarden zie bijlage 1 hebben betrekking op gevallen waarbij voor de overnemer aanspraak bestaat op voorwaartse verliesverrekening op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten of op toepassing van de deelnemingsverrekening niet is voldaan aan het vereiste dat latere heffing is verzekerd In het navolgende wordt een toelichting gegeven op deze voorwaarden In de voorwaarden en in dit besluit wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds het overgangstijdstip en anderzijds het tijdstip van de overdracht Het onderscheid tussen deze twee tijdstippen is onder andere van belang voor de vraag of de bedrijfsfusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing artikel 14 vierde lid van de Wet VpB Bij een vervreemding binnen drie jaar na de overdracht en dus niet na het overgangstijdstip wordt vermoed dat zakelijke overwegingen niet aanwezig zijn bij de bedrijfsfusie artikel 14 vierde lid laatste volzin van de Wet Vpb Indien in de voorwaarden en de toelichting wordt verwezen naar artikel 13ca van de Wet Vpb wordt daarmee bedoeld de in artikel V van de Wet van 15 december 2005 Stb 2005 684 Wet Vpb pakket 2006 opgenomen overgangsregeling op grond waarvan de wettekst zoals deze luidde per 31 december 2005 met betrekking tot het terugnemen van afwaarderingsverliezen van toepassing blijft Voorwaarde 1 Onderlinge vorderingen en schulden Indien tot het vermogen van de overdrager of de overnemer een vordering behoort welke is afgewaardeerd zal indien de bedrijfsfusie leidt tot schuldvermenging latere heffing over het verschil tussen de boekwaarde van de vordering en de nominale waarde van de schuld niet verzekerd zijn Om dit te voorkomen wordt voorwaarde 1 gesteld In voorwaarde 1 is bij een tussen de overdrager en overnemer bestaande onderlinge vordering schuldverhouding voorgeschreven dat bij de schuldvermenging van deze onderlinge financiële verhouding de crediteur zijn vordering op de andere rechtspersoon onmiddellijk voorafgaand aan het overgangstijdstip waardeert op de bedrijfswaarde met als maximum de nominale waarde voor zover dit niet al is gebeurd De tweede volzin van voorwaarde 1 bewerkstelligt dat de schuld door de debiteur op hetzelfde bedrag te boek wordt gesteld als de vordering van de crediteur Zo wordt het verschil tussen de boekwaarde van de schuld en die van de daar tegenoverstaande vordering geneutraliseerd voordat die schuld en vordering door schuldvermenging tenietgaan Onder vorderingen worden ook obligaties begrepen Voorwaarde 2 Verrekening van verliezen buitenlandse resultaten bronbelasting en deelnemingsverrekening Aangezien de overdrager niet ophoudt te bestaan gaan zijn aanspraken op de verrekening van verliezen niet verloren In afwijking van de fiscale begeleiding van de juridische fusie en zuivere splitsing is het daarom niet mogelijk dat de verliezen van de overdrager overgaan naar de overnemer zie voor een uitzondering hoofdstuk 8 De verliezen blijven bij de overdrager achter en kunnen bij deze rechtspersoon worden verrekend Voor de overnemer regelt voorwaarde 2 de wijze waarop op het overgangstijdstip nog te verrekenen verliezen van de overnemer voorfusieverliezen worden verrekend met de na het overgangstijdstip door de overnemer behaalde winst nafusiewinst De verrekening door de overnemer van de voorfusieverliezen met nafusiewinst is aan voorwaarden gebonden Het uitgangspunt hierbij is dat de verrekening van voorfusieverliezen uitsluitend mogelijk is met nafusiewinst van de overnemer die is toe te rekenen aan de onderneming die het verlies in het verleden heeft veroorzaakt Dit uitgangspunt wordt bewerkstelligd door winstsplitsing voor te schrijven Het gaat bij deze winstsplitsing om het toerekenen van de nafusiewinst van de overnemer aan de onderneming van de overnemer zoals die vóór de bedrijfsfusie werd gedreven Het begrip onderneming is niet statisch Nieuwe activiteiten moeten hierbij zoveel mogelijk in historisch perspectief worden geplaatst De inspecteurs dienen bij de winstsplitsing in de praktijk een zekere soepelheid te betrachten Bij elke voorwaartse verliesverrekening over het overgangstijdstip heen moet door de overnemer winstsplitsing worden toegepast Dit geldt ook ten aanzien van rechtsverhoudingen die door de bedrijfsfusie teniet zijn gegaan Met nadruk merk ik op dat zolang de overnemer voorfusieverliezen over het overgangstijdstip heen wil verrekenen winstsplitsing in acht dient te worden genomen Op grond van voorwaarde 2c worden de verliezen van de overnemer gekort met reeds bij de overdrager tot uitdrukking gebrachte verliezen Indien bijvoorbeeld een vordering van de overdrager op de overnemer vóór het overgangstijdstip is omgezet in aandelen in de overnemer en deze omzetting plaatsvond vóór 28 april 1990 waardoor op die omzetting artikel 13b oud van de Wet Vpb niet van toepassing is geweest is het verlies op de vordering reeds tot uitdrukking gebracht bij de overdrager In voorwaarde 2d is een beperking van de verrekening van vóórfusieverliezen met de winst van de onderneming van de overnemer opgenomen Bij de beperking in de slotzin valt te denken aan de situatie dat een overnemer als moedermaatschappij is ontvoegd uit een fiscale eenheid Onder omstandigheden beperkt deze ontvoeging haar verliesverrekening artikel 15ag van de Wet Vpb Voorwaarde 2d stelt buiten twijfel dat deze beperking in stand blijft Er zijn geen voorwaarden gesteld met betrekking tot de achterwaartse verliesverrekening bij de overnemer Achterwaartse verliesverrekening kan dan ook zonder winstsplitsing plaatsvinden Voorwaarde 2e regelt de wijze waarop na het overgangstijdstip met de in het buitenland opgekomen resultaten en buitenlandse bronbelasting moet worden omgegaan Ingeval bij een bedrijfsfusie tot de overgedragen onderneming een vaste inrichting die in het buitenland wordt gedreven behoort treedt de overnemer voor wat betreft de zogenoemde doorschuifregeling én de inhaalregeling artikel 34 en artikel 35 van het Bvdb voor zover deze op die vaste inrichting betrekking heeft in de plaats van de overdrager Hetzelfde geldt bij overdracht van schuldvorderingen aandelen rechten en dergelijke voor de daarop betrekking hebbende nog niet verrekende buitenlandse bronbelasting artikel 37 van het Bvdb Indien zich een dergelijke plaatsvervanging voordoet schrijft voorwaarde 2e winstsplitsing voor Hiervoor wordt aangesloten bij de regeling inzake verliesverrekening Aan deze voorwaarde liggen ook dezelfde overwegingen ten grondslag als bij de regeling inzake verliesverrekening Voorwaarde 2f regelt de wijze waarop na het overgangstijdstip moet worden omgegaan met vóór het overgangstijdstip bij de overnemer ontstane aanspraken op deelnemingsverrekening in de zin van artikel 13aa van de Wet Vpb Ten aanzien van laagbelaste beleggingsdeelnemingen als bedoeld in artikel 13 tiende lid van de Wet Vpb bestaat geen aanspraak op deelnemingsvrijstelling maar op verrekening van aan de voordelen uit die deelneming toe te rekenen winstbelasting Deze te verrekenen winstbelasting wordt forfaitair op 5 gesteld of in sommige EU situaties op de daadwerkelijk in het buitenland geheven winstbelasting artikel 23c van de Wet Vpb Door werking van de zogenoemde tweede limiet of de verminderingen volgens de regels ter voorkoming van dubbele belasting kan een situatie ontstaan dat de toe te rekenen winstbelasting niet leidt tot een volledige vermindering van de verschuldigde vennootschapsbelasting Het bedrag dat niet kan worden verrekend kan mits bij beschikking vastgesteld worden overgebracht naar het volgende jaar en dan alsnog in aanmerking worden genomen als te verrekenen winstbelasting Voorwaarde 3 De overdrager is in het bezit van aandelen in een overnemer In de gevallen waarin de overdrager aandelen bezit in de overnemer en deze aandelen in het kader van een bedrijfsfusie worden overgedragen zal onmiddellijk voorafgaand aan het overgangstijdstip het verschil tussen enerzijds de waarde in het economische verkeer van die aandelen en anderzijds de fiscale boekwaarde van die aandelen in de fiscale winst tot uitdrukking moeten worden gebracht Indien het aandelenbezit geen deelneming vormde of was aan te merken als een laagbelaste beleggingsdeelneming in de zin van artikel 13 van de Wet Vpb is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing Hetzelfde geldt voor situaties waarin het aandelenbezit ten tijde van de inbreng wel een deelneming vormt maar in het verleden geen deelneming vormde of was aan te merken als een laagbelaste beleggingsdeelneming Met inachtneming van de zogenoemde compartimenteringsleer zoals die in de jurisprudentie van de Hoge Raad is uitgewerkt HR 02 07 1986 nr 23 444 HR 19 06 1991 nr 26 102 HR 22 01 1997 nr 31 748 zal dit tot belastingheffing leiden De belastingheffing over het hier bedoelde voordeel kan niet worden doorgeschoven omdat de aandelen die de overnemer in zichzelf verkrijgt moeten worden geacht te zijn ingetrokken Voorwaarde 4 Een overdrager houdt een deelneming in een overnemer waarop dan wel van toepassing is In artikel 13c eerste lid juncto vierde lid van de Wet Vpb is onder de daar genoemde omstandigheden de deelnemingsvrijstelling uitgesloten voor positieve voordelen uit een deelneming in een rechtspersoon die middellijk of onmiddellijk een onderneming drijft die voordien als een buitenlandse onderneming werd gedreven door de belastingplichtige of een met deze verbonden rechtspersoon Verder is in artikel 13c tweede lid van de Wet Vpb een sanctie opgenomen om te voorkomen dat de fiscale claim zou kunnen worden ontgaan Deze sanctie houdt in dat tot het bedrag waarvoor de fiscale claim verloren zou gaan winstneming moet plaatsvinden Indien door de bedrijfsfusie de overnemer aandelen verkrijgt in zichzelf worden deze aandelen geacht te zijn ingetrokken Is op deze aandelen bij de houder ervan artikel 13c eerste lid of vierde lid van de Wet Vpb van toepassing dan vormt dit intrekken een omstandigheid soortgelijk aan die welke zijn opgesomd in het tweede lid van dat artikel Derhalve is deze voorwaarde opgenomen waarin de sanctie van artikel 13c tweede lid van de Wet Vpb van overeenkomstige toepassing wordt verklaard Op de aldus in aanmerking genomen negatieve buitenlandse winst vindt de inhaalregeling van artikel 35 eerste lid van het Bvdb geen toepassing op grond van het tweede lid van dat artikel Artikel 13ca van de Wet Vpb is met ingang van 1 januari 2006 vervallen Indien met betrekking tot een deelneming een afwaarderingsverlies als bedoeld in artikel 13ca van de Wet Vpb in aanmerking is genomen blijven de daarop betrekking hebbende bepalingen zoals deze op 31 december 2005 luidden van toepassing Het gaat dan met name om de bepalingen op grond waarvan de afwaardering moet worden teruggenomen Zie de in artikel V van de Wet van 15 december 2005 Stb 2005 684 Wet Vpb pakket 2006 opgenomen overgangsregeling In dit besluit wordt met een verwijzing naar artikel 13ca deze overgangsregeling bedoeld Indien de overdrager een deelneming bezit als bedoeld in artikel 13ca eerste lid van de Wet Vpb en er vindt een bedrijfsfusie plaats dan is winstneming verplicht op grond van artikel 13ca vijfde lid voorheen vierde lid van de Wet Vpb Artikel 14 eerste en tweede lid van de Wet Vpb bepaalt dat de overnemer in de plaats treedt van de overdrager Indien door de bedrijfsfusie de overnemer aandelen verkrijgt in zichzelf worden deze aandelen echter geacht te zijn ingetrokken zodat doorschuiving niet mogelijk is Door het stellen van deze voorwaarde wordt dan ook afrekening voorgeschreven Voorwaarde 5 Tot het vermogen van de overnemer of tot de aan de overnemer overgedragen onderneming behoort een deelneming waarvan de onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt In de winstsplitsingsvoorwaarde wordt geregeld op welke wijze de verrekening van verliezen over het overgangstijdstip heen met winsten geschiedt De voorfusieverliezen van de overnemer zijn globaal gesproken slechts verrekenbaar met de winst van de overnemer voor zover deze is toe te rekenen aan de onderneming zoals deze door de overnemer voor het overgangstijdstip werd gedreven De term verlies dient hierbij te worden opgevat in de zin van artikel 20 eerste lid van de Wet Vpb De vraag wanneer een verlies als zodanig tot uitdrukking moet worden gebracht wordt in het algemeen beheerst door goed koopmansgebruik Ingeval echter verliesneming niet door goed koopmansgebruik wordt beheerst kan zich oneigenlijk gebruik voordoen door verliesneming uit te stellen tot na het overgangstijdstip Verliezen met betrekking tot een deelneming waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is kunnen niet in aftrek worden gebracht Een uitzondering geldt voor liquidatieverliezen van dergelijke deelnemingen artikel 13d van de Wet Vpb Oneigenlijk gebruik kan zich voordoen als bijvoorbeeld een deelneming door de overnemer wordt verkregen en op het moment waarop de voorovereenkomst of intentieverklaring is geregistreerd de onderneming die in deze deelneming werd uitgeoefend al geheel of nagenoeg geheel is gestaakt Om de verrekening van een zogenoemd latent liquidatieverlies met de gehele winst van de overnemer tegen te gaan heb ik deze voorwaarde opgenomen aangezien in dat geval de heffing niet volledig is verzekerd Latente liquidatieverliezen kunnen dus alleen op eigen overige winst in mindering worden gebracht De aftrek kan zowel op eerdere als op latere winst plaatsvinden met dien verstande dat voorzover het liquidatieverlies afkomstig is van de overgedragen onderneming het verlies slechts in mindering kan worden gebracht tot het bedrag van de overige winst ontstaan na de bedrijfsfusie Het winstverleden is immers achtergebleven bij de overdrager Bovendien kan niet meer verlies in aanmerking worden genomen dan het positief belastbare bedrag van de overnemer Heffingsrente wordt in dit geval niet vergoed nu het belastbaar feit uit een later jaar stamt Voorwaarde 6 Deelnemingsvrijstelling na bedrijfsfusie In deze voorwaarde wordt voor de overnemer een regeling getroffen voor de toerekening van de boekwaarde van het geheel of ten dele overgedragen aandelenbezit Indien de overdrager aandelen bezit die geen deelneming vormen of een laagbelaste beleggingsdeelneming vormen en dit aandelenbezit wordt geheel dan wel gedeeltelijk overgedragen aan de overnemer dan wordt de boekwaarde van deze aandelen voor een evenredig gedeelte toegerekend aan de aandelen die de overnemer direct na de bedrijfsfusie heeft Indien een dergelijk aandelenbezit direct na de bedrijfsfusie bij de overnemer een deelneming gaat vormen dan wel tot een deelneming gaat behoren waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is zal de zogenoemde compartimenteringsleer van toepassing zijn In samenhang met het hiervoor gestelde zal het verschil tussen de doorgeschoven boekwaarde en de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van bedrijfsfusie HR 22 01 1997 nr 31 748 te zijner tijd in de heffing worden betrokken Ook wordt geregeld dat indien de aandelen bij de overdrager een deelneming vormen waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is de overnemer voor het geheel dan wel gedeeltelijk voor de toepassing van artikel 13ca van de Wet Vpb en voor de verdeling van het opgeofferde bedrag in de plaats treedt van de overdrager Dit geldt echter niet voor de vraag of artikel 13 tweede derde en vijfde lid van de Wet Vpb van toepassing is Indien bijvoorbeeld een overdrager een 10 belang had en 3 van het belang wordt overgedragen aan de overnemer dan dient bij de overnemer op de voet van artikel 13 tweede derde en vijfde lid van de Wet Vpb te worden beoordeeld of sprake is van een deelneming Wanneer de aandelen bij de overnemer géén deelneming gaan vormen zal de zogenoemde compartimenteringsleer eveneens toepassing vinden Ingeval op een door de overdrager overgedragen gedeelte van een deelneming waarvoor de deelnemingsvrijstelling geldt bijzondere bepalingen zoals bijvoorbeeld artikel 13c tweede lid van de Wet Vpb van toepassing zijn treedt de overnemer voor het geheel in de plaats van de overdrager Voor zover een deel van een deelneming achterblijft bij de overdrager blijft de bijzondere bepaling ook bij hem van toepassing Op deze wijze wordt voorkomen dat door de overdracht van een deel van een dergelijke deelneming de werking van zulke bijzondere bepalingen kan worden ontgaan Mocht in een uitzonderlijk geval een sanctie anders dan die uit hoofde van artikel 13ca van de Wet Vpb meerdere malen tot uitdrukking komen dan kan de inspecteur om een passende oplossing worden verzocht Een uitzondering op het in de plaats treden voor het geheel is gemaakt voor de werking van artikel 13ca van de Wet Vpb hiervoor geldt een toedeling naar evenredigheid Dit houdt in dat de claim die voortvloeit uit artikel 13ca van de Wet Vpb met het aandelenbezit meegaat c q achterblijft Ik merk op dat deze claim onder omstandigheden groter kan zijn dan het verschil tussen de gemiddelde kostprijs en de gemiddelde boekwaarde van de desbetreffende aandelen Voorwaarde 7 De overdrager is een stichting of vereniging die na de overdracht niet meer belastingplichtig is Indien de overdrager een stichting of vereniging niet zijnde een vereniging op coöperatieve grondslag is zal deze na de overdracht van haar ondernemingsactiviteiten in het algemeen niet meer belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting In zo n situatie is de latere heffing naar mijn mening niet verzekerd Voorbeeld Een stichting draagt haar onderneming over aan een besloten vennootschap Het pand blijft bij de stichting achter De bv gaat het pand huren Ervan uitgaande dat de stichting na de overdracht niet langer belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting zullen de huurlasten bij de vennootschap in beginsel aftrekbaar zijn terwijl de huurbaten bij de stichting niet tot belastingheffing leiden Faciliëring is in deze situatie slechts mogelijk met toepassing van artikel 14 tweede lid van de Wet Vpb Voorwaarde 7 bedoelt deze winstuitholling te voorkomen Kortheidshalve verwijs ik naar de parlementaire behandeling die voorafging aan de invoering van artikel 14a van de Wet Vpb waarbij in een vergelijkbare situatie een soortgelijk standpunt is ingenomen TK vergaderjaar 1997 1998 25 709 nr 3 blz 11 Voor de volledigheid wijs ik nog op de regeling die is opgenomen in hoofdstuk 8 Voorwaarde 8 Vermogensbestanddelen vallen na de overdracht niet meer onder de Nederlandse heffing van vennootschapsbelasting Bij een overdracht aan een niet in Nederland gevestigd lichaam kan zich de situatie voordoen dat de latere heffing niet is verzekerd Als gevolg hiervan kan de vrijstelling niet worden verleend met toepassing van artikel 14 eerste lid van de Wet Vpb Dit betekent dat de vrijstelling slechts ten dele kan worden verleend met toepassing van artikel 14 tweede lid van de Wet Vpb Hieronder volgen twee situaties waarin latere heffing niet is verzekerd a niet alle vermogensbestanddelen die behoren tot de in Nederland gedreven onderneming van de overdrager gaan behoren tot de in Nederland gedreven onderneming van de overnemer b tot de overgedragen onderneming behoort een buitenlandse vaste inrichting ad a Als bij de overdracht van een onderneming aan een buitenlands lichaam één of meer van de overgedragen vermogensbestanddelen bij de overnemer geen deel gaan uitmaken van zijn in Nederland gedreven onderneming is latere heffing niet verzekerd Hierbij kan worden gedacht aan een scheepvaartonderneming die door een binnenlands belastingplichtige wordt overgedragen aan een buitenlands lichaam dat door de overdracht in Nederland een vaste inrichting verkrijgt Een aantal schepen maakt geen deel uit van die vaste inrichting maar wordt overgebracht naar het buitenlandse hoofdkantoor Dit betreft een situatie die valt onder het tweede lid van artikel 14 van de Wet Vpb Aan de toepassing daarvan zal dan de voorwaarde worden verbonden dat de overdrachtswinst op laatstbedoelde schepen niet onder de vrijstelling van artikel 14 van de Wet Vpb valt maar direct in de heffing wordt betrokken ad b Indien tot de overgedragen onderneming een buitenlandse vaste inrichting behoort en de overdracht vindt plaats aan een niet in Nederland gevestigd lichaam dan vervalt de jurisdictie van Nederland over die vaste inrichting Een buitenlandse belastingplichtige wordt slechts in de heffing betrokken voor het belastbare binnenlandse bedrag en daartoe behoort niet de winst uit een buitenlandse onderneming Hier doet zich dus eveneens een situatie voor als onder a hiervoor bedoeld Dat houdt in dat de vrijstelling van artikel 14 van de Wet Vpb niet van toepassing is op de met of bij de overdracht behaalde winst op de vermogensbestanddelen van de buitenlandse vaste inrichting Wel zullen in de meeste gevallen de regels ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing zijn op de overdrachtswinst behaald op die vermogensbestanddelen De winst waarover een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wordt gegeven kan echter aanmerkelijk lager zijn dan de overdrachtswinst ter zake van de vaste inrichting als onderdeel van de generale winst doordat bijvoorbeeld bedrijfsmiddelen met een stille reserve door het hoofdkantoor naar de vaste inrichting zijn overgebracht Voor zover tot de overgedragen onderneming of zelfstandig onderdeel van een onderneming vermogensbestanddelen behoren die na de overdracht niet meer aan de Nederlandse heffing van vennootschapsbelasting zijn onderworpen bepaalt voorwaarde 8 dat de faciliteit niet van toepassing is op de overdrachtswinst die betrekking heeft op die vermogensbestanddelen De situatie dat de buitenlandse vaste inrichting verliezen heeft geleden waarop artikel 13c van de Wet Vpb van toepassing is is behandeld in paragraaf 5 1 van dit besluit 7 Formele aspecten met betrekking tot de indiening en afhandeling van verzoeken om een fiscaal geruisloze bedrijfsfusie 7 1 Indiening verzoeken De overdrager en de overnemer moeten hun verzoek om toepassing van artikel 14 tweede lid van de Wet Vpb vóór de bedrijfsfusie het overdrachtstijdstip schriftelijk indienen bij de inspecteur die belast is met de aanslagregeling voor de vennootschapsbelasting van de overdrager Belanghebbenden moeten in het verzoek aangeven om welke reden en een beroep op basis van artikel 14 tweede lid van de Wet Vpb wordt gedaan Belanghebbenden overleggen bij de indiening van hun verzoek de volgende stukken a de geregistreerde voorovereenkomst of intentieverklaring bij overdracht aan een daartoe op te richten lichaam b de fiscale balans per het tijdstip direct voorafgaande aan het overgangstijdstip van de ingebrachte onderneming c de fiscale èn de commerciële balans per het overgangstijdstip van de overnemer d de fiscale balans per het overgangstijdstip van de overdrager e de winst en verliesrekening over het aan het overgangstijdstip voorafgaande boekjaar van de ingebrachte onderneming f een berekening van het vrij te stellen resultaat en het aantal uit te geven aandelen g een berekening van elementen positief en of negatief waarover wel zal moeten worden afgerekend h de reden en waarom belastingplichtigen menen niet te voldoen aan de vereisten van artikel 14 eerste lid van de Wet Vpb Indien belanghebbenden ten tijde van de indiening van het verzoek nog niet over de stukken beschikken sturen zij deze stukken in overleg met de inspecteur zo spoedig mogelijk na 7 2 Omvang algemene toestemming aan de inspecteur Ik verleen de inspecteurs een algemene toestemming om namens mij te beslissen op alle verzoeken om toepassing van artikel 14 tweede lid van de Wet Vpb met betrekking tot bedrijfsfusies met uitzondering van de navolgende situaties a op het overgangstijdstip zijn voor het bepalen van de winst bij de overdrager en de overnemer niet dezelfde bepalingen van toepassing Bijvoorbeeld doordat op het overgangstijdstip voor de overdrager dan wel overnemer het Besluit winstbepaling en reserves verzekeraars 2001 of het Besluit beleggingsinstellingen van toepassing bij toepassing van het Besluit beleggingsinstellingen op het overgangstijdstip of in het jaar voorafgaand aan het overgangstijdstip b bij de bedrijfsfusie wordt een negatieve winst behaald c de overdrager of de overnemer heeft de rechtsvorm van een coöperatie d op de overdrager of de overnemer is de regeling van artikel 12b van de Wet Vpb octrooibox van toepassing e de inspecteur is van mening dat het verzoek 1 slechts kan worden ingewilligd onder het stellen van één of meer andere voorwaarden dan opgenomen in dit besluit hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarbij tot de overgedragen onderneming lidmaatschapsrechten of bewijzen van deelgerechtigdheid behoren 2 moet worden afgewezen om een andere reden dan in dit besluit is opgenomen waarbij niet is voldaan aan de in de wet gestelde vereisten of waarbij de heffing of invordering onvoldoende zijn verzekerd 7 3 Beschikking inspecteur In alle gevallen waarin artikel 14 tweede lid van de Wet Vpb wordt toegepast beslist de inspecteur op het verzoek bij een voor bezwaar vatbare beschikking Deze werkwijze brengt mee dat indien belanghebbende n tegen een beschikking van de inspecteur niet binnen de daarvoor gestelde termijn van zes weken in bezwaar komt komen of die beschikking op andere wijze formele rechtskracht heeft gekregen de door de inspecteur afgegeven beschikking onherroepelijk vaststaat Daaruit volgt dat een belastingaanslag niet kan worden bestreden met een bezwaar dat zich richt tegen een element van die aanslag dat is terug te voeren op de door de inspecteur afgegeven beschikking 7 4 Afdoening verzoeken die onder de algemene toestemming vallen te stellen voorwaarden In de gevallen waarin de inspecteur op grond van de algemene toestemming het verzoek om toepassing van artikel 14 tweede lid van de Wet Vpb zelf kan afdoen neemt hij zijn beslissing door middel van een voor bezwaar vatbare beschikking waarbij hij het volgende in acht neemt a Het verzoek wordt ingewilligd Indien het verzoek wordt ingewilligd richt de inspecteur de beschikking in conform bijlage 2 waarbij uitsluitend voorwaarden worden gesteld die overeenkomen met de voorwaarden zoals opgenomen in bijlage 1 b Het verzoek wordt afgewezen Indien het verzoek wordt afgewezen richt de inspecteur de beschikking in conform bijlage 4 c Het verzoek wordt ingewilligd onder het stellen van een afwijkend overgangstijdstip Indien de gevraagde terugwerkende kracht op grond van het gestelde in hoofdstuk 4 van dit besluit niet aanvaardbaar is maar wel aan alle overige vereisten is voldaan willigt de inspecteur het verzoek in bij een voor bezwaar vatbare beschikking onder het stellen van een ander overgangstijdstip dat volgens dit besluit wel aanvaardbaar is Voordat hij de beschikking afgeeft stelt hij belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord 7 5 Verzoeken die niet onder de algemene toestemming vallen Valt het verzoek niet onder de in paragraaf 7 2 van dit besluit aan de inspecteur verleende toestemming tot het afdoen van verzoeken dan zendt de inspecteur het verzoek met zijn ambtsbericht ingericht overeenkomstig bijlage 5 zo spoedig mogelijk door naar het Ministerie van Financiën Centrum voor proces en productontwikkeling Sector brieven beleidsbesluiten Daar wordt het verzoek beoordeeld en een beschikking voorbereid Vervolgens wordt de inspecteur onder toezending van een concept beschikking toegestaan op het verzoek te beslissen De inspecteur handelt verder overeenkomstig hetgeen hierna is vermeld a Het verzoek wordt ingewilligd Wordt het verzoek ingewilligd dan geeft de inspecteur een voor bezwaar vatbare beschikking af conform de toestemming en de daarbij opgenomen voorwaarden De voorwaarden worden als bijlage met de beschikking meegezonden b Het verzoek wordt afgewezen Is het verzoek niet voor inwilliging vatbaar dan wijst de inspecteur het verzoek bij een voor bezwaar vatbare beschikking af onder vermelding van de motivering 7 6 Gelijktijdige toepassing Indien er direct voorafgaande aan de overdracht om toepassing van artikel 3 65 van de Wet IB 2001 is verzocht handelt de inspecteur het verzoek om toepassing van artikel 14 tweede lid van de Wet Vpb pas af nadat de beschikking voor de toepassing van artikel 3 65 van de Wet IB 2001 is afgegeven Indien het verzoek om toepassing van artikel 14 tweede lid van de Wet Vpb gelijktijdig met het verzoek om toepassing van artikel 3 65 van de Wet IB 2001 wordt ingediend deelt de inspecteur met inachtneming van het bepaalde in artikel 4 15 van de AWB aan de indiener van het verzoek mee dat het eerstgenoemde verzoek pas kan worden afgehandeld nadat het verzoek om toepassing van artikel 3 65 van de Wet IB 2001 is ingewilligd 7 7 Samenloop verzoeken en De overdracht van een onderneming zonder belastingheffing kan zowel plaatsvinden met toepassing van artikel 14 van de Wet Vpb als binnen een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 Wet van de Vpb Het is echter niet mogelijk om beide bepalingen toe te passen op dezelfde overdracht Dit houdt in dat een verzoek ex artikel 14 van de Wet Vpb moet worden afgewezen als er een fiscale eenheid tussen de overdrager en de overnemer tot stand is gekomen en de overdracht binnen fiscale eenheid plaatsvindt Als er al een beschikking op grond van artikel 14 van de Wet Vpb is afgegeven en er komt ná die beschikking alsnog een fiscale eenheid tot stand waardoor de overdracht binnen de fiscale eenheid plaatsvindt dan heeft de beschikking haar belang verloren De overdracht van een onderneming aan een met ingang van haar oprichtingsdatum gevoegde dochtermaatschappij vindt steeds plaats tijdens het bestaan van de fiscale eenheid zie in dit verband artikel 6 vierde lid van het Besluit fiscale eenheid 2003 7 8 Inlichtingen Voor inlichtingen over de fiscale begeleiding van bedrijfsfusies kunnen belanghebbenden contact opnemen met de bevoegde inspecteur van de Belastingdienst die zo nodig overlegt met de kennisgroep Fusies en fiscale eenheden 8 Meegeven van verliezen bij einde belastingplicht overdrager 8 1 Inleiding Indien de overdrager zijn gehele onderneming in het kader van een bedrijfsfusie in de zin van artikel 14 van de Wet Vpb overdraagt kan zich de situatie voordoen dat de overdrager als rechtstreeks gevolg van deze overdracht niet meer belastingplichtig is voor de heffing van de vennootschapsbelasting Beschikt de overdrager in zo n situatie nog over te verrekenen verliezen dan blijft de aanspraak op verrekening daarvan bij de overdrager achter De overdrager kan deze verliezen echter niet meer verrekenen nu hij door de overdracht niet meer belastingplichtig is voor de heffing van de vennootschapsbelasting Voor deze situaties heb ik de navolgende goedkeurende regeling getroffen 8 2 Goedkeuring en voorwaarden Met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de hardheidsclausule ben ik in beginsel bereid onder nadere voorwaarden goed te keuren dat de aanspraak op voorwaartse verliesverrekening van de overdrager overgaat op de overnemer dan wel dat de door de overnemer geleden verliezen binnen de daarvoor geldende wettelijke termijnen achterwaarts kunnen worden verrekend met de belastbare winst dan wel het binnenlandse inkomen van de overdrager Om voor deze goedkeuring in aanmerking te komen is het noodzakelijk dat wordt voldaan aan de hierna onder A vermelde vereisten Aan de te verlenen goedkeuring zullen de onder B genoemde voorwaarden worden verbonden Deze voorwaarden kunnen al naar gelang de bijzondere omstandigheden van het individuele geval worden gewijzigd of aangevuld A Vereisten voor goedkeuring De vereisten luiden als volgt 1 de overdrager draagt zijn gehele onderneming 2 In het geval de overdrager een buitenlandse belastingplichtige is de gehele in Nederland gedreven onderneming in het kader van een bedrijfsfusie in de zin van artikel 14

    Original URL path: http://www.belastingcollectief.nl/fiscalisten/wetteksten/vennootschapsbelasting/bedrijfsfusie-art-14-wet-vpb-standaardvoorwaarden (2016-01-09)
    Open archived version from archive

  • Juridische afsplitsing (art 14a Wet Vpb) & standaardvoorwaarden - Belasting Collectief Nederland
    MB Legal Tax in Alkmaar F van Elk FB Fedor mr drs J D Hoogendoorn RA Jaap J Beijert Jan MB Legal Tax in Middenbeemster mr M F Marco Bezoet de Bie mr J D M J den Boer RA CRAd Schut en Bruggink Estate Planners in Haarlem Paul Schut Marian Bruggink Rogier Pak Abel Advisory in Amsterdam Frank Schwarte Joost Lagerberg AsjesBisseling in Amsterdam Arjan Bisseling B B Accountants in Den Burg De Bont Advocaten in Amsterdam prof mr G J M E de Bont mr J M Sitsen mr M B Weijers mr P de Haas VanOoijen in Haarlem Adriaan Daniels Ognjen Soldat Just Tax in Nieuw Vennep Utrecht AccountantsTEAM in Utrecht Joost Rietveld Pay Check in Houten Pieter Miedema Fiscaal Jurist in Baarn Pieter Miedema Overijssel ELBERT fiscaal in Hengelo mr H A Elbert Beersen Grandiek in Hengelo Mr V J Vincent Grandiek Cervus Belastingadvies in Zwolle mr H A Elbert EVFA in Deventer Eric Versteegh Zuid Holland Scientia Fiscalis in Alblasserdam Yvonne Tigelaar Klootwijk Van Driel Fruijtier in Dordrecht MB Internationaal in Rotterdam Zeeland Rijkse Partners Belastingadviseurs in Middelburg Curacao Wesselman in Curaçao Bert Bogie Duitsland Strick Rechtsanwälte Steuerberater in Kleve Anton Ingenerf Frank J Lamers Sabine van Wickeren Lenk Christian Theissen Freddy B Heinzel Belgie Cobofisk in Gent Hendrik Huys Cobofisk in Aalter Luc Coopman Spanje Arcos Lamers Asociados in Marbella Wim Lamers Maite Arcos Kennisgroepen BTW specialisten Loonheffing specialisten Pensioen specialisten Estate Planning specialisten Formeel Belastingrecht specialisten Fusie Overname specialisten Herinvesteringsreserve specialisten Huwelijk Echtscheiding specialisten Innovatiebox specialisten Internationaal Belastingrecht specialisten Douane specialisten Auto van de zaak Sport Sprekers Cursussen Allround Auto van de zaak Bedrijfsoverdracht BTW Douane Estate Planning FFP VBI FBI Formeel belastingrecht Loonheffingen Pensioenen Partners Fiscaal Kenniscentrum Fiscaal up to Date Hoge Raad geeft happy end aan nasleep Van der Steen naheffingen van tafel Verhuur van theaterruimte was niet vrijgesteld van BTW Betalingsonmacht hoefde pas na aanmaning te worden gemeld HIR viel vrij wegens verkoop herinvesteringslichaam aan gelieerde BV Tbs regeling voor verhuur camping na verkoop aandelen aan schoonmoeder Leningconstructie taxpartners was ongewenste boxarbitrage Rechtbank torpedeert listige aandelenoptieconstructies DGA in Van der Steen f e niet aansprakelijk voor BTW van BV Overdrachtsbelasting vanaf 15 juni 2011 verlaagd naar 2 Verliesverrekeningsbeperking niet in strijd met EU recht Privégebruik auto per 1 juli 2011 fictieve dienst correctie los van IB en LB BTW bij levering terrein met reeds gestarte sloop van opstallen Don Bosco 30 Regeling voor na terugkeer genoten optievoordeel Fiscaal up to Date kennispartner van Belasting Collectief Nederland Werkzaamheid bij vastgoed eindigt in principe bij vervreemding Premies vrijwillige ANW vangnetverzekering niet aftrekbaar Sale lease back van school door gemeente misbruik van recht Melding betalingsonmacht liep niet door na onjuiste aangifte EHRM rekt zwijg en inzagerecht in fiscale boetezaak op Volgens staatssecretaris geen misstanden bij de Belastingdienst 30 regel voor na uitdiensttreding ontvangen optievoordeel Arresten over landbouwvrijstelling rechtvaardigden heretikettering niet Negeren van belaste winstuitkering in aanvullende aangifte was ambtelijk verzuim Navordering na fout in vooringevulde aangifte vernietigd Voorwaarde voor geruisloze inbreng buitenlandse ondernemer in strijd met EU recht Kostenvergoeding voor telefonisch horen in bezwaarfase Valutawinst op lening bij aankoop binnenlandse deelneming was niet vrijgesteld Eindheffing voor niet maatschappelijk aanvaardbare 55 plusregeling Lening omlaag die niet door bank zou zijn verstrekt was onzakelijk Verhuurde bovenverdiepingen vormden ondernemingsvermogen Herinvesteringsvoornemen concerndirectie toegerekend aan BV Erfbelasting over oudere WOZ waarde leidde tot buitensporige last Betalingen aan bestuursvoorzitter woningstichting waren resultaatsinkomen BOF ondanks afwezigheid van ondernemingsvermogen Studenten waren niet bij onderneming van vereniging in dienstbetrekking Geen verlaagd BTW tarief voor rondleiding in stadion Vrijstelling overdrachtsbelasting bij inbreng gold ook voor niet tbs deel pand Omzetcorrecties autosloperij in het kader van actie Klaproos Onzakelijke borgstelling in tbs sfeer leidde tot verlies uit a b Hogere ambtenaren Financiën willen naar systeem van voldoening op aangifte Geen pensioen in eigen beheer voor DGA met aandelen zonder stemrecht Hof Den Bosch legt met prejudiciële vragen bom onder CO2 heffing in BPM MKB winstvrijstelling gold ook na inbreng met terugwerkende kracht Beperking verrekening houdsterverliezen onterecht door geslaagd tegenbewijs Vruchtgebruikconstructie school was misbruik van recht Rechtbank Arnhem bedrijfsopvolging in SW is niet discriminerend Van der Steen arrest verhinderde aansprakelijkheid DGA niet Rechtbank had zaak volgens Hof zelf moeten afdoen Inspecteur mocht VAR loon afgeven in plaats van gevraagde VAR DGA Achterblijven pand verhinderde toepassing van bedrijfsfusiefaciliteit Regresvordering a b houder van meet af aan in box I 12 regeling voor ingevoerde gebruikte auto s niet EU proof Valutawinst op besmette lening na saldering vrijgesteld Bezwaarschriften worden toch inhoudelijk bekeken Fiscus gaat 90 van voorraad bezwaren blindelings volgen Hoge servicekosten deels van invloed op WOZ waarde van serviceflat Verkoop horecapand betekende nog geen staking Heffingsrente herzien volgens herzieningregels van aanslag Aanslag successierecht kon niet aan echtgenoten tezamen worden opgelegd Geen schadeplicht jegens fiscus na onjuiste etikettering pand Apart soort aandeel door verschil in stemrecht over winst Onderhandse schuldigerkenning verminderde verkrijging niet EU Hof onder voorwaarden akkoord met Nederlandse exitheffing Kwijtscheldingsverlies bij onzakelijke lening omlaag in tbs regeling Bij meerderheidsbelang wordt groepsrelatie voor thincapregeling verondersteld Korte huurperiode pand irrelevant bij overgang algemeenheid Ontbreken echtgenotenvrijstelling bij recht van overgang niet discriminerend Nota van door gemeente ingeschakele WOZ taxateur openbaar Cursus Belastingrecht voor niet fiscalisten Ontvanger mag niet bekendgemaakte aanslag niet invorderen Adviseur via kort geding verplicht tot informatieverstrekking Immateriële schadevergoeding na vernietiging navorderingsaanslag Fiscus moest onevenredig rentenadeel bij VA s compenseren Hof had beroep enkel vanwege undue delay ongegrond moeten verklaren Prejudiciële vragen over het begrip bouwterrein Revisierente onzuivere pensioenregeling vernietigd Kamervragen over problemen met verliesverrekening Vpb 2010 Niet tot ondernemingsvermogen behorende gelden verhinderde afwaardering in box I Intranet Modellen Overeenkomst van geldlening van durfkapitaal Overeenkomst rekening courant tussen DGA en BV NOTULEN Algemene vergadering aandeelhouders van bv met beperkte aansprakelijkheid Managementovereenkomst beheer BV 100 procent werk BV Arbeidsovereenkomst DGA Akte van cessie koop en verkoop van een vordering Akte geruisloze inbreng Aansprakelijkheidsverklaring Aandeelhoudersovereenkomst Wetteksten Inkomstenbelasting Wet op de inkomstenbelasting 2001 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 Vennootschapsbelasting Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 Besluit Fiscale Eenheid 2003 Geruisloze terugkeer art 14c Wet Vpb standaardvoorwaarden Juridische fusie art 14b Wet Vpb standaardvoorwaarden Bedrijfsfusie art 14 Wet Vpb standaardvoorwaarden Juridische afsplitsing art 14a Wet Vpb standaardvoorwaarden Loonbelasting Wet op de loonbelasting 1964 Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 Omzetbelasting Wet op de omzetbelasting 1968 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 BUA Dividendbelasting Wet op de dividendbelasting 1965 Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 Successiewet Successiewet 1956 Uitvoeringsbesluit successiewet 1956 Uitvoeringsregeling schenk en erfbelasting Rechtsverkeer Wet op belastingen van rechtsverkeer Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer Bestuursrecht Algemene wet bestuursrecht Besluit proceskosten bestuursrecht Algemene wet Algemene wet inzake rijksbelastingen Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst Invorderingswet Invorderingswet 1990 Uitvoeringsregeling inleners keten en opdrachtgeversaansprakelijkheid Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 Internationaal belastingrecht Besluit voorkoming dubbele belastingen 2001 Voorkoming dubbele belasting onder toepassing van belastingverdragen Verdragen Type DTA Albanië in werking Argentinië in werking Armenië in werking Australië in werking Australië Tweede Protocol in werking Azerbeidzjan in werking Bahrein in werking Bangladesh in werking Barbados in werking Barbados Protocol in werking Belarus in werking België in werking België Protocol geratificeerd door nl Brazilië in werking BRK Aruba in werking BRK Cura çao in werking BRK Sint Maarten in werking Bulgarije in werking Canada in werking Canada Protocol in werking China in werking Denemarken in werking Duitsland in werking Duitsland Protocol 1 in werking Duitsland Protocol 2 in werking Duitsland Protocol 3 in werking Egypte in werking Estland in werking Estland Protocol 1 in werking Estland Protocol 2 in werking Filippijnen in werking Finland 1996 in werking Frankrijk 1973 in werking Frankrijk Protocol bij 1973 in werking Georgië in werking Ghana in werking Griekenland in werking Hongkong in werking Hongarije in werking Ierland in werking Ijsland in werking India in werking India Protocol ondertekend Indonesië 2002 in werking Israël in werking Israël Protocol in werking Italië Protocol in werking Japan 1970 beëindigd Japan 2010 in werking Japan Protocol beëindigd Joegoslavië in werking Jordanië in werking Kazachstan in werking Koeweit in werking Korea in werking Korea Protocol in werking Kroatië in werking Kyrgyzstan Sovjetverdrag in werking Letland in werking Litouwen in werking Luxemburg in werking Luxemburg Protocol in werking Marcedonië in werking Malawi in werking Maleisië in werking Maleisië Protocol 1 in werking Maleisië Protocol 2 in werking Malta in werking Malta Protocol in werking Marokko in werking Mexico in werking Mexico Protocol in werking Moldavië in werking Mongolië in werking Nieuw Zeeland in werking Nieuw Zeeland Protocol in werking Nigeria in werking Noorwegen in werking Noorwegen Protocol in werking Oekraïne in werking Oezbekistan in werking Oman in werking Oostenrijk in werking Oostenrijk Protocol 1 in werking Oostenrijk Protocol 2 in werking Oostenrijk Protocol 3 in werking Oostenrijk Protocol 4 in werking Pakistan in werking Panama in werking Polen in werking Portugal in werking Qatar in werking Roemenië in werking Russische Federatie in werking Saudi Arabië in werking Singapore in werking Singapore Protocol 1 in werking Singapore Protocol 2 in werking Slovenië in werking Slowakije in werking Slowakije Protocol 1 in werking Slowakije Protocol 2 in werking Spanje in werking Sri Lanka in werking Suriname in werking Taiwan in werking Thailand in werking Tunesië in werking Turkije in werking Turkmenistan Sovjetverdrag in werking Uganda in werking Venezuela in werking Venezuela Protocol in werking Verenigd Koninkrijk 1980 beëndigd Verenigd Koninkrijk 2008 in werking Verenigd Koninkrijk Protocol 1 beëindigd Verenigd Koninkrijk Protocol 2 beëindigd Verenigde Arabische Emiraten in werking Verenigde Staten in werking Verenigde Staten Protocol 1993 in werking Verenigde Staten Protocol 2004 in werking Vietnam in werking Zambia in werking Zimbabwe in werking Zuid Africa in werking Zuid Africa Protocol in werking Zweden in werking Zwitserland 2010 in werking Type S E Zweden in werking Verenigd Koninkrijk Successie in werking Oostenrijk Successie in werking Israël Successie in werking Finland Successie in werking Search Zoeken Javascript is required to use this website translator free translator Skip to content vrijdag 21 september 2012 12 58 Juridische afsplitsing art 14a Wet Vpb standaardvoorwaarden Geschreven door Redactie Belasting Collectief Nederland Print E mail Opschrift Vennootschapsbelasting juridische afsplitsing toelichting en voorwaarden voor de fiscale begeleiding verzoeken artikel 14a derde lid Wet Vpb Aanhef De Directeur Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten Hoofdstukken Dit besluit is een herdruk van het besluit van 4 januari 2000 nr DB99 1307M Deze herdruk is noodzakelijk in verband met de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 met ingang van 1 januari 2001 De wijzigingen zijn de volgende De beperking van de voorwaarden van het Besluit tot afsplitsingen van en naar NV s of BV s is vervallen In verband hiermee is een aanvullende voorwaarde opgenomen met betrekking tot de afsplitsing door stichtingen of verenigingen en met betrekking tot de afsplitsing naar buiten Nederland gevestigde lichamen De verwijzingen naar gewijzigde of vervallen artikelen zijn aangepast De overige wijzigingen zijn redactioneel en beogen slechts verduidelijking 1 Inleiding Dit Besluit bevat de voorwaarden welke in het algemeen zullen worden gesteld bij de toepassing van artikel 14a derde lid Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 hierna Wet Vpb Deze voorwaarden zijn als bijlage opgenomen Dit Besluit bevat ook een toelichting op deze voorwaarden Met nadruk wordt erop gewezen dat het algemene karakter van de voorwaarden meebrengt dat deze zullen worden gewijzigd en of aangevuld al naar gelang de bijzondere omstandigheden van het individuele geval Verder wordt kort de werking van artikel 14a Wet Vpb toegelicht Daarnaast wordt ingegaan op de samenloop met de verliesverrekening en de fiscale eenheid Ook wordt aandacht besteed aan het afsplitsingstijdstip en aan enkele formele aspecten van de toepassing van artikel 14a derde lid Wet Vpb Voor de volledigheid merk ik nog op dat de fiscale begeleiding van de aandeelhouders van de verkrijgende en afsplitsende rechtspersonen hier niet wordt besproken Hun begeleiding wordt niet geregeld in artikel 14a Wet Vpb maar in artikel 8 eerste lid Wet Vpb dat bepaalt dat artikel 3 56 Wet IB 2001 overeenkomstige toepassing vindt ten aanzien van aandeelhouders welke onderworpen zijn aan de Wet Vpb Verder zijn in de artikelen 13h en 13j van de Wet Vpb een aantal bepalingen opgenomen inzake de mogelijke samenloop met de regeling voor de deelnemingsvrijstelling 2 Fiscale gevolgen van een juridische afsplitsing Artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek hierna Boek 2 BW bepaalt dat de splitsing een zuivere splitsing of een afsplitsing is Het derde lid van artikel 334a van Boek 2 BW omschrijft een afsplitsing als de rechtshandeling waarbij het vermogen of een deel daarvan van een rechtspersoon die bij de splitsing niet ophoudt te bestaan onder algemene titel overeenkomstig de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving wordt verkregen door een of meerdere andere rechtspersonen waarvan ten minste één overeenkomstig het bepaalde in deze of de volgende afdeling lidmaatschapsrechten of aandelen in zijn kapitaal toekent aan de leden of aan aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon of waarvan ten minste één bij de splitsing door de splitsende rechtspersoon wordt opgericht Artikel 14a eerste lid van de Wet Vpb kwalificeert de juridische afsplitsing als een overdracht van vermogensbestanddelen van de afsplitsende rechtspersoon naar de verkrijgende rechtspersoon De afsplitsende rechtspersoon wordt geacht deze vermogensbestanddelen te hebben vervreemd aan de verkrijgende rechtspersoon Daardoor ontstaat een situatie die verwantschap vertoont met de bedrijfsfusie De afsplitsende rechtspersoon zal indien geen mogelijkheid zou bestaan om de fiscale claim geheel of ten dele door te schuiven dienen af te rekenen over de meerwaarden die besloten liggen in de overgedragen vermogensbestanddelen alsmede de daarmee samenhangende fiscale reserves Omdat er fiscaalrechtelijk sprake is van een overdracht zal in dit besluit en in de voorwaarden steeds de term overdracht en niet de term overgang worden gebruikt Tot 1 januari 2001 geldt de fiscale kwalificatie van artikel 14a eerste lid van de Wet Vpb alleen voor de afsplitsing op de voet van artikel 334a Boek 2 BW Met ingang van 1 januari 2001 geldt zij voor elke overgang onder algemene titel in het kader van een af splitsing en vindt zij dus ook toepassing op de afsplitsing naar buitenlands recht Het Nederlandse recht blijft leidend in die zin dat de inhoud die naar Nederlands recht toekomt aan het begrip overgang onder algemene titel en het begrip af splitsing beslissend is voor de vraag of een buitenlandse rechtshandeling kwalificeert als overgang onder algemene titel in het kader van een af splitsing in de zin van artikel 14a Wet Vpb Artikel 14a tweede lid van de Wet Vpb bepaalt dat de afsplitsing geruisloos kan plaatsvinden als aan de volgende drie vereisten wordt voldaan voor het bepalen van de winst bij de afsplitsende rechtspersoon en de verkrijgende rechtspersoon zijn dezelfde bepalingen van toepassing en bij de verkrijgende rechtspersoon bestaat geen aanspraak op voorwaartse verrekening van verliezen op de voet van artikel 20 van de Wet Vpb en de latere heffing is verzekerd Alsdan treedt de verkrijgende rechtspersoon met betrekking tot de in het kader van de afsplitsing verkregen vermogensbestanddelen geheel in de plaats van de afsplitsende rechtspersoon Indien niet aan de vereisten van het tweede lid wordt voldaan biedt het derde lid desalniettemin de mogelijkheid de winst buiten aanmerking te laten Daartoe moeten de afsplitsende rechtspersoon en de verkrijgende rechtspersoon vóór de civielrechtelijke afsplitsing een gezamenlijk verzoek doen bij de inspecteur Indien het verzoek wordt ingewilligd worden hieraan voorwaarden gesteld De inspecteur beslist op het verzoek bij een voor bezwaar vatbare beschikking Ook in deze situatie treedt de verkrijgende rechtspersoon bij inwilliging van het verzoek met betrekking tot al hetgeen in het kader van de afsplitsing is verkregen in de plaats van de afsplitsende rechtspersoon voor zover daaraan geen voorwaarden zijn gesteld De verkrijging onder algemene titel wordt dan ook hier gevolgd De verkrijgende rechtspersoon krijgt de vermogensbestanddelen met alle daarbij behorende lusten en lasten De vrijstelling van het tweede en derde lid geldt niet voor elke overgang onder algemene titel in het kader van een splitsing Artikel 14a dertiende lid Wet Vpb eist dat de splitsende en de verkrijgende rechtspersoon zijn gevestigd in Nederland dan wel zijn gevestigd in een Lidstaat van de Europese Unie in de zin van artikel 3 55 vijfde lid Wet IB 2001 Artikel 2 vierde lid Wet Vpb vindt hierbij geen toepassing Met ingang van 1 januari 2001 geldt niet langer als vereiste voor fiscale begeleiding dat met of bij de afsplitsing positieve winst wordt behaald Derhalve kan ook in de situatie dat de winst 0 of negatief is om toepassing van de faciliteit worden verzocht Ik beraad mij er nog over of in dergelijke gevallen aanvullende voorwaarden noodzakelijk zijn Het vijfde lid van artikel 14a van de Wet Vpb regelt dat de in het derde lid bedoelde voorwaarden slechts mogen strekken ter verzekering van de heffing en de invordering Onder die voorwaarden worden voorts begrepen voorwaarden die betrekking kunnen hebben op het bepalen van de in een jaar genoten winst van de verkrijgende rechtspersoon de toelaatbare reserves en de verrekening van verliezen In het zesde lid wordt aangegeven dat de fiscaal geruisloze doorschuiving van het tweede en derde lid niet mogelijk is indien de afsplitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstel van belastingheffing 3 Verrekening van verliezen Bij juridische afsplitsing blijft de afsplitsende rechtspersoon bestaan In tegenstelling tot de zuivere splitsing of de juridische fusie gaan de aanspraken op nog te verrekenen verliezen als gevolg van de afsplitsing niet verloren Na de afsplitsing kan de afsplitsende rechtspersoon deze verliezen normaal verrekenen Dit is dan ook de reden dat bij de fiscale begeleiding van de afsplitsing geen mogelijkheid geboden wordt een deel van de verliezen van de afsplitsende rechtspersoon over te dragen aan de verkrijgende rechtspersonen Terzijde wordt opgemerkt dat deze lijn ook bij de bedrijfsfusie wordt gevolgd In de situatie waarin de verkrijgende rechtspersoon over aanspraken op nog te verrekenen verliezen beschikt worden voorwaarden gesteld met betrekking tot de wijze waarop verrekening van de verliezen van de verkrijgende rechtspersoon dient te geschieden Teneinde te voorkomen dat deze verliezen worden verrekend met winsten die zijn toe te rekenen aan vermogensbestanddelen die in het kader van de afsplitsing zijn verkregen moet de verkrijgende rechtspersoon zijn winst splitsen Het begrip winstsplitsing is reeds bekend van de fiscale eenheid en wordt nader toegelicht in paragraaf 5 Voor de winstsplitsing zullen indien de bij de afsplitsing betrokken ondernemingen in de praktijk reeds als min of meer zelfstandige onderdelen hebben gefunctioneerd veelal in de bedrijfsvoering voldoende aangrijpingspunten te vinden zijn Veelal zal dit aan de hand van filiaalboekhoudingen dan wel budgetten mogelijk zijn Indien de winstsplitsing desalniettemin tot grote problemen leidt kan worden getracht met de inspecteur tot een forfaitaire verdeelsleutel te komen De inspecteurs dienen bij de winstsplitsing in de praktijk een zekere soepelheid te betrachten 4 Afsplitsingstijdstip In de begripsbepalingen die voorafgaan aan de voorwaarden is het afsplitsingstijdstip omschreven als het tijdstip van wanneer af de overgedragen vermogensbestanddelen worden geacht rechtstreeks voor rekening en risico van de verkrijgende rechtspersoon te komen Dit tijdstip wordt in beginsel bepaald door wat de bij de afsplitsing betrokken rechtspersonen daaromtrent zijn overeengekomen voor zover passend binnen wet en jurisprudentie In het algemeen zal in deze gevallen als vroegste tijdstip gelden het tijdstip waarop het in artikel 334m van Boek 2 BW bedoelde af splitsingsbesluit wordt genomen Met het oog op hetgeen is opgemerkt tijdens de parlementaire behandeling voorafgaande aan de invoering van artikel 14a van de Wet Vpb kan voor de bepaling van dit tijdstip in beginsel ook worden aangesloten bij de civielrechtelijke regeling In dit verband keur ik goed dat het afsplitsingstijdstip kan worden gesteld op de aanvang van het boekjaar mits de in artikel 334f tweede lid onderdeel i van Boek 2 BW bedoelde verantwoording van financiële gegevens eveneens vanaf dat tijdstip plaatsvindt en de in artikel 334n eerste lid van Boek 2 BW bedoelde notariële akte binnen twaalf maanden na dat tijdstip wordt verleden en daarbij geen incidenteel fiscaal voordeel wordt beoogd of behaald 5 Toelichting op de voorwaarden In het derde lid van artikel 14a van de Wet Vpb wordt geregeld hoe de afsplitsing fiscaal geruisloos kan plaatsvinden als niet aan de in het tweede lid genoemde vereisten is voldaan De in dit besluit opgenomen voorwaarden hebben betrekking op gevallen waarin niet voldaan is aan de in het tweede lid genoemde vereisten met betrekking tot aanspraak op voorwaartse verliesverrekening en het zijn verzekerd van latere heffing Voorwaarde 1 Onderlinge vorderingen en schulden In voorwaarde 1a is bij een tussen de afsplitsende en verkrijgende rechtspersonen bestaande onderlinge vordering schuldverhouding voorgeschreven dat bij de schuldvermenging van deze onderlinge financiële verhouding de crediteur zijn vordering op de andere rechtspersoon onmiddellijk voorafgaand aan het afsplitsingstijdstip waardeert op de bedrijfswaarde met als maximum de nominale waarde voor zover dit niet reeds is gebeurd De tweede volzin van voorwaarde 1a bewerkstelligt dat de schuld door de debiteur op hetzelfde bedrag te boek wordt gesteld als de vordering van de crediteur Aldus wordt het verschil tussen de boekwaarde van de schuld en die van de daartegenoverstaande vordering geneutraliseerd voordat die schuld en vordering door schuldvermenging tenietgaan Onder vorderingen worden mede obligaties begrepen Voor zover sprake is van een afgewaardeerde vordering zoals bedoeld in artikelen 13b en 13ba van de Wet Vpb blijft de sanctie als bedoeld in het eerste lid van die artikelen daarna achterwege Voorwaarde 1b bewerkstelligt dat ingeval de onderlinge vordering schuldverhouding blijft bestaan maar de afsplitsing binnen de groep van verbonden lichamen tot een waardedaling van de vordering leidt die waardedaling niet ten laste van de winst kan worden gebracht Zonder deze voorwaarde zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn dat de waarde van de vordering door een afsplitsing op gekunstelde wijze wordt verminderd Overigens zou in een dergelijke situatie onder omstandigheden sprake kunnen zijn van een afsplitsing die in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing waardoor fiscaal geruisloze doorschuiving reeds om die reden is uitgesloten De tweede volzin van voorwaarde 1b bepaalt dat latere waardestijgingen van deze vorderingen tot het bedrag van de op grond van de eerste volzin niet aftrekbare waardeverminderingen bij het bepalen van de winst buiten aanmerking worden gelaten Voorwaarde 2 Verrekening van verliezen buitenlandse resultaten en bronbelasting Aangezien de afsplitsende rechtspersoon niet ophoudt te bestaan gaan zijn aanspraken op de verrekening van verliezen niet verloren In afwijking van de fiscale begeleiding van de juridische fusie en zuivere splitsing is het daarom niet mogelijk dat de verliezen van de afsplitsende rechtspersoon overgaan naar de verkrijgende rechtspersoon De verliezen blijven bij de afsplitsende rechtspersoon achter en kunnen bij deze rechtspersoon worden verrekend Met betrekking tot de verkrijgende rechtspersoon regelt deze voorwaarde de wijze waarop op het afsplitsingstijdstip nog te verrekenen verliezen van de verkrijgende rechtspersoon hierna voorsplitsingverliezen worden verrekend met de na het afsplitsingstijdstip door de verkrijgende rechtspersoon behaalde winst hierna nasplitsingwinst De verrekening door de verkrijgende rechtspersoon van de voorsplitsingverliezen met nasplitsingwinst is aan voorwaarden gebonden Het uitgangspunt hierbij is dat de verrekening van voorsplitsing verliezen uitsluitend mogelijk is met nasplitsingwinst van de verkrijgende rechtspersoon die is toe te rekenen aan de vermogensbestanddelen met de daarbij eventueel behorende activiteiten die de verliezen in het verleden hebben veroorzaakt Dit uitgangspunt wordt bewerkstelligd door winstsplitsing voor te schrijven Het gaat bij deze winstsplitsing om het toerekenen van de nasplitsingwinst van de verkrijgende rechtspersoon aan de onderneming van de verkrijgende rechtspersoon zoals die vóór de afsplitsing werd gedreven Het begrip onderneming is niet statisch Nieuwe activiteiten dienen hierbij zoveel mogelijk in historisch perspectief te worden geplaatst De inspecteurs dienen bij de winstsplitsing in de praktijk een zekere soepelheid te betrachten Bij elke voorwaartse verliesverrekening over het afsplitsingstijdstip heen dient door de verkrijgende rechtspersoon winstsplitsing te worden toegepast Dit geldt ook ten aanzien van rechtsverhoudingen die als gevolg van de afsplitsing teniet zijn gegaan Met nadruk merk ik op dat zolang de verkrijgende rechtspersoon voorsplitsingverliezen over het afsplitsingstijdstip heen wil verrekenen winstsplitsing onbeperkt in de tijd in acht dient te worden genomen Op grond van voorwaarde 2c worden de verliezen van de verkrijgende rechtspersoon gekort met reeds bij de afsplitsende rechtspersoon tot uitdrukking gebrachte verliezen Indien bijvoorbeeld een vordering van de afsplitsende rechtspersoon op de verkrijgende rechtspersoon vóór het afsplitsingstijdstip is omgezet in aandelen in de verkrijgende rechtspersoon en deze omzetting plaatsvond vóór 28 april 1990 waardoor op die omzetting artikel 13b oud van de Wet Vpb niet van toepassing is geweest is het verlies op de vordering reeds tot uitdrukking gebracht bij de afsplitsende rechtspersoon In voorwaarde 2d is een beperking van de verrekening van vóór het afsplitsingstijdstip geleden verliezen met de winst van de onderneming van de verkrijgende rechtspersoon opgenomen Bij de beperking in de slotzin valt te denken aan de situatie dat een verkrijgende rechtspersoon als moedermaatschappij in een fiscale eenheid is opgenomen waarbij het bepaalde in de gestelde voorwaarde die overeenkomt met de 14e standaardvoorwaarde fiscale eenheid gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 30 september 1991 nr 189 van toepassing is Voorwaarde 2e regelt de wijze waarop na het afsplitsingstijdstip met de in het buitenland opgekomen resultaten en buitenlandse bronbelasting dient te worden omgegaan Ingeval bij een juridische afsplitsing tot de overgedragen vermogensbestanddelen een vaste inrichting die in het buitenland wordt gedreven behoort treedt de verkrijgende rechtspersoon voor wat betreft de zogenoemde doorschuifregeling én de inhaalregeling artikel 34 en artikel 35 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 voor zover deze op die vaste inrichting betrekking heeft in de plaats van de afsplitsende rechtspersoon Hetzelfde geldt bij overdracht van schuldvorderingen aandelen rechten en dergelijke voor de daarop betrekking hebbende nog niet verrekende buitenlandse bronbelasting artikel 37 van genoemd Besluit Indien zich een dergelijke plaatsvervanging voordoet schrijft voorwaarde 2e winstsplitsing voor Hiervoor wordt aangesloten bij de regeling inzake verliesverrekening Aan deze voorwaarde liggen ook dezelfde overwegingen ten grondslag als bij de regeling inzake verliesverrekening Voorwaarde 3 De afsplitsende rechtspersoon is in het bezit van aandelen in een verkrijgende rechtspersoon In de gevallen waarin de afsplitsende rechtspersoon aandelen bezit in de verkrijgende rechtspersoon en deze krachtens de afsplitsing worden overgedragen zal onmiddellijk voorafgaand aan het afsplitsingstijdstip het verschil tussen enerzijds de waarde in het economische verkeer van die aandelen en anderzijds de fiscale boekwaarde van die aandelen in de fiscale winst tot uitdrukking moeten worden gebracht een en ander met inachtneming van de deelnemingsvrijstelling art 13 van de Wet Vpb en de zogenoemde compartimenteringsleer zoals die in de jurisprudentie van de Hoge Raad is uitgewerkt BNB 1986 305 BNB 1991 268 en BNB 1997 101 Dat laatste kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een aandelenbezit dat als voorraad is of was aan te merken en bij een bezit dat tijdens de bezitsperiode op enig moment minder is geweest dan 5 Dit voordeel kan niet worden doorgeschoven omdat de aandelen die de verkrijgende rechtspersoon in zichzelf verkrijgt moeten worden geacht te zijn ingetrokken Voorwaarde 4 Een afsplitsende rechtspersoon houdt een deelneming in een verkrijgende rechtspersoon waarop artikel 13c dan wel artikel 13ca van de Wet Vpb van toepassing is In artikel 13c eerste lid van de Wet Vpb is onder de daar genoemde omstandigheden de deelnemingsvrijstelling uitgesloten voor positieve voordelen uit een deelneming in een rechtspersoon die een onderneming drijft die voordien als een buitenlandse onderneming werd gedreven door de belastingplichtige of een met deze verbonden rechtspersoon Voorts is in artikel 13c tweede lid van de Wet Vpb een sanctie opgenomen om te voorkomen dat de fiscale claim zou kunnen worden ontgaan Deze sanctie houdt in dat tot het bedrag waarvoor de fiscale claim verloren zou gaan winstneming moet plaatsvinden Indien door de afsplitsing de verkrijgende rechtspersoon aandelen verkrijgt in zichzelf worden deze aandelen geacht te zijn ingetrokken Indien op deze aandelen bij de houder ervan artikel 13c eerste lid van de Wet Vpb van toepassing is vormt dit intrekken een omstandigheid soortgelijk aan die welke zijn opgesomd in het tweede lid van dat artikel Derhalve is deze voorwaarde opgenomen waarin de sanctie van artikel 13c tweede lid van de Wet Vpb van overeenkomstige toepassing wordt verklaard Op de aldus in aanmerking genomen negatieve buitenlandse winst vindt de inhaalregeling van artikel 35 eerste lid van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 geen toepassing op grond van het tweede lid van dat artikel Indien de afsplitsende rechtspersoon een deelneming bezit als bedoeld in artikel 13ca eerste lid van de Wet Vpb en er vindt een afsplitsing plaats dan is winstneming verplicht op grond van artikel 13ca vierde lid van de Wet Vpb Artikel 14a derde lid van de Wet Vpb bepaalt dat de verkrijgende rechtspersoon in de plaats treedt van de afsplitsende rechtspersoon Indien door de afsplitsing de verkrijgende rechtspersoon aandelen verkrijgt in zichzelf worden deze aandelen echter geacht te zijn ingetrokken zodat doorschuiving niet mogelijk is Door het stellen van deze voorwaarde wordt derhalve afrekening voorgeschreven Voorwaarde 5 Tot het vermogen van de verkrijgende rechtspersoon of tot de aan de verkrijgende rechtspersoon overgedragen vermogensbestanddelen behoort een deelneming waarvan de onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt In de voorwaarde die winstsplitsing voorschrijft wordt geregeld op welke wijze de verrekening van verliezen over het afsplitsingstijdstip heen met winsten geschiedt De voorsplitsing verliezen van de verkrijgende rechtspersoon zijn globaal gesproken slechts verrekenbaar met de winst van de verkrijgende rechtspersoon voor zover deze is toe te rekenen aan de onderneming zoals deze door de verkrijgende rechtspersoon voor het afsplitsingstijdstip werd gedreven De term verlies dient hierbij te worden opgevat in de zin van artikel 20 eerste lid van de Wet Vpb De vraag wanneer een verlies als zodanig tot uitdrukking moet worden gebracht wordt in het algemeen beheerst door goed koopmansgebruik Ingeval echter verliesneming niet door goed koopmansgebruik wordt beheerst kan zich oneigenlijk gebruik voordoen door verliesneming uit te stellen tot na het afsplitsingstijdstip Indien bijvoorbeeld een deelneming is verkregen en op het moment van het af splitsingsvoorstel de onderneming die in deze deelneming werd uitgeoefend reeds geheel of nagenoeg geheel is gestaakt zoals bedoeld in artikel 13d van de Wet Vpb doet zich een dergelijke situatie voor Teneinde de verrekening van een zogenoemd latent liquidatieverlies met de gehele winst van de verkrijgende rechtspersoon tegen te gaan heb ik deze voorwaarde opgenomen daar in dat geval de heffing niet volledig is verzekerd Latente liquidatieverliezen kunnen dus alleen op eigen overige winst in mindering worden gebracht De aftrek kan zowel op eerdere als op latere winst plaatsvinden met dien verstande dat voorzover het liquidatieverlies afkomstig is van de afgesplitste onderneming het verlies slechts in mindering kan worden gebracht tot het bedrag van de overige winst ontstaan na de afsplitsing Het winstverleden is immers achtergebleven bij het afsplitsende lichaam Bovendien kan niet meer verlies in aanmerking worden genomen dan het positief belastbare bedrag van de verkrijgende rechtspersoon Heffingsrente wordt in dit geval uiteraard niet vergoed nu het belastbaar feit stamt uit een later jaar Voorwaarde 6 Deelnemingsvrijstelling na afsplitsing In deze voorwaarde wordt voor de verkrijgende rechtspersoon hetzelfde tot uitdrukking gebracht als is geregeld voor de aandeelhouder rechtspersoon in artikel 3 56 derde lid van de Wet IB 2001 Dit betekent dat een regeling is getroffen voor de toerekening van de boekwaarde van het geheel of ten dele afgesplitste aandelenbezit Indien de afsplitsende rechtspersoon aandelen bezit die geen deelneming vormen en dit aandelenbezit wordt geheel dan wel gedeeltelijk afgesplitst naar de verkrijgende rechtspersoon dan wordt de boekwaarde van deze aandelen voor een evenredig gedeelte toegerekend aan de aandelen die de verkrijgende rechtspersoon direct na de afsplitsing heeft Indien een dergelijk aandelenbezit direct na de afsplitsing bij de verkrijgende rechtspersoon een deelneming gaat vormen dan wel tot een deelneming gaat behoren zal de zogenoemde compartimenteringsleer toepassing vinden In samenhang met het hiervoor gestelde zal het verschil tussen de doorgeschoven boekwaarde en de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van afsplitsing HR 22 1 1997 BNB 1997 101 te zijner tijd in de heffing worden betrokken Voorts wordt geregeld dat indien de aandelen bij de afsplitsende rechtspersoon een deelneming vormen dan wel tot een deelneming gaat behoren de verkrijgende rechtspersoon voor het geheel dan wel gedeeltelijk voor de toepassing van art 13 ca van de Wet Vpb in de plaats treedt van de afsplitsende rechtspersoon Dit geldt echter niet voor de vraag of artikel 13 tweede en derde lid van de Wet Vpb van toepassing is Indien bijvoorbeeld een afsplitsende rechtspersoon een 10 belang afsplitst naar twee verkrijgende rechtspersonen waardoor de ene rechtspersoon een 7 belang verkrijgt en de ander een 3 belang dient bij beide verkrijgende rechtspersonen op de voet van artikel 13 van de Wet Vpb te worden beoordeeld of sprake is van een deelneming Wellicht ten overvloede merk ik op dat wanneer de aandelen bij de verkrijgende rechtspersoon géén deelneming gaan vormen de zogenoemde compartimenteringsleer eveneens toepassing zal vinden Ingeval op de door de afsplitsende rechtspersoon overgedragen gedeelten van een deelneming bijzondere bepalingen zoals bijvoorbeeld artikel 13c tweede lid van de Wet Vpb van toepassing zijn treedt ieder van de verkrijgende rechtspersonen voor het geheel in de plaats van de afsplitsende rechtspersoon Voor zover een deel van een deelneming achterblijft bij de afsplitsende rechtspersoon blijft de bijzondere bepaling ook bij hem van toepassing Aldus wordt voorkomen dat door het afsplitsen van een deel van een dergelijke deelneming dan wel van het afsplitsen in gedeelten de werking van zulke bijzondere bepalingen kan worden ontgaan Mocht in een uitzonderlijk geval een sanctie anders dan die uit hoofde van artikel 13ca van de Wet Vpb meerdere malen tot uitdrukking komen dan kan aan de inspecteur om een passende oplossing worden verzocht Een uitzondering op het in de plaats treden voor het geheel is gemaakt voor de werking van artikel 13 ca van de Wet Vpb hiervoor geldt een toedeling naar evenredigheid Dit houdt in dat de claim die voortvloeit uit artikel 13ca met het aandelenbezit meegaat c q achterblijft Ik merk op dat deze claim onder omstandigheden groter kan zijn dan het verschil tussen de gemiddelde kostprijs en de gemiddelde boekwaarde van de desbetreffende aandelen Voorwaarde 7 De overdrager is een stichting of vereniging die na de overdracht niet meer belastingplichtig is Tijdens de parlementaire behandeling die voorafging aan de invoering van artikel 14a Wet Vpb heb ik aangegeven dat latere heffing niet verzekerd is indien de overdrager een stichting of vereniging is niet zijnde een coöperatie die na de overdracht ophoudt vennootschapsbelastingplichtig te zijn Als voorbeeld noemde ik het geval waarin de verkrijger een pand gaat huren dat bij de afsplitsende stichting is achtergebleven Door de afsplitsing ontstaan dan aftrekbare lasten waar geen belaste baten tegenover staan Voorwaarde 7 bedoelt deze winstuitholling te voortkomen Voorwaarde 8 De verkrijgende rechtspersoon is buiten Nederland gevestigd Met ingang van 1 januari 2001 kan aanspraak bestaan op fiscale begeleiding zonder dat de verkrijgende rechtspersoon in Nederland is gevestigd Zonder nadere regeling is heffing niet verzekerd wanneer deze rechtspersoon de verkregen vermogensbestanddelen deels niet rekent tot een met behulp van een vaste inrichting in Nederland gedreven onderneming Daarom bepaalt voorwaarde 8 dat in een dergelijk geval de vrijstelling geen betrekking heeft op deze vermogensbestanddelen 6 Afsplitsing en fiscale eenheid Indien een afsplitsende rechtspersoon tot een fiscale eenheid behoort en de afsplitsing vindt plaats naar een verkrijgende rechtspersoon die niet tot de fiscale eenheid behoort dan vindt de afsplitsing plaats buiten fiscale eenheid In deze situatie kan de afsplitsing derhalve volgens de instructies van dit besluit worden afgehandeld Indien als gevolg van een juridische afsplitsing de fiscale eenheid met betrekking tot een dochtermaatschappij verbreekt de aandelen in de dochtermaatschappij behoren tot het afgesplitste vermogen keur ik het volgende goed Indien de in artikel 334n eerste lid van Boek 2 BW bedoelde splitsingsakte op de laatste werkdag van het boekjaar wordt verleden en tevens de economische eigendom van de aandelen in de dochtermaatschappij gedurende het hele boekjaar nog bij de moedermaatschappij blijft keur ik hierbij goed dat de fiscale eenheid niet met terugwerkende kracht tot het begin van het boekjaar verbreekt Bovendien keur ik goed dat het besluit van 5 september 1995 DB95 1225M BNB 1995 331 dat het mogelijk maakt bij juridische fusies direct een aansluitende fiscale eenheid tot stand te doen komen met de verkrijgende rechtspersoon dan wel haar moedermaatschappij van overeenkomstige toepassing is op afsplitsingen vallende onder artikel 14a van de Wet Vpb De aangepaste voorwaarden met betrekking tot de verliesverrekening behoeven in dit geval niet te worden gesteld omdat de verliezen bij de afsplitsende rechtspersoon achterblijven De

    Original URL path: http://www.belastingcollectief.nl/fiscalisten/wetteksten/vennootschapsbelasting/juridische-afsplitsing-art-14a-wet-vpb-standaardvoorwaarden (2016-01-09)
    Open archived version from archive

  • Loonbelasting - Belasting Collectief Nederland
    in de vennootschapsbelasting Woningcorporatie is anbi Uitbreiding defiscalisering inkomstenbelasting vanaf 1 januari 2012 Elektronisch factureren nu ook in Duitsland Belgische BTW beurzen Sinterklaasfeest en de werkkostenregeling Limited liability partnership Nieuwe regeling rechtsbescherming tegen controlehandelingen Verhoging ZVW bijdrage inkomen 2012 onder de loep Belgische achterhoede gevechten i p v ernstige begroting Negatief loon verrekenen Tegemoetkoming Staatssecretaris verhult verkeerde uitleg art 10 Successiewet De informatieverplichting een suppletie die geen verbetering is Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen Fruitmand en rouwkrans Aankoop van een vakantiehuis in Duitsland Bijtelling te voorkomen door dubbel leasecontract Te weinig geld in BV om pensioen eigen beheer uit te keren Scheepvaart CV gebruikmaking van willekeurige afschrijving Nieuw besluit bestrijding en ontmanteling APV s Auto van de zaak de bovennormbijdrage Struisvogels en tandprothesen De verraderlijke eigenschappen van de Duitse omzetbelasting De werkplek Belastingdienst Toeslagen maakt fraude mogelijk met toeslagen Politieke vertoning in België toch meer dan louter een taaltegenstelling tussen Vlamingen en Walen Overdracht van de woning door ouders aan kinderen gunstig of juist niet Gereglementeerde beroepstitels inzake boekhoudkundige en fiscale beroepen in België Over het kijken naar een aap apekool en de verhoging van het btw tarief voor podiumkunsten De dure verzuimboete voor een te laat ingediende aangifte vennootschapsbelasting Vrijstelling overdrachtsbelasting ook voor BV met bouwterrein VAR verklaring de misverstanden de oplossing Duitse Grondbelasting Grundsteuer Memo inzake integratieheffing Zachte heelmeesters maken stinkende wonden Sloopconstructie en economische eigendomsoverdracht Wat zal de rechtsbescherming bij de informatieplicht in de praktijk betekenen Welke rechtsmiddelen heeft u als de belastingontvanger het verzoek om een betalingsregeling afwijst Duitse loonbelasting Algemeen verweer tegen aansprakelijkstelling Bestuurdersaansprakelijkheid meld tijdig betalingsonmacht Aansprakelijkheid en de bedoeling van de wet Het MKB heeft gezond inkopen nog niet ontdekt Lening van BV aan DGA voor rentevoordeel onbelast Levering digitaal fotoboek belast met 6 btw Belastingplicht in Duitsland beschränkte resp unbeschränkte Steuerpflicht De fiscale risicoaansprakelijkheid Hoge boetes bij te laat indienen van een belastingaangifte Is de meldingsplicht bij de bestuurdersaansprakelijkheid onevenredig Aansprakelijkheid bij vervreemding van aandelen Cross boarder leasing zonder btw Het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland Geen interne levering bij inpandige verbouwing Bestuurdersaansprakelijkheid ver van uw bed of dichterbij dan u dacht Fiscale boetes voorkomen beter dan genezen Wettelijk minimumloon stijgt per 1 juli 2012 Lenteakkoord 2012 en loonheffingen Met een kanonskogel een vlieg doden Verzekeringsplicht Tweede woning Zwitserland Wijzigingen in de Duitse BTW wetgeving Goed lobbywerk van het Verbond van Verzekeraars 808 vergoeding voor aanslag van 6 Vernederlandsing van Belgische autofiscaliteit Reactivering vermogensbelasting in Spanje 2012 2013 Fiscale Highlight Stabiliteitsprogramma Crisismaatregel 2012 Let op bij creatief gebruik van verrekenprijzen E Bilanz ofwel elektronische balans Kantoren Friesland Customs Knowledge in Heerenveen Arjo Groenendijk Bart Boersma Bram van Breukelen Geert Koevoets Sander van Lent De Vries c s Tax Advisors in Beetsterzwaag Joost Muller Jan Jaap de Vries Priore in Heerenveen mr Wieger Spaan mr Mariëtte Rodenburg mr Dirk Hiemstra Mr Gerrit Jan Wuite Priore in Workum mr Wieger Spaan mr Mariëtte Rodenburg mr Dirk Hiemstra Mr Gerrit Jan Wuite Rien Vink Loonheffingen in Engwierum Rien Vink Scheidingsfiscalist T van der Wal in Beetsterzwaag Tiny van der Wal Smids en Schakel in Leeuwarden Peter Steenhuis Marieke van der Veer Corine van der Maden LEXX Advocaten in Leeuwarden Mr Martijn S Dunant Maurits Tóth Belastingadvies Andries Tóth Eikenaar Belastingadvies in Drachten Ed Eikenaar Groningen Stetler in Haren Wim Dijkstra HS26 Advocatuur in Groningen Gerhard Sjobbema Caraad Belastingadviseurs in Groningen Wietze Hoekstra Martijn Thalen Rutger Hotsma Bastide in Groningen Petrus Zijlstra Drenthe Consensio in Zuidlaren Gonard Wagenaar Bloemsma Faassen in Assen Willem Faassen Anne Marc van de Wal Gelderland Kleijsen Cortenbach Kuijpers LLP in Nijmegen P E Art and Tax in Doetinchem Peter Kleinreesink ScholsBurgerhartSchols in Nijmegen Mr dr W Burgerhart Prof dr B M E M Schols Prof mr F W J M Schols Van Lienden Kooistra in Barneveld Eric Jan Sobels Jonne Tijssen Noord Brabant De Vries Partners in Valkenswaard Hans van Kuyk Wesselman in Eindhoven Bert Bogie Wesselman in Helmond Bert Bogie Lucas Belastingadvies in Den Bosch Jurrian Lucas Ooms Partners in Breda drs Marco Ooms mr Hans Seijkens Limburg Rebastion in Maastricht Frodo Oude Groeniger Rob Engelbert Wesselman in Weert Bert Bogie Noord Holland HDK Advocaten en Fiscalisten in Amsterdam Roy Vliese Pavel der Kinderen MB Legal Tax in Alkmaar F van Elk FB Fedor mr drs J D Hoogendoorn RA Jaap J Beijert Jan MB Legal Tax in Middenbeemster mr M F Marco Bezoet de Bie mr J D M J den Boer RA CRAd Schut en Bruggink Estate Planners in Haarlem Paul Schut Marian Bruggink Rogier Pak Abel Advisory in Amsterdam Frank Schwarte Joost Lagerberg AsjesBisseling in Amsterdam Arjan Bisseling B B Accountants in Den Burg De Bont Advocaten in Amsterdam prof mr G J M E de Bont mr J M Sitsen mr M B Weijers mr P de Haas VanOoijen in Haarlem Adriaan Daniels Ognjen Soldat Just Tax in Nieuw Vennep Utrecht AccountantsTEAM in Utrecht Joost Rietveld Pay Check in Houten Pieter Miedema Fiscaal Jurist in Baarn Pieter Miedema Overijssel ELBERT fiscaal in Hengelo mr H A Elbert Beersen Grandiek in Hengelo Mr V J Vincent Grandiek Cervus Belastingadvies in Zwolle mr H A Elbert EVFA in Deventer Eric Versteegh Zuid Holland Scientia Fiscalis in Alblasserdam Yvonne Tigelaar Klootwijk Van Driel Fruijtier in Dordrecht MB Internationaal in Rotterdam Zeeland Rijkse Partners Belastingadviseurs in Middelburg Curacao Wesselman in Curaçao Bert Bogie Duitsland Strick Rechtsanwälte Steuerberater in Kleve Anton Ingenerf Frank J Lamers Sabine van Wickeren Lenk Christian Theissen Freddy B Heinzel Belgie Cobofisk in Gent Hendrik Huys Cobofisk in Aalter Luc Coopman Spanje Arcos Lamers Asociados in Marbella Wim Lamers Maite Arcos Kennisgroepen BTW specialisten Loonheffing specialisten Pensioen specialisten Estate Planning specialisten Formeel Belastingrecht specialisten Fusie Overname specialisten Herinvesteringsreserve specialisten Huwelijk Echtscheiding specialisten Innovatiebox specialisten Internationaal Belastingrecht specialisten Douane specialisten Auto van de zaak Sport Sprekers Cursussen Allround Auto van de zaak Bedrijfsoverdracht BTW Douane Estate Planning FFP VBI FBI Formeel belastingrecht Loonheffingen Pensioenen Partners Fiscaal Kenniscentrum Fiscaal up to Date Hoge Raad geeft happy end aan nasleep Van der Steen naheffingen van tafel Verhuur van

    Original URL path: http://www.belastingcollectief.nl/fiscalisten/wetteksten/loonbelasting (2016-01-09)
    Open archived version from archive

  • Wet op de loonbelasting 1964 - Belasting Collectief Nederland
    c Voor het wezenpensioen kan het in onderdeel a bedoelde bedrag voor 14 en voor volle wezen voor 28 in aanmerking worden genomen 9 Met betrekking tot een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen als bedoeld in het derde lid vindt in afwijking van het vierde lid onder 3 en 4 de beoordeling of binnen de in het zevende lid genoemde begrenzingen wordt gebleven plaats op het tijdstip waarop voor het eerst aanspraak op ouderdomspensioen ontstaat en op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen Indien op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen de begrenzing wordt overschreden zal het meerdere worden uitgekeerd in een uitkering ineens De uitkering ineens dan wel indien uitkering niet plaatsvindt het bedrag dat zou moeten worden uitgekeerd wordt aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van de werknemer en wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen Ten aanzien van de werknemer die niet premieplichtig is voor de Algemene Ouderdomswet wordt in afwijking van de artikelen 20a 20b en 26 de verschuldigde belasting over de uitkering onderscheidenlijk het bedrag dat zou moeten worden uitgekeerd gesteld op de som van de belasting en de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet die daarover verschuldigd zou zijn door een persoon die wel premieplichtig is ingevolge die wet en overigens in dezelfde omstandigheden verkeert als de werknemer 10 Ingeval de werknemer voor het tijdstip van ingang van het ouderdomspensioen ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn wordt in het negende lid voor het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen steeds gelezen het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de werknemer ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn Artikel 18b 1 Een op een eindloonstelsel gebaseerd partnerpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 1 4 percent van het pensioengevend loon of bereikbare pensioengevend loon 2 Een op een middelloonstelsel gebaseerd partnerpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 1 58 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 3 Voor een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd partnerpensioen is artikel 18a derde lid van overeenkomstige toepassing 4 Ingeval in de pensioenregeling is rekening gehouden met 1 een bepaalde partner wordt gerekend met de feitelijke gegevens van die partner 2 een onbepaalde partner wordt gerekend met een leeftijdsverschil tussen de werknemer en de partner van ten hoogste drie jaren 5 Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 18c worden voor het geval de werknemer niet in leven is op het tijdstip waarop het ouderdomspensioen zou ingaan ontbrekende dienstjaren en bereikbaar pensioengevend loon in aanmerking genomen Onder ontbrekende dienstjaren worden verstaan de jaren van het tijdstip van overlijden van de werknemer tot de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum Onder bereikbaar pensioengevend loon wordt verstaan het pensioengevend loon dat de gewezen werknemer binnen de vastgestelde loopbaanontwikkeling in zijn functie zou hebben kunnen bereiken 6 Een partnerpensioen gaat in onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel onmiddellijk na beëindiging van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet 7 Een partnerpensioen gaat niet uit boven 70 percent van het pensioengevend loon of het bereikbaar pensioengevend loon op het tijdstip van ingang 8 Voor de toepassing van het zevende lid is artikel 18a negende lid van overeenkomstige toepassing Artikel 18c 1 Een op een eindloonstelsel gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 0 28 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 2 Een op een middelloonstelsel gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 0 32 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 3 Voor een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd wezenpensioen is artikel 18a derde lid van overeenkomstige toepassing 4 Een wezenpensioen gaat in onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel direct na beëindiging van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet 5 Een wezenpensioen gaat op het tijdstip van ingang niet uit boven 14 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 6 Voor volle wezen worden de in de vorige leden genoemde percentages verdubbeld 7 Voor de toepassing van het vijfde en het zesde lid is artikel 18a negende lid van overeenkomstige toepassing Artikel 18d 1 In afwijking in zoverre van de artikelen 18a 18b en 18c kunnen een ouderdomspensioen een partnerpensioen en een wezenpensioen meer bedragen dan de aldaar opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van a aanpassing van het pensioen aan loon of prijsontwikkeling b variatie in de hoogte van de uitkeringen waarbij de laagste uitkering niet minder bedraagt dan 75 percent van de hoogste uitkering en de mate van variatie ten laatste op de ingangsdatum van het pensioen wordt vastgesteld c waardeoverdracht van pensioenaanspraken d gehele of gedeeltelijke onderlinge ruil van partnerpensioen wezenpensioen en ouderdomspensioen mits de ruil uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen plaatsvindt op basis van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen 2 Door ruil als bedoeld in het eerste lid onderdeel d ontstane verlies aan pensioen kan niet worden gecompenseerd en het partnerpensioen en het wezenpensioen kunnen na een zodanige ruil niet meer bedragen dan 70 percent onderscheidenlijk 14 percent of 28 percent van het pensioengevend loon 3 Voor de toepassing van het eerste lid onderdeel b blijft in de jaren tussen de ingangsdatum van het pensioen en het bereiken van de 65 jarige leeftijd van de uitkering buiten aanmerking een bedrag dat gelijk is aan tweemaal de voor die jaren geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9 eerste lid onderdeel b en zesde lid van de Algemene Ouderdomswet vermeerderd met de vakantietoeslag De eerste volzin is onverminderd van toepassing bij dienstbetrekkingen in deeltijd Artikel 18e 1 Een 40 deelnemingsjarenpensioen is een levenslang pensioen dat a ingaat op hetzelfde tijdstip als het ouderdomspensioen b met inbegrip van het ouderdomspensioen niet meer bedraagt dan 70 van het pensioengevend loon ingeval het ouderdomspensioen ingaat bij het bereiken van de 63 jarige leeftijd c niet eerder wordt opgebouwd dan vanaf het tijdstip waarop de werknemer 40 deelnemingsjaren heeft bereikt 2 Ingeval het 40 deelnemingsjarenpensioen later ingaat dan bij het bereiken van de 63 jarige leeftijd mag het 40 deelnemingsjarenpensioen na het bereiken van die leeftijd met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen worden verhoogd 3 Ingeval het 40 deelnemingsjarenpensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 63 jarige leeftijd wordt het 40 deelnemingsjarenpensioen met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen herrekend ten opzichte van die leeftijd 4 De artikelen 18a negende lid en 18d zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat door de overeenkomstige toepassing van artikel 18d eerste lid onderdeel d een 40 deelnemingsjarenpensioen met inbegrip van het ouderdomspensioen niet meer bedraagt dan 100 van het laatste pensioengevend loon 5 Het in het eerste lid opgenomen maximum wordt voor de periode vanaf het bereiken van de 65 jarige leeftijd opgevat met inbegrip van een bedrag dat ten minste wordt gesteld op de uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9 eerste lid onderdeel b en zesde lid van de Algemene Ouderdomswet vermeerderd met de vakantietoeslag Artikel 18f Een nabestaandenoverbruggingspensioen is een pensioen dat a ingaat onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel onmiddellijk na beëindiging van het recht op een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet en uiterlijk eindigt bij het bereiken van de 65 jarige leeftijd b toekomt aan degene voor wie een regeling voor partnerpensioen of wezenpensioen is getroffen of had kunnen worden getroffen c niet meer bedraagt dan het gezamenlijke bedrag van 8 7 maal de nominale uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet vermeerderd met de vakantie uitkering en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het partnerpensioen voor en na de 65 jarige leeftijd Artikel 18g 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de perioden die in aanmerking komen als dienstjaren dan wel deelnemingsjaren bedoeld in de artikelen 18a 18b 18c en 18e 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het pensioengevend loon bedoeld in de artikelen 18a 18b 18c 18d en 18e ter zake van a de loonbestanddelen die daarin worden opgenomen b de loonbestanddelen waarover de opbouw van het pensioen volgens een ander stelsel dan het eindloonstelsel dient plaats te vinden c de situatie waarin de werknemer aan het eind van zijn loopbaan terugtreedt naar een lager gekwalificeerde functie met een lager loon dan in zijn daaraan voorafgaande functie d de situatie waarin het loon wordt verlaagd in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid van de werknemer Artikel 18h 1 In afwijking in zoverre van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde is een regeling waarvan geheel of gedeeltelijk een lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen d of e als verzekeraar optreedt een pensioenregeling indien zij voldoet aan de artikelen 18 tot en met 18g en voorts een pensioen inhoudt dat niet uitgaat boven hetgeen in collectieve regelingen gangbaar is 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden vastgesteld wat in collectieve regelingen als bedoeld in het eerste lid gangbaar is Artikel 19 Met betrekking tot diensttijd waarin het loon nihil is of anderszins aanzienlijk lager is dan hetgeen gebruikelijk is kunnen geen onderscheidenlijk in zoverre geen aanspraken op een pensioenregeling ontstaan als bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdeel c Artikel 19a 1 Als verzekeraar van een pensioen als bedoeld in artikel 18 kan optreden a een lichaam dat ingevolge artikel 5 eerste lid onderdeel b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van die belasting b een verzekeraar als bedoeld in artikel 1 1 van de Wet op het financieel toezicht mits deze de pensioenverplichting voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen c een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent mits het pensioen de voortzetting is van een pensioen dat reeds was verzekerd bij die verzekeraar in een periode waarin de werknemer of gewezen werknemer niet in Nederland woonde of niet in Nederland een dienstbetrekking vervulde d een ander lichaam dan bedoeld in de onderdelen a b en c dat in Nederland is gevestigd de pensioenverplichting voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen en voldoet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden e een ander lichaam dan bedoeld in de onderdelen a b c en d dat 1 in een andere lidstaat van de Europese Unie is gevestigd of in een bij ministeriële regeling aangewezen andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte 2 de pensioenverplichting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen van de onder 1 bedoelde lidstaat onderscheidenlijk staat 3 aannemelijk maakt dat het lichaam is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing 4 voldoet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden 5 door de inspecteur onder door Onze Minister te stellen voorwaarden is aangewezen en zich tegenover de inspecteur heeft verplicht te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de regeling en de winstbepaling van het lichaam en 6 ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid heeft aanvaard voor de belasting die wordt verschuldigd door toepassing van artikel 19b ofwel artikel 3 83 eerste of tweede lid of artikel 3 136 derde vierde of vijfde lid of artikel 7 2 achtste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 f een pensioenfonds of lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent anders dan bedoeld in de onderdelen a b en c dat door Onze Minister onder door hem te stellen voorwaarden is aangewezen en dat zich tegenover Onze Minister heeft verplicht 1 te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de regeling en 2 zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die is verschuldigd door toepassing van artikel 19b ofwel artikel 3 83 eerste of tweede lid artikel 3 136 derde vierde of vijfde lid of artikel 7 2 achtste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 dan wel de werknemer of gewezen werknemer zich heeft verplicht deze zekerheid te stellen 2 Het lichaam bedoeld in het eerste lid onderdelen d en e kan slechts als verzekeraar van een pensioen optreden ter uitvoering van een pensioenovereenkomst die door dat lichaam is gesloten met een directeur grootaandeelhouder dan wel ter uitvoering van een in dat lichaam ondergebrachte pensioenovereenkomst van een directeur grootaandeelhouder en diens werkgever waarbij het begrip directeur grootaandeelhouder wordt opgevat overeenkomstig artikel 1 van de Pensioenwet Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de toepassing van de eerste volzin 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid onderdelen e en f bedoelde aanwijzing 4 Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen alsmede voor de Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met a een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid onderdelen a of b een premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet b een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid onderdeel f een met een premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet vergelijkbare instelling die onder overeenkomstige toepassing van het eerste lid onderdeel f door Onze Minister is aangewezen c het verzekeren van een aanspraak ingevolge een pensioenregeling het uitvoeren van een pensioenregeling door een premiepensioeninstelling Artikel 19b 1 Ingeval op enig tijdstip a een aanspraak ingevolge een pensioenregeling niet langer als zodanig is aan te merken b een aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25 vijfde lid van de Invorderingswet 1990 wordt c een aanspraak ingevolge een pensioenregeling waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen d of e dan wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b wordt prijsgegeven behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is d de zekerheidstelling wordt beëindigd door de werknemer of de gewezen werknemer die zich op grond van artikel 19a eerste lid onderdeel f heeft verplicht deze zekerheid te stellen wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel indien deze is overleden van de gerechtigde tot de aanspraak 2 Ingeval een verplichting ingevolge een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar wordt de aanspraak ingevolge die regeling geacht te worden afgekocht De eerste volzin is niet van toepassing ingeval de verplichting ingevolge een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk overgaat naar een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen a b d e of f mits deze overgang niet in strijd komt met de bepalingen bij of krachtens de artikelen 70 tot en met 91 van de Pensioenwet Met betrekking tot een verplichting die is verzekerd bij een lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen d of e wordt onder een overgang als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan herverzekering bij een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen a b d e en f 3 Het eerste lid is niet van toepassing ingeval de werknemer of gewezen werknemer in het kader van scheiding van tafel en bed echtscheiding of beëindiging van samenleving een aanspraak ingevolge een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk vervreemdt aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner dan wel omzet in een zodanige aanspraak met als gerechtigde die echtgenoot of gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner waarbij die verkregen of omgezette aanspraak voor de toepassing van deze wet wordt geacht de voortzetting te zijn van de aanspraak op een pensioenregeling van de werknemer of gewezen werknemer 4 Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een in onderdeel b van dat lid bedoelde uitkering of afkoopsom wordt uitgekeerd met toepassing van artikel 66 67 of 68 van de Pensioenwet 5 Het eerste lid is niet van toepassing bij een vervreemding als bedoeld in artikel 57 vijfde lid van de Pensioenwet alsmede bij een vermindering als bedoeld in artikel 134 eerste lid van die wet 6 Onze Minister kan zo nodig onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat het tweede lid eerste volzin niet van toepassing is indien de verplichting ingevolge een pensioenregeling overgaat op een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent anders dan bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen e en f zulks ter verwerving van aanspraken ingevolge een pensioenregeling in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking buiten Nederland De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de overgang van de verplichting ingevolge een pensioenregeling naar een pensioenfonds van een internationale organisatie in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking bij die organisatie in Nederland 7 Voor de toepassing van het eerste lid onderdeel a wordt een aanspraak op een pensioenregeling mede niet langer als zodanig aangemerkt ingeval op enig tijdstip niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld ingevolge het zesde lid of artikel 19d 8 De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot aanspraken op periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdeel g en stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten als bedoeld in artikel 11a Artikel 19c 1 Op verzoek van de inhoudingsplichtige beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking of een regeling een pensioenregeling is in de zin van de artikelen 18 tot en met 18h Het verzoek wordt gedaan voordat de regeling dan wel een wijziging van de regeling wordt ingevoerd 2 Indien een zodanig verzoek is gedaan en vervolgens onherroepelijk komt vast te staan dat de regeling niet een zodanige pensioenregeling is en de regeling onverwijld en ingaand op het tijdstip van ingang van de regeling wordt aangepast in dier voege dat de regeling wel een zodanige pensioenregeling is wordt de regeling geacht met terugwerkende kracht tot uiterlijk dat tijdstip een zodanige pensioenregeling te zijn De vorige volzin is niet van toepassing op pensioenregelingen als bedoeld in artikel 18h Artikel 19d Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid afwijkingen toestaan van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde door regelingen of groepen van regelingen niet zijnde een regeling als bedoeld in artikel 18h eerste lid aan te wijzen als pensioenregeling indien het een regeling betreft a die op bepaalde onderdelen niet meer dan in geringe mate afwijkt van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde mits het belang van de afwijkingen niet uitgaat boven het belang van de marges op andere onderdelen b voor gemoedsbezwaarden met een ontheffing als bedoeld in artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen die dient ter vervanging van een pensioenregeling c voor een tijdelijk in Nederland wonende of werkzame werknemer en die regeling voldoet aan artikel 1 7 tweede lid onderdeel c van de Wet inkomstenbelasting 2001 mits de opbouw van het pensioen ingevolge die regeling tijdelijk in Nederland wordt voortgezet en het pensioen reeds was verzekerd bij een pensioenfonds of lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen c of f in een periode waarin de werknemer niet in Nederland woonde of niet in Nederland een dienstbetrekking vervulde Zo nodig kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld Artikel 19f Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van dit hoofdstuk alsmede met betrekking tot samenloop van verschillende pensioenstelsels Hoofdstuk IIC Levensloopregeling Hoofdstuk III Tarief Artikel 20 1 De over een loontijdvak van een jaar verschuldigde belasting is het bedrag van de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare loon verminderd met het bedrag van de heffingskorting voor de loonbelasting 2 Het bedrag van de heffingskorting voor de loonbelasting bedraagt maximaal het bedrag van de verschuldigde belasting over het loontijdvak van een jaar Artikel 20a 1 De belasting over een loontijdvak van een jaar wordt bepaald aan de hand van de navolgende tabel tarieftabel Bij een belastbaar loon van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV 18 945 1 95 18 945 33 863 369 10 80 33 863 56 491 1 980 42 56 491 11 483 52 2 De in het eerste lid vermelde bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die krachtens artikel 10 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in artikel 2 10 van die wet vermelde bedragen Artikel 20b 1 In afwijking van artikel 20a eerste lid wordt indien de werknemer vóór 1 januari 1946 is geboren de belasting over een loontijdvak van een jaar bepaald aan de hand van de volgende tabel tarieftabel voor werknemers geboren vóór 1 januari 1946 Bij een belastbaar loon van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV 18 945 1 95 18 945 34 055 369 10 80 34 055 56 491 2 000 42 56 491 11 423 52 2 De in het eerste lid vermelde bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die krachtens artikel 10 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in artikel 2 10a van die wet vermelde bedragen Artikel 21 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder a belastingtarief eerste schijf het in de eerste regel van de vierde kolom van de tabel in artikel 20a opgenomen percentage b gecombineerd heffingspercentage de som van het belastingtarief eerste schijf en de volgens artikel 11 van de Wet financiering sociale verzekeringen vastgestelde premiepercentages voor de algemene ouderdomsverzekering de nabestaandenverzekering en de algemene verzekering bijzondere ziektekosten Artikel 21a De heffingskorting voor de loonbelasting is het deel van de standaardloonheffingskorting dat tot de standaardloonheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het belastingtarief eerste schijf staat tot het gecombineerde heffingspercentage Artikel 21b Bij de toepassing van artikel 21a op het deel van de standaardloonheffingskorting dat op de ouderenkorting of de alleenstaande ouderenkorting betrekking heeft wordt het gecombineerde heffingspercentage verminderd met het volgens artikel 11 eerste lid van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de algemene ouderdomsverzekering vastgestelde premiepercentage Artikel 21c De standaardloonheffingskorting is het gezamenlijke bedrag van a de algemene heffingskorting artikel 22 b de arbeidskorting artikel 22a c de jonggehandicaptenkorting artikel 22aa d de ouderenkorting artikel 22b en e de alleenstaande ouderenkorting artikel 22c Artikel 22 1 Voor de werknemer is de algemene heffingskorting van toepassing 2 De algemene heffingskorting bedraagt 2033 Artikel 22a 1 Voor de werknemer die loon uit tegenwoordige arbeid geniet is de arbeidskorting van toepassing 2 De arbeidskorting wordt berekend over het loon uit tegenwoordige arbeid en bedraagt a 1 733 van dat loon met een maximum van 161 vermeerderd met b 12 320 van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan 9295 waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan 1611 en verminderd met c 1 25 van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan 45 178 met dien verstande dat de vermindering ten hoogste 78 bedraagt 3 Met loon uit tegenwoordige arbeid worden gelijkgesteld a loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid b uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat 4 Loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn niet uitkeringen of inkomensvoorzieningen op grond van a de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen b de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering c de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen d de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten e buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de regelingen die zijn vermeld in de onderdelen a b c en d Artikel 22aa 1 Voor de werknemer die een uitkering geniet op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van die wet is de jonggehandicaptenkorting van toepassing De korting kan tevens worden toegepast ten aanzien van de werknemer die ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering doch welke uitkering ingevolge artikel 3 48 3 50 of 3 51 van die wet niet wordt betaald 2 De jonggehandicaptenkorting bedraagt 708 Artikel 22b 1 Voor de werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en een tijdvakloon heeft dat op jaarbasis niet meer bedraagt dan 35 450 is de ouderenkorting van toepassing 2 De ouderenkorting bedraagt 762 Artikel 22c 1 Voor de werknemer die een uitkering als bedoeld in artikel 9 eerste lid onderdeel a of onderdeel c van de Algemene Ouderdomswet geniet is de alleenstaande ouderenkorting van toepassing 2 De alleenstaande ouderenkorting bedraagt 429 Artikel 22d De in de artikelen 22 22a 22aa 22b en 22c vermelde bedragen en de in artikel 22a vermelde percentages worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die en het percentage dat krachtens de artikelen 10 1 en 10 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in de artikelen 8 10 8 11 8 16a 8 17 en 8 18 van die wet vermelde bedragen en de in artikel 8 11 van die wet vermelde percentages Artikel 23 1 De heffingskorting voor de loonbelasting wordt slechts toegepast ingeval de werknemer daartoe een schriftelijk gedagtekend en ondertekend verzoek aan de inhoudingsplichtige heeft gedaan Het verzoek geldt tot het tijdstip waarop de werknemer het verzoek schriftelijk gedagtekend en ondertekend intrekt 2 Indien de werknemer over loontijdvakken die geheel of gedeeltelijk samenvallen loon geniet uit meer dan een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking dan wel van meer dan een inhoudingsplichtige en dit loon voor de berekening van de belasting niet wordt samengevoegd kan de werknemer de heffingskorting voor de loonbelasting slechts in een dienstbetrekking dan wel tegenover een inhoudingsplichtige geldend maken 3 In afwijking van het eerste lid wordt de belasting ingehouden a met toepassing van de heffingskorting voor de loonbelasting 1 indien artikel 27 zesde lid toepassing vindt met betrekking tot het loon van het in dat lid bedoelde kind 2 met betrekking tot het loon in de vorm van uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet dan wel loon uit vroegere dienstbetrekking waarin zijn begrepen de uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet dat een in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt geniet tenzij de werknemer een schriftelijk gedagtekend en ondertekend verzoek aan de inhoudingsplichtige heeft gedaan om de heffingskorting voor de loonbelasting niet toe te passen b zonder toepassing van de heffingskorting voor de loonbelasting met betrekking tot tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 10 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten 4 In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid wordt door de werknemer die een uitkering of inkomensvoorziening geniet op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten het deel van de heffingskorting dat betrekking heeft op de jonggehandicaptenkorting geldend gemaakt tegenover de inhoudingsplichtige die de uitkering of inkomensvoorziening op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten uitbetaalt 5 De inhoudingsplichtige bewaart het in het eerste en derde lid bedoelde verzoek ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd Artikel 24 Voor de toepassing van de artikelen 21 tot en met 22d ter bepaling van de hoogte van de heffingskorting is beslissend de toestand op het tijdstip waarop de belasting moet worden ingehouden met dien verstande dat voor de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting beslissend is de toestand aan het einde van de kalendermaand waarin de belasting moet worden ingehouden Artikel 25 1 Loontijdvak is het tijdvak waarover het loon wordt genoten Het bedrag van de belasting over een ander loontijdvak dan een jaar wordt door herleiding bepaald Bij de herleiding wordt een jaar op 260 dagen een maand op 65 3 dag een week op 5 dagen en een tijdvak dat korter is dan een dag op een dag gesteld 2 Bij ministeriële regeling kunnen loonbelastingtabellen worden vastgesteld voor loontijdvakken waarvoor Onze Minister dit nodig acht In deze tabellen wordt de heffingskorting voor de loonbelasting op zodanige wijze verwerkt dat naast het bedrag aan loon het belastingbedrag of belastingpercentage is vermeld In deze tabellen kan de verwerking van de heffingskorting geheel of ten dele achterwege worden gelaten en kan bij de verwerking van de heffingskorting rekening worden gehouden met algemeen voorkomende beloningen die worden belast volgens een tabel voor bijzondere beloningen als bedoeld in artikel 26 Bij het opstellen van deze tabellen kunnen loonklassen en afrondingen worden aangebracht 3 De loonbelastingtabellen worden vastgesteld op basis van de daarvoor benodigde gegevens zoals die vermoedelijk zullen luiden op het tijdstip van inwerkingtreding van de tabellen Voorzover de toegepaste gegevens zodanig afwijken van de gegevens zoals die luiden op het tijdstip van inwerkingtreding dat bij toepassing van laatstbedoelde gegevens andere tabellen zouden zijn vastgesteld worden bij ministeriële regeling nieuwe tabellen vastgesteld ingaande ten hoogste zes maanden na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip van inwerkingtreding waarin de in de verstreken loontijdvakken ontstane afwijking zoveel mogelijk in de nog niet verstreken loontijdvakken van het kalenderjaar wordt ongedaan gemaakt 4 In afwijking van het eerste lid wordt een tijdvak waarvan het tijdvak waarover het loon wordt genoten deel uitmaakt als loontijdvak aangemerkt ten aanzien van 1 de werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaam is 2 de werknemer wiens loon mede omvat de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken en 3 de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer die met betrekking tot een kalenderkwartaal als student of scholier wordt aangemerkt en die schriftelijk gedagtekend en ondertekend te kennen heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak wordt aangemerkt Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de toepassing van de eerste volzin Artikel 26 1 Tantièmes gratificaties en andere beloningen die in de regel slechts eenmaal of eenmaal per jaar worden toegekend worden belast volgens loonbelastingtabellen voor bijzondere beloningen die bij ministeriële regeling worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 25 tweede en derde lid met dien verstande dat in deze tabellen jaarlonen en belastingpercentages worden opgenomen en geen rekening wordt gehouden met de arbeidskorting 2 Indien dit niet tot een hoger belastingbedrag leidt mogen de in het eerste lid bedoelde beloningen worden beschouwd als een toevoeging aan het loon over het loontijdvak waarin zij worden uitbetaald 3 Overwerkloon mag worden belast naar het percentage dat wordt aangewezen door de loonbelastingtabel voor bijzondere beloningen 4 Als jaarloon geldt voor de toepassing van dit artikel a ingeval de werknemer over het gehele voorafgaande kalenderjaar van de inhoudingsplichtige loon heeft genoten het in dat jaar genoten loon b ingeval de werknemer over een gedeelte van het voorafgaande kalenderjaar van de inhoudingsplichtige loon heeft genoten het tot een jaarloon herleide bedrag van het in dat jaar genoten loon c in andere gevallen het in het kalenderjaar te genieten loon indien over het gehele jaar van de inhoudingsplichtige loon zou worden genoten 5 Als overwerkloon gelden voor de toepassing van dit artikel de beloningen ter zake van arbeid welke wordt verricht gedurende de tijd die uitgaat boven de voor de werknemer geldende normale arbeidsduur 6 Voor het geval de werknemer binnen een samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van inhoudingsplichtige is gewisseld kunnen voor de toepassing van het vierde lid bij ministeriële regeling aanvullende bepalingen worden gesteld Artikel 26b In afwijking van de artikelen 20 20a 20b en 26 bedraagt de belasting 52 van het loon ingeval a de werknemer zijn naam adres woonplaats of burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan zijn sociaal fiscaalnummer niet aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt b bij een werknemer die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet de inhoudingsplichtige zijn identiteit niet heeft vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie overeenkomstig artikel 28 eerste lid onderdeel e c bij een werknemer die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en niet behoort tot de categorie werknemers die op grond van overeenkomsten van internationaal recht is uitgezonderd van de verplichting tot het hebben van een geldige verblijfsvergunning als bedoeld in die wet en een geldige tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid vreemdelingen de inhoudingsplichtige zijn verblijfsrechtelijke positie ter zake van het verrichten van arbeid niet heeft vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie overeenkomstig artikel 28 eerste lid onderdeel e d de werknemer ter zake van de in de onderdelen a tot en met c bedoelde inlichtingen onjuiste gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of redelijkerwijs moet weten De eerste volzin aanhef en onderdeel c is niet van toepassing bij werknemers die werkzaamheden verrichten in dienstbetrekking bij de Staat der Nederlanden niet in Nederland wonen en hun dienstbetrekking geheel buiten Nederland vervullen Indien de belasting ingevolge artikel 27b eerste lid in één bedrag met de premie voor de volksverzekeringen wordt geheven wordt in afwijking in zoverre van de eerste volzin het bedrag van de verschuldigde belasting te zamen met het bedrag van de verschuldigde premie voor de volksverzekeringen gesteld op 52 van het loon Hoofdstuk IV Wijze van heffing Artikel 27 1 De belasting wordt geheven door inhouding op het loon 2 De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop het loon wordt genoten 3 De inhouding vindt plaats volgens de op het tijdstip van inhouding voor de werknemer geldende loonbelastingtabel 4 Overtreft de belasting het van de inhoudingsplichtige genoten loon in geld dan wordt het ontbrekende geacht te zijn ingehouden op het in het tweede lid omschreven tijdstip met dien verstande dat de inhoudingsplichtige bevoegd is dat ontbrekende te verhalen op de werknemer Ingeval het artikel 27b eerste lid toepassing vindt is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen 5 De inhoudingsplichtige is verplicht de in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte af te dragen 6 Onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden kunnen ten aanzien van een in de onderneming van zijn ouder werkzaam kind dat behoort tot de huishouding van die ouder en niet is verzekerd ingevolge enige andere sociale verzekering dan een volksverzekering in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen of de zorgverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet een van het tweede lid afwijkend tijdstip van inhouding en een van het derde lid afwijkende loonbelastingtabel worden vastgesteld Artikel 27bis In afwijking van artikel 27 kan de overeenkomstig een door de inhoudingsplichtige bestendig gevolgde gedragslijn in de maand januari van het kalenderjaar gedane inhouding op loon dat de werknemer met betrekking tot een of meer loontijdvakken binnen het voorgaande kalenderjaar toekomt worden begrepen in de laatste aangifte met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar Het loon waarop deze inhouding betrekking heeft wordt voor de berekening van de inhouding gerekend tot het loon van het desbetreffende loontijdvak Artikel 27a 1 In afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde wordt de belasting over de in artikel 31 bedoelde eindheffingsbestanddelen geheven van de inhoudingsplichtige 2 De heffing over eindheffingsbestanddelen met uitzondering van de aan naheffing onderworpen eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31 eerste lid onderdeel a geschiedt als ware de door de inhoudingsplichtige in een tijdvak verschuldigde belasting door hem op aangifte af te dragen belasting Artikel 27b 1 Indien de werknemer ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen geschiedt de heffing van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen in één bedrag dan wel in één percentage met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor

    Original URL path: http://www.belastingcollectief.nl/fiscalisten/wetteksten/loonbelasting/wet-op-de-loonbelasting-1964 (2016-01-09)
    Open archived version from archive

  • Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 - Belasting Collectief Nederland
    Hebben goedgevonden en verstaan Hoofdstukken Hoofdstuk 1 Algemene bepaling Artikel 1 1 Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 4 7 11a 13bis 18a 18g 18h 19a 31a 33 34 35 35f 35g en 35n van de Wet op de loonbelasting 1964 en aan artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen 2 Dit besluit verstaat onder a wet Wet op de loonbelasting 1964 b uitvoerder van aangenomen werk degene die anders dan in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep en anders dan als thuiswerker ingevolge een overeenkomst tot aanneming van werk als bedoeld in artikel 750 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek die niet rechtstreeks is aangegaan met een natuurlijke persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden persoonlijk een werk tot stand brengt c loon in geld het loon voor de loonbelasting voor zover dit in geld wordt verstrekt d tabelloon het loon waarop de loonbelastingtabel wordt toegepast e bruto inkomen het loon in de zin van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag f belasting ingeval artikel 27b eerste lid van de wet van toepassing is het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen g gage gage als bedoeld in artikel 35 van de wet h gezelschap een groep van natuurlijke personen of lichamen waarbij de leden van de groep individueel of gezamenlijk ingevolge een overeenkomst van korte duur als artiest in Nederland optreden of als beroep een tak van sport in Nederland beoefenen Hoofdstuk 2 Belastingplicht Artikel 2 Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de topsporter die op grond van het met instemming van Onze Minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport vastgestelde reglement van de stichting Fonds voor de Topsporter een periodieke uitkering als tegemoetkoming in de kosten van zijn levensonderhoud geniet of een kostenvergoeding geniet Artikel 2a Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene die door tussenkomst van degene tot wie de arbeidsverhouding bestaat persoonlijk arbeid verricht ten behoeve van een derde met uitzondering van de arbeidsverhouding van degene die a doorgaans op minder dan drie dagen per week werkzaam is voor een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden tenzij loon wordt verstrekt door degene door wiens tussenkomst de arbeid wordt verricht b bij wijze van arbeidstherapie werkzaam is Artikel 2b 1 Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de thuiswerker of van de hulp van de thuiswerker die persoonlijk arbeid verricht tegen een bruto inkomen dat doorgaans over een maand ten minste zal bedragen 2 5 maal het bedrag genoemd in artikel 8 eerste lid onderdeel a van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag dan wel voor degene die de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt en wiens bruto inkomen uitsluitend in verband met zijn leeftijd op een lager bedrag is vastgesteld 2 5 maal het krachtens genoemde wet voor een werknemer van dezelfde leeftijd geldende bedrag 2 Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot een arbeidsverhouding die is aangegaan voor korter dan een maand 3 Indien binnen een maand na het einde van een arbeidsverhouding met dezelfde opdrachtgever een nieuwe arbeidsverhouding wordt aangegaan geldt het bepaalde in het tweede lid niet ten aanzien van die nieuwe arbeidsverhouding tenzij de tijdvakken voor welke die arbeidsverhoudingen zijn aangegaan te zamen korter zijn dan een maand 4 Voor de toepassing van het eerste lid is met betrekking tot het bruto inkomen van een thuiswerker en van de hulp van een thuiswerker artikel 5 eerste lid van overeenkomstige toepassing 5 Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot de arbeidsverhouding van de thuiswerker die zich doorgaans laat bijstaan door meer dan twee personen niet zijnde zijn echtgenoot of zijn tot zijn huishouden behorende minderjarige kinderen Artikel 2c 1 Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene die persoonlijk arbeid verricht op doorgaans ten minste 2 dagen per week tegen een bruto inkomen dat doorgaans over een week ten minste zal bedragen 2 5 maal het bedrag genoemd in artikel 8 eerste lid onderdeel b van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag dan wel voor degene die de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt en wiens bruto inkomen uitsluitend in verband met zijn leeftijd op een lager bedrag is vastgesteld 2 5 maal het krachtens genoemde wet voor een werknemer van dezelfde leeftijd geldende bedrag 2 Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot een arbeidsverhouding die is aangegaan voor korter dan een maand 3 Indien binnen een maand na het einde van een arbeidsverhouding met dezelfde opdrachtgever een nieuwe arbeidsverhouding wordt aangegaan geldt het bepaalde in het tweede lid niet ten aanzien van die nieuwe arbeidsverhouding tenzij de tijdvakken voor welke die arbeidsverhoudingen zijn aangegaan te zamen korter zijn dan een maand 4 Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene die tegen beloning persoonlijk arbeid verricht indien a zijn arbeidsverhouding tevens is een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 van de wet ongeacht of hij ingevolge het bij of krachtens die artikelen bepaalde al dan niet werknemer is b hij als bestuurder van een vereniging of stichting werkzaam is voor die vereniging of stichting Artikel 2ca 1 Als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene die als sekswerker persoonlijk arbeid verricht 2 Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder sekswerker degene die tegen betaling seksuele handelingen met of voor een ander verricht Artikel 2d Waar in de artikelen 2b en 2c wordt verwezen naar een in artikel 8 eerste lid van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag genoemd bedrag wordt indien toepassing is gegeven aan artikel 14 van die wet als zodanig in aanmerking genomen het daarbij laatstelijk in de plaats daarvan gestelde bedrag Artikel 2e 1 Artikel 2a is niet van toepassing met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene die arbeid verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep 2 Artikel 2 b eerste lid en artikel 2 c eerste lid zijn niet van toepassing met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene die a arbeid verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep b het verrichten van de arbeid rechtstreeks is overeengekomen met een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden c arbeid van overwegend geestelijke aard verricht d werkzaam is in een arbeidsverhouding die in overwegende mate beheerst wordt door een familieverhouding e anders dan bij wijze van beroep als auteur of redactiemedewerker werkzaam is voor een uitgever 3 Voor de toepassing van het tweede lid onderdeel a wordt degene die melkvervoer verricht krachtens een vervoersovereenkomst en die daarvoor een eigen vervoermiddel pleegt te gebruiken geacht dit vervoer te verrichten in de uitoefening van een bedrijf 4 Artikel 2ca is niet van toepassing a met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene die arbeid verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep b met betrekking tot de arbeidsverhouding van degene die het verrichten van de arbeid rechtstreeks is overeengekomen met een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden c indien wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels Artikel 2f 1 Indien een arbeidsverhouding beoordeeld uitsluitend aan de hand van de eerste leden van de artikelen 2 tot en met 2c op grond van meer dan één van die leden als dienstbetrekking wordt beschouwd vindt alleen dat artikel toepassing in het eerste lid waarvan zulks voor de eerste maal geschiedt 2 Indien een arbeidsverhouding zowel op grond van artikel 2ca als op grond van artikel 2 2a 2b of 2c als dienstbetrekking wordt beschouwd vindt alleen artikel 2ca toepassing Voor de toepassing van de eerste volzin wordt artikel 2e vierde lid buiten beschouwing gelaten Artikel 2g 1 Als dienstbetrekking wordt voorts beschouwd zo nodig in afwijking van artikel 5 van de wet de arbeidsverhouding welke niet reeds op grond van de wet of de artikelen 2 tot en met 2ca in samenhang met artikel 2e als dienstbetrekking wordt beschouwd mits a de werkzaamheden van degene die de arbeid verricht geen belastbare winst in zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 genereren b degene die de arbeid verricht door middel van een gezamenlijke verklaring van hemzelf en de beoogde inhoudingsplichtige voor de eerste beoogde inhouding van loonbelasting aan de inspecteur meldt dat zijn arbeidsverhouding als dienstbetrekking moet worden beschouwd 2 Zodra niet meer aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid onderdeel a wordt voldaan meldt degene die de arbeid verricht dit aan de inspecteur Artikel 2h 1 Als dienstbetrekking wordt voorts beschouwd de arbeidsverhouding van degene die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft ingeval die arbeidsverhouding niet reeds op grond van de wet of de artikelen 2 tot en met 2c in samenhang met artikel 2e of artikel 2g als dienstbetrekking wordt beschouwd 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder a partner een in artikel 3 91 tweede lid onderdeel b onder 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 aangeduide persoon b een aanmerkelijk belang een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 Artikel 3 1 Als degene tot wie de dienstbetrekking bestaat wordt in de gevallen bedoeld in de artikelen 2a 2c 2ca en 2g beschouwd degene op wie de verplichting rust het loon te betalen 2 Ingeval van een sekswerker wordt degene met wie of voor wie de seksuele handelingen worden verricht niet beschouwd als degene tot wie de dienstbetrekking bestaat Artikel 3a Ingeval degene die ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan periodieke uitkeringen ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren verstrekt bij het vaststellen van de hoogte van die uitkeringen rekening houdt met een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende uitkering of verstrekking in de zin van artikel 3 101 eerste lid onderdeel b van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet zijnde een termijn van lijfrente als bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdeel a wordt deze geacht die uit het familierecht voortvloeiende uitkering of verstrekking als loon in geld ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren te verstrekken Artikel 4 Degene tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat of indien krachtens artikel 8 van de wet een ander als inhoudingsplichtige is aangewezen die ander wordt geacht aan de werknemer het loon te verstrekken dat deze uit hoofde van zijn dienstbetrekking geniet van een niet inhoudingsplichtige Artikel 5 Als loon van een uitvoerder van aangenomen werk en van een thuiswerker wordt aangemerkt het gehele door de aanbesteder onderscheidenlijk de opdrachtgever verstrekte loon verminderd met het loon van de hulpen Deze vermindering is slechts van toepassing voor zover de uitvoerder van aangenomen werk en de thuiswerker aan de aanbesteder onderscheidenlijk de opdrachtgever een door hem en zijn hulpen ondertekende verklaring doet toekomen waaruit het loon van ieder van de hulpen blijkt Artikel 7 1 De belasting naar het belastbare loon dat wordt genoten door de in artikel 33 tweede lid onderdeel c van de wet bedoelde werknemers bedraagt het in de voor hen geldende loonbelastingtabel aangewezen percentage van het tabelloon met dien verstande dat dit percentage wordt verhoogd tot 52 ingeval de werknemer zijn naam adres of woonplaats niet aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt dan wel ingeval de werknemer loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet zijn identiteit niet is vastgesteld overeenkomstig artikel 28 onderdeel e van de wet alsmede ingeval de werknemer ter zake onjuiste gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of redelijkerwijs moet weten 2 Het tabelloon is a in de gevallen bedoeld in artikel 33 tweede lid onderdeel c onder 1 van de wet het loon in geld nadat dit is verminderd met de door de inhoudingsplichtige voor zijn rekening genomen belasting b in de gevallen bedoeld in artikel 33 tweede lid onderdeel c onder 2 van de wet het loon vermeerderd met de bedragen bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdeel j onder 2 en 3 van de wet en verminderd met de vergoeding bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet 3 Het bepaalde in de vorige leden is niet van toepassing met betrekking tot uitkeringen ingevolge sociale verzekeringswetten die zonder tussenkomst van de inhoudingsplichtige worden genoten Hoofdstuk 2a Voorwerp van de belasting stamrechtspaarrekening of stamrechtbeleggingsrecht toegelaten aanbieders Artikel 7a 1 Als een onderneming of instelling die bevoegd als bank of als beheerder van een beleggingsinstelling optreedt als bedoeld in artikel 11a tweede lid onderdeel c van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een onderneming of instelling die op grond van de Wet op het financieel toezicht bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten 2 Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan dient de onderneming of instelling zich tegenover Onze Minister onder door hem te stellen voorwaarden te verplichten om met betrekking tot de bij deze onderneming of instelling aangehouden stamrechtspaarrekeningen onderscheidenlijk met betrekking tot de door deze onderneming of instelling beheerde stamrechtbeleggingsrechten bedoeld in artikel 11a van de wet inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de stamrechtovereenkomsten en een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van artikel 19b achtste lid van de wet In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie of een in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming of instelling jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze onderneming of instelling onder door Onze Minister te stellen voorwaarden ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting 3 De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het tweede lid bedoelde zekerheid niet door de onderneming of instelling maar door de werknemer of de gewezen werknemer wordt gesteld waarbij deze tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van het recht op het tegoed van een stamrechtspaarrekening onderscheidenlijk van het recht op de waarde van een stamrechtbeleggingsrecht aan de ontvanger mits de onderneming of instelling instemt met deze verpanding 4 De aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken wanneer de bank of beheerder van een beleggingsinstelling niet meer aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het tweede lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt 5 Indien de aanwijzing wordt ingetrokken worden de tegoeden ingevolge een stamrechtspaarrekening onderscheidenlijk de waarden van een stamrechtbeleggingsrecht niet op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemers of gewezen werknemers dan wel indien een werknemer of gewezen werknemer is overleden van de gerechtigden tot de tegoeden onderscheidenlijk van de gerechtigden tot de waarde van de rechten indien deze onder door Onze Minister te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een bank of beheerder van een beleggingsinstelling die voldoet aan de in artikel 11a van de wet gestelde voorwaarden 6 Onze Minister maakt het aanwijzen als een lichaam als bedoeld in het eerste lid op een daartoe geschikte wijze publiek bekend Indien Onze Minister een aanwijzing intrekt maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend Hoofdstuk 3 Verklaringen gebruik auto Artikel 8 1 De werknemer is gehouden voordat met de auto waarop de verklaring geen privé gebruik bedoeld in artikel 13bis twaalfde lid van de wet betrekking heeft op kalenderjaarbasis meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gereden mede te delen dat hij om intrekking van de verklaring verzoekt 2 De mededeling bedoeld in het eerste lid geschiedt door het duidelijk stellig en zonder voorbehoud invullen van het daartoe langs elektronische weg ter beschikking gestelde modelformulier en het toezenden van het ingevulde modelformulier aan de inspecteur 3 Het niet of niet tijdig doen van de mededeling bedoeld in het eerste lid en het niet doen van die mededeling op de in het tweede lid voorgeschreven wijze worden aangemerkt als een overtreding 4 De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete in de gevallen bedoeld in het derde lid vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de verplichting tot het doen van de mededeling bedoeld in het eerste lid is ontstaan Artikel 9 1 Het afgeven van de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto bedoeld in artikel 13bis achttiende lid van de wet geschiedt door het duidelijk stellig en zonder voorbehoud invullen van het daartoe langs elektronische weg ter beschikking gestelde modelformulier en het toezenden van het ingevulde modelformulier aan de inspecteur 2 De werknemer is gehouden voordat met de bestelauto waarop de verklaring bedoeld in het eerste lid betrekking heeft voor privédoeleinden wordt gereden door tussenkomst van de inhoudingsplichtige mede te delen dat hij de verklaring intrekt 3 De mededeling bedoeld in het tweede lid geschiedt door het toezenden van het daartoe langs elektronische weg ter beschikking gestelde modelformulier aan de inspecteur 4 Indien de inhoudingsplichtige weet of vermoedt dat de werknemer met de bestelauto waarop de verklaring bedoeld in het eerste lid betrekking heeft voor privédoeleinden heeft gereden is de inhoudingsplichtige gehouden schriftelijk mededeling te doen van het ten onrechte niet intrekken van de verklaring door de werknemer 5 De mededeling bedoeld in het vierde lid bevat ten minste de volgende gegevens a de naam het loonbelasting sub nummer van de inhoudingsplichtige b de naam het adres en het burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan het sociaal fiscaalnummer van de werknemer c het kenteken van de bestelauto 6 Naar aanleiding van de mededeling bedoeld in het vierde lid beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking dat de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto geacht wordt te zijn ingetrokken met ingang van de dag na die van de dagtekening van die beschikking 7 Het niet of niet tijdig doen van de mededeling bedoeld in het tweede en vierde lid en het niet doen van die mededeling op de in het derde en vierde lid voorgeschreven wijze worden aangemerkt als een overtreding 8 De bevoegdheid tot het opleggen van een vergrijpboete in de gevallen bedoeld in het zevende lid vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de verplichting tot het doen van de mededeling bedoeld in het tweede en vierde lid is ontstaan Hoofdstuk 4 Pensioenregelingen Artikel 10 Vervallen door vernummering Artikel 10a 1 Als perioden die meetellen als dienstjaren dan wel als diensttijd als bedoeld in de artikelen 18a 18b 18c 38c 38d en 38f van de wet worden in aanmerking genomen a de periode gedurende welke de dienstbetrekking heeft geduurd daaronder begrepen perioden van al dan niet in deeltijd 1 ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg 2 sabbatsverlof krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van de inhoudingsplichtige gedurende ten hoogste twaalf maanden 3 studieverlof voor cursussen voor opleidingen of studie voor een beroep voor het op peil houden van de vakkennis en voor cursussen opleidingen of studie die door de inhoudingsplichtige worden gefinancierd met dien verstande dat bij dienstbetrekkingen in deeltijd de aldus in aanmerking te nemen periode wordt verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor b perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een met de inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd voorzover hij bij dat verbonden lichaam niet heeft deelgenomen aan een pensioenregeling c perioden gedurende welke in aansluiting op de in de onderdelen a en b bedoelde perioden na onvrijwillig ontslag loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen of onder door Onze Minister te stellen voorwaarden perioden na ontslag van ten hoogste drie jaar doch van ten hoogste tien jaar ingeval vanaf het vierde kalenderjaar na het jaar van ontslag in het kalenderjaar geen hoger bedrag als pensioengevend loon in aanmerking wordt genomen dan het in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan dat kalenderjaar door de gewezen werknemer genoten gezamenlijke bedrag van 1 de winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek 2 het belastbare loon 3 het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en 4 de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen d perioden gedurende welke in aansluiting op de in onderdelen a en b bedoelde perioden uitkeringen worden ontvangen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 38c van de wet e perioden gedurende welke in aansluiting op de in onderdelen a en b bedoelde perioden uitkeringen worden ontvangen ingevolge een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38d van de wet f dienstjaren ten gevolge van waardeoverdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 71 74 75 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet naar de huidige inhoudingsplichtige of de pensioenuitvoerder van de huidige inhoudingsplichtige voor zover deze jaren op basis van een adequate diensttijdadministratie kunnen worden vastgesteld g perioden waarin de werknemer een tot zijn huishouden behorend kind heeft verzorgd dat de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt met dien verstande dat de perioden waarin de kinderen die hij heeft verzorgd de leeftijd van zes jaar hebben bereikt meetellen voor de helft Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt de aldus in aanmerking te nemen periode verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor 2 In afwijking van het eerste lid onderdeel a is met betrekking tot perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot vorige inhoudingsplichtigen inkoop van ontbrekende dienstjaren tot 8 juli 1994 toegestaan indien de werknemer aannemelijk kan maken dat er gerelateerd aan de pensioenregeling bij de huidige inhoudingsplichtige als gevolg van het ontbreken van die dienstjaren sprake is van een pensioentekort daaronder begrepen perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke in het buitenland werkzaamheden zijn verricht voor een met een vorige inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd 3 In afwijking van het eerste lid onderdeel a is met betrekking tot perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een vorige inhoudingsplichtige inkoop van ontbrekende dienstjaren toegestaan voor zover de werknemer aannemelijk kan maken dat er gerelateerd aan de pensioenregeling bij de huidige inhoudingsplichtige sprake is van een pensioentekort als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid van waarde overdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 71 74 75 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet 4 Voor de toepassing van het eerste lid mag de aldaar genoemde vermindering van de in aanmerking te nemen perioden bij dienstbetrekkingen in deeltijd achterwege blijven indien de deeltijdfunctie is aanvaard in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum De eerste volzin is uitsluitend van toepassing voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50 van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de aan het slot van de eerste volzin bedoelde periode Artikel 10aa 1 Indien bij een eindloonloonstelsel bij de toepassing van een percentage per dienstjaar wordt toegepast van wordt het in bedoelde bedrag vervangen door 70 van meer dan maar niet meer dan 1 8 10 802 1 8 1 9 11 953 2 Indien bij een middelloonstelsel bij de toepassing van een percentage per dienstjaar wordt toegepast van wordt het in bedoelde bedrag vervangen door 70 van meer dan maar niet meer dan 2 05 10 802 2 05 2 15 11 953 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 18a derde lid van de wet 4 De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot partnerpensioen en wezenpensioen met dien verstande dat daarbij de in het eerste lid en het tweede lid opgenomen percentages naar evenredigheid worden verlaagd overeenkomstig de verhouding tussen de in artikel 18b eerste en tweede lid onderscheidenlijk artikel 18c eerste en tweede lid van de wet genoemde percentages per dienstjaar en die in artikel 18a van de wet 5 Bij het begin van het kalenderjaar worden de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door andere Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de verhouding tussen het ingevolge artikel 18a achtste lid onderdeel a eerste volzin van de wet in het kalenderjaar in aanmerking te nemen bedrag en het ingevolge artikel 18a achtste lid onderdeel a eerste volzin van de wet in het vorige kalenderjaar in aanmerking te nemen bedrag Artikel 10ab 1 Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren als bedoeld in artikel 18 en 18e van de wet worden in aanmerking genomen a de perioden die ingevolge artikel 10a eerste lid onderdelen a b en g als dienstjaren in aanmerking zijn genomen b de perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige indien ter zake van het in die dienstbetrekking opgebouwde ouderdomspensioen waardeoverdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 71 74 75 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet naar de huidige inhoudingsplichtige of de pensioenuitvoerder van de huidige inhoudingsplichtige heeft plaatsgevonden c de perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige indien ter zake van deze perioden met toepassing van artikel 10a tweede of derde lid inkoop van dienstjaren heeft plaatsgevonden voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze perioden bij de opbouw van het ouderdomspensioen in aanmerking zijn genomen 2 Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren kunnen eveneens in aanmerking worden genomen dienstjaren ten gevolge van een voor 1 januari 2005 gedane waardeoverdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 32 vierde lid 32a of 32b van de Pensioen en spaarfondsenwet zoals deze artikelen luidden op 31 december 2006 voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze dienstjaren bij de opbouw van het ouderdomspensioen in aanmerking zijn genomen 3 Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren kunnen eveneens in aanmerking worden genomen perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige of een met de inhoudingsplichtige of een andere inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze perioden door die andere inhoudingsplichtige of dat lichaam bij de opbouw van het ouderdomspensioen of van een voorziening voor ouderdom ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 7 tweede lid onderdeel c van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking zijn genomen 4 Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt het ingevolge artikel 18e van de wet geldende maximum verlaagd overeenkomstig de per deelnemingsjaar geldende deeltijdfactor met dien verstande dat artikel 10b derde lid van overeenkomstige toepassing is 5 Bij toepassing van het eerste lid onderdeel c of derde lid wordt voor de toepassing van artikel 18e eerste lid onderdeel b en vierde lid van de wet het 40 deelnemingsjarenpensioen opgevat met inbegrip van de uit die andere dienstbetrekking voortvloeiende a uitkeringen ingevolge een ouderdomspensioen b uitkeringen ingevolge een 40 deelnemingsjarenpensioen c uitkeringen ingevolge een overbruggingspensioen als bedoeld in artikel 18e zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde d uitkeringen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde e uitkeringen ingevolge een prepensioen als bedoeld in artikel 38a zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde 6 Indien perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een met de inhoudingsplichtige of een andere inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd in aanmerking worden genomen als deelnemingsjaren wordt voor de toepassing van artikel 18e eerste lid onderdeel b en vierde lid van de wet het 40 deelnemingsjarenpensioen opgevat met inbegrip van de uitkeringen ingevolge de bij dat lichaam opgebouwde voorziening voor ouderdom in een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 7 tweede lid onderdeel c van de Wet inkomstenbelasting 2001 Artikel 10b 1 Als loonbestanddelen als bedoeld in artikel 18g tweede lid onderdeel a van de wet komen in aanmerking alle loonbestanddelen met uitzondering van het genot van een ter beschikking gestelde auto Voorzover over loonbestanddelen pensioen wordt opgebouwd volgens een eindloonstelsel komen loonstijgingen in de periode die aanvangt vijf jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum in aanmerking tot ten hoogste 2 percent boven de gemiddelde loonindex voor de CAO lonen per maand inclusief bijzondere beloningen zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek met dien verstande dat in elk geval in aanmerking komen loonstijgingen als gevolg van gangbare functiewijzigingen of gangbare leeftijdsperiodieken 2 Voor de toepassing van artikel 18g tweede lid onderdeel b van de wet komen niet tot het regelmatig genoten loon behorende loonbestanddelen slechts in aanmerking voorzover de opbouw van het pensioen volgens een ander stelsel dan het eindloonstelsel plaatsvindt 3 Voor de toepassing van artikel 18g tweede lid onderdeel c van de wet mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven voorzover deze het gevolg is van het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum 4 Voor de toepassing van artikel 18g tweede lid onderdeel d van de wet mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven voor zover deze het gevolg is van ziekte of arbeidsongeschiktheid Artikel 10c Voor de toepassing van artikel 18h tweede lid van de wet is een regeling een pensioenregeling indien zij voldoet aan hoofdstuk IIB of hoofdstuk VIII van de wet mits a loonbestanddelen in natura niet tot het pensioengevend loon worden gerekend b de bedragen die op de voet van de regeling op het loon van de werknemer worden ingehouden niet meer bedragen dan hetgeen door de inhoudingsplichtige wordt bijgedragen c de in te bouwen uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet per dienstjaar worden gesteld op ten minste de voor dat jaar geldende uitkeringen voor een ongehuwde persoon als bedoeld in artikel 9 eerste lid onderdeel a en zesde lid onderdeel a van die wet vermeerderd met de vakantie uitkering d indien de werknemer geen mogelijke partner of wees kan aanwijzen als waarop artikel 18b onderscheidenlijk 18c van de wet betrekking heeft de regeling geen partnerpensioen onderscheidenlijk wezenpensioen omvat e een overbruggingspensioen voorzover dat dient ter overbrugging van een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet is afgestemd op het op grond van artikel 18a achtste lid in de pensioenregeling in aanmerking genomen bedrag Artikel 10ca 1 Als een lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel e van de wet kan door de inspecteur worden aangewezen een lichaam dat voldoet aan de in artikel 19a tweede lid van de wet gestelde voorwaarden en dat is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte 2 Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan dient het lichaam a aannemelijk te maken dat de pensioenverplichting wordt gerekend tot het binnenlandse ondernemingsvermogen van de in het eerste lid bedoelde lidstaat onderscheidenlijk staat b aannemelijk te maken dat het is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing c zich tegenover de inspecteur onder door Onze Minister te stellen voorwaarden te verplichten om met betrekking tot de bij dit lichaam ondergebrachte of nog onder te brengen aanspraken ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 18 van de wet inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de pensioenregeling en de winstbepaling van het lichaam d in een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid te aanvaarden voor de belasting die wordt verschuldigd door toepassing van artikel 19b van de wet ofwel artikel 3 83 eerste of tweede lid of artikel 3 136 derde vierde of vijfde lid of artikel 7 2 achtste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 3 De aanwijzing kan door de inspecteur worden ingetrokken wanneer het lichaam a niet meer voldoet aan de in artikel 19a tweede lid van de wet gestelde voorwaarden b de pensioenverplichting niet meer rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen van de in het eerste lid bedoelde lidstaat onderscheidenlijk staat c niet meer is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing d niet meer voldoet aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of e niet aan een juiste wijze van uitvoering van de in het tweede lid onderdeel d bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt 4 De aanwijzing wordt geacht te zijn ingetrokken wanneer het lichaam zich in een andere staat vestigt tenzij de inspecteur op verzoek van het lichaam voor de verplaatsing heeft vastgesteld dat het lichaam ook na de verplaatsing voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid Artikel 10d 1 Als een verzekeraar van een pensioen als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel f van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een verzekeraar die op grond van de Wet op het financieel toezicht diensten naar Nederland mag verrichten 2 Als een pensioenfonds als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel f van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een lichaam dat naar het recht van de staat van diens zetel bevoegd gelden beheert strekkende tot verzekering van aanspraken ingevolge een pensioenregeling van tenminste 100 werknemers of gewezen werknemers en dat met betrekking tot deze aanspraken vanuit een vestiging buiten Nederland overeenkomsten sluit 3 Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan dient de verzekeraar onderscheidenlijk het pensioenfonds zich tegenover Onze Minister onder door hem te stellen voorwaarden te verplichten om met betrekking tot de bij deze verzekeraar of dit fonds verzekerde of nog te verzekeren aanspraken ingevolge een pensioenregeling bedoeld in artikel 18 van de wet inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de pensioenregelingen en een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van artikel 19b van de wet In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeraar of gevestigd pensioenfonds jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze verzekeraar of dit pensioenfonds onder door Onze Minister te stellen voorwaarden ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting 4 De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het derde lid bedoelde zekerheid niet door de verzekeraar of het pensioenfonds maar door de werknemer of de gewezen werknemer wordt gesteld waarbij deze tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken ingevolge een pensioenregeling aan de ontvanger mits de verzekeraar of het pensioenfonds instemt met deze verpanding 5 De aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken wanneer de verzekeraar of het pensioenfonds niet meer aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het derde lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt 6 Indien de aanwijzing wordt ingetrokken worden de aanspraken ingevolge een pensioenregeling niet op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemers of gewezen werknemers dan wel indien een werknemer of gewezen werknemer is overleden van de gerechtigden tot de aanspraken indien de aanspraken onder door Onze Minister te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een verzekeraar van een pensioen die voldoet aan de in artikel 19a van de wet gestelde voorwaarden 7 Onze Minister maakt het aanwijzen als een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid dan wel het aanwijzen als een pensioenfonds als bedoeld in het tweede lid op een daartoe geschikte wijze publiek bekend Indien Onze Minister een aanwijzing intrekt maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend Hoofdstuk 4a Heffing van de inhoudingsplichtige extraterritoriale werknemers Artikel

    Original URL path: http://www.belastingcollectief.nl/fiscalisten/wetteksten/loonbelasting/uitvoeringsbesluit-loonbelasting-1965 (2016-01-09)
    Open archived version from archive

  • Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 - Belasting Collectief Nederland
    artikel wordt verstaan onder a inkomsten van de sekswerker al hetgeen door de sekswerker uit de arbeidsverhouding met de exploitant wordt genoten b exploitant degene op wie de verplichting rust het loon van de sekswerker te betalen Artikel 2 3 Niet inhoudingsplichtigen 1 Niet als inhoudingsplichtige worden beschouwd a United Nations 1 International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia ICTY 2 International Criminal Tribunal for Rwanda ICTR 3 International Court of Justice ICJ 4 United Nations High Commissioner for Refugees UNHCR 5 Maastricht Economic and social Research and training centre on Innovation and Technology UNU MERIT 6 International institute for Infrastructural Hydraulic and Environmental Engineering Institute for Water Education UNESCO IHE 7 Special Tribunal for Lebanon 8 Special Court for Sierra Leone b International Criminal Court ICC c Permanent Court of Arbitration d Hague Conference on Private International Law e North Atlantic Treaty Organization NATO 1 NATO C3 Agency 2 Joint Force Command Headquarters Brunssum JFC HQ Brunssum 3 NATO AEW C Programme Management Agency NAPMA f European Union 1 Vertegenwoordiging van de Europese Commissie 2 Voorlichtingsbureau van het Europese Parlement 3 European Police Office Europol 4 European Union s Judicial Cooperation Unit Eurojust g Office of the High Commissioner on National Minorities of the Organisation for Security and Cooperation in Europe HCNM OSCE h Eurocontrol i European Space Agency European Space Research and Technology Center ESA ESTEC j European Patent Organisation k Technical Centre for Agriculture and Rural Cooperation CTA l Iran United States Claims Tribunal m African Management Services Company BV AMSCO n International Organisation for Migration IOM o Common Fund for Commodities CFC p Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons OPCW q Vervallen r Institute for Energy and Transport s Centre for Integrated Surveys International Institute for Aerial Survey and Earth Sciences ITC UNESCO 2 De leden en functionarissen van de in het eerste lid genoemde volkenrechtelijke organisaties die diplomatieke voorrechten genieten en geen Nederlander zijn worden niet als inhoudingsplichtige beschouwd ten aanzien van degenen die in hun persoonlijke dienst werkzaam zijn Artikel 2 4 Aangewezen inhoudingsplichtige bij de hulp van een thuiswerker In afwijking van de artikelen 6 en 7 van de wet wordt ten aanzien van de hulp van de thuiswerker die doorgaans voor een opdrachtgever arbeid verricht de opdrachtgever van die thuiswerker als inhoudingsplichtige aangewezen Artikel 2 5 Aangewezen inhoudingsplichtige bij een artiest of een beroepssporter 1 In afwijking van artikel 8a eerste en tweede lid van de wet wordt voor zover de voor het optreden van een artiest of de sportbeoefening van een beroepssporter overeengekomen gage bedoeld in artikel 35 tweede lid van de wet wordt verstrekt aan degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring als inhoudingsplichtige aangewezen degene aan wie die verklaring is afgegeven 2 Voor zover degene aan wie een inhoudingsplichtigenverklaring is afgegeven gage van artiesten of beroepssporters verstrekt aan een ander aan wie een zodanige verklaring is afgegeven wordt in zijn plaats die ander als inhoudingsplichtige aangewezen 3 Een inhoudingsplichtigenverklaring kan op verzoek door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden afgegeven aan a de artiest of beroepssporter die als leider van een gezelschap optreedt b de leider van een gezelschap die of het lichaam in de zin van artikel 2 eerste lid onderdeel b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat het optreden van artiesten of de sportbeoefening van beroepssporters overeenkomt c degene met wie of degene door wiens bemiddeling het optreden van artiesten of de sportbeoefening van beroepssporters wordt overeengekomen d degene die als onderneming uitoefent het verrichten van administratieve werkzaamheden voor derden en de inhoudingsplicht en de daarmee samenhangende verplichtingen overneemt van degene met wie de artiest of de beroepssporter het optreden respectievelijk de sportbeoefening is overeengekomen 4 De inspecteur geeft geen inhoudingsplichtigenverklaring af indien de persoon of het lichaam bedoeld in het derde lid niet in Nederland woont of is gevestigd 5 De inhoudingsplichtigenverklaring is van toepassing gedurende een termijn van ten hoogste vijf jaren te rekenen vanaf de datum van afgifte 6 Degene aan wie de inhoudingsplichtigenverklaring is afgegeven bewaart het origineel van deze verklaring bij zijn loonadministratie en verstrekt een kopie van deze verklaring aan degene die op grond van artikel 8a eerste en tweede lid van de wet inhoudingsplichtige zou zijn ter bewaring bij diens loonadministratie 7 De inspecteur trekt bij voor bezwaar vatbare beschikking de inhoudingsplichtigenverklaring in indien a de verklaring haar belang heeft verloren b de op de verklaring vermelde gegevens niet juist zijn of niet meer juist zijn c degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring niet meer in Nederland woont of is gevestigd d degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring bij herhaling de inhoudingsplicht of de daarmee samenhangende verplichtingen niet nakomt e degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring geen kopie van die verklaring verstrekt aan degene die op grond van artikel 8a eerste en tweede lid van de wet inhoudingsplichtige zou zijn Artikel 2 6 Bij overeenkomst aangewezen inhoudingsplichtige bij een beroepssporter Indien artikel 2 5 niet van toepassing is en met de Minister is overeengekomen dat de belasting zal worden ingehouden door een ander dan degene met wie de sportbeoefening is overeengekomen ten aanzien van de beroepssporter wordt in afwijking van artikel 8a eerste en tweede lid van de wet als inhoudingsplichtige aangewezen degene die op grond van de overeenkomst de inhouding overneemt Hoofdstuk 3 Voorwerp van de belasting Artikel 3 1 Loon voor de toepassing van enkele regelingen Voor de toepassing van artikel 11 eerste lid onderdelen m en o van de wet en van artikel 3 2 onderdeel b wordt het loon in aanmerking genomen met inachtneming van het volgende a artikel 11 eerste lid onderdeel j van de wet vindt geen toepassing b tantièmes en toevallige bijzondere beloningen alsmede tot het loon behorende aanspraken worden niet in aanmerking genomen Artikel 3 1a Niet tot het loon behorende voorzieningen Als niet tot het loon behorende voorzieningen voor militaire oorlogs of dienstslachtoffers die verband houden met invaliditeit als bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdeel l van de wet worden aangewezen voorzieningen in de zin van de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs en dienstslachtoffers Artikel 3 3 Geclausuleerd verlof Voor de toepassing van artikel 11 eerste lid onderdeel r onder 2 van de wet wordt als geclausuleerd verlof aangewezen verlof dat voor specifieke doeleinden wordt toegekend zoals buitengewoon verlof zwangerschapsverlof bevallingsverlof kraamverlof ouderschapsverlof adoptieverlof verlof in verband met pleegzorg calamiteiten en ander kort verzuimverlof kort en langdurend zorgverlof educatief verlof politiek verlof en palliatief verlof Artikel 3 3a Niet tot het loon behorende aanspraken Tot het loon behoren niet a aanspraken op een eenmalige uitkering bij het beëindigen van de dienstbetrekking anders dan vanwege arbeidsongeschiktheid of overlijden van de werknemer vervroegd uittreden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd b aanspraken op een eenmalige uitkering bij het beëindigen van de dienstbetrekking wegens arbeidsongeschiktheid of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd indien deze uitkering driemaal het loon van een maand niet overtreft c aanspraken op uitkeringen en verstrekkingen in door de Minister aan te wijzen gevallen Artikel 3 4 Minimale periode uitkeringstermijnen bij stamrechtspaarrekening en stamrechtbeleggingsrecht 1 De minimale periode tussen de eerste en de laatste uitkering bedoeld in artikel 11a derde lid onderdeel a onder 2 en onderdeel b onder 2 van de wet wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel Ingeval de gerechtigde tot de uitkeringen bedoeld in bij ingang van de uitkeringen een leeftijd heeft bereikt van maar nog niet de leeftijd heeft bereikt van bedraagt de minimale periode tussen de eerste en de laatste uitkering het in deze kolom vermelde aantal jaren I II III 25 18 25 30 15 30 35 12 35 40 9 40 45 6 45 50 4 50 55 3 55 60 2 60 1 2 Ingeval de uitkeringen toekomen aan kinderen of pleegkinderen van de werknemer die ten tijde van het ontvangen van de eerste uitkering jonger zijn dan 30 jaar bedraagt het aantal jaren tussen de eerste en de laatste uitkering in afwijking van het eerste lid nimmer meer dan het aantal jaren dat de gerechtigde jonger is dan 30 jaar Artikel 3 5 Niet tot het loon gerekende premie Tot het loon behoort niet de krachtens de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen verstrekte premie bedoeld in artikel 2 8 eerste lid onderdeel b van het Algemene inkomensbesluit socialezekerheidswetten mits in het jaar waarin de premie is verstrekt geen vergoeding is genoten als bedoeld in artikel 2 8 eerste lid onderdeel c van dat besluit Artikel 3 6 Fooien en dergelijke prestaties van derden 1 Fooien en dergelijke prestaties van derden worden niet tot het loon gerekend voor zover bij het bepalen van het voor de werknemer rechtens geldende loon met het ontvangen van deze fooien of dergelijke prestaties van derden geen rekening is gehouden 2 De werknemer die werkzaam is bij een onderneming waarin horeca activiteiten worden verricht en die van zijn werkgever niet ten minste het voor hem rechtens geldende loon ontvangt wordt geacht fooien en dergelijke prestaties van derden te genieten tot een bedrag ter grootte van dat rechtens geldende loon verminderd met het rechtstreeks van de werkgever ontvangen loon Indien de werkgever in overeenstemming met de werknemer het bedrag aan fooien en dergelijke prestaties van derden op een hoger bedrag schat wordt van dat geschatte bedrag uitgegaan Artikel 3 7 Bepaling waarde voorzieningen op de werkplek waarde nihil 1 De waarde van de volgende voorzieningen in redelijkheid wordt gesteld op nihil ingeval deze geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikt of verbruikt worden a voorzieningen waarvan het niet gebruikelijk is deze elders te gebruiken of verbruiken b voorzieningen die rechtstreeks voortvloeien uit het arbeidsomstandighedenbeleid dat de inhoudingsplichtige voert op grond van de Arbeidsomstandighedenwet c ter beschikking gestelde kleding die 1 uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen 2 per kledingstuk is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare aan de inhoudingsplichtige gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70cm² of 3 achterblijft op de werkplek d consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd e ter beschikking gestelde hulpmiddelen waaronder computers en dergelijke apparatuur gereedschappen en toebehoren die ook elders gebruikt kunnen worden en die geheel of nagenoeg geheel zakelijk gebruikt worden f ter beschikking gestelde mobiele communicatiemiddelen niet zijnde computers en dergelijke apparatuur waarvan het zakelijke gebruik van meer dan bijkomstig belang is g huisvesting en inwoning met inbegrip van indien mede verstrekt het genot van energie water en bewassing ter vervulling van de dienstbetrekking indien de werknemer niet op de werkplek woont en zich redelijkerwijs niet aan deze voorziening kan onttrekken 2 In afwijking in zoverre van artikel 1 2 eerste lid onderdeel f wordt voor de toepassing van het eerste lid onderdeel b in geval van thuiswerk in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet onder werkplek tevens verstaan een werkruimte gelegen in een woning een duurzaam aan een plaats gebonden schip of een woonwagen in de zin van artikel 1 van de Huisvestingswet de aanhorigheden daaronder begrepen van de werknemer Artikel 3 8 Bepaling waarde voorzieningen op de werkplek lager dan waarde in het economische verkeer of factuurwaarde De waarde van de volgende voorzieningen die op de werkplek gebruikt of verbruikt worden wordt gesteld op de daarbij vermelde bedragen a maaltijden de waarde wordt gesteld op 2 95 b huisvesting en inwoning anders dan de ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking ter beschikking gestelde woning met inbegrip van indien mede verstrekt het genot van energie water en bewassing de waarde wordt gesteld 5 10 per dag c door de inhoudingsplichtige verrichte kinderopvang waarvoor aanspraak op een kinderopvangtoeslag onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming kan ontstaan op de voet van artikel 1 5 van de Wet kinderopvangen kwaliteitseisen peuterspeelzalen de waarde wordt gesteld op het aantal uren genoten kinderopvang maal de uurprijs vastgesteld krachtens artikel 1 7 tweede lid van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen Artikel 3 9 Bepaling waarde privégebruik van openbaar vervoerkaart en voordeelurenkaart De waarde van het genot van een in het kader van de dienstbetrekking ter beschikking gestelde openbaarvervoerkaart of voordeelurenkaart bedoeld in artikel 13 derde lid onderdeel b van de wet wordt indien aannemelijk is dat deze kaart mede dient voor zakelijke reizen waaronder woon werkverkeer gesteld op nihil Artikel 3 10 Bepaling waarde rentevoordeel personeelsleningen 1 De waarde van het rentevoordeel van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening daaronder begrepen een gedeelte van een geldlening wordt gesteld op nihil indien het rentevoordeel indien tot het loon gerekend als aftrekbare kosten in de zin van de artikelen 3 120 tot en met 3 123 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking zou worden genomen en a de werknemer schriftelijk aan de inhoudingsplichtige verklaart onder vermelding van het bestedingsdoel en onderbouwing met schriftelijke bescheiden dat de geldlening kan worden aangemerkt als een geldlening waarvan de rente aftrekbare kosten zijn in de zin van de artikelen 3 120 tot en met 3 123 van de Wet inkomstenbelasting 2001 b de inhoudingsplichtige de verklaring en bescheiden bedoeld in onderdeel a bij de loonadministratie bewaart tenzij daarvan met overeenkomstige toepassing van artikel 7 3 tweede lid wordt afgeweken en c de inhoudingsplichtige de toepassing van dit lid in de aangifte loonheffingen vermeldt 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op aan een geldlening als bedoeld in het eerste lid verbonden kosten 3 Het rentevoordeel van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening ter zake van de aanschaf van een fiets elektrische fiets of elektrische scooter wordt gesteld op nihil Artikel 3 11 Bepaling waarde genot van de dienstwoning 1 De waarde van het genot van een ter beschikking gestelde woning waarvan het gebruik voor de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking is vereist wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer van dat genot met een maximum van 18 van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon bij een overeengekomen arbeidsduur van 36 uur per kalenderweek 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt de waarde van het genot van de woning waarvan het gebruik voor de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking is vereist aangemerkt als niet behorend tot het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon Artikel 3 12 Bepaling waarde aanspraken waaronder aanspraken op ziektekostenregelingen 1 De waarde van een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen wordt gesteld op de bedragen die bij een derde worden gestort of voor zover geen stortingen worden verricht zouden moeten worden gestort teneinde de aanspraak te dekken 2 In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt per kalenderjaar de waarde van een aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling ten behoeve van ten minste 25 werknemers of gewezen werknemers die gedurende het gehele voorafgaande kalenderjaar heeft bestaan voor zover geen stortingen bij derden worden verricht gesteld op het bedrag van de gemiddelde uitkering De gemiddelde uitkering is het rekenkundige gemiddelde van de jaargemiddelden van de afgelopen vijf kalenderjaren Het jaargemiddelde is het gezamenlijke bedrag van de ter zake door of namens de inhoudingsplichtige gedane uitkeringen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer gedeeld door het aantal personen dat in het desbetreffende jaar gedurende ten minste zes maanden gerechtigd is geweest Indien zulks tot een lagere gemiddelde uitkering leidt worden het hoogste en het laagste jaargemiddelde buiten beschouwing gelaten en is de gemiddelde uitkering het rekenkundige gemiddelde van de jaargemiddelden van de andere drie kalenderjaren 3 Indien de in het tweede lid bedoelde regeling minder dan vijf gehele kalenderjaren heeft bestaan is dat lid van overeenkomstige toepassing op het mindere aantal gehele kalenderjaren met dien verstande dat bij een bestaansduur van de regeling van een of twee gehele kalenderjaren de laatste volzin van dat lid niet van toepassing is 4 De waarde van een aanspraak ingevolge een wettelijke Belgische ziektekostenverzekering bedraagt maximaal het gezamenlijke bedrag van de voor dat jaar geldende standaardpremie bedoeld in artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag welke standaardpremie tweemaal in aanmerking wordt genomen ingeval sprake is van een op grond van verordening EU 883 2004 Pb EU L314 meeverzekerde echtgenoot als bedoeld in die verordening en het voor dat jaar geldende maximumbedrag van de inkomensafhankelijke bijdrage volgens hoofdstuk 5 van de Zorgverzekeringswet 5 In afwijking van de vorige leden wordt de waarde van een aanspraak op een ziektekostenregeling met een waarde van ten hoogste 27 per jaar op nihil gesteld Artikel 3 13 Privégebruik auto rittenregistratie loontijdvakken en verklaring geen privégebruik 1 De rittenregistratie bedoeld in artikel 13bis vierde lid van de wet bevat ten minste de volgende gegevens a merk type en kenteken van de auto b periode van terbeschikkingstelling van de auto c per rit 1 datum 2 beginstand en eindstand van de kilometerteller 3 beginadres en eindadres 4 de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke 5 het karakter van de rit 2 Indien in een loontijdvak de vergoeding die de werknemer voor het gebruik voor privédoeleinden verschuldigd is uitgaat boven het voor dat loontijdvak op grond van artikel 13bis eerste tot en met derde lid van de wet berekende voordeel wordt in dat loontijdvak een negatief bedrag ter grootte van het verschil tussen het berekende voordeel en de verschuldigde vergoeding als voordeel in aanmerking genomen voor zover op kalenderjaarbasis het berekende voordeel ten minste gelijk is aan de vergoeding voor het gebruik voor privédoeleinden 3 Een verzoek om een verklaring geen privégebruik als bedoeld in artikel 13bis dertiende lid van de wet bevat ten minste de volgende gegevens a de naam het adres en het burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan het sociaal fiscaalnummer van de werknemer b het kenteken van de auto indien dit bekend is en het verzoek betrekking heeft op één auto c het jaar van ingang van de verklaring Hoofdstuk 4 Pensioenregelingen Artikel 4 1 Splitsing pensioenregeling 1 Bij overschrijding van de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet opgenomen begrenzingen bedoeld in artikel 18 derde lid van de wet kan de inhoudingsplichtige de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de begrenzingen verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen welk deel van de aanspraak binnen de begrenzingen blijft en welk deel de begrenzingen te boven gaat 2 Met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde beschikking administreert de inhoudingsplichtige bij de loonadministratie afzonderlijk jaarlijks welk deel van de aanspraak tot het loon behoort en welk deel niet alsmede de waarde van het deel dat jaarlijks in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen Tevens administreert de inhoudingsplichtige naar rato van deze verdeling welk deel van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen als loon uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking zal worden genomen en welk deel als voordeel uit sparen en beleggen wordt behandeld 3 Van de ingevolge het tweede lid geadministreerde verdeling van de aanspraak en waarde van het deel dat in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen alsmede de verdeling van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen verstrekt de inhoudingsplichtige jaarlijks een opgave aan de inspecteur Artikel 4 2 Aanwijzing van een aantal van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte Voor de toepassing van artikel 19a van de wet worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen IJsland Noorwegen en Liechtenstein Artikel 4 3 Samenloop verschillende pensioenstelsels 1 Bij samenloop van verschillende pensioenstelsels in een pensioenregeling worden alle elementen van de pensioenregeling tezamen in acht genomen en in onderlinge samenhang bezien voor de vaststelling of de pensioenregeling moet worden aangemerkt als een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel een middelloonstelsel of een beschikbare premiestelsel 2 In afwijking van het eerste lid dient voor elk onderdeel van de pensioenregeling dat niet past binnen het op grond van het eerste lid vastgestelde pensioenstelsel afzonderlijk te worden beoordeeld op welk van de drie aldaar genoemde stelsels dat onderdeel is gebaseerd 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid kan de inhoudingsplichtige de inspecteur verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen op welk stelsel de pensioenregeling of een onderdeel daarvan is gebaseerd 4 Bij wijziging van een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd pensioen in een pensioen dat is gebaseerd op een eindloonstelsel of een middelloonstelsel blijven op de tot het moment van die stelselwijziging opgebouwde pensioenaanspraken de voorwaarden van toepassing die gelden voor een beschikbare premiestelsel Hoofdstuk 5 Levensloopregeling Hoofdstuk 6 Tarief Artikel 6 1 Afwijkend loontijdvak bij een werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is Ten aanzien van de werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaam is wordt in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet als loontijdvak aangemerkt a indien het loon per week wordt uitbetaald de week b indien het loon per vier weken wordt uitbetaald het tijdvak van vier weken c indien het loon per maand wordt uitbetaald de maand Artikel 6 2 Afwijkend loontijdvak bij een werknemer met vakantiebonnen vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken 1 Ten aanzien van de werknemer wiens loon mede omvat de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken wordt in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet als loontijdvak aangemerkt a ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 20 of meer vakantiedagen een door vermenigvuldiging met de factor 261 229 verlengd loontijdvak b ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 19 of minder vakantiedagen een door vermenigvuldiging met de factor 260 245 verlengd loontijdvak 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt het aantal vakantiedagen in aanmerking genomen tot het krachtens de publiekrechtelijke regeling of de collectieve arbeidovereenkomst voor een volwassen werknemer geldende aantal zonder rekening te houden met feestdagen en met extra vakantiedagen die aan de werknemer worden toegekend in verband met zijn leeftijd of de duur van zijn dienstverband Artikel 6 3 Afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren 1 Ten aanzien van de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer die met betrekking tot een kalenderkwartaal als student of scholier wordt aangemerkt en die schriftelijk gedagtekend en ondertekend te kennen heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak wordt aangemerkt kan in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet voor loonbetalingen waarvan het inhoudingstijdstip in dat kwartaal is gelegen dat kwartaal als loontijdvak worden aangemerkt 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt met betrekking tot een kalenderkwartaal als student of scholier aangemerkt a de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een gift een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek b de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten c de werknemer voor wie bij het begin van het kalenderkwartaal recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet d de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal staat ingeschreven bij een onderwijsinstelling waar hij een voltijdse opleiding volgt en die inwoner is van een lidstaat van de Europese Unie van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland en die in het bezit is van een door de Minister aangewezen internationale studentenkaart 3 Voor de toepassing van het eerste lid bewaart de inhoudingsplichtige bij zijn loonadministratie een schriftelijke door de werknemer gedagtekende en ondertekende verklaring dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak kan worden aangemerkt alsmede a ingeval het tweede lid onderdeel a of b van toepassing is het correspondentienummer b ingeval het tweede lid onderdeel c van toepassing is het registratienummer c ingeval het tweede lid onderdeel d van toepassing is een kopie van de internationale studentenkaart 4 Indien in het kwartaal meer dan eens loon wordt verstrekt wordt de op een inhoudingstijdstip verschuldigde belasting bepaald op de belasting die is verschuldigd over het in dat kwartaal in totaal verstrekte loon verminderd met de reeds ingehouden belasting 5 Bij toepassing van dit artikel is in geval van twee opeenvolgende dienstbetrekkingen artikel 23 van de wet niet van toepassing Artikel 6 4 Toepassing tabel bijzondere beloningen bij wisseling van werkgever binnen een samenhangende groep inhoudingsplichtigen Ingeval de inhoudingsplichtige van de werknemer en de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige van de werknemer behoren tot een samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet wordt de werknemer voor de toepassing van artikel 26 vierde lid van de wet geacht het van deze inhoudingsplichtigen genoten loon van één inhoudingsplichtige te hebben genoten Hoofdstuk 7 Wijze van heffing Artikel 7 1 In de onderneming van de ouder werkzame kinderen 1 Ten aanzien van een in artikel 27 zesde lid van de wet bedoeld kind kan de inspecteur onder door hem te stellen voorwaarden toestaan dat de belasting wordt ingehouden op de eerste werkdag van het volgende kalenderjaar met toepassing van de loonbelastingtabellen voor het kalenderjaar waarin het loon is verstrekt Alsdan wordt het in dat kalenderjaar verstrekte loon geacht in gelijke delen te zijn verstrekt over de kalenderkwartalen waarin het kind werkzaam is geweest en vinden artikel 26 van de wet en de krachtens dat artikel vastgestelde loonbelastingtabellen voor bijzondere beloningen geen toepassing 2 Voor de toepassing van artikel 19 eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de belasting bedoeld in het eerste lid geacht te zijn ingehouden in het kalenderjaar waarin het loon is verstrekt 3 Indien de belasting wordt ingehouden op de voet van het eerste lid zijn ten aanzien van het in dat lid bedoelde kind de artikelen 7 2 en 7 9 niet van toepassing Artikel 7 2 Loonstaat 1 De inhoudingsplichtige legt voor iedere werknemer voor de eerste loonverstrekking in het kalenderjaar een loonstaat aan en houdt deze vervolgens bij De loonstaat wordt opgemaakt overeenkomstig het door de inspecteur verstrekte model De inhoudingsplichtige mag een van het model afwijkende loonstaat gebruiken mits deze ten minste de mogelijkheid biedt op duidelijke wijze dezelfde gegevens te administreren als het model 2 De inhoudingsplichtige wordt geacht aan het eerste lid te voldoen ingeval hij met behulp van elektronische apparatuur alle van belang zijnde gegevens vastlegt en hij die gegevens op elk gewenst tijdstip op schrift in de vorm van een van de in het eerste lid bedoelde loonstaten ter inzage kan verstrekken 3 De inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden ermee instemmen dat de inhoudingsplichtige de op de loonstaat te vermelden gegevens op een andere dan de in het eerste of het tweede lid bedoelde wijze administreert De instemming kan te allen tijde worden ingetrokken indien de administratie niet zodanig is ingericht dat een deugdelijke controle gewaarborgd is 4 De inhoudingsplichtige ontleent de in het hoofd van de loonstaat te vermelden gegevens aan a de laatstelijk door de werknemer op grond van artikel 7 9 verstrekte informatie b de door de werknemer of de Belastingdienst verstrekte opgave van het burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan het sociaal fiscaalnummer 5 In afwijking in zoverre van het vierde lid aanhef en onderdeel a vermeldt de inhoudingsplichtige in het hoofd van de loonstaat de gegevens die hem bekend zijn a indien hij weet dat de laatstelijk door de werknemer op grond van artikel 7 9 verstrekte informatie onjuist is b zolang de werknemer geen informatie als bedoeld in artikel 7 9 heeft verstrekt c indien de werknemer geen informatie als bedoeld in artikel 7 9 hoeft te verstrekken 6 De inhoudingsplichtige houdt behalve in de gevallen bedoeld in artikel 26b van de wet de belasting in aan de hand van de gegevens vermeld in het hoofd van de loonstaat 7 De inhoudingsplichtige houdt de loonadministratie op de plaats waar hij in Nederland kantoor houdt of indien zodanig kantoor niet wordt gehouden op de plaats waar hij in Nederland woont of gevestigd is of op de plaats waar hij in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft Bij gebreke daarvan houdt hij de loonadministratie onder zijn berusting De inspecteur kan een andere plaats aanwijzen 8 Ingeval de loonberekening door derden wordt uitgevoerd met behulp van mechanische of elektronische apparatuur kan de Minister onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat de loonadministratie op een andere plaats wordt bewaard 9 Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Wet werk en bijstand de Wet investeren in jongeren zoals deze luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel II van de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden Stb 650 of de Wet werk en inkomen kunstenaars zoals deze op 31 december 2011 luidde Artikel 7 3 Administratie uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in 1 De inhoudingsplichtige administreert bij de loonadministratie de gegevens met betrekking tot uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdelen m en o van de wet 2 De inhoudingsplichtige kan de in het eerste lid bedoelde gegevens op een andere plaats administreren dan bij de loonadministratie mits a hij dit onder vermelding van de nieuwe bewaarplaats vooraf meldt aan de inspecteur en b de gegevens op verzoek van de inspecteur voor controle beschikbaar komen op de plaats waar de loonadministratie wordt gevoerd Artikel 7 4 Jaaropgaaf 1 De inhoudingsplichtige verstrekt aan de werknemer een jaaropgaaf 2 Ten aanzien van de werknemer van wie in verband met gemoedsbezwaren geen premie voor de volksverzekeringen is geheven bevat de jaaropgaaf de mededeling dat in plaats van premie voor de volksverzekeringen tot eenzelfde bedrag premievervangende belasting is ingehouden Artikel 7 5 Identificatieplicht 1 De inhoudingsplichtige stelt voor de datum van aanvang van de werkzaamheden van de werknemer of voor de aanvang van de werkzaamheden indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen de identiteit van de werknemer vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 eerste lid onder 1 tot en met 3 van de Wet op de identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor controle beschikbaar bij de loonadministratie 2 Indien uit het afschrift van het in het eerste lid bedoelde document niet de aard en het nummer van dat document blijkt administreert de inhoudingsplichtige de aard en het nummer van dat document bij de loonadministratie 3 De inspecteur kan al dan niet onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften op een andere plaats worden bewaard 4 De inhoudingsplichtige bewaart de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd Artikel 7 6 Eerstedagsmelding 1 De eerstedagsmelding bedoeld in artikel 28 eerste lid onderdeel f van de wet wordt langs elektronische weg gedaan 2 Ingeval met toepassing van artikel 20 derde lid van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 voor de loonbelasting ontheffing is verleend van de in het tweede lid van dat artikel genoemde verplichting tot het doen van aangifte langs elektronische weg wordt in afwijking van het eerste lid de eerstedagsmelding gedaan door het invullen ondertekenen en inleveren of toezenden van het door de inspecteur uitgereikte of toegezonden meldingsformulier 3 De eerstedagsmelding bevat a het loonheffingennummer van de inhoudingsplichtige b het burgerservicenummer van de werknemer of bij het ontbreken daarvan het sociaal fiscaalnummer of bij het ontbreken van deze nummers een uniek personeelsnummer c de naam van de werknemer d de geboortedatum van de werknemer e de datum van aanvang van de werkzaamheden Ingeval de eerstedagsmelding ingevolge het tweede lid met een meldingsformulier wordt gedaan bevat de eerstedagsmelding tevens de naam van de inhoudingsplichtige 4 De vorige leden zijn niet van toepassing ingeval de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt bij een inhoudingsplichtige die met de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige van de werknemer behoort tot dezelfde samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet Artikel 7 7 Einde inhoudingsplicht Indien een inhoudingsplichtige in enig tijdvak voorziet dat hij gerekend vanaf het einde van dat tijdvak ten minste 12 maanden geen inhoudingsplichtige zal zijn doet hij daarvan binnen een maand na afloop van dat tijdvak mededeling aan de inspecteur Artikel 7 8 Afwijkende regels met betrekking tot de verplichting tot het indienen van een correctiebericht 1 Indien degene die is opgehouden inhoudingsplichtige te zijn binnen de in artikel 28a eerste lid van de wet bedoelde termijn van vijf jaren constateert dat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan is hij verplicht binnen acht weken na deze constatering door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken 2 Indien de inspecteur ten aanzien van degene die is opgehouden inhoudingsplichtige te zijn binnen de in artikel 28a tweede lid van de wet bedoelde termijn van vijf jaren constateert dat deze een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan kan hij deze verplichten binnen een door hem te stellen termijn door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken 3 Voor de inhoudingsplichtige voor wie het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald een kalenderhalfjaar of kalenderjaar is geldt in afwijking in zoverre van artikel 28a eerste lid van de wet dat het correctiebericht met de juiste en volledige gegevens binnen acht weken na de constatering van de onjuistheid of onvolledigheid moet worden verstrekt 4 Ten aanzien van de inhoudingsplichtige voor wie het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald een kalenderhalfjaar of kalenderjaar is geldt in afwijking in zoverre van artikel 28a tweede lid van de wet dat het correctiebericht met de juiste en volledige gegevens binnen een door de inspecteur te stellen termijn moet worden verstrekt 5 Indien een correctiebericht betrekking heeft op een aangifte over een tijdvak in een verstreken kalenderjaar kan a de inhoudingsplichtige in afwijking van artikel 28a eerste lid van de wet dat correctiebericht binnen acht weken na de constatering van de onjuistheid of onvolledigheid los van een aangifte aan de inspecteur toezenden b de inspecteur in afwijking van artikel 28a tweede lid van de wet de inhoudingsplichtige verplichten dat correctiebericht al dan niet gelijktijdig met een aangifte binnen een door hem te stellen termijn aan hem toe te zenden Artikel 7 9 Opgave van gegevens door de werknemer 1 De werknemer verstrekt voor de datum van aanvang van de werkzaamheden of voor de aanvang van de werkzaamheden indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen aan de inhoudingsplichtige schriftelijk gedagtekend en ondertekend a zijn naam met voorletters b zijn geboortedatum c zijn burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan zijn sociaal fiscaalnummer d zijn adres met postcode e zijn woonplaats en ingeval hij niet in Nederland woont zijn woonland en regio Ingeval de werknemer geen werkzaamheden verricht wordt de in de vorige volzin bedoelde opgave gedaan voordat de werknemer loon van de inhoudingsplichtige geniet 2 De inhoudingsplichtige bewaart de in het eerste lid bedoelde gegevens ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd 3 De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van a de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren zoals deze luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel II van de Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden Stb 650 b de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars zoals deze op 31

    Original URL path: http://www.belastingcollectief.nl/fiscalisten/wetteksten/loonbelasting/uitvoeringsregeling-loonbelasting-2011 (2016-01-09)
    Open archived version from archive