archive-nl.com » NL » B » BELASTINGCOLLECTIEF.NL

Total: 1024

Choose link from "Titles, links and description words view":

Or switch to "Titles and links view".
  • Algemene wet bestuursrecht - Belasting Collectief Nederland
    een afschrift over van de bijkomende beschikking die hij betwist 5 Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening Hoofdstuk 5 Handhaving Titel 5 1 Algemene bepalingen Artikel 5 1 1 In deze wet wordt verstaan onder overtreding een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift 2 Onder overtreder wordt verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt 3 Overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen Artikel 51 tweede en derde lid van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing Artikel 5 2 1 In deze wet wordt verstaan onder a bestuurlijke sanctie een door een bestuursorgaan wegens een overtreding opgelegde verplichting of onthouden aanspraak b herstelsanctie een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beà indigen van een overtreding tot het voorkomen van herhaling van een overtreding dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding c bestraffende sanctie een bestuurlijke sanctie voor zover deze beoogt de overtreder leed toe te voegen 2 Geen bestuurlijke sanctie is de enkele last tot het verrichten van bepaalde handelingen Artikel 5 3 De artikelen 5 4 tot en met 5 10 zijn van toepassing op a in dit hoofdstuk geregelde bestuurlijke sancties en b bij wettelijk voorschrift aangewezen andere bestuurlijke sancties Artikel 5 4 1 De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend 2 Een bestuurlijke sanctie wordt slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven Artikel 5 5 Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke sanctie op voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond Artikel 5 6 Het bestuursorgaan legt geen herstelsanctie op zolang een andere wegens dezelfde overtreding opgelegde herstelsanctie van kracht is Artikel 5 7 Een herstelsanctie kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt Artikel 5 8 Indien twee of meer voorschriften zijn overtreden kan voor de overtreding van elk afzonderlijk voorschrift een bestuurlijke sanctie worden opgelegd Artikel 5 9 De beschikking tot oplegging van een bestuurlijke sanctie vermeldt a de overtreding alsmede het overtreden voorschrift b zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd Artikel 5 10 1 Voor zover een bestuurlijke sanctie verplicht tot betaling van een geldsom komt deze geldsom toe aan het bestuursorgaan dat de sanctie heeft opgelegd tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald 2 Het bestuursorgaan kan de geldsom invorderen bij dwangbevel Artikel 5 10a 1 Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen 2 Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden Titel 5 2 Toezicht op de naleving Artikel 5 11 Onder toezichthouder wordt verstaan een persoon bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift Artikel 5 12 1 Bij de uitoefening van zijn taak draagt een toezichthouder een legitimatiebewijs bij zich dat is uitgegeven door het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is 2 Een toezichthouder toont zijn legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds 3 Het legitimatiebewijs bevat een foto van de toezichthouder en vermeldt in ieder geval diens naam en hoedanigheid Het model van het legitimatiebewijs wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Justitie Artikel 5 13 Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is Artikel 5 14 Bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan dat de toezichthouder als zodanig aanwijst kunnen de aan de toezichthouder toekomende bevoegdheden worden beperkt Artikel 5 15 1 Een toezichthouder is bevoegd met medeneming van de benodigde apparatuur elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner 2 Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm 3 Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen Artikel 5 16 Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen Artikel 5 16a Een toezichthouder is bevoegd van personen inzage te vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht Artikel 5 17 1 Een toezichthouder is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden 2 Hij is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieà n te maken 3 Indien het maken van kopieà n niet ter plaatse kan geschieden is hij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs Artikel 5 18 1 Een toezichthouder is bevoegd zaken te onderzoeken aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen 2 Hij is bevoegd daartoe verpakkingen te openen 3 De toezichthouder neemt op verzoek van de belanghebbende indien mogelijk een tweede monster tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald 4 Indien het onderzoek de opneming of de monsterneming niet ter plaatse kan geschieden is hij bevoegd de zaken voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs 5 De genomen monsters worden voor zover mogelijk teruggegeven 6 De belanghebbende wordt op zijn verzoek zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek de opneming of de monsterneming Artikel 5 19 1 Een toezichthouder is bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft 2 Hij is bevoegd vervoermiddelen waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft op hun lading te onderzoeken 3 Hij is bevoegd van de bestuurder van een vervoermiddel inzage te vorderen van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft 4 Hij is bevoegd met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheden van de bestuurder van een voertuig of van de schipper van een vaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem aangewezen plaats overbrengt 5 Bij regeling van Onze Minister van Justitie wordt bepaald op welke wijze de vordering tot stilhouden wordt gedaan Artikel 5 20 1 Een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden 2 Zij die uit hoofde van ambt beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding kunnen het verlenen van medewerking weigeren voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit Titel 5 3 Herstelsancties Afdeling 5 3 1 Last onder bestuursdwang Artikel 5 21 Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan de herstelsanctie inhoudende a een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding en b de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd Artikel 5 23 Deze afdeling is niet van toepassing op optreden ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde Artikel 5 24 1 De last onder bestuursdwang omschrijft de te nemen herstelmaatregelen 2 De last onder bestuursdwang vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd 3 De last onder bestuursdwang wordt bekendgemaakt aan de overtreder aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager Artikel 5 25 1 De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen 2 De last vermeldt in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht 3 Tot de kosten van bestuursdwang behoren de kosten van voorbereiding van bestuursdwang voor zover deze zijn gemaakt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de last had moeten worden uitgevoerd 4 De kosten van voorbereiding van bestuursdwang zijn ook verschuldigd voor zover als gevolg van het alsnog uitvoeren van de last geen bestuursdwang is toegepast 5 Tot de kosten van bestuursdwang behoren tevens de kosten van vergoeding van schade ingevolge artikel 5 27 zesde lid 6 Het bestuursorgaan stelt de hoogte van de verschuldigde kosten vast Artikel 5 27 1 Om bestuursdwang toe te passen hebben door het bestuursorgaan aangewezen personen toegang tot elke plaats voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is 2 Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast bevoegd tot het geven van een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden 3 Een plaats die niet bij de overtreding is betrokken wordt niet betreden dan nadat het bestuursorgaan dit de rechthebbende ten minste achtenveertig uren tevoren schriftelijk heeft aangezegd 4 Het derde lid geldt niet indien tijdige aanzegging wegens de vereiste spoed niet mogelijk is De aanzegging geschiedt dan zo spoedig mogelijk 5 De aanzegging omschrijft de wijze waarop het betreden zal plaatsvinden 6 Het bestuursorgaan vergoedt de schade die door het betreden van een plaats als bedoeld in het derde lid wordt veroorzaakt voor zover deze redelijkerwijs niet ten laste van de rechthebbende behoort te komen onverminderd het recht tot verhaal van deze schade op de overtreder ingevolge artikel 5 25 vijfde lid Artikel 5 28 Het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast is bevoegd tot het verzegelen van gebouwen terreinen en hetgeen zich daarin of daarop bevindt Artikel 5 29 1 Voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vergt kan het bestuursorgaan zaken meevoeren en opslaan 2 Het bestuursorgaan doet van het meevoeren en opslaan proces verbaal opmaken Een afschrift van het proces verbaal wordt verstrekt aan degene die de zaken onder zijn beheer had 3 Het bestuursorgaan draagt zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft deze zaken terug aan de rechthebbende 4 Het bestuursorgaan kan de teruggave opschorten totdat de ingevolge artikel 5 25 verschuldigde kosten zijn voldaan 5 Indien de rechthebbende niet tevens de overtreder is kan het bestuursorgaan de teruggave opschorten totdat de kosten van bewaring zijn voldaan Artikel 5 30 1 Indien een meegevoerde en opgeslagen zaak niet binnen dertien weken nadat zij is meegevoerd kan worden teruggegeven kan het bestuursorgaan de zaak verkopen 2 Het bestuursorgaan kan de zaak eerder verkopen zodra de ingevolge artikel 5 25 verschuldigde kosten vermeerderd met de voor de verkoop geraamde kosten in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden 3 Verkoop vindt evenwel niet plaats binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift van het proces verbaal van meevoeren en opslaan tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft 4 Gedurende drie jaren na het tijdstip van verkoop heeft degene die op dat tijdstip eigenaar was recht op de opbrengst van de zaak onder aftrek van de ingevolge artikel 5 25 verschuldigde kosten en de kosten van de verkoop Na het verstrijken van deze termijn vervalt een batig saldo aan het bestuursorgaan 5 Indien naar het oordeel van het bestuursorgaan verkoop niet mogelijk is kan het de zaak om niet aan een derde in eigendom overdragen of laten vernietigen Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing Artikel 5 31 1 Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last Artikel 5 24 eerste en derde lid is op dit besluit van overeenkomstige toepassing 2 Indien de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht kan terstond bestuursdwang worden toegepast maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt Artikel 5 31a 1 De aanvrager van een last onder bestuursdwang dan wel een andere belanghebbende die door de overtreding wordt benadeeld kan het bestuursorgaan verzoeken bestuursdwang toe te passen 2 Het verzoek kan worden gedaan na afloop van de termijn bedoeld in artikel 5 24 tweede lid 3 Het bestuursorgaan beslist binnen vier weken op het verzoek De beslissing is een beschikking Artikel 5 31b De beschikking omtrent de toepassing vervalt voor zover de last onder bestuursdwang wordt ingetrokken of vernietigd Artikel 5 31c 1 Het bezwaar beroep of hoger beroep tegen de last onder bestuursdwang heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot toepassing van bestuursdwang of op een beschikking tot vaststelling van de kosten van de bestuursdwang voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist 2 De administratieve rechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep inzake de beschikking tot toepassing van bestuursdwang of de beschikking tot vaststelling van de kosten echter verwijzen naar een ander orgaan indien behandeling door dit orgaan gewenst is 3 In beroep of hoger beroep legt de belanghebbende zo mogelijk een afschrift over van de beschikking die hij betwist 4 Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening Afdeling 5 3 2 Last onder dwangsom Artikel 5 31d Onder last onder dwangsom wordt verstaan de herstelsanctie inhoudende a een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding en b de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd Artikel 5 32 1 Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen 2 Voor een last onder dwangsom wordt niet gekozen indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen zich daartegen verzet Artikel 5 32a 1 De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen 2 Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd Artikel 5 32b 1 Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd dan wel per overtreding van de last 2 Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd 3 De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom Artikel 5 33 Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd Artikel 5 34 1 Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd kan op verzoek van de overtreder de last opheffen de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijk onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen 2 Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd kan op verzoek van de overtreder de last opheffen indien de beschikking een jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd Artikel 5 35 In afwijking van artikel 4 104 verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd Artikel 5 37 1 Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom 2 Het bestuursorgaan geeft voorts een beschikking omtrent de invordering van de dwangsom indien een belanghebbende daarom verzoekt 3 Het bestuursorgaan beslist binnen vier weken op het verzoek Artikel 5 38 1 Indien uit een beschikking tot intrekking of wijziging van de last onder dwangsom voortvloeit dat een reeds gegeven beschikking tot invordering van die dwangsom niet in stand kan blijven vervalt die beschikking 2 Het bestuursorgaan kan een nieuwe beschikking tot invordering geven die in overeenstemming is met de gewijzigde last onder dwangsom Artikel 5 39 1 Het bezwaar beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist 2 De administratieve rechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep tegen de beschikking tot invordering echter verwijzen naar een ander orgaan indien behandeling door dit orgaan gewenst is 3 In beroep of hoger beroep legt de belanghebbende zo mogelijk een afschrift over van de beschikking die hij betwist 4 Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening Titel 5 4 Bestuurlijke boete Afdeling 5 4 1 Algemene bepalingen Artikel 5 40 1 Onder bestuurlijke boete wordt verstaan de bestraffende sanctie inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom 2 Deze titel is niet van toepassing op de intrekking of wijziging van een aanspraak op financià le middelen Artikel 5 41 Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten Artikel 5 42 1 Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op indien de overtreder is overleden 2 Een bestuurlijke boete vervalt indien zij op het tijdstip van het overlijden van de overtreder niet onherroepelijk is Een onherroepelijke bestuurlijke boete vervalt voorzover zij op dat tijdstip nog niet is betaald Artikel 5 43 Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op indien aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 5 50 tweede lid aanhef en onderdeel a is bekendgemaakt Artikel 5 44 1 Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd 2 Indien de gedraging tevens een strafbaar feit is wordt zij aan de officier van justitie voorgelegd tenzij bij wettelijk voorschrift is bepaald dan wel met het openbaar ministerie is overeengekomen dat daarvan kan worden afgezien 3 Voor een gedraging die aan de officier van justitie moet worden voorgelegd legt het bestuursorgaan slechts een bestuurlijke boete op indien a de officier van justitie aan het bestuursorgaan heeft medegedeeld ten aanzien van de overtreder van strafvervolging af te zien of b het bestuursorgaan niet binnen dertien weken een reactie van de officier van justitie heeft ontvangen Artikel 5 45 1 Indien artikel 5 53 van toepassing is vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vijf jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden 2 In de overige gevallen vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete drie jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden 3 Indien tegen de bestuurlijke boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld wordt de vervaltermijn opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist Artikel 5 46 1 De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd 2 Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd 3 Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is 4 Artikel 1 tweede lid van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing Artikel 5 47 Een bestuurlijke boete die is opgelegd wegens een gedraging die tevens een strafbaar feit is vervalt indien het gerechtshof met toepassing van artikel 12i van het Wetboek van Strafvordering de vervolging van de overtreder voor dat feit beveelt Afdeling 5 4 2 De procedure Artikel 5 48 1 Het bestuursorgaan en de voor de overtreding bevoegde toezichthouder kunnen van de overtreding een rapport opmaken 2 Het rapport is gedagtekend en vermeldt a de naam van de overtreder b de overtreding alsmede het overtreden voorschrift c zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd 3 Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk bij de bekendmaking van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete aan de overtreder toegezonden of uitgereikt 4 Indien van de overtreding een proces verbaal als bedoeld in artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering is opgemaakt treedt dit voor de toepassing van deze afdeling in de plaats van het rapport Artikel 5 49 1 Het bestuursorgaan stelt de overtreder desgevraagd in de gelegenheid de gegevens waarop het opleggen van de bestuurlijke boete dan wel het voornemen daartoe berust in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen 2 Voor zover blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt draagt het bestuursorgaan er zoveel mogelijk zorg voor dat deze gegevens aan de overtreder worden medegedeeld in een voor deze begrijpelijke taal Artikel 5 50 1 Indien de overtreder in de gelegenheid wordt gesteld over het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijze naar voren te brengen a wordt het rapport reeds bij de uitnodiging daartoe aan de overtreder toegezonden of uitgereikt b zorgt het bestuursorgaan voor bijstand door een tolk indien blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt 2 Indien het bestuursorgaan nadat de overtreder zijn zienswijze naar voren heeft gebracht beslist dat a voor de overtreding geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd of b de overtreding alsnog aan de officier van justitie zal worden voorgelegd wordt dit schriftelijk aan de overtreder medegedeeld Artikel 5 51 1 Indien van de overtreding een rapport is opgemaakt beslist het bestuursorgaan omtrent het opleggen van de bestuurlijke boete binnen dertien weken na de dagtekening van het rapport 2 De beslistermijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de gedraging aan het openbaar ministerie is voorgelegd tot de dag waarop het bestuursorgaan weer bevoegd wordt een bestuurlijke boete op te leggen Artikel 5 52 De beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete vermeldt a de naam van de overtreder b het bedrag van de boete Artikel 5 53 1 Dit artikel is van toepassing indien voor de overtreding een bestuurlijke boete van meer dan â  340 kan worden opgelegd tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald 2 In afwijking van artikel 5 48 wordt van de overtreding steeds een rapport of proces verbaal opgemaakt 3 In afwijking van afdeling 4 1 2 wordt de overtreder steeds in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen Artikel 5 54 Deze titel is van overeenkomstige toepassing op andere bestraffende sancties voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald Hoofdstuk 6 Algemene bepalingen over bezwaar en beroep Afdeling 6 1 Inleidende bepalingen Artikel 6 1 De hoofdstukken 6 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing indien is voorzien in de mogelijkheid van bezwaar of beroep tegen andere handelingen van bestuursorganen dan besluiten Artikel 6 2 Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld a de schriftelijke weigering een besluit te nemen en b het niet tijdig nemen van een besluit Artikel 6 3 Een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit is niet vatbaar voor bezwaar of beroep tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft Afdeling 6 2 Overige algemene bepalingen Artikel 6 4 1 Het maken van bezwaar geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen 2 Het instellen van administratief beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij het beroepsorgaan 3 Het instellen van beroep op een administratieve rechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter Artikel 6 5 1 Het bezwaar of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste a de naam en het adres van de indiener b de dagtekening c een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht d de gronden van het bezwaar of beroep 2 Bij het beroepschrift wordt zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overgelegd 3 Indien het bezwaar of beroepschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van het bezwaar of beroep noodzakelijk is dient de indiener zorg te dragen voor een vertaling Artikel 6 6 Het bezwaar of beroep kan niet ontvankelijk worden verklaard indien a niet is voldaan aan artikel 6 5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep of b het bezwaar of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2 15 mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn Artikel 6 7 De termijn voor het indienen van een bezwaar of beroepschrift bedraagt zes weken Artikel 6 8 1 De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt 2 De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit waartegen alleen door een of meer bepaalde belanghebbenden administratief beroep kon worden ingesteld vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn ongebruikt is verstreken 3 De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat aan goedkeuring is onderworpen vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit inhoudende de goedkeuring van dat besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt 4 De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3 4 vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3 44 eerste lid onderdeel a ter inzage is gelegd Artikel 6 9 1 Een bezwaar of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen 2 Bij verzending per post is een bezwaar of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen Artikel 6 10 1 Ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar of beroepschrift blijft niet ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening a wel reeds tot stand was gekomen of b nog niet tot stand was gekomen maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was 2 De behandeling van het bezwaar of beroep kan worden aangehouden tot het begin van de termijn Artikel 6 11 Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar of beroepschrift blijft niet ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest Artikel 6 12 1 Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking is het niet aan een termijn gebonden 2 Het beroepschrift kan worden ingediend zodra a het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken en b twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is 3 Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen 4 Het beroep is niet ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend Artikel 6 13 Geen beroep bij de administratieve rechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3 15 naar voren heeft gebracht geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld Artikel 6 14 1 Het orgaan waarbij het bezwaar of beroepschrift is ingediend bevestigt de ontvangst daarvan schriftelijk 2 Het orgaan waarbij het beroepschrift is ingediend geeft daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen Artikel 6 15 1 Indien het bezwaar of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter wordt het nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd 3 Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het bezwaar of beroepschrift tijdig is ingediend behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht Artikel 6 16 Het bezwaar of beroep schorst niet de werking van het besluit waartegen het is gericht tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald Artikel 6 17 Indien iemand zich laat vertegenwoordigen zendt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde Artikel 6 18 1 Het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit brengt geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit 2 Gaat het bestuursorgaan tot intrekking of wijziging van het bestreden besluit over dan doet het daarvan onverwijld mededeling aan het orgaan waarbij het bezwaar of beroep aanhangig is 3 Na de intrekking of wijziging mag het bestuursorgaan zolang het bezwaar of beroep aanhangig blijft geen besluit nemen waarvan de inhoud of strekking met het oorspronkelijke besluit overeenstemt tenzij a gewijzigde omstandigheden dit rechtvaardigen en b het bestuursorgaan daartoe los van het bezwaar of beroep ook bevoegd zou zijn geweest 4 Een bestuursorgaan doet van een besluit als bedoeld in het derde lid onverwijld mededeling aan het orgaan waarbij het bezwaar of beroep aanhangig is Artikel 6 19 1 Indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6 18 wordt het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt 2 De beslissing op het bezwaar of beroep tegen het nieuwe besluit kan echter worden verwezen naar een ander orgaan waarbij bezwaar of beroep tegen dat nieuwe besluit aanhangig is dan wel kan of kon worden gemaakt 3 Intrekking van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar of beroepschrift daarbij belang heeft Artikel 6 20 1 Indien het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit blijft het bestuursorgaan verplicht dit besluit te nemen tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op het beroep geen belang meer heeft 2 Het bestuursorgaan deelt een besluit als bedoeld in het eerste lid onverwijld mede aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is 3 Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt 4 De beslissing op het beroep kan echter worden verwezen naar een ander orgaan waarbij bezwaar of beroep tegen het alsnog genomen besluit aanhangig is dan wel kan of kon worden gemaakt of ingesteld 5 Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan alsnog gegrond worden verklaard indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft Artikel 6 21 1 Het bezwaar of beroep kan schriftelijk worden ingetrokken 2 Tijdens het horen kan de intrekking ook mondeling geschieden Artikel 6 22 Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld kan ondanks schending van een vormvoorschrift door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld Artikel 6 23 1 Indien beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar of beroep wordt daarvan bij de bekendmaking van de beslissing melding gemaakt 2 Hierbij wordt vermeld door wie binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden ingesteld Artikel 6 24 Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6 12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep of beroep in cassatie kan worden ingesteld Hoofdstuk 7 Bijzondere bepalingen over bezwaar en administratief beroep Afdeling 7 1 Bezwaarschrift voorafgaand aan beroep bij de administratieve rechter Artikel 7 1 1 Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een administratieve rechter in te stellen dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken tenzij a het besluit in bezwaar of in administratief beroep is genomen b het besluit aan goedkeuring is onderworpen c het besluit een goedkeuring of een weigering daarvan inhoudt d het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3 4 of e het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit 2 Tegen de beslissing op het bezwaar kan beroep worden ingesteld met toepassing van de voorschriften die gelden voor het instellen van beroep tegen het besluit waartegen bezwaar is gemaakt Artikel 7 1a 1 In het bezwaarschrift kan de indiener het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de administratieve rechter zulks in afwijking van artikel 7 1 2 Het bestuursorgaan wijst het verzoek in ieder geval af indien tegen het besluit een ander bezwaarschrift is ingediend waarin eenzelfde verzoek ontbreekt tenzij dat andere bezwaarschrift kennelijk niet ontvankelijk is 3 Het bestuursorgaan kan instemmen met het verzoek indien de zaak daarvoor geschikt is 4 Het bestuursorgaan beslist zo spoedig mogelijk op het verzoek Een beslissing tot instemming wordt genomen zodra redelijkerwijs kan worden aangenomen dat geen nieuwe bezwaarschriften zullen worden ingediend De artikelen 4 7 en 4 8 zijn niet van toepassing 5 Indien het bestuursorgaan instemt met het verzoek zendt het het bezwaarschrift nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend onverwijld door aan de bevoegde rechter 6 Een na de instemming ontvangen bezwaarschrift wordt eveneens onverwijld doorgezonden aan de bevoegde rechter Indien dit bezwaarschrift geen verzoek als bedoeld in het eerste lid bevat wordt in afwijking van artikel 8 41 eerste lid geen griffierecht geheven Afdeling 7 2 Bijzondere bepalingen over bezwaar Artikel 7 2 1 Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord 2 Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht Artikel 7 3 Van het horen van belanghebbenden kan worden afgezien indien a het bezwaar kennelijk niet ontvankelijk is b het bezwaar kennelijk ongegrond is c de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord of d aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad Artikel 7 4 1 Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen 2 Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage 3 Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen 4 Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen 5 Voor zover de belanghebbenden daarmee instemmen kan toepassing van het tweede lid achterwege worden gelaten 6 Het bestuursorgaan kan al dan niet op verzoek van een belanghebbende toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden Van de toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan 7 Gewichtige redenen zijn in ieder geval niet aanwezig voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om informatie vervat in deze stukken in te willigen 8 Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende kan inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een gemachtigde die hetzij advocaat hetzij arts is Artikel 7 5 1 Tenzij het horen geschiedt door of mede door het bestuursorgaan zelf dan wel de voorzitter of een

    Original URL path: http://www.belastingcollectief.nl/fiscalisten/wetteksten/bestuursrecht/algemene-wet-bestuursrecht (2016-01-09)
    Open archived version from archive

  • Besluit proceskosten bestuursrecht - Belasting Collectief Nederland
    voor conserverende aanslag deel II Gevolgen lijfrenteverzekeringen bij emigratie Oude lijfrentepolissen Oude lijfrentepolissen Lopende verzekeringen waarvan alle premies volledig zijn afgetrokken Lopende verzekeringen waarvoor na 14 september 1999 geen premies meer zijn betaald en waarvan men de premies in het verleden niet kon aftrekken Lopende verzekeringen waarvoor ook na 14 september 1999 premies zijn betaald en waarvan men de premies niet heeft kunnen aftrekken Tijdelijke overbruggingslijfrente Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen Spaarrekening of beleggingsrecht eigen woning Inkomen uit sparen Binnenlandse belastingplicht gedurende deel van jaar Boxhoppen wordt bestraft Toerekening box 3 vermogen tussen partners Toerekening box 3 vermogen tussen partners deel 2 Box 3 vermogen bij immigratie en emigratie Waardering van woningen Waardering woning in box 3 Waarde van in buitenland gelegen box 3 woning WOZ waarde verhuurde woningen Vakantiewoning Woning waarvoor erfpachtcanon is verschuldigd Vermogen in box 3 Vermogen in box 3 Bezittingen Gehuwden en fiscale partners Vermogen van minder en meerderjarige kinderen Erfrechtelijke bezittingen en schulden Vrijstellingen Vrijstellingen Minderjarige kinderen Ouderentoeslag Vrijgestelde bezittingen Vrijgestelde bezittingen Vrijstelling bos natuurterreinen en landgoederen Vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap Vrijstelling rechten op roerende zaken krachtens erfrecht Vrijstelling kapitaalverzekering Vrijstelling banksparen Vrijstelling contant geld en vergelijkbare vermogensrechten Vrijstelling spaarloonregeling Vrijstelling kortlopende termijnen Vrijstelling maatschappelijke beleggingen Vrijstelling beleggingen in durfkapitaal Vrijstelling culturele beleggingen Vrijstelling MKB belegging Vrijstelling overdragen Vrijstellingen deel 1 Levenslooptegoed Levenslooprekening onbelast in box 3 Waardering bezittingen Verrekening dividendbelasting Verrekening dividendbelasting in Box 3 Dividendbelasting op stamrechtspaarrekening of stamrechtbeleggingsrecht Persoonsgebonden aftrek Box 3 en de persoonsgebonden aftrek Persoonsgebonden aftrek Toerekening persoonsgebonden aftrek aan box inkomen Toerekening persoonsgebonden aftrek aan de andere boxen in de IB Uitgaven voor onderhoudsverplichtigen Alimentatie aan ex echtgenoot Alimentatie aan kinderen Alimentatie in vorm van huisvesting Afkoop van alimentatie Bijstandsverhaal Verrekening pensioenrechten door betaling lijfrentepremie Periodieke uitkering als schadevergoeding Uitgaven op grond van dwingende morele verplichting Uitgaven voor onderhoudsverplichtigen Aftrekbare giften Aftrekbare giften Uitgestelde giften Periodieke giften Andere giften Doorschuiving persoonsgebonden aftrek Verliezen op beleggingen in durfkapitaal Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen Uitgaven voor specifieke zorgkosten Uitgaven voor specifieke zorgkosten Personen die zich kwalificeren voor specifieke zorgkosten Negatieve persoonsgebonden aftrek Niet aftrekbare drempel Weekenduitgaven voor gehandicapten Scholingsuitgaven Scholingsuitgaven Geen scholingsuitgaven Drempelbedrag en maximaal aftrekbaar bedrag scholingsuitgaven Uitgaven voor Rijksmonumentpanden Uitgaven voor Rijksmonumentenpanden Rijksmonument die een eigen woning is in box 1 Rijksmonument in box 3 Begrip onderhoudskosten Fiscale partners en niet aftrekbare drempel Wetsvoorstel aftrek monumentenuitgaven voor buitenlandse belastingplichtigen Fiscalisten Blogs en kantoren Blog door fiscalisten Aftrekcorrectie privégebruik auto ondernemer richtlijnconform Artikel 10 Successiewet oud niet van toepassing op ik opa vordering Teruggaaf van btw op kerstpakketten 2011 door gedeeltelijk vrijgestelde ondernemers Economische crisis en de belastingontvanger Is de werkkostenregeling nog wel aantrekkelijk Hoe krijg ik mijn in Duitsland betaalde BTW terug Belastingplan 2012 De zorgvrijstelling in de vennootschapsbelasting Woningcorporatie is anbi Uitbreiding defiscalisering inkomstenbelasting vanaf 1 januari 2012 Elektronisch factureren nu ook in Duitsland Belgische BTW beurzen Sinterklaasfeest en de werkkostenregeling Limited liability partnership Nieuwe regeling rechtsbescherming tegen controlehandelingen Verhoging ZVW bijdrage inkomen 2012 onder de loep Belgische achterhoede gevechten i p v ernstige begroting Negatief loon verrekenen Tegemoetkoming Staatssecretaris verhult verkeerde uitleg art 10 Successiewet De informatieverplichting een suppletie die geen verbetering is Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen Fruitmand en rouwkrans Aankoop van een vakantiehuis in Duitsland Bijtelling te voorkomen door dubbel leasecontract Te weinig geld in BV om pensioen eigen beheer uit te keren Scheepvaart CV gebruikmaking van willekeurige afschrijving Nieuw besluit bestrijding en ontmanteling APV s Auto van de zaak de bovennormbijdrage Struisvogels en tandprothesen De verraderlijke eigenschappen van de Duitse omzetbelasting De werkplek Belastingdienst Toeslagen maakt fraude mogelijk met toeslagen Politieke vertoning in België toch meer dan louter een taaltegenstelling tussen Vlamingen en Walen Overdracht van de woning door ouders aan kinderen gunstig of juist niet Gereglementeerde beroepstitels inzake boekhoudkundige en fiscale beroepen in België Over het kijken naar een aap apekool en de verhoging van het btw tarief voor podiumkunsten De dure verzuimboete voor een te laat ingediende aangifte vennootschapsbelasting Vrijstelling overdrachtsbelasting ook voor BV met bouwterrein VAR verklaring de misverstanden de oplossing Duitse Grondbelasting Grundsteuer Memo inzake integratieheffing Zachte heelmeesters maken stinkende wonden Sloopconstructie en economische eigendomsoverdracht Wat zal de rechtsbescherming bij de informatieplicht in de praktijk betekenen Welke rechtsmiddelen heeft u als de belastingontvanger het verzoek om een betalingsregeling afwijst Duitse loonbelasting Algemeen verweer tegen aansprakelijkstelling Bestuurdersaansprakelijkheid meld tijdig betalingsonmacht Aansprakelijkheid en de bedoeling van de wet Het MKB heeft gezond inkopen nog niet ontdekt Lening van BV aan DGA voor rentevoordeel onbelast Levering digitaal fotoboek belast met 6 btw Belastingplicht in Duitsland beschränkte resp unbeschränkte Steuerpflicht De fiscale risicoaansprakelijkheid Hoge boetes bij te laat indienen van een belastingaangifte Is de meldingsplicht bij de bestuurdersaansprakelijkheid onevenredig Aansprakelijkheid bij vervreemding van aandelen Cross boarder leasing zonder btw Het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland Geen interne levering bij inpandige verbouwing Bestuurdersaansprakelijkheid ver van uw bed of dichterbij dan u dacht Fiscale boetes voorkomen beter dan genezen Wettelijk minimumloon stijgt per 1 juli 2012 Lenteakkoord 2012 en loonheffingen Met een kanonskogel een vlieg doden Verzekeringsplicht Tweede woning Zwitserland Wijzigingen in de Duitse BTW wetgeving Goed lobbywerk van het Verbond van Verzekeraars 808 vergoeding voor aanslag van 6 Vernederlandsing van Belgische autofiscaliteit Reactivering vermogensbelasting in Spanje 2012 2013 Fiscale Highlight Stabiliteitsprogramma Crisismaatregel 2012 Let op bij creatief gebruik van verrekenprijzen E Bilanz ofwel elektronische balans Kantoren Friesland Customs Knowledge in Heerenveen Arjo Groenendijk Bart Boersma Bram van Breukelen Geert Koevoets Sander van Lent De Vries c s Tax Advisors in Beetsterzwaag Joost Muller Jan Jaap de Vries Priore in Heerenveen mr Wieger Spaan mr Mariëtte Rodenburg mr Dirk Hiemstra Mr Gerrit Jan Wuite Priore in Workum mr Wieger Spaan mr Mariëtte Rodenburg mr Dirk Hiemstra Mr Gerrit Jan Wuite Rien Vink Loonheffingen in Engwierum Rien Vink Scheidingsfiscalist T van der Wal in Beetsterzwaag Tiny van der Wal Smids en Schakel in Leeuwarden Peter Steenhuis Marieke van der Veer Corine van der Maden LEXX Advocaten in Leeuwarden Mr Martijn S Dunant Maurits Tóth Belastingadvies Andries Tóth Eikenaar Belastingadvies in Drachten Ed Eikenaar Groningen Stetler in Haren Wim Dijkstra HS26 Advocatuur in Groningen Gerhard Sjobbema Caraad Belastingadviseurs in Groningen Wietze Hoekstra Martijn Thalen Rutger Hotsma Bastide in Groningen Petrus Zijlstra Drenthe Consensio in Zuidlaren Gonard Wagenaar Bloemsma Faassen in Assen Willem Faassen Anne Marc van de Wal Gelderland Kleijsen Cortenbach Kuijpers LLP in Nijmegen P E Art and Tax in Doetinchem Peter Kleinreesink ScholsBurgerhartSchols in Nijmegen Mr dr W Burgerhart Prof dr B M E M Schols Prof mr F W J M Schols Van Lienden Kooistra in Barneveld Eric Jan Sobels Jonne Tijssen Noord Brabant De Vries Partners in Valkenswaard Hans van Kuyk Wesselman in Eindhoven Bert Bogie Wesselman in Helmond Bert Bogie Lucas Belastingadvies in Den Bosch Jurrian Lucas Ooms Partners in Breda drs Marco Ooms mr Hans Seijkens Limburg Rebastion in Maastricht Frodo Oude Groeniger Rob Engelbert Wesselman in Weert Bert Bogie Noord Holland HDK Advocaten en Fiscalisten in Amsterdam Roy Vliese Pavel der Kinderen MB Legal Tax in Alkmaar F van Elk FB Fedor mr drs J D Hoogendoorn RA Jaap J Beijert Jan MB Legal Tax in Middenbeemster mr M F Marco Bezoet de Bie mr J D M J den Boer RA CRAd Schut en Bruggink Estate Planners in Haarlem Paul Schut Marian Bruggink Rogier Pak Abel Advisory in Amsterdam Frank Schwarte Joost Lagerberg AsjesBisseling in Amsterdam Arjan Bisseling B B Accountants in Den Burg De Bont Advocaten in Amsterdam prof mr G J M E de Bont mr J M Sitsen mr M B Weijers mr P de Haas VanOoijen in Haarlem Adriaan Daniels Ognjen Soldat Just Tax in Nieuw Vennep Utrecht AccountantsTEAM in Utrecht Joost Rietveld Pay Check in Houten Pieter Miedema Fiscaal Jurist in Baarn Pieter Miedema Overijssel ELBERT fiscaal in Hengelo mr H A Elbert Beersen Grandiek in Hengelo Mr V J Vincent Grandiek Cervus Belastingadvies in Zwolle mr H A Elbert EVFA in Deventer Eric Versteegh Zuid Holland Scientia Fiscalis in Alblasserdam Yvonne Tigelaar Klootwijk Van Driel Fruijtier in Dordrecht MB Internationaal in Rotterdam Zeeland Rijkse Partners Belastingadviseurs in Middelburg Curacao Wesselman in Curaçao Bert Bogie Duitsland Strick Rechtsanwälte Steuerberater in Kleve Anton Ingenerf Frank J Lamers Sabine van Wickeren Lenk Christian Theissen Freddy B Heinzel Belgie Cobofisk in Gent Hendrik Huys Cobofisk in Aalter Luc Coopman Spanje Arcos Lamers Asociados in Marbella Wim Lamers Maite Arcos Kennisgroepen BTW specialisten Loonheffing specialisten Pensioen specialisten Estate Planning specialisten Formeel Belastingrecht specialisten Fusie Overname specialisten Herinvesteringsreserve specialisten Huwelijk Echtscheiding specialisten Innovatiebox specialisten Internationaal Belastingrecht specialisten Douane specialisten Auto van de zaak Sport Sprekers Cursussen Allround Auto van de zaak Bedrijfsoverdracht BTW Douane Estate Planning FFP VBI FBI Formeel belastingrecht Loonheffingen Pensioenen Partners Fiscaal Kenniscentrum Fiscaal up to Date Hoge Raad geeft happy end aan nasleep Van der Steen naheffingen van tafel Verhuur van theaterruimte was niet vrijgesteld van BTW Betalingsonmacht hoefde pas na aanmaning te worden gemeld HIR viel vrij wegens verkoop herinvesteringslichaam aan gelieerde BV Tbs regeling voor verhuur camping na verkoop aandelen aan schoonmoeder Leningconstructie taxpartners was ongewenste boxarbitrage Rechtbank torpedeert listige aandelenoptieconstructies DGA in Van der Steen f e niet aansprakelijk voor BTW van BV Overdrachtsbelasting vanaf 15 juni 2011 verlaagd naar 2 Verliesverrekeningsbeperking niet in strijd met EU recht Privégebruik auto per 1 juli 2011 fictieve dienst correctie los van IB en LB BTW bij levering terrein met reeds gestarte sloop van opstallen Don Bosco 30 Regeling voor na terugkeer genoten optievoordeel Fiscaal up to Date kennispartner van Belasting Collectief Nederland Werkzaamheid bij vastgoed eindigt in principe bij vervreemding Premies vrijwillige ANW vangnetverzekering niet aftrekbaar Sale lease back van school door gemeente misbruik van recht Melding betalingsonmacht liep niet door na onjuiste aangifte EHRM rekt zwijg en inzagerecht in fiscale boetezaak op Volgens staatssecretaris geen misstanden bij de Belastingdienst 30 regel voor na uitdiensttreding ontvangen optievoordeel Arresten over landbouwvrijstelling rechtvaardigden heretikettering niet Negeren van belaste winstuitkering in aanvullende aangifte was ambtelijk verzuim Navordering na fout in vooringevulde aangifte vernietigd Voorwaarde voor geruisloze inbreng buitenlandse ondernemer in strijd met EU recht Kostenvergoeding voor telefonisch horen in bezwaarfase Valutawinst op lening bij aankoop binnenlandse deelneming was niet vrijgesteld Eindheffing voor niet maatschappelijk aanvaardbare 55 plusregeling Lening omlaag die niet door bank zou zijn verstrekt was onzakelijk Verhuurde bovenverdiepingen vormden ondernemingsvermogen Herinvesteringsvoornemen concerndirectie toegerekend aan BV Erfbelasting over oudere WOZ waarde leidde tot buitensporige last Betalingen aan bestuursvoorzitter woningstichting waren resultaatsinkomen BOF ondanks afwezigheid van ondernemingsvermogen Studenten waren niet bij onderneming van vereniging in dienstbetrekking Geen verlaagd BTW tarief voor rondleiding in stadion Vrijstelling overdrachtsbelasting bij inbreng gold ook voor niet tbs deel pand Omzetcorrecties autosloperij in het kader van actie Klaproos Onzakelijke borgstelling in tbs sfeer leidde tot verlies uit a b Hogere ambtenaren Financiën willen naar systeem van voldoening op aangifte Geen pensioen in eigen beheer voor DGA met aandelen zonder stemrecht Hof Den Bosch legt met prejudiciële vragen bom onder CO2 heffing in BPM MKB winstvrijstelling gold ook na inbreng met terugwerkende kracht Beperking verrekening houdsterverliezen onterecht door geslaagd tegenbewijs Vruchtgebruikconstructie school was misbruik van recht Rechtbank Arnhem bedrijfsopvolging in SW is niet discriminerend Van der Steen arrest verhinderde aansprakelijkheid DGA niet Rechtbank had zaak volgens Hof zelf moeten afdoen Inspecteur mocht VAR loon afgeven in plaats van gevraagde VAR DGA Achterblijven pand verhinderde toepassing van bedrijfsfusiefaciliteit Regresvordering a b houder van meet af aan in box I 12 regeling voor ingevoerde gebruikte auto s niet EU proof Valutawinst op besmette lening na saldering vrijgesteld Bezwaarschriften worden toch inhoudelijk bekeken Fiscus gaat 90 van voorraad bezwaren blindelings volgen Hoge servicekosten deels van invloed op WOZ waarde van serviceflat Verkoop horecapand betekende nog geen staking Heffingsrente herzien volgens herzieningregels van aanslag Aanslag successierecht kon niet aan echtgenoten tezamen worden opgelegd Geen schadeplicht jegens fiscus na onjuiste etikettering pand Apart soort aandeel door verschil in stemrecht over winst Onderhandse schuldigerkenning verminderde verkrijging niet EU Hof onder voorwaarden akkoord met Nederlandse exitheffing Kwijtscheldingsverlies bij onzakelijke lening omlaag in tbs regeling Bij meerderheidsbelang wordt groepsrelatie voor thincapregeling verondersteld Korte huurperiode pand irrelevant bij overgang algemeenheid Ontbreken echtgenotenvrijstelling bij recht van overgang niet discriminerend Nota van door gemeente ingeschakele WOZ taxateur openbaar Cursus Belastingrecht voor niet fiscalisten Ontvanger mag niet bekendgemaakte aanslag niet invorderen Adviseur via kort geding verplicht tot informatieverstrekking Immateriële schadevergoeding na vernietiging navorderingsaanslag Fiscus moest onevenredig rentenadeel bij VA s compenseren Hof had beroep enkel vanwege undue delay ongegrond moeten verklaren Prejudiciële vragen over het begrip bouwterrein Revisierente onzuivere pensioenregeling vernietigd Kamervragen over problemen met verliesverrekening Vpb 2010 Niet tot ondernemingsvermogen behorende gelden verhinderde afwaardering in box I Intranet Modellen Overeenkomst van geldlening van durfkapitaal Overeenkomst rekening courant tussen DGA en BV NOTULEN Algemene vergadering aandeelhouders van bv met beperkte aansprakelijkheid Managementovereenkomst beheer BV 100 procent werk BV Arbeidsovereenkomst DGA Akte van cessie koop en verkoop van een vordering Akte geruisloze inbreng Aansprakelijkheidsverklaring Aandeelhoudersovereenkomst Wetteksten Inkomstenbelasting Wet op de inkomstenbelasting 2001 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 Vennootschapsbelasting Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 Besluit Fiscale Eenheid 2003 Geruisloze terugkeer art 14c Wet Vpb standaardvoorwaarden Juridische fusie art 14b Wet Vpb standaardvoorwaarden Bedrijfsfusie art 14 Wet Vpb standaardvoorwaarden Juridische afsplitsing art 14a Wet Vpb standaardvoorwaarden Loonbelasting Wet op de loonbelasting 1964 Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 Omzetbelasting Wet op de omzetbelasting 1968 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 BUA Dividendbelasting Wet op de dividendbelasting 1965 Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 Successiewet Successiewet 1956 Uitvoeringsbesluit successiewet 1956 Uitvoeringsregeling schenk en erfbelasting Rechtsverkeer Wet op belastingen van rechtsverkeer Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer Bestuursrecht Algemene wet bestuursrecht Besluit proceskosten bestuursrecht Algemene wet Algemene wet inzake rijksbelastingen Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst Invorderingswet Invorderingswet 1990 Uitvoeringsregeling inleners keten en opdrachtgeversaansprakelijkheid Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 Internationaal belastingrecht Besluit voorkoming dubbele belastingen 2001 Voorkoming dubbele belasting onder toepassing van belastingverdragen Verdragen Type DTA Albanië in werking Argentinië in werking Armenië in werking Australië in werking Australië Tweede Protocol in werking Azerbeidzjan in werking Bahrein in werking Bangladesh in werking Barbados in werking Barbados Protocol in werking Belarus in werking België in werking België Protocol geratificeerd door nl Brazilië in werking BRK Aruba in werking BRK Cura çao in werking BRK Sint Maarten in werking Bulgarije in werking Canada in werking Canada Protocol in werking China in werking Denemarken in werking Duitsland in werking Duitsland Protocol 1 in werking Duitsland Protocol 2 in werking Duitsland Protocol 3 in werking Egypte in werking Estland in werking Estland Protocol 1 in werking Estland Protocol 2 in werking Filippijnen in werking Finland 1996 in werking Frankrijk 1973 in werking Frankrijk Protocol bij 1973 in werking Georgië in werking Ghana in werking Griekenland in werking Hongkong in werking Hongarije in werking Ierland in werking Ijsland in werking India in werking India Protocol ondertekend Indonesië 2002 in werking Israël in werking Israël Protocol in werking Italië Protocol in werking Japan 1970 beëindigd Japan 2010 in werking Japan Protocol beëindigd Joegoslavië in werking Jordanië in werking Kazachstan in werking Koeweit in werking Korea in werking Korea Protocol in werking Kroatië in werking Kyrgyzstan Sovjetverdrag in werking Letland in werking Litouwen in werking Luxemburg in werking Luxemburg Protocol in werking Marcedonië in werking Malawi in werking Maleisië in werking Maleisië Protocol 1 in werking Maleisië Protocol 2 in werking Malta in werking Malta Protocol in werking Marokko in werking Mexico in werking Mexico Protocol in werking Moldavië in werking Mongolië in werking Nieuw Zeeland in werking Nieuw Zeeland Protocol in werking Nigeria in werking Noorwegen in werking Noorwegen Protocol in werking Oekraïne in werking Oezbekistan in werking Oman in werking Oostenrijk in werking Oostenrijk Protocol 1 in werking Oostenrijk Protocol 2 in werking Oostenrijk Protocol 3 in werking Oostenrijk Protocol 4 in werking Pakistan in werking Panama in werking Polen in werking Portugal in werking Qatar in werking Roemenië in werking Russische Federatie in werking Saudi Arabië in werking Singapore in werking Singapore Protocol 1 in werking Singapore Protocol 2 in werking Slovenië in werking Slowakije in werking Slowakije Protocol 1 in werking Slowakije Protocol 2 in werking Spanje in werking Sri Lanka in werking Suriname in werking Taiwan in werking Thailand in werking Tunesië in werking Turkije in werking Turkmenistan Sovjetverdrag in werking Uganda in werking Venezuela in werking Venezuela Protocol in werking Verenigd Koninkrijk 1980 beëndigd Verenigd Koninkrijk 2008 in werking Verenigd Koninkrijk Protocol 1 beëindigd Verenigd Koninkrijk Protocol 2 beëindigd Verenigde Arabische Emiraten in werking Verenigde Staten in werking Verenigde Staten Protocol 1993 in werking Verenigde Staten Protocol 2004 in werking Vietnam in werking Zambia in werking Zimbabwe in werking Zuid Africa in werking Zuid Africa Protocol in werking Zweden in werking Zwitserland 2010 in werking Type S E Zweden in werking Verenigd Koninkrijk Successie in werking Oostenrijk Successie in werking Israël Successie in werking Finland Successie in werking Search Zoeken Javascript is required to use this website translator free translator Skip to content vrijdag 21 september 2012 13 35 Besluit proceskosten bestuursrecht Geschreven door Redactie Belasting Collectief Nederland Print E mail Opschrift Besluit van 22 december 1993 houdende nadere regels betreffende de proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedures Aanhef Wij Beatrix bij de gratie Gods Koningin der Nederlanden Prinses van Oranje Nassau enz enz enz Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 16 november 1993 Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht nr 407324 93 6 gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken Gelet op artikel 8 75 van de Algemene wet bestuursrecht De Raad van State gehoord advies van 15 december 1993 nr W03 93 0753 Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 17 december 1993 Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht nr 417687 93 6 uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken Hebben goedgevonden en verstaan Hoofdstukken Artikel 1 Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8 75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7 15 tweede lid of 7 28 tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op a kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand b kosten van een getuige deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen dan wel van een deskundige die aan een partij verslag

    Original URL path: http://www.belastingcollectief.nl/fiscalisten/wetteksten/bestuursrecht/besluit-proceskosten-bestuursrecht (2016-01-09)
    Open archived version from archive

  • Algemene wet - Belasting Collectief Nederland
    De zorgvrijstelling in de vennootschapsbelasting Woningcorporatie is anbi Uitbreiding defiscalisering inkomstenbelasting vanaf 1 januari 2012 Elektronisch factureren nu ook in Duitsland Belgische BTW beurzen Sinterklaasfeest en de werkkostenregeling Limited liability partnership Nieuwe regeling rechtsbescherming tegen controlehandelingen Verhoging ZVW bijdrage inkomen 2012 onder de loep Belgische achterhoede gevechten i p v ernstige begroting Negatief loon verrekenen Tegemoetkoming Staatssecretaris verhult verkeerde uitleg art 10 Successiewet De informatieverplichting een suppletie die geen verbetering is Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen Fruitmand en rouwkrans Aankoop van een vakantiehuis in Duitsland Bijtelling te voorkomen door dubbel leasecontract Te weinig geld in BV om pensioen eigen beheer uit te keren Scheepvaart CV gebruikmaking van willekeurige afschrijving Nieuw besluit bestrijding en ontmanteling APV s Auto van de zaak de bovennormbijdrage Struisvogels en tandprothesen De verraderlijke eigenschappen van de Duitse omzetbelasting De werkplek Belastingdienst Toeslagen maakt fraude mogelijk met toeslagen Politieke vertoning in België toch meer dan louter een taaltegenstelling tussen Vlamingen en Walen Overdracht van de woning door ouders aan kinderen gunstig of juist niet Gereglementeerde beroepstitels inzake boekhoudkundige en fiscale beroepen in België Over het kijken naar een aap apekool en de verhoging van het btw tarief voor podiumkunsten De dure verzuimboete voor een te laat ingediende aangifte vennootschapsbelasting Vrijstelling overdrachtsbelasting ook voor BV met bouwterrein VAR verklaring de misverstanden de oplossing Duitse Grondbelasting Grundsteuer Memo inzake integratieheffing Zachte heelmeesters maken stinkende wonden Sloopconstructie en economische eigendomsoverdracht Wat zal de rechtsbescherming bij de informatieplicht in de praktijk betekenen Welke rechtsmiddelen heeft u als de belastingontvanger het verzoek om een betalingsregeling afwijst Duitse loonbelasting Algemeen verweer tegen aansprakelijkstelling Bestuurdersaansprakelijkheid meld tijdig betalingsonmacht Aansprakelijkheid en de bedoeling van de wet Het MKB heeft gezond inkopen nog niet ontdekt Lening van BV aan DGA voor rentevoordeel onbelast Levering digitaal fotoboek belast met 6 btw Belastingplicht in Duitsland beschränkte resp unbeschränkte Steuerpflicht De fiscale risicoaansprakelijkheid Hoge boetes bij te laat indienen van een belastingaangifte Is de meldingsplicht bij de bestuurdersaansprakelijkheid onevenredig Aansprakelijkheid bij vervreemding van aandelen Cross boarder leasing zonder btw Het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland Geen interne levering bij inpandige verbouwing Bestuurdersaansprakelijkheid ver van uw bed of dichterbij dan u dacht Fiscale boetes voorkomen beter dan genezen Wettelijk minimumloon stijgt per 1 juli 2012 Lenteakkoord 2012 en loonheffingen Met een kanonskogel een vlieg doden Verzekeringsplicht Tweede woning Zwitserland Wijzigingen in de Duitse BTW wetgeving Goed lobbywerk van het Verbond van Verzekeraars 808 vergoeding voor aanslag van 6 Vernederlandsing van Belgische autofiscaliteit Reactivering vermogensbelasting in Spanje 2012 2013 Fiscale Highlight Stabiliteitsprogramma Crisismaatregel 2012 Let op bij creatief gebruik van verrekenprijzen E Bilanz ofwel elektronische balans Kantoren Friesland Customs Knowledge in Heerenveen Arjo Groenendijk Bart Boersma Bram van Breukelen Geert Koevoets Sander van Lent De Vries c s Tax Advisors in Beetsterzwaag Joost Muller Jan Jaap de Vries Priore in Heerenveen mr Wieger Spaan mr Mariëtte Rodenburg mr Dirk Hiemstra Mr Gerrit Jan Wuite Priore in Workum mr Wieger Spaan mr Mariëtte Rodenburg mr Dirk Hiemstra Mr Gerrit Jan Wuite Rien Vink Loonheffingen in Engwierum Rien Vink Scheidingsfiscalist T van der Wal in Beetsterzwaag Tiny van der Wal Smids en Schakel in Leeuwarden Peter Steenhuis Marieke van der Veer Corine van der Maden LEXX Advocaten in Leeuwarden Mr Martijn S Dunant Maurits Tóth Belastingadvies Andries Tóth Eikenaar Belastingadvies in Drachten Ed Eikenaar Groningen Stetler in Haren Wim Dijkstra HS26 Advocatuur in Groningen Gerhard Sjobbema Caraad Belastingadviseurs in Groningen Wietze Hoekstra Martijn Thalen Rutger Hotsma Bastide in Groningen Petrus Zijlstra Drenthe Consensio in Zuidlaren Gonard Wagenaar Bloemsma Faassen in Assen Willem Faassen Anne Marc van de Wal Gelderland Kleijsen Cortenbach Kuijpers LLP in Nijmegen P E Art and Tax in Doetinchem Peter Kleinreesink ScholsBurgerhartSchols in Nijmegen Mr dr W Burgerhart Prof dr B M E M Schols Prof mr F W J M Schols Van Lienden Kooistra in Barneveld Eric Jan Sobels Jonne Tijssen Noord Brabant De Vries Partners in Valkenswaard Hans van Kuyk Wesselman in Eindhoven Bert Bogie Wesselman in Helmond Bert Bogie Lucas Belastingadvies in Den Bosch Jurrian Lucas Ooms Partners in Breda drs Marco Ooms mr Hans Seijkens Limburg Rebastion in Maastricht Frodo Oude Groeniger Rob Engelbert Wesselman in Weert Bert Bogie Noord Holland HDK Advocaten en Fiscalisten in Amsterdam Roy Vliese Pavel der Kinderen MB Legal Tax in Alkmaar F van Elk FB Fedor mr drs J D Hoogendoorn RA Jaap J Beijert Jan MB Legal Tax in Middenbeemster mr M F Marco Bezoet de Bie mr J D M J den Boer RA CRAd Schut en Bruggink Estate Planners in Haarlem Paul Schut Marian Bruggink Rogier Pak Abel Advisory in Amsterdam Frank Schwarte Joost Lagerberg AsjesBisseling in Amsterdam Arjan Bisseling B B Accountants in Den Burg De Bont Advocaten in Amsterdam prof mr G J M E de Bont mr J M Sitsen mr M B Weijers mr P de Haas VanOoijen in Haarlem Adriaan Daniels Ognjen Soldat Just Tax in Nieuw Vennep Utrecht AccountantsTEAM in Utrecht Joost Rietveld Pay Check in Houten Pieter Miedema Fiscaal Jurist in Baarn Pieter Miedema Overijssel ELBERT fiscaal in Hengelo mr H A Elbert Beersen Grandiek in Hengelo Mr V J Vincent Grandiek Cervus Belastingadvies in Zwolle mr H A Elbert EVFA in Deventer Eric Versteegh Zuid Holland Scientia Fiscalis in Alblasserdam Yvonne Tigelaar Klootwijk Van Driel Fruijtier in Dordrecht MB Internationaal in Rotterdam Zeeland Rijkse Partners Belastingadviseurs in Middelburg Curacao Wesselman in Curaçao Bert Bogie Duitsland Strick Rechtsanwälte Steuerberater in Kleve Anton Ingenerf Frank J Lamers Sabine van Wickeren Lenk Christian Theissen Freddy B Heinzel Belgie Cobofisk in Gent Hendrik Huys Cobofisk in Aalter Luc Coopman Spanje Arcos Lamers Asociados in Marbella Wim Lamers Maite Arcos Kennisgroepen BTW specialisten Loonheffing specialisten Pensioen specialisten Estate Planning specialisten Formeel Belastingrecht specialisten Fusie Overname specialisten Herinvesteringsreserve specialisten Huwelijk Echtscheiding specialisten Innovatiebox specialisten Internationaal Belastingrecht specialisten Douane specialisten Auto van de zaak Sport Sprekers Cursussen Allround Auto van de zaak Bedrijfsoverdracht BTW Douane Estate Planning FFP VBI FBI Formeel belastingrecht Loonheffingen Pensioenen Partners Fiscaal Kenniscentrum Fiscaal up to Date Hoge Raad geeft happy end aan nasleep Van der Steen naheffingen van tafel

    Original URL path: http://www.belastingcollectief.nl/fiscalisten/wetteksten/algemene-wet (2016-01-09)
    Open archived version from archive

  • Algemene wet inzake rijksbelastingen - Belasting Collectief Nederland
    afschrift van de aanwijzing aan de Tweede Kamer der Staten Generaal 3 Bij de aanwijzing als massaal bezwaar zondert Onze Minister een of meer bezwaren uit met het oog op beantwoording van de rechtsvraag door de administratieve rechter in belastingzaken 4 Bij de aanwijzing als massaal bezwaar wijst Onze Minister de inspecteur aan die de in het zevende lid bedoelde collectieve uitspraak zal doen 5 De aanwijzing als massaal bezwaar treedt in werking vier weken na de toezending van het afschrift ervan aan de Tweede Kamer der Staten Generaal De aanwijzing vervalt indien binnen die vier weken de Tweede Kamer besluit zich niet met de aanwijzing te kunnen verenigen De inspecteur doet gedurende die vier weken geen uitspraak op de bezwaren die Onze Minister als massaal bezwaar heeft aangewezen Indien de aanwijzing door een besluit van de Tweede Kamer vervalt wordt de termijn voor het doen van uitspraak op de desbetreffende bezwaarschriften verlengd met vier weken 6 De belanghebbende wordt ter zake van een als massaal bezwaar aangewezen bezwaar niet gehoord 7 Indien inzake de in het derde lid bedoelde uitgezonderde bezwaren het standpunt van de belanghebbenden ter zake van de rechtsvraag bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak geheel is afgewezen beslist de aangewezen inspecteur binnen zes weken na het onherroepelijk worden van de laatste van die uitspraken door middel van één uitspraak op alle als massaal bezwaar aangewezen bezwaren collectieve uitspraak Als massaal bezwaar aangewezen bezwaren worden steeds geacht ontvankelijk te zijn 8 De collectieve uitspraak wordt bekendgemaakt door kennisgeving ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag nieuws of huis aan huisblad dan wel op een andere geschikte wijze 9 Tegen een collectieve uitspraak kan geen beroep worden ingesteld Op verzoek van de belanghebbende vervangt de te zijnen aanzien bevoegde inspecteur de collectieve uitspraak door een individuele uitspraak Het verzoek wordt niet ingewilligd indien het onredelijk laat is gedaan 10 Beroep tegen de individuele uitspraak kan slechts de rechtsvraag betreffen 11 Indien inzake een in het derde lid bedoeld uitgezonderd bezwaar bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak geheel of gedeeltelijk aan het standpunt van de belanghebbende ter zake van de rechtsvraag is tegemoetgekomen verliezen de desbetreffende bezwaren de status van massaal bezwaar 12 Indien de inspecteur voordat de collectieve uitspraak is gedaan uitspraak doet op een bezwaar dat meer omvat dan de rechtsvraag beslist hij op de rechtsvraag in het nadeel van de belanghebbende Indien de in het elfde lid eerstbedoelde uitspraak daartoe aanleiding geeft komt de inspecteur alsnog aan het bezwaar inzake de rechtsvraag tegemoet 13 Indien de in het elfde lid eerstbedoelde uitspraak daartoe aanleiding geeft herziet de inspecteur de in artikel 26 eerste lid bedoelde besluiten waarbij de rechtsvraag onjuist is beantwoord voorzover bezwaren daartegen op de voet van het tweede lid zouden hebben geleid tot aanwijzing als massaal bezwaar Herziening vindt niet plaats indien de rechtshandeling onherroepelijk was ten tijde van de aanwijzing als massaal bezwaar of indien de onjuiste beantwoording van de rechtsvraag bij het verrichten van de rechtshandeling de inspecteur ter kennis komt na het verstrijken van vijf jaren na de in de eerste volzin bedoelde rechterlijke uitspraak De herziening geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking binnen een jaar nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden dan wel indien dat later is de onjuiste beantwoording van de rechtsvraag bij het verrichten van de desbetreffende rechtshandeling de inspecteur bekend is geworden Bezwaar en beroep tegen de beschikking kan slechts de rechtsvraag betreffen Artikel 25b is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de naar het oordeel van de inspecteur meest gerede partij Artikel 25b 1 Een uit een uitspraak van de inspecteur voortvloeiende teruggaaf van ingehouden of op aangifte afgedragen belasting wordt verleend aan degene die het bezwaarschrift heeft ingediend 2 Indien zowel de inhoudingsplichtige als degene van wie is ingehouden ter zake van dezelfde feiten een bezwaarschrift heeft ingediend wordt indien uit een uitspraak terzake een teruggaaf voortvloeit die teruggaaf uitsluitend verleend aan degene van wie is ingehouden Afdeling 2 Beroep bij de rechtbank Artikel 26 1 In afwijking van artikel 8 1 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld indien het betreft a een belastingaanslag daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening of b een voor bezwaar vatbare beschikking 2 De voldoening of afdracht op aangifte dan wel de inhouding door een inhoudingsplichtige van een bedrag als belasting wordt voor de mogelijkheid van beroep gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur De wettelijke voorschriften inzake bezwaar en beroep tegen zodanige beschikking zijn van overeenkomstige toepassing voorzover de aard van de voldoening de afdracht of de inhouding zich daartegen niet verzet Artikel 26a 1 In afwijking van artikel 8 1 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht kan het beroep slechts worden ingesteld door a de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd b de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden of c degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt 2 Het beroep kan mede worden ingesteld door degene van wie inkomens of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft 3 De inspecteur stelt de in het eerste of het tweede lid bedoelde belanghebbende desgevraagd op de hoogte van de gegevens met betrekking tot de belastingaanslag of de beschikking voorzover deze gegevens voor het instellen van beroep of het maken van bezwaar redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht Artikel 26b 1 Hij die beroep instelt tegen meer dan één uitspraak kan dat doen bij één beroepschrift 2 Artikel 24a tweede lid is van overeenkomstige toepassing Artikel 26c In afwijking van artikel 6 8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het instellen van beroep aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak van de inspecteur tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking Artikel 27 1 Voor de toepassing van artikel 8 7 tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht treden de rechtbanken te Leeuwarden Arnhem Haarlem s Gravenhage en Breda in de plaats van de andere rechtbanken in hun ressort 2 Indien een voortdurend gebrek aan voldoende zittingscapaciteit bij een van de in het eerste lid genoemde rechtbanken daartoe noodzaakt kan bij algemene maatregel van bestuur voor de duur van ten hoogste twee jaar een andere dan de overeenkomstig het eerste lid bevoegde rechtbank worden aangewezen als bevoegde rechtbank voor zaken die behoren tot een bij die maatregel aangewezen categorie Onder zittingscapaciteit wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 onder h van de Wet op de rechterlijke organisatie Artikel 27a Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig doen van een uitspraak door de inspecteur kan de rechtbank bepalen dat hoofdstuk VIII afdeling 2 gedurende een daarbij te bepalen termijn van toepassing blijft Artikel 27b 1 Het griffierecht bedraagt in afwijking van artikel 8 41 derde lid van de Algemene wet bestuursrecht a 42 indien door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld tegen een ander besluit dan een besluit als bedoeld in onderdeel b b 156 indien door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld tegen een besluit met betrekking tot de toepassing van de Wet op de dividendbelasting 1965 de Wet op de omzetbelasting 1968 de Wet op de belasting van personenauto s en motorrijwielen 1992 de Wet op de accijns de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten of de Wet belastingen op milieugrondslag c 310 indien anders dan door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld 2 De in het eerste lid genoemde bedragen kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft Artikel 27c Artikel 8 62 van de Algemene wet bestuursrecht is slechts van toepassing voorzover het beroep is gericht tegen een uitspraak waarbij een bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk is gehandhaafd In andere gevallen heeft het onderzoek ter zitting plaats met gesloten deuren maar kan de rechtbank bepalen dat het onderzoek openbaar is voorzover de belangen van partijen daardoor niet worden geschaad Artikel 27d In afwijking van artikel 8 67 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor verdaging van de mondelinge uitspraak ten hoogste twee weken Artikel 27e 1 Indien de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a eerste lid verklaart de rechtbank het beroep ongegrond tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is 2 Indien de rechtbank het beroep tegen een in artikel 52a eerste lid bedoelde informatiebeschikking ongegrond verklaart stelt de rechtbank een nieuwe termijn voor het voldoen aan de in die beschikking bedoelde verplichtingen in situaties waarin daar nog gevolg aan kan worden gegeven tenzij sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht 3 Dit artikel vindt geen toepassing voor zover het beroep is gericht tegen een vergrijpboete Artikel 27f 1 Een uit een uitspraak van de rechtbank voortvloeiende teruggaaf van ingehouden of op aangifte afgedragen belasting wordt verleend aan degene die het beroep heeft ingesteld 2 Indien zowel de inhoudingsplichtige als degene van wie is ingehouden ter zake van dezelfde feiten beroep heeft ingesteld wordt indien uit een uitspraak terzake een teruggaaf voortvloeit die teruggaaf uitsluitend verleend aan degene van wie is ingehouden Artikel 27g 1 In afwijking van artikel 8 79 tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt de verstrekking overeenkomstig die bepaling van afschriften of uittreksels aan anderen dan partijen met machtiging van de rechtbank 2 Met betrekking tot schriftelijke uitspraken blijft de machtiging bedoeld in het eerste lid slechts achterwege indien op een voor de uitspraak gedaan verzoek van een der partijen de rechtbank oordeelt dat ook na anonimisering de geheimhouding van persoonlijke en financiële gegevens onvoldoende wordt beschermd en bovendien het belang van de openbaarheid van de rechtspraak niet opweegt tegen dit belang Afdeling 3 Hoger beroep bij het gerechtshof Artikel 27h 1 De belanghebbende die bevoegd was beroep bij de rechtbank in te stellen en de inspecteur kunnen bij het gerechtshof hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8 2 6 van de Algemene wet bestuursrecht en tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8 86 van die wet 2 Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen a een uitspraak van de rechtbank na toepassing van artikel 8 54 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht b een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8 54a van die wet c een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8 55 vijfde lid van die wet d een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8 84 tweede lid van die wet e een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8 75a eerste lid in verband met artikel 8 84 vierde lid van die wet 3 Tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de in het eerste lid bedoelde uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegen a een tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8 80a van de Algemene wet bestuursrecht of b een andere beslissing van de rechtbank 4 De artikelen 24a tweede lid 26a derde lid en 26b eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing 5 De werking van de uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of indien hoger beroep is ingesteld op het hoger beroep onherroepelijk is beslist De eerste volzin geldt niet indien de uitspraak een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit betreft Artikel 27i 1 De griffier doet van het ingestelde hoger beroep zo spoedig mogelijk mededeling aan de griffier van de rechtbank die de uitspraak heeft gedaan 2 De griffier van de rechtbank bedoeld in het eerste lid zendt de gedingstukken met vier afschriften van het proces verbaal van de zitting voorzover dit op de zaak betrekking heeft en vier afschriften van de uitspraak binnen een week na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde mededeling aan de griffier van het gerechtshof Artikel 27j 1 Op het hoger beroep is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht met uitzondering van afdeling 8 1 1 en de artikelen 8 10 8 41 8 74 en 8 82 van overeenkomstige toepassing voorzover in deze afdeling niet anders is bepaald 2 De artikelen 27c 27d 27e 27f en 27g zijn van overeenkomstige toepassing Artikel 27k 1 De zaken die bij het gerechtshof aanhangig worden gemaakt worden in behandeling genomen door een meervoudige kamer 2 Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één rechter kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer 3 Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter verwijst zij deze naar een meervoudige kamer 4 Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt Artikel 27l 1 Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier van het gerechtshof een griffierecht geheven Indien het een beroepschrift ter zake van twee of meer samenhangende uitspraken betreft is eenmaal griffierecht verschuldigd In dat geval bedraagt het griffierecht het hoogste op grond van het tweede lid verschuldigde bedrag 2 Het griffierecht bedraagt a 115 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak inzake een ander besluit dan een besluit als bedoeld in onderdeel b b 232 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak inzake een besluit als bedoeld in artikel 27b eerste lid onderdeel b c 466 indien anders dan door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld 3 Indien de inspecteur hoger beroep heeft ingesteld en de uitspraak van de rechtbank in stand blijft wordt van de Staat een griffierecht geheven van 466 4 Artikel 8 41 tweede en vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing 5 De in het tweede en derde lid genoemde bedragen kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voorzover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft Artikel 27m 1 De andere partij dan de partij die het hoger beroep heeft ingesteld kan bij haar verweerschrift incidenteel hoger beroep instellen 2 De partij die het hoger beroep heeft ingesteld wordt in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van het verweerschrift het incidentele hoger beroep te beantwoorden 3 Het gerechtshof kan de in het tweede lid bedoelde termijn verlengen Artikel 27n 1 Van de verzoeker om een voorlopige voorziening wordt door de griffier een griffierecht geheven Artikel 27l eerste lid tweede en derde volzin tweede en vijfde lid is van overeenkomstige toepassing 2 Artikel 8 41 tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden twee weken bedraagt De voorzieningenrechter kan een kortere termijn stellen 3 Indien een verzoek wordt ingetrokken omdat de inspecteur onderscheidenlijk de belanghebbende tot wie het bestreden besluit is gericht aan de voorzieningenrechter schriftelijk heeft medegedeeld de uitvoering van het bestreden besluit hangende de procedure met betrekking tot de hoofdzaak op te schorten dan wel de gevraagde voorlopige maatregelen te zullen nemen wordt het betaalde griffierecht door de griffier terugbetaald In de overige gevallen kan de Staat indien het verzoek wordt ingetrokken het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden 4 De uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht door de Staat geheel of gedeeltelijk wordt vergoed 5 Indien het verzoek is gedaan door de inspecteur en het verzoek geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door de griffier aan de Staat geheel of gedeeltelijk wordt terugbetaald 6 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening dat wordt gedaan nadat een verzoek om herziening is gedaan Artikel 27o Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank hetzij met overneming hetzij met verbetering van de gronden of doet met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak hetgeen de rechtbank had behoren te doen Artikel 27p 1 Indien het gerechtshof de uitspraak van de rechtbank geheel of gedeeltelijk vernietigt houdt de uitspraak tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht door de Staat wordt vergoed 2 In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door de Staat geheel of gedeeltelijk wordt vergoed Artikel 27q 1 Het gerechtshof wijst de zaak terug naar de rechtbank die deze in eerste instantie heeft behandeld indien a de rechtbank haar onbevoegdheid of de niet ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en het gerechtshof deze uitspraak vernietigt met bevoegdverklaring van de rechtbank onderscheidenlijk ontvankelijkverklaring van het beroep of b het gerechtshof om een andere reden dan bedoeld in onderdeel a van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld 2 De griffier zendt de gedingstukken onder medezending van een afschrift van de uitspraak zo spoedig mogelijk aan de griffier van de rechtbank Artikel 27r In de gevallen als bedoeld in artikel 27q eerste lid onderdeel a kan het gerechtshof de zaak zonder terugwijzing afdoen indien zij naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft Artikel 27s Indien het gerechtshof van oordeel is dat de uitspraak is gedaan door een andere rechtbank dan de bevoegde kan het de onbevoegdheid voor gedekt verklaren en de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aanmerken Afdeling 4 Beroep in cassatie bij de Hoge Raad Artikel 28 1 De belanghebbende die bevoegd was om hoger beroep bij het gerechtshof in te stellen en Onze Minister kunnen bij de Hoge Raad beroep in cassatie instellen tegen a een uitspraak van het gerechtshof die overeenkomstig afdeling 8 2 6 van de Algemene wet bestuursrecht is gedaan en b een uitspraak van de voorzieningenrechter van het gerechtshof die overeenkomstig artikel 8 86 van die wet is gedaan 2 De belanghebbende en Onze Minister kunnen bij de Hoge Raad voorts beroep in cassatie instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8 55 vijfde lid van die wet 3 Indien de belanghebbenden en Onze Minister daarmee schriftelijk instemmen kan bij de Hoge Raad voorts beroep in cassatie worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8 2 6 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8 86 van die wet 4 Geen beroep in cassatie kan worden ingesteld tegen a een uitspraak van het gerechtshof of de rechtbank overeenkomstig artikel 8 54 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht b een uitspraak van de rechtbank overeenkomstig artikel 8 54a van die wet c een uitspraak van de voorzieningenrechter van het gerechtshof of de rechtbank overeenkomstig artikel 8 84 tweede lid van die wet en d een uitspraak van de voorzieningenrechter van het gerechtshof of de rechtbank overeenkomstig artikel 8 75a eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht in verband met artikel 8 84 vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht 5 Tegen andere beslissingen van het gerechtshof van de rechtbank of van de voorzieningenrechter kan slechts tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de in het eerste of het tweede lid bedoelde uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld 6 De artikelen 24a tweede lid 26a derde lid en 26b eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing 7 De werking van de uitspraak van het gerechtshof de rechtbank of de voorzieningenrechter wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van beroep in cassatie is verstreken of indien beroep in cassatie is ingesteld op het beroep in cassatie is beslist Artikel 28a 1 De griffier van de Hoge Raad doet van het ingestelde beroep in cassatie zo spoedig mogelijk mededeling aan de griffier van het gerecht dat de aangevallen uitspraak heeft gedaan 2 De griffier van dit gerecht zendt een afschrift van de uitspraak en de op de uitspraak betrekking hebbende gedingstukken die onder hem berusten onverwijld aan de griffier van de Hoge Raad Artikel 28b 1 Indien beroep in cassatie is ingesteld tegen een mondelinge uitspraak wordt de mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke uitspraak tenzij het beroep in cassatie kennelijk niet ontvankelijk is of de Hoge Raad anders bepaalt De vervanging geschiedt binnen zes weken na de dag waarop de mededeling bedoeld in artikel 28a eerste lid is gedaan Het beroep in cassatie wordt geacht gericht te zijn tegen de schriftelijke uitspraak 2 Het gerecht dat de mondelinge uitspraak heeft gedaan verzendt de vervangende schriftelijke uitspraak gelijktijdig aan partijen en aan de griffier van de Hoge Raad 3 In afwijking van artikel 6 5 eerste lid onderdeel d van de Algemene wet bestuursrecht kan de indiener van het beroepschrift de gronden van het beroep verstrekken of aanvullen tot zes weken na de dag waarop de schriftelijke uitspraak aan hem is verzonden Artikel 29 Op de behandeling van het beroep in cassatie zijn de artikelen 8 14 tot en met 8 25 8 27 tot en met 8 29 8 31 tot en met 8 40a 8 43 8 52 8 53 8 60 8 70 8 71 8 72a en 8 75 tot en met 8 79 en titel 8 4 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing voorzover in deze afdeling niet anders is bepaald Artikel 29a 1 Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier van de Hoge Raad een griffierecht geheven Indien het een beroepschrift ter zake van twee of meer samenhangende uitspraken betreft is eenmaal griffierecht verschuldigd In dat geval bedraagt het griffierecht het hoogste op grond van het tweede lid verschuldigde bedrag 2 Het griffierecht bedraagt a 115 indien door een natuurlijke persoon beroep in cassatie is ingesteld tegen een uitspraak inzake een ander besluit dan bedoeld in onderdeel b b 232 indien door een natuurlijke persoon beroep in cassatie is ingesteld tegen een uitspraak inzake een besluit als bedoeld in artikel 27b eerste lid onderdeel b c 466 indien anders dan door een natuurlijke persoon beroep in cassatie is ingesteld 3 Indien Onze Minister beroep in cassatie heeft ingesteld en de uitspraak van het gerechtshof in stand blijft wordt van de Staat een griffierecht geheven van 466 4 Artikel 8 41 tweede en vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing 5 De in het tweede en derde lid genoemde bedragen kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft Artikel 29b 1 De andere partij dan de partij die het beroep in cassatie heeft ingesteld kan binnen acht weken na de dag van verzending van het beroepschrift een verweerschrift indienen 2 De partij kan bij het verweerschrift incidenteel beroep in cassatie instellen In dat geval wordt de partij die beroep in cassatie heeft ingesteld in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van het verweerschrift het incidentele beroep te beantwoorden 3 De Hoge Raad kan de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen verlengen Artikel 29c 1 Indien hetzij in het beroepschrift hetzij in het verweerschrift hetzij nadien door degene die beroep in cassatie heeft ingesteld binnen twee weken nadat het afschrift van het verweerschrift ter post is bezorgd schriftelijk is verzocht de zaak mondeling te mogen toelichten bepaalt de Hoge Raad dag en uur waarop de zaak door de advocaten van partijen zal kunnen worden bepleit De griffier stelt beide partijen of de door hen aangewezen advocaten hiervan ten minste tien dagen tevoren in kennis 2 De advocaten kunnen in plaats van de zaak mondeling bij pleidooi toe te lichten een schriftelijke toelichting overleggen of toezenden 3 Artikel 8 62 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing voor zover het beroep in cassatie is gericht tegen een uitspraak waarbij de gehele of gedeeltelijke handhaving van een bestuurlijke boete in het geding is 4 In andere gevallen dan in het derde lid bedoeld heeft de mondelinge behandeling plaats met gesloten deuren maar kan de Hoge Raad bepalen dat de behandeling openbaar is voor zover de belangen van partijen daardoor niet worden geschaad Artikel 29d 1 Nadat de toelichtingen zijn gehouden of ontvangen of indien deze niet zijn verzocht na indiening van de schrifturen door partijen stelt de griffier indien de procureur generaal bij de Hoge Raad de wens te kennen heeft gegeven om te worden gehoord alle stukken in diens handen 2 De procureur generaal brengt zijn schriftelijke conclusie ter kennis van de Hoge Raad 3 Een afschrift van de conclusie wordt aan partijen gezonden Partijen kunnen binnen twee weken na verzending van het afschrift van de conclusie hun schriftelijk commentaar daarop aan de Hoge Raad doen toekomen Artikel 29e 1 De uitspraak van de Hoge Raad wordt schriftelijk gedaan 2 Wanneer de Hoge Raad hetzij op de in het beroepschrift aangevoerde hetzij op andere gronden de uitspraak van het gerechtshof de rechtbank of de voorzieningenrechter vernietigt beslist hij bij dezelfde uitspraak de zaak zoals het gerechtshof de rechtbank of de voorzieningenrechter had behoren te doen Indien de beslissing van de hoofdzaak afhangt van feiten die bij de vroegere behandeling niet zijn komen vast te staan verwijst de Hoge Raad tenzij het punten van ondergeschikte aard betreft het geding naar een gerechtshof of een rechtbank ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad Artikel 29f 1 In geval van intrekking van het beroep in cassatie door Onze Minister kan Onze Minister op verzoek van de belanghebbende bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8 75 van de Algemene wet bestuursrecht in de kosten worden veroordeeld 2 De griffier zendt een door hem voor eensluidend getekend afschrift van de intrekking onverwijld aan die belanghebbende 3 De artikelen 6 5 tot en met 6 9 6 11 6 14 6 15 6 17 6 21 en 8 73a tweede lid eerste en tweede volzin van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing alsmede de artikelen 29c en 29d Artikel 29g 1 Indien de Hoge Raad de uitspraak van het gerechtshof van de rechtbank of van de voorzieningenrechter vernietigt houdt de uitspraak tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht door de door de Hoge Raad aangewezen rechtspersoon wordt vergoed 2 In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk door de door de Hoge Raad aangewezen rechtspersoon wordt vergoed Artikel 29h 1 In geval van verwijzing zendt de griffier van de Hoge Raad de stukken en een afschrift van de uitspraak binnen een week aan het gerechtshof of aan de rechtbank waarheen de zaak is verwezen 2 Indien de uitspraak geen verwijzing inhoudt zendt de griffier de door partijen overgelegde stukken onverwijld aan hen terug Artikel 29i 1 Een uit een uitspraak van de Hoge Raad voortvloeiende teruggaaf van ingehouden of op aangifte afgedragen belasting wordt verleend aan degene die het beroep in cassatie heeft ingesteld 2 Indien zowel de inhoudingsplichtige als degene van wie is ingehouden ter zake van dezelfde omstandigheden beroep in cassatie heeft ingesteld wordt indien uit een uitspraak terzake een teruggaaf voortvloeit die teruggaaf uitsluitend verleend aan degene van wie is ingehouden Artikel 30 1 In afwijking van artikel 8 79 tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt de verstrekking overeenkomstig die bepaling van afschriften of uittreksels aan anderen dan partijen met machtiging van de Hoge Raad 2 Artikel 27g tweede lid is van overeenkomstige toepassing Afdeling 5 Bijzondere bepalingen inzake bezwaar en beroep douane Hoofdstuk VA Heffingsrente en revisierente Artikel 30f 1 Met betrekking tot de inkomstenbelasting de vennootschapsbelasting en de erfbelasting wordt rente heffingsrente berekend ingeval een voorlopige aanslag een aanslag of een navorderingsaanslag wordt vastgesteld De eerste volzin is niet van toepassing met betrekking tot inkomstenbelasting ter zake van te conserveren inkomen als bedoeld in artikel 2 8 tweede lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 uitgezonderd te conserveren inkomen dat is ontstaan door toepassing van artikel 3 58 eerste lid of artikel 3 64 eerste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 De eerste volzin is ook van toepassing met betrekking tot conserverende aanslagen als bedoeld in artikel 37 tweede lid van de Successiewet 1956 2 Met betrekking tot de loonbelasting de omzetbelasting de overdrachtsbelasting de belasting van personenauto s en motorrijwielen de accijns de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak en de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen wordt heffingsrente berekend ingeval a een naheffingsaanslag wordt vastgesteld vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke is aangegeven tenzij die naheffingsaanslag het gevolg is van een vrijwillige verbetering van de aangifte welke wordt gedaan binnen drie maanden na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft b een teruggaaf van belasting plaatsvindt vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting minder beloopt dan die welke is aangegeven Heffingsrente wordt eveneens berekend indien en voor zover de in onderdeel a bedoelde belasting te laat doch voordat een naheffingsaanslag is vastgesteld wordt betaald behoudens ingeval de betaling plaatsvindt binnen drie maanden na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de te laat betaalde belasting betrekking heeft 3 De heffingsrente wordt enkelvoudig berekend a met betrekking tot de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet b met betrekking tot de erfbelasting 1 over het tijdvak dat aanvangt acht maanden na het overlijden of indien verkregen wordt ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde de dag van de vervulling van deze voorwaarde en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet 2 indien het betreft een aanslag als bedoeld in artikel 8 vijfde lid van de Natuurschoonwet 1928 over het tijdvak dat aanvangt op het moment dat zich een van de gevallen bedoeld in artikel 8 eerste lid van de Natuurschoonwet 1928 voordoet en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet c met betrekking tot de loonbelasting 1 indien een naheffingsaanslag wordt opgelegd aan de werknemer de artiest de beroepssporter of het buitenlandse gezelschap dan wel aan hem een teruggaaf wordt verleend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het kalenderjaar waarop de nageheven belasting dan wel de teruggaaf betrekking heeft en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet dan wel op de dag van de dagtekening van het afschrift van de beschikking of van de kennisgeving waaruit van de teruggaaf blijkt 2 in de overige gevallen waarin een naheffingsaanslag wordt opgelegd over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het kalenderjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet 3 in de overige gevallen waarin een teruggaaf wordt verleend over het tijdvak dat aanvangt drie maanden na het einde van het kalenderjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt op de dag van de dagtekening van het afschrift van de uitspraak of de beschikking of van de kennisgeving waaruit van de teruggaaf blijkt d met betrekking tot de omzetbelasting de overdrachtsbelasting de belasting van personenauto s en motorrijwielen de accijns en de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak en de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen 1 indien een naheffingsaanslag wordt opgelegd over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet 2 indien een teruggaaf wordt verleend over het tijdvak dat aanvangt drie maanden na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt op de dag van de dagtekening van het afschrift van de uitspraak of van de kennisgeving waaruit van de teruggaaf blijkt e ingeval het tweede lid tweede volzin van toepassing is over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de te laat betaalde belasting betrekking heeft en eindigt op de dag van betaling 4 Voor de toepassing van dit hoofdstuk geldt als het bedrag van de aanslag het bedrag van de aanslag na de verrekening ingevolge a artikel 15 b de artikelen 3 152 vijfde lid en 4 51 vijfde lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 c artikel 21 derde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 5 Het percentage van de heffingsrente in een kalenderkwartaal is gelijk aan de op de eerste werkdag van de tweede kalendermaand voorafgaande aan dat kwartaal door de Europese Centrale Bank voor basisherfinancieringstransacties toegepaste interestvoet de minimale biedrente dan wel indien dit lager is het naar de gemiddelde koers van die dag door Onze Minister berekende ongewogen gemiddelde effectieve rendement van de laatste drie uitgegeven staatsleningen die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5 26 eerste lid van de Wet op het financieel toezicht is verleend waarbij dit effectieve rendement naar beneden wordt afgerond op een vijfvoud van honderdstenprocenten en vervolgens wordt verminderd met 0 5 procentpunt met dien verstande dat het aldus bepaalde percentage van de heffingsrente vervolgens wordt vermeerderd met 1 50 procentpunt Artikel 30fa 1 Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een voorlopige aanslag tot een negatief bedrag aan te betalen belasting wordt vastgesteld wordt met betrekking tot die aanslag aan de belastingplichtige rente belastingrente vergoed ingeval wordt voldaan aan de volgende voorwaarden a de voorlopige aanslag is overeenkomstig een op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend verzoek of overeenkomstig de ingediende aangifte met betrekking tot het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en b tussen de datum van ontvangst van dat verzoek of die aangifte en de datum van vaststelling van de voorlopige aanslag zijn meer dan 8 weken onderscheidenlijk meer dan 13 weken verstreken 2 De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 8 weken na ontvangst van het verzoek onderscheidenlijk 13 weken na ontvangst van de aangifte doch niet eerder dan 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt 6 weken na de dagtekening van het aanslagbiljet en heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting Artikel 30fb 1 Bij herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting met een positief bedrag tot een voorlopige aanslag met een hoger positief bedrag wordt met betrekking tot het verschil belastingrente in rekening gebracht over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop het verschil invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet 1990 Ingeval de herziening is vastgesteld overeenkomstig een op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend verzoek of overeenkomstig de ingediende aangifte met betrekking tot het tijdvak waarover de belasting wordt geheven eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van de eerste volzin uiterlijk 14 weken na de datum van ontvangst van het verzoek onderscheidenlijk 19 weken na ontvangst van de aangifte 2 Bij herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting met een positief bedrag tot een voorlopige aanslag met een lager positief bedrag wordt zo eerder ter zake van dat positieve bedrag belastingrente in rekening is gebracht die eerder in rekening gebrachte belastingrente voor zover toerekenbaar aan het verschil verminderd Ter zake van het verschil in positieve bedragen wordt belastingrente vergoed ingeval wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 30fa eerste lid welke wordt berekend volgens het tweede lid van dat artikel 3 Bij herziening van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting met een positief

    Original URL path: http://www.belastingcollectief.nl/fiscalisten/wetteksten/algemene-wet/algemene-wet-inzake-rijksbelastingen (2016-01-09)
    Open archived version from archive

  • Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 - Belasting Collectief Nederland
    van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt ter zake van de door hen in die hoedanigheid voor de instelling verrichte werkzaamheden geen andere beloning ontvangen dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet bovenmatig vacatiegeld f de instelling beschikt over een actueel beleidsplan dat inzicht geeft in de door de instelling te verrichten werkzaamheden ter verwezenlijking van haar doelstelling de wijze van werving van inkomsten het beheer van het vermogen van de instelling en de besteding daarvan g de beheerkosten van de instelling in redelijke verhouding staan tot de bestedingen ten behoeve van het doel van de instelling h uit de regelgeving van de instelling blijkt dat bij opheffing van de instelling een batig liquidatiesaldo wordt besteed ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling met een gelijksoortige doelstelling en i de administratie van de instelling zodanig is ingericht dat daaruit duidelijk blijkt 1 de aard en omvang van de aan de afzonderlijke leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt toekomende onkostenvergoedingen en vacatiegelden 2 de aard en omvang van de kosten die door de instelling zijn gemaakt ten behoeve van het beheer van de instelling alsmede de aard en omvang van de andere uitgaven van de instelling 3 de aard en omvang van de inkomsten van de instelling en 4 de aard en omvang van het vermogen van de instelling 2 Een algemeen nut beogende instelling mag ter financiering van haar doelstelling commerciële activiteiten ontplooien indien de inkomsten zijnde het saldo van baten en lasten gerealiseerd met die activiteiten in overeenstemming met artikel 1b binnen een redelijke termijn geheel of nagenoeg geheel ten goede komen aan die doelstelling 3 De beschikking waarbij een instelling wordt aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling kan terugwerken tot en met een voor dagtekening daarvan gelegen datum 4 De inspecteur maakt het aanmerken van een instelling als een algemeen nut beogende instelling op een daartoe geschikte wijze publiek bekend Het niet meer als zodanig aanmerken wordt ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekendgemaakt 5 Onder algemeen nuttige activiteiten worden voor de toepassing van dit artikel verstaan alle activiteiten die erop zijn gericht om de doelstelling van een algemeen nut beogende instelling te verwezenlijken of te bevorderen Activiteiten zijn geen algemeen nuttige activiteiten indien de instelling het geheel van die activiteiten tegen commerciële tarieven verricht 6 Onder commerciële activiteiten worden voor de toepassing van dit artikel verstaan het tegen commerciële tarieven verrichten van werkzaamheden of verlenen van diensten met het oogmerk hiermee ter financiering van de algemeen nuttige activiteiten van de instelling een positief resultaat te behalen Artikel 1b 1 Een algemeen nut beogende instelling houdt niet meer vermogen aan dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van de doelstelling van de instelling 2 Onder vermogen dat nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden begrepen a vermogen of bestanddelen daarvan die krachtens uiterste wilsbeschikking of schenking door de instelling zijn verkregen en die op grond van aan die uiterste wilsbeschikking of schenking verbonden voorwaarden al dan niet in reële termen in stand moeten worden gehouden b vermogensbestanddelen voor zover de instandhouding daarvan voortvloeit uit de doelstelling van die instelling en c activa en voor de voorziene aanschaf van activa aangehouden vermogensbestanddelen voor zover een instelling die activa redelijkerwijs nodig heeft ten behoeve van de doelstelling van de instelling 3 De algemeen nut beogende instelling vermeldt in haar financiële administratie het doel waarvoor het vermogen wordt aangehouden alsmede een motivering voor de omvang van dat vermogen Artikel 1c Als staat als bedoeld in artikel 5b eerste lid onderdeel a onder 3 en onderdeel b van de wet en als bedoeld in artikel 5c onderdeel d van de wet wordt aangewezen elke mogendheid waarmee in de relatie met Nederland voor de heffing van inkomstenbelasting vennootschapsbelasting schenkbelasting en erfbelasting zonder beperkingen of voorbehouden de uitwisseling is geregeld van gegevens inlichtingen en gegevensdragers Artikel 1d 1 Een algemeen nut beogende instelling wordt door de inspecteur aangemerkt als een culturele instelling indien en zolang uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend richt op cultuur 2 De beschikking waarbij een algemeen nut beogende instelling wordt aangemerkt als een culturele instelling kan terugwerken tot en met een voor dagtekening daarvan gelegen datum 3 De inspecteur maakt het aanmerken van een instelling als een culturele instelling op een daartoe geschikte wijze publiek bekend Het niet meer als zodanig aanmerken wordt ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekendgemaakt Artikel 1e 1 Bij een verzoek een categorie instellingen dan wel een groep van met elkaar verbonden instellingen bij één voor bezwaar vatbare beschikking aan te merken als algemeen nut beogende instellingen of als culturele instellingen gemeenschappelijke aanwijzing wordt in het verzoek vermeld op welke instellingen het verzoek betrekking heeft 2 Een instelling waarop een verzoek om een gemeenschappelijke aanwijzing betrekking heeft maar die niet voldoet aan de voorwaarden voor aanmerking als algemeen nut beogende instelling wordt niet in de gemeenschappelijke aanwijzing opgenomen 3 Een beschikking inzake een gemeenschappelijke aanwijzing kan met betrekking tot elk van de aldus aangemerkte instellingen afzonderlijk worden ingetrokken met ingang van het tijdstip waarop die instelling niet meer voldoet aan de voorwaarden Het intrekken van die beschikking kan terugwerken tot en met een voor dagtekening daarvan gelegen datum Artikel 1f 1 Een stichting kwalificeert als een steunstichting SBBI indien en zolang a uit haar statuten en feitelijke werkzaamheden blijkt 1 dat zij is opgericht uitsluitend met het doel om geld in te zamelen ter ondersteuning van een bepaalde sociaal belang behartigende instelling die lid is van een landelijke representatieve koepel op het gebied van sport of muziek 2 dat het ingezamelde geld uitsluitend bestemd is voor een bijzondere investering of uitgave ter gelegenheid van de viering door die instelling van haar 5 jarig bestaan of een veelvoud daarvan 3 de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de onder 2 bedoelde viering 4 dat de leden van het orgaan van de stichting dat het beleid bepaalt ter zake van de door hen in die hoedanigheid voor de stichting verrichte werkzaamheden geen andere beloning ontvangen dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet bovenmatig vacatiegeld 5 dat de stichting het voor de in de onder 2 bedoelde viering ingezamelde geld besteedt in het kalenderjaar van de bedoelde viering het daaraan voorafgaande kalenderjaar of uiterlijk in het kalenderjaar erna 6 dat bij opheffing van de stichting een batig liquidatiesaldo wordt besteed ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling en 7 het kalenderjaar dat zij als steunstichting SBBI wil kwalificeren b de administratie van de stichting zodanig is ingericht dat daaruit blijkt 1 de aard en omvang van de aan de afzonderlijke leden van het orgaan van de stichting dat het beleid bepaalt toekomende onkostenvergoedingen en vacatiegelden en 2 de aard en omvang van de kosten die door de stichting zijn gemaakt ten behoeve van het beheer van de stichting alsmede de aard en omvang van de uitgaven van de stichting ten behoeve van de in onderdeel a onder 2 bedoelde viering 2 Bij de geldinzameling door de stichting wordt duidelijk aangegeven wat het doel is van de inzameling alsmede wat het in het eerste lid onderdeel a onder 7 bedoelde jaar is 3 Per sociaal belang behartigende instelling kan slechts één stichting per viering als bedoeld in het eerste lid onderdeel a onder 2 als steunstichting SBBI kwalificeren 4 De inspecteur maakt het bestaan van een steunstichting SBBI op een daartoe geschikte wijze publiek bekend Hoofdstuk 2 Verzoek om uitnodiging tot het doen van aangifte Artikel 2 1 Met betrekking tot belastingen welke bij wege van aanslag worden geheven is de belastingplichtige die niet binnen zes maanden na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan is uitgenodigd tot het doen van aangifte gehouden de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken 2 In afwijking van het eerste lid is met betrekking tot de erfbelasting de belastingplichtige die niet binnen de in artikel 45 van de Successiewet 1956 bedoelde termijn van acht maanden is uitgenodigd tot het doen van aangifte gehouden de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken 3 In afwijking van het eerste lid is met betrekking tot de schenkbelasting de belastingplichtige begiftigde alsmede de schenker die de belastbare schenking heeft gedaan die niet binnen twee maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de schenking heeft plaatsgevonden is uitgenodigd tot het doen van aangifte gehouden de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken 4 Het verzoek wordt ingediend binnen twee weken na het verstrijken van de in het eerste tweede en derde lid bedoelde tijdvakken 5 Voor de toepassing van het eerste lid wordt een belastingschuld waarvan de grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop dat tijdvak of de belastingplicht eindigt 6 Het eerste lid is niet van toepassing indien over het tijdvak waarover de belasting wordt geheven reeds een aanslag is opgelegd dan wel redelijkerwijs moet worden aangenomen dat over dat tijdvak na verrekening van voorheffingen geen belasting verschuldigd is of geen aanslag zal worden opgelegd Artikel 3 1 Met betrekking tot de belastingen welke op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen is de belastingplichtige onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige die niet reeds is uitgenodigd tot het doen van aangifte gehouden vóór het tijdstip waarop de belasting moet worden betaald de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken 2 Een lichaam als bedoeld in artikel 4 eerste lid onderdeel a van de Wet op belastingen van rechtsverkeer dat weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een verkrijging van aandelen in dat lichaam heeft plaatsgehad onder de in die bepaling genoemde omstandigheden is gehouden vóór het tijdstip waarop de belasting ter zake van die verkrijging moet worden betaald de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken zo het lichaam niet reeds met het oog op die verkrijging is uitgenodigd tot het doen van aangifte 3 Een vereniging als bedoeld in artikel 4 eerste lid onderdeel b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer die voor een bepaald kalenderjaar niet reeds is uitgenodigd tot het doen van aangifte is gehouden binnen veertien dagen na afloop daarvan de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken Artikel 4 De in de artikelen 2 en 3 omschreven verplichtingen gelden mede voor de in de artikelen 43 en 44 van de wet bedoelde personen Hoofdstuk 3 Uitnodiging tot het doen van aangifte Artikel 4a 1 Het uitnodigen tot het doen van aangifte geschiedt door het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waaruit blijkt de wijze van het doen van aangifte een omschrijving van de gevraagde gegevens of bescheiden en de termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan 2 Indien de aangifte ingevolge artikel 20 langs elektronische weg wordt gedaan kan de aangiftebrief langs elektronische weg verzonden worden Hoofdstuk 4 Het doen van aangifte en melding Artikel 20 1 Aangifte wordt gedaan door het op de in de aangiftebrief bedoeld in artikel 4a aangegeven wijze inleveren of toezenden van de gevraagde gegevens of bescheiden 2 Aangifte door een administratieplichtige als bedoeld in artikel 52 tweede lid van de wet wordt langs elektronische weg gedaan indien het betreft a de inkomstenbelasting ingeval de administratieplichtige bedoeld in artikel 52 tweede lid onderdeel b van de wet binnenlands belastingplichtige is b de vennootschapsbelasting ingeval de administratieplichtige binnenlands belastingplichtige is c de omzetbelasting ingeval de administratieplichtige of diens fiscale vertegenwoordiger als bedoeld in de Wet op de omzetbelasting 1968 in Nederland woont of is gevestigd d de loonbelasting e de accijns f de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten g de verpakkingenbelasting 3 De in het tweede lid bedoelde verplichting geldt niet indien de inspecteur een papieren aangiftebiljet uitreikt De inspecteur kan een papieren aangiftebiljet uitreiken indien de aangifte betrekking heeft op een gedeelte van een tijdvak 4 Het tweede lid is niet van toepassing met betrekking tot pseudo eindheffing als bedoeld in artikel 32bb en artikel 32bc van de Wet op de loonbelasting 1964 Artikel 21 1 Met betrekking tot de erfbelasting en de schenkbelasting verleent de inspecteur ontheffing van de verplichting de in de uitnodiging tot het doen van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan in te leveren of toe te zenden indien a de belastingplichtige binnen de voor het doen van aangifte gestelde termijn op een andere wijze de in de uitnodiging tot het doen van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan verstrekt b de belastingplichtige het stuk dat deze gegevens bevat duidelijk stellig en zonder voorbehoud opstelt en ondertekent 2 De belastingplichtige is niet gehouden tot de verplichting bedoeld in artikel 2 tweede en derde lid indien hij binnen de aldaar gestelde termijnen heeft voldaan aan de in het eerste lid onderdelen a en b gestelde voorwaarden Artikel 21a 1 Met betrekking tot de overdrachtsbelasting ter zake van een verkrijging van andere goederen dan bedoeld in artikel 4 eerste lid onderdeel a van de Wet op belastingen van rechtsverkeer waarvan een notariële akte is opgemaakt wordt aangifte gedaan door het aanbieden van die akte ter registratie Het verschuldigde bedrag aan overdrachtsbelasting wordt vermeld in een aan de voet van de akte gestelde door de verkrijger of namens deze door de notaris ondertekende verklaring In die verklaring wordt tevens vermeld of in verband met de verkrijging van de onroerende zaak of zaken tevens een of meer roerende zaken zijn verkregen Indien dat het geval is wordt in de verklaring voorts vermeld welke roerende zaak of zaken het betreft voor welk bedrag deze werd of werden verkregen en of dat bedrag is begrepen in de in de akte vermelde tegenprestatie voor de onroerende zaak of zaken Voorzover overigens in de akte niet alle gegevens voorkomen waarvan kennisneming van belang kan zijn voor de heffing van de overdrachtsbelasting worden deze eveneens opgenomen in de verklaring 2 Voorzover de gegevens bedoeld in de vierde volzin van het eerste lid zijn opgenomen in het lichaam van de akte of in een aan de akte gehechte en door de verkrijger ondertekende bijlage kan in de verklaring worden volstaan met een verwijzing naar die gegevens 3 De aangifte bedoeld in het eerste lid kan worden gedaan door een afschrift van de aldaar bedoelde akte vergezeld van het daartoe door de Belastingdienst beschikbaar gestelde voorblad langs elektronische weg ter registratie aan te bieden Dit voorblad treedt dan in de plaats van de in het eerste lid bedoelde verklaring Artikel 21b Aan de verplichting bedoeld in artikel 54 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer wordt voldaan door het duidelijk stellig en zonder voorbehoud invullen ondertekenen en inleveren of toezenden van het door de inspecteur uitgereikte of toegezonden meldingsbiljet Artikel 21c De aangifte bedoeld in artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965 wordt gedaan binnen drie jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de opbrengst ter beschikking is gesteld Artikel 22 Van de verplichting de in de uitnodiging tot het doen van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan in te leveren of toe te zenden kan de inspecteur ontheffing verlenen ingeval degene die is uitgenodigd tot het doen van aangifte op een binnen de door de inspecteur ingevolge artikel 9 eerste tot en met derde lid van de wet gestelde termijn ingediend verzoek opnieuw is uitgenodigd tot het doen van aangifte Hoofdstuk 5 Voorlopige aanslag Artikel 23 1 De inspecteur legt een voorlopige aanslag op indien het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen zulks naar zijn mening rechtvaardigt 2 De bepaling van het bedrag waarop een voorlopige aanslag die wordt vastgesteld in het tijdvak waarover de belasting wordt geheven dan wel na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan kan geschieden a voor de inkomstenbelasting op grond van de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslag over het meest recente kalenderjaar b voor de vennootschapsbelasting op grond van het gemiddelde dat voortvloeit uit de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslag over elk van de twee voorafgaande jaren met dien verstande dat daarbij op benaderende wijze rekening kan worden gehouden met wijzigingen in de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van de belasting alsmede met andere wijzigingen die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld na verrekening van voorheffingen lager is dan het op de voet van de vorige volzin berekende bedrag wordt de voorlopige aanslag gesteld op dit lagere bedrag 3 De voorlopige aanslag van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt over het jaar waarin het voegingstijdstip valt alsmede die over het daaropvolgende jaar vastgesteld alsof de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij gedurende de twee voorafgaande jaren reeds verenigd waren Artikel 24 Indien een voorlopige aanslag inkomstenbelasting is of zal worden vastgesteld en een relevante wijziging optreedt in de omstandigheden die van belang zijn voor de opgelegde of op te leggen voorlopige aanslag doet de belastingplichtige daarvan zo spoedig mogelijk op de door de inspecteur aangewezen wijze mededeling aan de inspecteur Deze mededeling wordt geacht een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 9 5 eerste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 te zijn Artikel 24a Een verzoek tot vaststelling van een voorlopige aanslag voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting alsmede een verzoek tot herziening als bedoeld in artikel 9 5 eerste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 onderscheidenlijk artikel 27 tweede lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 van een dergelijke voorlopige aanslag wordt op de door de inspecteur aangegeven wijze langs elektronische weg gedaan ingeval het verzoek wordt gedaan door een administratieplichtige als bedoeld in artikel 52 tweede lid van de wet die binnenlands belastingplichtige is Hoofdstuk 6 Tijdvak Artikel 25 1 Het tijdvak waarover de omzetbelasting de belasting van personenauto s en motorrijwielen de assurantiebelasting en de vliegbelasting moeten worden betaald is het kalenderkwartaal of indien de inspecteur zulks vordert dan wel de belastingplichtige over een kalendermaand aangifte doet de kalendermaand 2 Ten aanzien van de belastingplichtige met een boekjaar van twaalf maanden dat niet samenvalt met het kalenderjaar treden de boekjaarkwartalen en de boekjaarmaanden in de plaats van de kalenderkwartalen onderscheidenlijk de kalendermaanden 3 In bijzondere gevallen kan de inspecteur een ander tijdvak dan een kwartaal of een maand aanwijzen als tijdvak waarover de in het eerste lid bedoelde belastingen moeten worden betaald 4 Het tijdvak waarover de in het eerste lid bedoelde belastingen moeten worden betaald wordt ten aanzien van degene die op enig tijdstip anders dan tijdelijk ophoudt belastingplichtige te zijn vervangen door het op dat tijdstip verstreken gedeelte van dat tijdvak Artikel 26 1 Het tijdvak waarover de accijnzen de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak de kansspelbelasting geheven van degene die gelegenheid geeft tot deelneming aan binnenlandse casinospelen of aan binnenlandse kansspelen welke via het internet worden gespeeld of van de exploitant van een kansspelautomatenspel de belastingen op grondwater op leidingwater op afvalstoffen en op kolen alsmede de energiebelasting moeten worden betaald is de kalendermaand 2 Ten aanzien van de belastingplichtige met een boekjaar van twaalf maanden dat niet samenvalt met het kalenderjaar treden de boekjaarmaanden in de plaats van de kalendermaanden 3 In bijzondere gevallen kan de inspecteur een ander tijdvak dan de kalendermaand aanwijzen als tijdvak waarover de in het eerste lid bedoelde belastingen moeten worden betaald 4 Het tijdvak waarover de in het eerste lid bedoelde belastingen moeten worden betaald wordt ten aanzien van degene die op enig tijdstip anders dan tijdelijk ophoudt belastingplichtige te zijn vervangen door het op dat tijdstip verstreken gedeelte van dat tijdvak Artikel 27 1 Het tijdvak waarover de verpakkingenbelasting moet worden betaald is het kalenderjaar 2 De ondernemer die over enig kalenderjaar verpakkingenbelasting moet betalen doet uiterlijk aan het einde van het eerste het tweede het derde en het vierde kwartaal van dat jaar een voorlopige betaling Deze betaling bedraagt 25 van de verpakkingenbelasting die over het voorafgaande kalenderjaar verschuldigd zou zijn op basis van het tarief dat geldt voor het kalenderjaar waarin de voorlopige betalingen moeten worden gedaan 3 De ondernemer die voor het eerst over een kalenderjaar verpakkingenbelasting moet betalen doet uiterlijk aan het einde van ieder resterend kwartaal van dat jaar een voorlopige betaling Deze betaling bedraagt in afwijking van het bepaalde in het tweede lid een evenredig deel van het geschatte bedrag van de over dat jaar verschuldigde verpakkingenbelasting Het evenredig deel wordt bepaald door 1 te delen door het aantal nog resterende kwartalen van het kalenderjaar Hierbij wordt een gedeelte van een resterend kwartaal aangemerkt als een vol kwartaal 4 Voor de ondernemer die in het voorafgaande kalenderjaar voor het eerst verpakkingenbelasting moest betalen bedraagt de voorlopige betaling in afwijking van het bepaalde in het tweede lid 25 van de verpakkingenbelasting die over het voorafgaande kalenderjaar verschuldigd zou zijn op basis van de fictie dat de ondernemer in het voorafgaande kalenderjaar gedurende het volle kalenderjaar belastingplichtig was voor de verpakkingenbelasting en op basis van het tarief dat geldt voor het kalenderjaar waarin de voorlopige betalingen moeten worden gedaan 5 De inspecteur kan toestemming geven voorlopige betalingen te doen ter grootte van een ander bedrag Artikel 28 1 Het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald is de kalendermaand of periode van vier aaneengesloten weken De inspecteur deelt aan de inhoudingsplichtige mee welk tijdvak voor hem in een kalenderjaar van toepassing is 2 Bij een tijdvak van vier aaneengesloten weken vangt het eerste tijdvak van het kalenderjaar aan op de maandag voorafgaande aan de eerste donderdag van het kalenderjaar 3 Bij een tijdvak van vier aaneengesloten weken bevat het kalenderjaar maximaal 13 tijdvakken 4 Bij een tijdvak van vier aaneengesloten weken geldt in zoverre in afwijking van het tweede lid dat a ingeval het eerste tijdvak van het kalenderjaar aanvangt na 1 januari van het kalenderjaar de periode vanaf 1 januari tot de aanvang van het eerste tijdvak wordt toegevoegd aan dat eerste tijdvak b ingeval het laatste tijdvak van het kalenderjaar eindigt voor 31 december van het kalenderjaar de periode na het einde van het laatste tijdvak tot en met 31 december van het kalenderjaar wordt toegevoegd aan dat laatste tijdvak c ingeval het eerste tijdvak van het kalenderjaar aanvangt in het vorige kalenderjaar de periode tot en met 31 december van het vorige kalenderjaar wordt toegevoegd aan het laatste tijdvak van het vorige kalenderjaar d ingeval het laatste tijdvak van het kalenderjaar eindigt in het volgende kalenderjaar de periode vanaf 1 januari van het volgende kalenderjaar wordt toegevoegd aan het eerste tijdvak van het volgende kalenderjaar 5 Het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald wordt ten aanzien van degene die op enig tijdstip anders dan tijdelijk ophoudt inhoudingsplichtige te zijn vervangen door het op dat tijdstip verstreken gedeelte van dat tijdvak Artikel 29 In afwijking van artikel 28 eerste lid is het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald a voor de zelfstandige binnenschipper die woonplaats heeft gekozen ingevolge artikel 1 eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964 het kalenderhalfjaar tenzij de inspecteur vordert dat artikel 28 ten aanzien van deze binnenschipper van toepassing is b voor de natuurlijke persoon ter zake van de loonbelasting van de werknemer die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van diens huishouden daaronder begrepen het verlenen van zorg aan de leden van dat huishouden het kalenderjaar c voor de ouder ter zake van de loonbelasting van zijn in zijn onderneming werkzame kinderen voorzover de belasting is geheven door inhouding volgens artikel 27 zesde lid van de Wet op de loonbelasting 1964 het kalenderjaar d voor de natuurlijke persoon ter zake van de loonbelasting van de werknemer die uitsluitend diensten verricht in het kader van voorzieningen als bedoeld in artikel 35 tweede lid onderdelen b en d van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen het kalenderjaar Hoofdstuk 7 Uitstel van betaling Artikel 30 1 De inspecteur verleent op verzoek van de belastingplichtige onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige uitstel van betaling van loonbelasting of omzetbelasting over een tijdvak indien met betrekking tot dat tijdvak dan wel een tijdvak dat is geëindigd vóór of tegelijk met dat tijdvak door die belastingplichtige onderscheidenlijk die inhoudingsplichtige een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting is gedaan vanwege het feit dat de verschuldigde omzetbelasting minder beloopt dan de voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting Ingeval loonbelasting moet worden betaald over een tijdvak van vier weken dat niet aan het einde van een kalendermaand eindigt wordt voor de toepassing van de eerste volzin a dat tijdvak geacht te zijn geëindigd aan het einde van de kalendermaand waarin het tijdvak is geëindigd b het twaalfde tijdvak van het kalenderjaar in afwijking van onderdeel a geacht te zijn geëindigd aan het einde van het kalenderjaar 2 Uitstel wordt slechts verleend tot het beloop van de teruggaaf omzetbelasting 3 Uitstel wordt niet verleend indien a de aangifte waarvan uitstel wordt verzocht niet tijdig is gedaan b het verzoek niet uiterlijk gelijktijdig met de in onderdeel a bedoelde aangifte is gedaan c het verzoek niet mede bevat een machtiging aan de ontvanger om de teruggaaf omzetbelasting aan te wenden voor de betaling op de aangifte waarvan uitstel wordt verzocht of d de teruggaaf omzetbelasting op de voet van artikel 24 van de Invorderingswet 1990 kan worden verrekend met onherroepelijk vaststaande belastingaanslagen 4 Indien degene die het verzoek om uitstel doet een dochtermaatschappij onderscheidenlijk een moedermaatschappij is met betrekking tot welke vennootschapsbelasting wordt geheven met toepassing van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is het eerste lid eveneens van toepassing indien het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting is gedaan door de moedermaatschappij dan wel door een andere dochtermaatschappij die voor de heffing van vennootschapsbelasting in deze is opgegaan onderscheidenlijk door een dochtermaatschappij Hoofdstuk 7a Basisregistratie inkomen Artikel 30a De inspecteur bepaalt zo spoedig mogelijk doch binnen vijf werkdagen na de ontvangst van een terugmelding als bedoeld in artikel 21d eerste lid onderdeel a van de wet of het ontstaan van een situatie als bedoeld in artikel 21d eerste lid onderdeel d van de wet of de aantekening in onderzoek al dan niet wordt geplaatst Artikel 30b De inspecteur vermindert ambtshalve een inkomensgegeven dat op een te hoog bedrag is bepaald zodra hem dat is gebleken tenzij a vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop het inkomensgegeven betrekking heeft b de onjuistheid van het inkomensgegeven voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat de met het inkomensgegeven samenhangende inkomstenbelasting of loonbelastingschuld onherroepelijk vast is komen te staan tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald c de onjuistheid van het inkomensgegeven voortvloeit uit beleidsregels van de Minister van Financiën die eerst zijn uitgevaardigd nadat de met het inkomensgegeven samenhangende inkomstenbelasting of loonbelastingschuld onherroepelijk vast is komen te staan tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald d de onjuistheid van het inkomensgegeven voortvloeit uit de omstandigheid dat eerst nadat de met het inkomensgegeven samenhangende inkomstenbelasting of loonbelastingschuld onherroepelijk vast is komen te staan een beroep wordt gedaan op een fiscale faciliteit waarop een beroep moet worden gedaan bij de aangifte of op een ander wettelijk voorgeschreven moment of e sprake is van enig feit waardoor het inkomensgegeven op een te hoog bedrag is bepaald en enig ander inkomensgegeven al dan niet van dezelfde betrokkene ter zake van datzelfde feit op een te laag bedrag is bepaald met dien verstande dat in dat geval wel ambtshalve vermindering plaatsvindt voor zover de met het laatstgenoemde inkomensgegeven samenhangende inkomstenbelasting of loonbelasting is of kan worden geheven Hoofdstuk 8 Heffingsrente Artikel 31 1 Bij de bepaling van het aantal dagen waarover ingevolge hoofdstuk VA van de wet heffingsrente wordt berekend wordt een volle kalendermaand gesteld op 30 dagen met uitzondering van de maand op de laatste dag waarvan het tijdvak waarover de rente wordt berekend eindigt in welk geval het werkelijke aantal dagen in aanmerking wordt genomen 2 Het bedrag van de in rekening te brengen heffingsrente wordt naar beneden afgerond op gehele euro s 3 Het bedrag van de te vergoeden heffingsrente wordt naar boven afgerond op gehele euro s Hoofdstuk 8a Voorkoming van dubbele belasting eenzijdige regeling Artikel 31a Voor de toepassing van artikel 38 tweede lid van de wet worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen IJsland Noorwegen en Liechtenstein Hoofdstuk 9 Vrijstellingen Artikel 32 1 Een op grond van artikel 39 van de wet te verlenen vrijstelling wordt a voorwaardelijk verleend b voor goederen of diensten verleend voor redelijke hoeveelheden De inspecteur kan nadere voorwaarden en beperkingen stellen 2 Een in het eerste lid bedoelde vrijstelling vervalt wanneer niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden die voor de vrijstelling gelden Aan de voorwaarden die voor een vrijstelling gelden wordt in ieder geval niet voldaan wanneer een goed of de nutswaarde van een dienst ten aanzien waarvan vrijstelling is verleend geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt door of ten goede komt aan een ander dan degene ten behoeve van wie de vrijstelling is verleend Indien een instelling of persoon niet langer aanspraak heeft op een in het eerste lid bedoelde vrijstelling vervalt de vrijstelling voor in het verleden met vrijstelling aangeschafte goederen en diensten voorzover het goed of het nut van de dienst geacht kan worden nog niet volledig te zijn verbruikt 3 Wanneer een in het eerste lid bedoelde vrijstelling vervalt is de belasting waarvan vrijstelling is verleend verschuldigd door degene ten behoeve van wie de vrijstelling is verleend De instelling of persoon wordt terzake aangemerkt als belastingplichtige De verschuldigde belasting wordt berekend naar het tarief en voorzover van toepassing de dagwaarde van het goed of de resterende nutswaarde van de dienst ten aanzien waarvan vrijstelling is verleend op het moment dat de vrijstelling vervalt Ingeval van oneigenlijk gebruik van een vrijstelling wordt de verschuldigde belasting vastgesteld op ten minste het bedrag waarvan vrijstelling werd verleend 4 Een in het eerste lid bedoelde vrijstelling van omzetbelasting wordt verleend in de vorm van teruggaaf van betaalde belasting Ingeval evenwel een prestatie wordt verricht aan een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging een internationale organisatie buitenlandse NAVO strijdkrachten of een militaire begraafplaats kan de ondernemer die de prestatie verricht afzien van het in rekening brengen van omzetbelasting indien de instelling tijdig aan de ondernemer een geldige verklaring van de inspecteur ter beschikking stelt waaruit blijkt dat geen belasting in rekening hoeft te worden gebracht Op verzoek van de in de tweede volzin bedoelde instelling geeft de inspecteur deze verklaring af indien naar zijn oordeel aanspraak bestaat op vrijstelling van omzetbelasting en de vergoeding ten minste 35 000 bedraagt 5 De in het eerste lid bedoelde vrijstellingen van omzetbelasting en accijns met betrekking tot motorbrandstoffen bestemd voor officieel gebruik door een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging of een internationale organisatie of bestemd voor persoonlijk gebruik door een lid of personeelslid van een dergelijke instelling worden slechts verleend indien voor het motorrijtuig een CD kenteken is afgegeven dan wel een BN GN kenteken in de serie 70 00 tot en met 88 99 De vrijstellingen wordt verleend in de vorm van teruggaaf van betaalde belasting 6 Met inachtneming van hetgeen is bepaald in het eerste tweede en derde lid wordt in gevallen waarin op grond van artikel 39 van de wet aanspraak bestaat op vrijstelling van belastingen bij invoer van een motorrijtuig mede een vrijstelling verleend van omzetbelasting bij levering dan wel intracommunautaire verwerving van een motorrijtuig De voorwaarden en beperkingen van de desbetreffende vrijstelling van belastingen bij invoer zijn van overeenkomstige toepassing 7 Voor de in het vijfde lid bedoelde instellingen en personen zijn ter zake van een in het eerste lid bedoelde vrijstelling van omzetbelasting met betrekking tot motorbrandstoffen vrijstelling van accijns en vrijstelling van belasting van personenauto s en motorrijwielen de voorwaarden van de artikelen 7 8 tot en met 7 14 van de Algemene douaneregeling van overeenkomstige toepassing Artikel 32a 1 In gevallen waarin op grond van artikel 39 van de wet een vrijstelling wordt verleend van omzetbelasting geheven ter zake van de levering van aardgas of elektriciteit bestemd voor officieel gebruik door een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging een internationale organisatie buitenlandse NAVO strijdkrachten of een militaire begraafplaats wordt mede een vrijstelling verleend van energiebelasting 2 De vrijstelling van energiebelasting wordt gerealiseerd door teruggaaf van in rekening gebrachte en betaalde belasting De vrijstelling kan evenwel direct worden gerealiseerd ten aanzien van de NAVO buitenlandse NAVO strijdkrachten en militaire begraafplaatsen indien de inspecteur aan degene die de levering verricht een vergunning heeft afgegeven om ter zake van die levering geen belasting in rekening te brengen 3 Een verzoek om teruggaaf van energiebelasting wordt ingediend binnen dertien weken nadat de eindafrekening van het energiedistributiebedrijf is verzonden Bij het verzoek om teruggaaf wordt de eindfactuur van het energiedistributiebedrijf overgelegd Deze factuur wordt bij de beschikking op het verzoek om teruggaaf teruggezonden Artikel 91 van de Wet belastingen op milieugrondslag is van overeenkomstige toepassing Artikel 32b 1 In gevallen waarin op grond van artikel 39 van de wet een vrijstelling wordt verleend van omzetbelasting geheven ter zake van de levering van water bestemd voor officieel gebruik door een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging een internationale organisatie buitenlandse NAVO strijdkrachten of een militaire begraafplaats wordt mede een vrijstelling verleend van belasting op leidingwater 2 De vrijstelling van belasting op leidingwater wordt gerealiseerd door teruggaaf van in rekening gebrachte en betaalde belasting De vrijstelling kan evenwel direct worden gerealiseerd ten aanzien van de NAVO buitenlandse NAVO strijdkrachten en militaire begraafplaatsen indien de inspecteur aan degene die de levering verricht een vergunning heeft afgegeven om ter zake van die levering geen belasting in rekening te brengen 3 Een verzoek om teruggaaf van belasting op leidingwater wordt ingediend binnen dertien weken nadat de eindafrekening van het waterleidingbedrijf of van de afzonderlijke watervoorziening is verzonden Bij het verzoek om teruggaaf wordt de eindfactuur van het waterleidingbedrijf of van de afzonderlijke watervoorziening overgelegd Deze factuur wordt bij de beschikking op het verzoek om teruggaaf teruggezonden Artikel 91 van de Wet belastingen op milieugrondslag is van overeenkomstige toepassing Artikel 33 1 Van de belastingen genoemd in het derde lid van dit artikel zijn met inachtneming van hetgeen is bepaald in de artikelen 34 36 37 en 38 vrijgesteld de leden van diplomatieke vertegenwoordigingen en met uitzondering van honoraire consuls de leden van consulaire vertegenwoordigingen van andere Mogendheden mits zij a geen Nederlander zijn en b niet duurzaam verblijf houden in Nederland De vrijstellingen bedoeld in het derde lid onderdelen c d e en f worden ten aanzien van leden van het administratief technisch en bedienend personeel slechts verleend indien sinds de aanvang van de tewerkstelling in Nederland ten hoogste tien jaren zijn verstreken 2 De vrijstelling voor de in het eerste lid bedoelde personen vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de bij hen inwonende gezinsleden en onder voorwaarde van wederkerigheid de bij hen in dienstbetrekking staande particuliere bedienden mits zij a geen Nederlander zijn en b niet duurzaam verblijf houden in Nederland 3 De in dit artikel bedoelde vrijstelling vindt toepassing met betrekking tot a de inkomstenbelasting b de loonbelasting c de omzetbelasting d de motorrijtuigenbelasting e de belasting van personenauto s en motorrijwielen f de kansspelbelasting 4 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de functionarissen van internationale organisaties die ingevolge artikel 39 van de wet in aanmerking komen voor de vrijstellingen zoals die worden verleend aan leden van diplomatieke vertegenwoordigingen Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de inwonende gezinsleden van functionarissen van internationale organisaties die ingevolge artikel 39 van de wet in aanmerking komen voor de fiscale vrijstellingen zoals die worden verleend aan de inwonende gezinsleden van leden van diplomatieke vertegenwoordigingen 5 De vrijstelling van omzetbelasting wordt slechts verleend onder voorwaarde van wederkerigheid ten aanzien van functionarissen van internationale organisaties die ingevolge artikel 39

    Original URL path: http://www.belastingcollectief.nl/fiscalisten/wetteksten/algemene-wet/uitvoeringsregeling-algemene-wet-inzake-rijksbelastingen-1994 (2016-01-09)
    Open archived version from archive

  • Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst - Belasting Collectief Nederland
    als een door belanghebbende ingenomen standpunt gelet op de stand van de jurisprudentie en de heersende leer in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is dat belanghebbende redelijkerwijs kan menen juist te handelen Is er sprake van een pleitbaar standpunt dan kan de belanghebbende er geen verwijt van worden gemaakt dat er aanvankelijk geen of te weinig belasting is geheven Een pleitbaar standpunt sluit het opleggen van zowel een verzuimboete als een vergrijpboete uit 5 Vrijwillige verbetering 1 Van een vrijwillige verbetering is sprake als belanghebbende vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend is of zal worden met dat feit uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de inspecteur dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald 2 Van uitdrukkelijk kenbaar maken is sprake indien belanghebbende een afzonderlijke opgave verstrekt die de inspecteur in staat stelt om zonder nader onderzoek een juiste belastingaanslag op te leggen 3 Het bewijs dat er geen sprake is van een vrijwillige verbetering dient te worden geleverd door de inspecteur aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden 4 Belanghebbende kan bijvoorbeeld niet meer vrijwillig verbeteren nadat hem is medegedeeld dat een boekenonderzoek zal worden ingesteld 5 Voor de verzuimboete en vrijwillige verbetering zie 24a 6 Uitsluitend de vrijwillige verbetering voor de vergrijpboete bij aanslagbelastingen heeft een wettelijke basis artikel 67n AWR de inkeerregeling De vrijwillige verbetering voor vergrijpboeten bij aangiftebelastingen als ook de aangiftebelastingen is beleidsmatig in 25 geregeld 6 Straftoemeting 1 Bij het opleggen van een boete gaat de inspecteur uit van de percentages of bedragen vermeld in dit besluit Het opleggen van een boete is een vorm van straftoemeting Daarom houdt de inspecteur rekening met omstandigheden die aanleiding geven tot een hogere of een lagere boete dan op grond van de percentages of bedragen van dit besluit kan worden opgelegd Deze omstandigheden zie 7 en 8 vormen het sluitstuk van de behoorlijke straftoemeting bij bestuurlijke boeten Gelet hierop is de inspecteur bij de uiteindelijke vaststelling van de hoogte van de boete dus niet gebonden aan vaste bedragen of percentages De op grond van 21 tot en met 36 bepaalde hoogte van de boete kan zowel met een bepaald bedrag als met een bepaald percentage verlaagd of verhoogd worden De boete kan echter nooit meer bedragen dan het wettelijk maximum 2 Bij het in aanmerking nemen van individuele omstandigheden vindt een afweging plaats tussen zowel strafverminderende feiten en omstandigheden als strafverzwarende feiten en omstandigheden Het resultaat van de afweging zal moeten leiden tot een boete die passend is te achten bij de geconstateerde beboetbare gedraging 3 Bij de meeste verzuimboeten zal vanwege de wijze van oplegging individueel getinte straftoemeting eerst in bezwaar aan de orde kunnen komen 4 Voor de mogelijke verminderingen van de boete als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn verwijs ik naar de nadere regels die de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 19 december 2008 nr 42763 5 De stelplicht en bewijslast van strafverzwarende factoren rust op de inspecteur de stelplicht en bewijslast van strafverminderende factoren op belanghebbende Indien de inspecteur op de hoogte is van bijzondere omstandigheden zal hij bij het opleggen van de boete daarmee rekening houden De inspecteur hoeft niet ambtshalve te onderzoeken of van strafverminderende factoren sprake is 6 Gedragingen van belanghebbende na het begaan van het beboetbare feit kunnen ook bij de straftoemeting worden betrokken 7 Strafverminderende omstandigheden 1 Tot de omstandigheden welke aanleiding kunnen geven de op te leggen of opgelegde boete te matigen behoren a een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de op grond van dit besluit op te leggen of opgelegde boete b verzachtende omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare feit 2 Er is sprake van een strafverminderende omstandigheid wanneer een belastingplichtige tot inkeer komt en er twee jaren of meer zijn verstreken na het beboetbare feit artikel 67n tweede lid van de AWR De vergrijpboete kan in zo n geval worden gematigd tot 10 procent van het wettelijk maximum 300 procent indien een vergrijpboete wordt opgelegd op grond van artikel 67d vijfde lid of artikel 67e zesde lid van de AWR 10 procent van 300 procent is 30 procent In overige gevallen kan de vergrijpboete worden gematigd tot 30 procent van het wettelijk maximum Dit lid heeft alleen betrekking op aanslagbelastingen 3 Bij wanverhouding gaat het om het antwoord op de vraag hoe ernstig de normschending in het concrete geval moet worden opgevat De afweging moet leiden tot een sanctie die proportioneel is dat wil zeggen in evenredigheid staat tot de ernst van het feit Indien de inspecteur zelf tot de gevolgtrekking komt dat van een wanverhouding sprake is vermindert hij de boete op eigen initiatief a De absolute hoogte van de boete vormt op zichzelf geen aanleiding om de boete te matigen 4 Bij verzachtende omstandigheden ligt de nadruk op buiten de directe invloedssfeer van belanghebbende liggende gebeurtenissen Voor de beoordeling of die omstandigheden tot matiging van de boete aanleiding kunnen geven kan het van belang zijn of dan wel in hoeverre belanghebbende maatregelen heeft getroffen of had kunnen treffen om het verzuim of vergrijp te voorkomen 5 Tot de omstandigheden die aanleiding kunnen geven de op te leggen of opgelegde boete te matigen behoren ook de financiële omstandigheden van de belanghebbende 6 Een beroep op financiële omstandigheden kan slechts in bijzondere gevallen tot matiging dan wel vermindering van de boete leiden De inspecteur dient dus bij het hanteren van deze matigingsgrond kritisch te zijn 7 Slechte financiële omstandigheden ten tijde van het opleggen van de boete kunnen ertoe leiden dat de boete belanghebbende onevenredig treft 8 Slechte financiële omstandigheden ten tijde van de verweten gedraging kunnen de verwijtbaarheid daarvan verminderen 9 Geen vermindering wegens financiële omstandigheden zal worden verleend indien belanghebbende deze aan zichzelf te wijten heeft 10 Bij vermindering wegens financiële omstandigheden kan het zakelijke karakter van de belasting een rol spelen Zo zal er niet snel reden zijn de boete te verminderen bij niet of niet binnen de termijn afgedragen loonbelasting of bij niet of niet binnen de termijn voldane omzetbelasting 8 Strafverzwarende omstandigheden 1 In bijzondere gevallen kan de op grond van 25 tot en met 28 bepaalde vergrijpboete worden verhoogd Het verhogen van een verzuimboete op grond van deze paragraaf is niet toegestaan 2 In daarvoor in aanmerking komende gevallen moet rekening worden gehouden met recidive Van recidive is sprake indien aan belanghebbende voor hetzelfde belastingmiddel reeds eerder een vergrijpboete of een straf is opgelegd 3 Bij recidive kan de vergrijpboete bij grove schuld maximaal worden verdubbeld tot 50 procent Een vergrijpboete op grond van artikel 67e zesde lid van de AWR kan bij recidive in geval van grove schuld maximaal worden verdubbeld tot 150 procent 4 Bij recidive kan de vergrijpboete bij opzet maximaal worden verdubbeld tot 100 procent Een vergrijpboete op grond van artikel 67d vijfde lid of artikel 67e zesde lid van de AWR kan bij recidive in geval van opzet maximaal worden verdubbeld tot 300 procent 5 Met een straf wordt gelijkgesteld het vervallen van het recht tot strafvordering ingevolge artikel 76 van de AWR op grond van artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht hierna WvSr of op grond van artikel 37 van de Wet op de economische delicten hierna WED 6 Verhoging van de boete wegens recidive vindt uitsluitend plaats indien in de periode van vijf jaren voorafgaand aan de door de inspecteur op te leggen vergrijpboete reeds eerder een vergrijpboete is opgelegd een transactie is voldaan dan wel strafoplegging heeft plaatsgevonden 7 Vervalt de eerdere vergrijpboete naderhand wegens het ontbreken van opzet dan wel grove schuld dan wordt de toegepaste verhoging van de vergrijpboete op de voet van het eerste lid ambtshalve gecorrigeerd 8 De ernst van de te beboeten gedraging kan aanleiding geven de op de voet van dit besluit op te leggen vergrijpboete te verhogen tot het wettelijk maximum Hiertoe is in elk geval aanleiding indien sprake is van listigheid valsheid of samenspanning Indien het gevolg van het te beboeten gedrag is dat de belasting die te weinig is of zou zijn geheven dan wel betaald verhoudingsgewijs omvangrijk is kan de inspecteur de vergrijpboete eveneens tot het wettelijk maximum verhogen 9 Buiten de voorgaande leden kan er aanleiding zijn een vergrijpboete te verhogen dan wel een vermindering van een vergrijpboete te beperken of na te laten op grond van de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende of de wijze waarop dan wel de omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden 9 Dag van betaling 1 Voor de betalingen wordt aangesloten bij het civielrechtelijke uitgangspunt dat een betaling geacht wordt te hebben plaatsgevonden op het tijdstip waarop het verschuldigde bedrag op de rekening van de crediteur is bijgeschreven 2 Voor de toepassing van dit besluit geldt als dag van betaling bij betalingen per bank de datum van bijschrijving op de rekening van de Belastingdienst bij betaling op het postkantoor hetzij door middel van storting van contant geld hetzij met een pinpas de eerste werkdag volgend op de dag van de storting of pintransactie bij rechtstreekse betaling aan de Belastingdienst door middel van pin en creditcardtransacties bij de Belastingdienst Douane de dag van de pin of creditcardtransactie 3 De huisbankier van de Belastingdienst heeft één werkdag nodig om het op het postkantoor gestorte contante geld op de rekening van de Belastingdienst bij te schrijven 4 Bij de Belastingdienst Douane kan uitsluitend ter zake van enkele niet fiscale douanetaken betaald worden door middel van pin en creditcardtransacties 10 Eenvoudige en uitvoerige procedure 1 In afdeling 5 4 2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn twee procedures neergelegd de lichte procedure de zware procedure 2 Bij het opleggen van een verzuimboete kan worden volstaan met het volgen van de lichte procedure hetgeen een relatief eenvoudige procedure is voor lichte boeten 3 De zware procedure moet worden gevolgd wanneer het opleggen van een vergrijpboete wordt overwogen Zie 12 eerste lid 11 Mededelingsplicht 1 Bij het opleggen van een boete vermeldt de mededeling de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van de boete alsmede indien sprake is van een vergrijpboete de feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake is van opzet of grove schuld In voorkomende gevallen dient de mededeling tevens te vermelden de bijzondere omstandigheden die tot een matiging dan wel verhoging van de boete hebben geleid 2 Indien een kennisgeving in de zin van 12 is verzonden waarin de gronden van het voornemen een vergrijpboete op te leggen zijn opgenomen waarop geen reactie van belanghebbende is ontvangen kan de inspecteur in de mededeling volstaan met een verwijzing naar de kennisgeving 12 Kennisgeving en hoorplicht bij vergrijpboete 1 Bij het opleggen van een verzuimboete gelden dezelfde waarborgen als bij het opleggen van een vergrijpboete met uitzondering van de kennisgeving en hoorplicht vooraf zie artikel 67pa eerste lid van de AWR Deze paragraaf is dus een extra waarborg bij vergrijpboeten 2 Een kennisgeving is een rapport in de zin van artikel 5 48 van de Awb 3 De kennisgeving van het voornemen een vergrijpboete op te leggen en van de gronden waarop dat voornemen berust geschiedt schriftelijk Het voorschrift om de kennisgeving schriftelijk te doen is opgenomen om iedere twijfel over de nakoming van deze verplichting uit te sluiten 4 De inspecteur geeft belanghebbende een redelijke termijn waarbinnen hij de aangevoerde gronden kan betwisten De duur van de termijn voor het betwisten van de inhoud van de kennisgeving is niet voor alle gevallen vooraf vast te stellen De bedoeling van de verplichte kennisgeving is belanghebbende in staat te stellen gemotiveerde verweren tegen de voorgenomen vergrijpboete aan te voeren Bij het bepalen van de termijn houdt de inspecteur hiermee rekening De inspecteur stelt een redelijke termijn voor het betwisten van de gronden in de kennisgeving rekening houdend met de termijn genoemd in artikel 5 51 eerste lid van de Awb In de gevallen waarin dadelijk en ineens invorderbare belastingaanslagen worden opgelegd kan de termijn afhankelijk van de feiten en omstandigheden zeer kort zijn 5 Indien belanghebbende de in de kennisgeving aangevoerde gronden mondeling wenst te betwisten wordt hij door de inspecteur gehoord 6 Het opleggen van de vergrijpboete moet achterwege blijven indien het verweer van belanghebbende tot de gevolgtrekking leidt dat de in de kennisgeving genoemde gronden onvoldoende aanknopingspunten voor het vaststellen van opzet of grove schuld opleveren In een dergelijke situatie kan de inspecteur nog wel overgaan tot het opleggen van een verzuimboete Het una viabeginsel staat daaraan niet in de weg De betwisting van de kennisgeving kan tot een lagere boete leiden indien de opzet of grove schuld wel bewijsbaar is maar de betwisting aanleiding geeft de boete op een lager bedrag vast te stellen 13 Recht op inzage 1 Op grond van artikel 5 49 van de Awb stelt de inspecteur belanghebbende desgevraagd in de gelegenheid de gegevens waarop het opleggen van de bestuurlijke boete dan wel het voornemen daartoe berust in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen 2 Indien belanghebbende inzage verzoekt in andere dan de hiervoor bedoelde gegevens verleent de inspecteur inzage en staat toe dat afschriften worden vervaardigd indien belanghebbende aannemelijk maakt dat de gevraagde gegevens van belang kunnen zijn voor de verdediging Gegevens over derden worden zoveel mogelijk op zodanige wijze verstrekt dat zij niet tot die derden zijn te herleiden 14 Verhoor 1 Belanghebbende is tijdens het verhoor niet tot antwoorden verplicht artikel 5 10a van de Awb Hij dient voor de aanvang van het verhoor hierop te worden gewezen cautie 2 De inspecteur maakt na afloop van het verhoor een verslag 3 Het verslag van het verhoor bevat de volgende gegevens datum tijdstip en plaats van verhoor naam van de verhoorde naam of namen van degene n die verhoort verhoren indien bijstand aanwezig is de namen en hoedanigheden van degenen die bijstand verlenen indien een tolk aanwezig is de naam van de tolk en de gebruikte taal de melding van het geven van de cautie doel van het verhoor verklaring en van de verhoorde afgelegd tijdens het verhoor handtekening van degene n die verhoort verhoren 4 Belanghebbende krijgt een afschrift van het verslag 15 Keuze tussen verzuimboete vergrijpboete of strafvervolging 1 Onder hetzelfde feit wordt verstaan dezelfde gedraging in materiële zin 2 a In een aantal gevallen kan voor een beboetbare gedraging hetzelfde feit ofwel een verzuimboete ofwel een vergrijpboete opgelegd worden Dit wordt samenloop genoemd bijvoorbeeld bij aanslagbelastingen indien geen aangifte is gedaan keuze tussen de artikelen 67a en 67d van de AWR b Indien het opleggen van een vergrijpboete tot een lager boetebedrag voor hetzelfde feit zou leiden dan het opleggen van een verzuimboete dan kiest de inspecteur voor het opleggen van de hogere verzuimboete 3 Een eenmaal opgelegde verzuimboete sluit het opleggen van een vergrijpboete voor hetzelfde feit uit artikel 5 43 van de Awb behoudens bij nieuwe bezwaren art 67q AWR zie 16 4 Het opleggen van een vergrijpboete sluit het nadien opleggen van een verzuimboete voor hetzelfde feit uit artikel 5 43 van de Awb Een opgelegde vergrijpboete kan niet worden omgezet in een verzuimboete De inspecteur dient de mogelijkheid van deze uitkomst mee te wegen bij zijn keuze tussen een verzuim of vergrijpboete 5 De mogelijkheid blijft bestaan dat gelijktijdig met de belastingaanslag zowel een verzuim als een vergrijpboete wordt opgelegd Deze mogelijkheid doet zich voor indien twee afzonderlijk omschreven beboetbaar gestelde gedragingen zijn geconstateerd In de aanslagbelastingen kan bijvoorbeeld bij het opleggen van de aanslag een verzuimboete worden opgelegd wegens het niet binnen de termijn doen van aangifte artikel 67a van de AWR en een vergrijpboete wegens de opzettelijke onjuistheid van diezelfde aangifte artikel 67d van de AWR 6 Samenloop kan zich ook tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties voordoen Artikel 5 44 eerste lid van de Awb sluit het opleggen van een bestuurlijke boete uit in gevallen waarin ter zake van hetzelfde feit tegen belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het WvSr ingevolge artikel 37 van de WED dan wel ingevolge artikel 76 van de AWR 7 Het opleggen van een bestuurlijke boete aan belanghebbende sluit in beginsel strafvervolging tegen hem ter zake van hetzelfde feit uit Op grond van artikel 243 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering hierna WvSv blijft het echter mogelijk een zaak te heropenen indien bij nader inzien blijkt dat zij te ernstig is om bestuurlijk te worden afgedaan Er moet dan sprake zijn van nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 van het WvSv 8 Het voorgaande lid houdt in dat de inspecteur het opleggen van de vergrijpboete aanhoudt zodra hij weet dat een gedraging onderwerp is of kan zijn van een opsporingsonderzoek dan wel van een strafrechtelijke vervolging Indien de termijn dreigt te verstrijken waarbinnen de belastingaanslag en de boetebeschikking moeten zijn opgelegd treedt de inspecteur tijdig in overleg met de contactambtenaar om te bepalen of er definitief voor strafrechtelijke afdoening wordt gekozen dan wel of er alsnog een vergrijpboete wordt opgelegd 16 Vergrijpboete na verzuimboete bij nieuwe bezwaren De boete en fraudecoördinator is belast met de beoordeling van de aanwezigheid van nieuwe bezwaren het afnemen van het hoorgesprek als bedoeld in 12 en het opleggen van de vergrijpboete Hoofdstuk 2 Verzuimboeten 21 Aangifteverzuimboete aanslagbelasting 1 Het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen wordt aangemerkt als een verzuim 2 Ter zake van een aangifteverzuim legt de inspecteur een verzuimboete op van 226 3 In afwijking van het tweede lid legt de inspecteur ter zake van een aangifteverzuim bij de vennootschapsbelasting een verzuimboete op van vijftig procent van het wettelijk maximum van artikel 67a van de AWR 4 Bij het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen is alleen sprake van een verzuim indien belanghebbende de aangifte niet binnen een door de inspecteur gestelde termijn heeft gedaan en hij geen gevolg heeft gegeven aan een aanmaning van de inspecteur 5 Een aangifte die wordt ingediend nadat de aanslag ambtshalve is opgelegd geldt niet alsnog als een niet binnen de termijn gedane aangifte 6 a In afwijking van het tweede lid legt de inspecteur ter zake van een aangifteverzuim bij de inkomstenbelasting een verzuimboete op van twintig procent van het wettelijk maximum van artikel 67a van de AWR indien er sprake is van een tweede of volgend achtereenvolgende verzuim b In afwijking van het tweede derde en vorige lid kan in uitzonderlijke gevallen een verzuimboete tot het wettelijk maximum worden opgelegd Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn indien belanghebbende stelselmatig in verzuim is Voor de aangifte over het belastingjaar 2011 is belanghebbende in ieder geval stelselmatig in verzuim indien hij voor het vierde achtereenvolgende jaar ten onrechte geen aangifte heeft ingediend 7 Wegens het niet binnen de termijn doen van aangifte kan op grond van de wet uitsluitend een verzuimboete worden opgelegd 8 Als het aan opzet van belanghebbende te wijten is dat de aangifte niet is gedaan vormt dit een vergrijp in de zin van artikel 67d van de AWR zie 26 De inspecteur moet vooraf een keuze maken tussen het opleggen van een verzuimboete of een vergrijpboete zie 15 22 Aangifteverzuimboete aangiftebelasting 1 Deze paragraaf is niet van toepassing op de aangifte loonbelasting Zie voor de loonbelasting 22a 2 Het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aangiftebelasting wordt aangemerkt als een aangifteverzuim 3 Ter zake van een dergelijk aangifteverzuim kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van vijftig procent van het wettelijk maximum van artikel 67b eerste lid van de AWR 4 In geval dat de aangifte wordt ingediend binnen zeven dagen na afloop van de wettelijke aangiftetermijn legt de inspecteur geen verzuimboete op 5 In de aangiftebelastingen kan het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte uitsluitend worden beboet als een verzuim Het opleggen van een vergrijpboete is dus niet mogelijk 6 Over hetzelfde tijdvak kan zowel een aangifteverzuimboete als een betalingsverzuimboete worden opgelegd 7 In afwijking van het derde en vierde lid kan in uitzonderlijke gevallen een boete tot het maximum van artikel 67b eerste lid van de AWR worden opgelegd Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn indien belanghebbende stelselmatig in verzuim is 22a Aangifteverzuimboete loonbelasting 1 Het niet niet binnen de termijn dan wel onjuist of onvolledig doen van aangifte voor de loonbelasting wordt aangemerkt als een aangifteverzuim 2 Ter zake van een aangifteverzuim kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van vijf procent van het wettelijk maximum van artikel 67b tweede lid van de AWR 3 In geval dat de aangifte wordt ingediend binnen zeven dagen na afloop van de wettelijke aangiftetermijn legt de inspecteur geen verzuimboete op 4 In de loonbelasting kunnen het niet het niet binnen de termijn doen het onjuist of onvolledig doen van aangifte uitsluitend worden beboet worden als een verzuim Het opleggen van een vergrijpboete is dus niet mogelijk 5 Over hetzelfde tijdvak kan zowel een aangifteverzuimboete als een betalingsverzuimboete worden opgelegd 6 Vooralsnog zal met het opleggen van de verzuimboete voor het onjuist of onvolledig doen van aangifte loonbelasting terughoudend worden omgegaan 7 In afwijking van het tweede en derde lid kan in uitzonderlijke gevallen een boete tot het maximum van artikel 67b tweede lid van de AWR worden opgelegd Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn indien belanghebbende stelselmatig in verzuim is 23 Betalingsverzuimboete aangiftebelasting 1 Deze paragraaf ziet op betalingsverzuimen in het periodieke betalingspatroon Constatering van een dergelijk betalingsverzuim vindt doorgaans plaats door geautomatiseerde vergelijking van de betaling met de gedane aangifte Is er geen aangifte gedaan dan wordt veelal geautomatiseerd een naheffingsaanslag met een geschat bedrag opgelegd Inhoudelijke toetsing van de op de aangifte vermelde belastingschuld aan de materiële belastingschuld vindt in deze fase niet plaats Deze paragraaf ziet derhalve niet op onjuistheden in het betalingsgedrag die pas bij de hiervoor genoemde inhoudelijke toetsing bijvoorbeeld bij een boekenonderzoek aan het licht komen zie 24 en ook niet op de situatie dat belanghebbende vrijwillig verbetert zie 24a 2 Voor het opleggen van de boeten voor een betalingsverzuim wordt een systematiek gehanteerd waarbij de verzuimboete wordt gerelateerd aan de hoogte van de niet gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn betaalde belasting 3 In geval van een betalingsverzuim legt de inspecteur een boete op van twee procent van de niet gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn betaalde belasting tot het wettelijk maximum van artikel 67c van de AWR De boete wordt minimaal gesteld op 50 4 In geval dat de totaal verschuldigde belasting uiterlijk wordt betaald binnen zeven dagen na afloop van de wettelijke betalingstermijn legt de inspecteur de verzuimboete op tenzij belanghebbende het voorafgaande tijdvak of voorgaande tijdstip voor dezelfde belastingsoort niet in verzuim was alsdan wordt geen boete opgelegd maar een verzuimmededeling verzonden Wordt derhalve een gedeelte van de totaal verschuldigde belasting voor het eerst in de voornoemde termijn van zeven dagen betaald én een gedeelte ná die termijn dan wordt de boete berekend over het gehele bedrag dat te laat is betaald 5 Voor tijdstipbelastingen geldt met betrekking tot het voorgaande lid een referentieperiode van een jaar 6 In afwijking van de leden 2 tot en met 4 kan in uitzonderlijke gevallen een verzuimboete tot het wettelijk maximum worden opgelegd Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn indien belanghebbende stelselmatig in verzuim is 7 Met betrekking tot hetzelfde tijdvak of tijdstip kan zowel een verzuimboete wegens het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte worden opgelegd als wegens het niet gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn betalen van belasting 8 Voor zover het aan opzet of grove schuld van belanghebbende te wijten is dat de belasting niet gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn betaald is vormt dit een vergrijp zie daarvoor 28 van het besluit 9 De inspecteur moet vooraf een keuze maken tussen het opleggen van een verzuimboete of een vergrijpboete zie 15 24 Verzuimboete aangiftebelasting betalingsverzuim gebleken onjuistheden 1 Anders dan 23 zien 24 en 24a op de situatie waarin niet gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn is betaald omdat er te weinig belasting is aangegeven Deze paragraaf ziet op situaties waarin de inspecteur niet in het kader van het periodieke betalingspatroon maar pas naderhand heeft kunnen constateren dat belanghebbende de belasting niet gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn heeft afgedragen of voldaan omdat er te weinig belasting is aangegeven Deze paragraaf ziet dus ook op de situatie dat belanghebbende niet heeft betaald omdat hij ten onrechte niet heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte 2 Indien sprake is van het niet gedeeltelijk niet dan wel niet binnen de termijn betalen van een aangiftebelasting legt de inspecteur een verzuimboete op van 10 procent van de verschuldigde belasting tot het wettelijk maximum van artikel 67c eerste lid van de AWR De boete wordt minimaal gesteld op 50 3 Bij het vaststellen van de verzuimboete gaat de inspecteur uit van het kalenderjaar of gebroken boekjaar Heeft de niet gedeeltelijk niet dan wel niet binnen de termijn betaalde belasting betrekking op tijdvakken die in meer kalenderjaren of gebroken boekjaren vallen dan legt de inspecteur per kalenderjaar of gebroken boekjaar een verzuimboete op 4 Indien blijkt dat bijtelling in verband met het privégebruik auto deels ten onrechte niet heeft plaatsgevonden dan legt de inspecteur in afwijking van het tweede lid een verzuimboete op van 80 procent van het wettelijk maximum van artikel 67c van de AWR 5 In afwijking van het vierde lid kan in uitzonderlijke gevallen een boete tot het wettelijk maximum van artikel 67c van de AWR worden opgelegd Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn indien belanghebbende voor de tweede keer in verzuim is De inspecteur legt in elk geval een verzuimboete op van 100 procent van het wettelijk maximum van artikel 67c van de AWR indien belanghebbende een onjuiste of onvolledige rittenregistratie heeft overgelegd 24a Verzuimboete aangiftebelasting betalingsverzuim suppletie correctiebericht 1 Deze paragraaf geeft inhoud aan de wijze waarop de verzuimboete wordt berekend ingeval van een suppletie voor aangiftebelastingen Voor de toepassing van deze paragraaf is het uitgangspunt dat de suppletie alsnog leidt tot een juiste afdracht of voldoening van verschuldigde belasting 2 De werkingssfeer is beperkt tot die situaties waarin belanghebbende in eerste instantie de op aangifte te betalen belasting te laag heeft berekend aangegeven en betaald en overeenkomstig een suppletie van de aangifte het te weinig betaalde belasting alsnog betaalt 3 Indien sprake is van een suppletie legt de inspecteur a geen vergrijpboete op grond van artikel 67f van de AWR op zie 25 twaalfde lid en b geen verzuimboete op indien het belastingbedrag dat ingevolge de suppletie alsnog wordt betaald 20 000 of minder bedraagt of c geen verzuimboete op indien het belastingbedrag dat ingevolge de suppletie wordt betaald minder bedraagt dan 10 procent van het bedrag van de belasting die over het tijdvak de tijdvakken waarop de suppletie s betrekking heeft hebben eerder per saldo is betaald dan wel terugontvangen d in overige gevallen een verzuimboete op van 5 procent tot het wettelijk maximum van artikel 67c eerste lid van de AWR 4 Het grensbedrag van het derde lid wordt toegepast op de tijdvakken die in een kalenderjaar of gebroken boekjaar vallen Heeft de suppletie betrekking op tijdvakken die in meer kalenderjaren of gebroken boekjaren vallen dan legt de inspecteur per kalenderjaar of gebroken boekjaar een eventuele verzuimboete op 5 Het niet of gedeeltelijk niet betalen van loonbelasting kan worden aangemerkt als een vergrijp of een verzuim Indien het niet of gedeeltelijk niet betalen van loonbelasting een verzuim is en belanghebbende deze belasting alsnog door middel van één of meer correctieberichten aangeeft legt de inspecteur over het positieve saldo van gelijktijdig ingediende correctieberichten een verzuimboete op met overeenkomstige toepassing van de voorgaande leden Zodoende wordt het boeteregime uit het eerste tot en met vierde lid ook toegepast op een betalingsverzuim indien geen sprake is van een correctieverplichting maar belanghebbende de in eerste instantie op aangifte te betalen belasting te laag heeft berekend aangegeven en betaald en deze belasting alsnog door middel van een correctiebericht aangeeft Het maakt dus niet uit of het correctiebericht uit eigen beweging dan wel naar aanleiding van een correctieverplichting wordt ingediend Ook maakt het hierbij niet uit of het correctiebericht met een aangifte wordt ingediend dan wel los wordt ingediend 6 Indien de inspecteur de belanghebbende niet verplicht een correctiebericht in te dienen maar zonder meer een naheffingsaanslag vaststelt en het niet of gedeeltelijk niet betalen van de belasting een verzuim is zijn het eerste tot en met het vierde lid van overeenkomstige toepassing omdat het voor de beboetbare gedraging niet uitmaakt of de inspecteur wel of geen correctieverplichting oplegt 24b Verzuimboete 1 Het niet voldoen aan de verplichting welke wordt opgelegd bij of krachtens de in artikel 67ca eerste lid van de AWR vermelde artikelen wordt aangemerkt als een verzuim 2 Ter zake van het verzuim kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van 50 procent van het wettelijk maximum van artikel 67ca eerste lid van de AWR 3 In afwijking van het tweede lid kan in uitzonderlijke gevallen een verzuimboete tot het wettelijk maximum worden opgelegd 4 De boete wordt opgelegd aan degene die niet aan zijn verplichting voldoet Dit kan een ander zijn dan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige 5 De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan maar behoeft niet gelijktijdig met een eventuele ambtshalve belastingaanslag te worden genomen Hoofdstuk 3 Vergrijpboeten 25 Vergrijpboete algemeen 1 Vergrijpboeten kunnen alleen worden opgelegd indien sprake is van grove schuld of opzet 2 Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid Daarbij kan gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven of betaald In geval van grove schuld legt de inspecteur een vergrijpboete op van 25 procent Zie ook 27 zesde lid en 28 zesde en zevende lid 3 Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet Onder voorwaardelijk opzet wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting geheven is of kan worden dan wel niet of niet binnen de termijn betaald is In geval van opzet legt de inspecteur een vergrijpboete op van 50 procent Zie ook 26 tiende lid en 27 zesde lid 4 De inspecteur dient de aanwezigheid van opzet of grove schuld te stellen en te bewijzen De inspecteur kan zich voor het bewijs van opzet of grove schuld baseren op door hem gestelde en door belanghebbende niet of niet voldoende ontzenuwde vermoedens die gebaseerd zijn op feiten 5 De bij de heffing bestaande mogelijkheid om de belastingaanslag onder bepaalde voorwaarden vast te stellen met omkering van de bewijslast geldt niet voor het vaststellen van opzet of grove schuld 6 Bij oplegging van vergrijpboeten vindt afstemming plaats met boete en fraudecoördinatoren en of boetespecialisten Ook bij oplegging van vergrijpboeten door een boetespecialist dient collegiale afstemming met een boete en fraudecoördinator of boetespecialist plaats te vinden 7 Bij minder dan grove schuld wordt geen vergrijpboete opgelegd 8 Voor het bepalen van de grondslag van de vergrijpboete wordt voor zover sprake is van opzet of grove schuld aangesloten bij de feitelijk geheven belasting Dit geldt ook indien de omvang van de feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de omkering van de bewijslast 9 Indien bij het opleggen van een vergrijpboete slechts een gedeelte van de verschuldigde belasting door opzet of grove schuld van belanghebbende te weinig is of zou zijn geheven dan wel betaald berekent de inspecteur de boete over dat naar evenredigheid bepaalde gedeelte 10 Het negende lid vindt overeenkomstige toepassing indien meer dan één boetepercentage moet worden toegepast 11 Bij het opleggen van de vergrijpboete houdt de inspecteur rekening met eventuele bijzondere omstandigheden zie 6 tot en met 8 12 Indien sprake is van vrijwillige verbetering zie 5 met betrekking tot een aangiftebelasting legt de inspecteur geen vergrijpboete op grond van artikel 67f van de AWR op 13 Indien sprake is van inkeer zie 5 na twee jaar met betrekking tot een aanslagbelasting kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen Inkeer is een strafverminderende omstandigheid zie artikel 67n van de AWR en 7 26 Vergrijpboete aanslag 1 Indien een aangifte voor een aanslagbelasting met opzet niet dan wel onjuist of onvolledig is gedaan legt de inspecteur gelijktijdig met de aanslag een vergrijpboete op 2 Het opleggen van een vergrijpboete wegens het met opzet niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen is niet mogelijk 3 De vergrijpboete wordt berekend over het bedrag van de aanslag 4 Indien een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan wordt de vergrijpboete gebaseerd op het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan de correcties ter zake van een of meer tekortkomingen in de aangifte waaraan de kwalificatie opzet kan worden verbonden 5 Als sprake is van het niet doen van aangifte wordt de vergrijpboete berekend over de belasting van de gehele geschatte aanslag 6 Onder het bedrag van de aanslag wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan het bedrag van de aanslag na verrekening van voorheffingen en opgelegde voorlopige aanslagen 7 De vergrijpboete wijzigt niet door a voorwaartse verliesverrekening en achterwaartse verliesverrekening zie achtste lid b persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren zie negende lid c middeling d toepassing van artikel 14 vijfde lid van de Wet op de vermogensbelasting 1964 8 Indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen bedraagt de grondslag voor de vergrijpboete het bedrag waarop de aanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die verliezen Indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen en als gevolg daarvan geen aanslag kan worden vastgesteld kan de inspecteur de vergrijpboete opleggen bij afzonderlijke beschikking De vergrijpboete kan in dat geval uiterlijk worden opgelegd tot het moment dat de termijn voor het vaststellen van de aanslag die zonder verliesverrekening zou zijn vastgesteld zou verlopen 9 Indien sprake is van persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren welke niet eerder in aanmerking is genomen artikel 6 1 eerste lid letter b van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt de grondslag voor de vergrijpboete het bedrag waarop de aanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die persoonsgebonden aftrek Indien persoonsgebonden aftrek in aanmerking is genomen en als gevolg daarvan geen aanslag kan worden vastgesteld kan de inspecteur de vergrijpboete opleggen bij afzonderlijke beschikking De vergrijpboete kan in dat geval uiterlijk worden opgelegd tot het moment dat de termijn voor het vaststellen van de aanslag die zonder verrekening van persoonsgebonden aftrek zou zijn vastgesteld zou verlopen Dit lid geldt ook voor niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek op grond van artikel 3 76 vijfde lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 10 Wordt een vergrijpboete opgelegd op grond van artikel 67d vijfde lid van de AWR dan legt de inspecteur een vergrijpboete op van 150 procent in geval van opzet 11 Bij het opleggen van de vergrijpboete houdt de inspecteur rekening met de voorschriften over de straftoemeting Zie 6 tot en met 8 27 Vergrijpboete navordering 1 Indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven legt de inspecteur gelijktijdig met de navorderingsaanslag een vergrijpboete op 2 Worden de feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt nagevorderd eerst bekend op of na het tijdstip dat is gelegen zes maanden voor het verstrijken van de navorderingstermijn dan kan de inspecteur binnen zes maanden na de vaststelling van de navorderingsaanslag nog een vergrijpboete opleggen In dat geval deelt de inspecteur de belanghebbende gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag mee dat nog onderzoek plaatsvindt of het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd is 3 De vergrijpboete wijzigt niet door a voorwaartse verliesverrekening en achterwaartse verliesverrekening zie vierde lid b persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren zie vijfde lid c middeling d toepassing van artikel 14 vijfde lid van de Wet op de

    Original URL path: http://www.belastingcollectief.nl/fiscalisten/wetteksten/algemene-wet/besluit-bestuurlijke-boeten-belastingdienst (2016-01-09)
    Open archived version from archive

  • Invorderingswet - Belasting Collectief Nederland
    en de werkkostenregeling Limited liability partnership Nieuwe regeling rechtsbescherming tegen controlehandelingen Verhoging ZVW bijdrage inkomen 2012 onder de loep Belgische achterhoede gevechten i p v ernstige begroting Negatief loon verrekenen Tegemoetkoming Staatssecretaris verhult verkeerde uitleg art 10 Successiewet De informatieverplichting een suppletie die geen verbetering is Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen Fruitmand en rouwkrans Aankoop van een vakantiehuis in Duitsland Bijtelling te voorkomen door dubbel leasecontract Te weinig geld in BV om pensioen eigen beheer uit te keren Scheepvaart CV gebruikmaking van willekeurige afschrijving Nieuw besluit bestrijding en ontmanteling APV s Auto van de zaak de bovennormbijdrage Struisvogels en tandprothesen De verraderlijke eigenschappen van de Duitse omzetbelasting De werkplek Belastingdienst Toeslagen maakt fraude mogelijk met toeslagen Politieke vertoning in België toch meer dan louter een taaltegenstelling tussen Vlamingen en Walen Overdracht van de woning door ouders aan kinderen gunstig of juist niet Gereglementeerde beroepstitels inzake boekhoudkundige en fiscale beroepen in België Over het kijken naar een aap apekool en de verhoging van het btw tarief voor podiumkunsten De dure verzuimboete voor een te laat ingediende aangifte vennootschapsbelasting Vrijstelling overdrachtsbelasting ook voor BV met bouwterrein VAR verklaring de misverstanden de oplossing Duitse Grondbelasting Grundsteuer Memo inzake integratieheffing Zachte heelmeesters maken stinkende wonden Sloopconstructie en economische eigendomsoverdracht Wat zal de rechtsbescherming bij de informatieplicht in de praktijk betekenen Welke rechtsmiddelen heeft u als de belastingontvanger het verzoek om een betalingsregeling afwijst Duitse loonbelasting Algemeen verweer tegen aansprakelijkstelling Bestuurdersaansprakelijkheid meld tijdig betalingsonmacht Aansprakelijkheid en de bedoeling van de wet Het MKB heeft gezond inkopen nog niet ontdekt Lening van BV aan DGA voor rentevoordeel onbelast Levering digitaal fotoboek belast met 6 btw Belastingplicht in Duitsland beschränkte resp unbeschränkte Steuerpflicht De fiscale risicoaansprakelijkheid Hoge boetes bij te laat indienen van een belastingaangifte Is de meldingsplicht bij de bestuurdersaansprakelijkheid onevenredig Aansprakelijkheid bij vervreemding van aandelen Cross boarder leasing zonder btw Het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland Geen interne levering bij inpandige verbouwing Bestuurdersaansprakelijkheid ver van uw bed of dichterbij dan u dacht Fiscale boetes voorkomen beter dan genezen Wettelijk minimumloon stijgt per 1 juli 2012 Lenteakkoord 2012 en loonheffingen Met een kanonskogel een vlieg doden Verzekeringsplicht Tweede woning Zwitserland Wijzigingen in de Duitse BTW wetgeving Goed lobbywerk van het Verbond van Verzekeraars 808 vergoeding voor aanslag van 6 Vernederlandsing van Belgische autofiscaliteit Reactivering vermogensbelasting in Spanje 2012 2013 Fiscale Highlight Stabiliteitsprogramma Crisismaatregel 2012 Let op bij creatief gebruik van verrekenprijzen E Bilanz ofwel elektronische balans Kantoren Friesland Customs Knowledge in Heerenveen Arjo Groenendijk Bart Boersma Bram van Breukelen Geert Koevoets Sander van Lent De Vries c s Tax Advisors in Beetsterzwaag Joost Muller Jan Jaap de Vries Priore in Heerenveen mr Wieger Spaan mr Mariëtte Rodenburg mr Dirk Hiemstra Mr Gerrit Jan Wuite Priore in Workum mr Wieger Spaan mr Mariëtte Rodenburg mr Dirk Hiemstra Mr Gerrit Jan Wuite Rien Vink Loonheffingen in Engwierum Rien Vink Scheidingsfiscalist T van der Wal in Beetsterzwaag Tiny van der Wal Smids en Schakel in Leeuwarden Peter Steenhuis Marieke van der Veer Corine van der Maden LEXX Advocaten in Leeuwarden Mr Martijn S Dunant Maurits Tóth Belastingadvies Andries Tóth Eikenaar Belastingadvies in Drachten Ed Eikenaar Groningen Stetler in Haren Wim Dijkstra HS26 Advocatuur in Groningen Gerhard Sjobbema Caraad Belastingadviseurs in Groningen Wietze Hoekstra Martijn Thalen Rutger Hotsma Bastide in Groningen Petrus Zijlstra Drenthe Consensio in Zuidlaren Gonard Wagenaar Bloemsma Faassen in Assen Willem Faassen Anne Marc van de Wal Gelderland Kleijsen Cortenbach Kuijpers LLP in Nijmegen P E Art and Tax in Doetinchem Peter Kleinreesink ScholsBurgerhartSchols in Nijmegen Mr dr W Burgerhart Prof dr B M E M Schols Prof mr F W J M Schols Van Lienden Kooistra in Barneveld Eric Jan Sobels Jonne Tijssen Noord Brabant De Vries Partners in Valkenswaard Hans van Kuyk Wesselman in Eindhoven Bert Bogie Wesselman in Helmond Bert Bogie Lucas Belastingadvies in Den Bosch Jurrian Lucas Ooms Partners in Breda drs Marco Ooms mr Hans Seijkens Limburg Rebastion in Maastricht Frodo Oude Groeniger Rob Engelbert Wesselman in Weert Bert Bogie Noord Holland HDK Advocaten en Fiscalisten in Amsterdam Roy Vliese Pavel der Kinderen MB Legal Tax in Alkmaar F van Elk FB Fedor mr drs J D Hoogendoorn RA Jaap J Beijert Jan MB Legal Tax in Middenbeemster mr M F Marco Bezoet de Bie mr J D M J den Boer RA CRAd Schut en Bruggink Estate Planners in Haarlem Paul Schut Marian Bruggink Rogier Pak Abel Advisory in Amsterdam Frank Schwarte Joost Lagerberg AsjesBisseling in Amsterdam Arjan Bisseling B B Accountants in Den Burg De Bont Advocaten in Amsterdam prof mr G J M E de Bont mr J M Sitsen mr M B Weijers mr P de Haas VanOoijen in Haarlem Adriaan Daniels Ognjen Soldat Just Tax in Nieuw Vennep Utrecht AccountantsTEAM in Utrecht Joost Rietveld Pay Check in Houten Pieter Miedema Fiscaal Jurist in Baarn Pieter Miedema Overijssel ELBERT fiscaal in Hengelo mr H A Elbert Beersen Grandiek in Hengelo Mr V J Vincent Grandiek Cervus Belastingadvies in Zwolle mr H A Elbert EVFA in Deventer Eric Versteegh Zuid Holland Scientia Fiscalis in Alblasserdam Yvonne Tigelaar Klootwijk Van Driel Fruijtier in Dordrecht MB Internationaal in Rotterdam Zeeland Rijkse Partners Belastingadviseurs in Middelburg Curacao Wesselman in Curaçao Bert Bogie Duitsland Strick Rechtsanwälte Steuerberater in Kleve Anton Ingenerf Frank J Lamers Sabine van Wickeren Lenk Christian Theissen Freddy B Heinzel Belgie Cobofisk in Gent Hendrik Huys Cobofisk in Aalter Luc Coopman Spanje Arcos Lamers Asociados in Marbella Wim Lamers Maite Arcos Kennisgroepen BTW specialisten Loonheffing specialisten Pensioen specialisten Estate Planning specialisten Formeel Belastingrecht specialisten Fusie Overname specialisten Herinvesteringsreserve specialisten Huwelijk Echtscheiding specialisten Innovatiebox specialisten Internationaal Belastingrecht specialisten Douane specialisten Auto van de zaak Sport Sprekers Cursussen Allround Auto van de zaak Bedrijfsoverdracht BTW Douane Estate Planning FFP VBI FBI Formeel belastingrecht Loonheffingen Pensioenen Partners Fiscaal Kenniscentrum Fiscaal up to Date Hoge Raad geeft happy end aan nasleep Van der Steen naheffingen van tafel Verhuur van theaterruimte was niet vrijgesteld van BTW Betalingsonmacht hoefde pas na aanmaning te worden gemeld HIR viel vrij wegens verkoop herinvesteringslichaam aan gelieerde BV

    Original URL path: http://www.belastingcollectief.nl/fiscalisten/wetteksten/invorderingswet (2016-01-09)
    Open archived version from archive

  • Invorderingswet 1990 - Belasting Collectief Nederland
    deel uitmaakt of uitmaakte van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 eerste lid of artikel 15a eerste lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 kunnen aan die belastingschuldige uit te betalen bedragen behalve met van deze te innen bedragen worden verrekend met te innen bedragen van een andere maatschappij die in dat tijdvak deel uitmaakt of uitmaakte van vorenbedoelde fiscale eenheid De vorige volzin vindt toepassing ongeacht het in staat van surseance van betaling of van faillissement geraken van de in die volzin bedoelde belastingschuldige of andere maatschappij Op verzoek van de belastingschuldige is de ontvanger verplicht te verrekenen In afwijking van artikel 4 93 derde lid van de Algemene wet bestuursrecht geldt als tijdstip van verrekening de dagtekening van het aanslagbiljet waaruit van het te betalen bedrag blijkt In afwijking van de vorige volzin geldt met betrekking tot een verrekening van een termijn van een voorlopige aanslag als bedoeld in artikel 9 zesde en zevende lid als tijdstip van verrekening het tijdstip waarop de desbetreffende termijn vervalt 2 De verrekening is ook mogelijk ingeval de termijn bedoeld in artikel 9 nog niet is verstreken met dien verstande dat indien het betreft belastingaanslagen als bedoeld in artikel 9 vijfde en zevende lid verrekening alleen mogelijk is met belastingaanslagen die op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak betrekking hebben 3 De ontvanger verrekent de in artikel 27a eerste lid bedoelde betalingskorting met het bedrag van de belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting wordt verleend Voorts verrekent de ontvanger de in artikel 27a tweede lid bedoelde betalingskorting met het uit te betalen bedrag van de vermindering van de belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting is verleend Op de in dit lid bedoelde verrekeningen zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing Als tijdstip van verrekening geldt het tijdstip waarop de betalingskorting wordt verleend of de dagtekening van de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekendgemaakt 4 Verrekening is niet mogelijk met betrekking tot een door de ontvanger uit te betalen bedrag indien deze vordering door de gerechtigde onder bijzondere titel is overgedragen mits de ontvanger met de overdracht heeft ingestemd Verrekening is voorts niet mogelijk met betrekking tot een door de ontvanger uit te betalen bedrag indien op deze vordering een pandrecht als bedoeld in artikel 239 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is gevestigd mits de ontvanger op het tijdstip waarop het pandrecht hem wordt medegedeeld met het pandrecht heeft ingestemd De ontvanger is verplicht bij beschikking met de overdracht of het pandrecht in te stemmen indien op het tijdstip van de mededeling van de akte van overdracht of van het pandrecht ten name van de belastingschuldige geen voor verrekening vatbare schuld invorderbaar is De ontvanger kan bij beschikking instemming met de overdracht of het pandrecht weigeren De ontvanger maakt de beschikking bekend door middel van een gedagtekende kennisgeving waarin bij weigering tot instemming met de overdracht of het pandrecht de grond is vermeld waarop de weigering berust 5 In afwijking in zoverre van het vierde lid is ook na de instemming bedoeld in dat lid verrekening mogelijk van a de in artikel 27a eerste lid bedoelde betalingskorting met het bedrag van de belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting wordt verleend b de in artikel 27a tweede lid bedoelde betalingskorting met het uit te betalen bedrag van de vermindering van de belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting is verleend c belastingaanslagen die een uit te betalen bedrag behelzen met belastingaanslagen die op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak betrekking hebben 6 De belastingschuldige kan binnen een week na de dagtekening van de in het vierde lid bedoelde kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt beroep instellen bij de directeur Het beroepschrift wordt ingediend bij de ontvanger tegen een door deze af te geven ontvangbewijs De directeur neemt zo spoedig mogelijk een beslissing en maakt deze bekend aan de belastingschuldige door middel van een gedagtekende kennisgeving Indien op het beroepschrift afwijzend wordt beslist vindt verrekening niet eerder plaats dan nadat na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beslissing van de directeur is bekendgemaakt acht dagen zijn verstreken 7 Met betrekking tot het bedrag waarvoor krachtens artikel 25 derde tot en met zesde achtste negende elfde tot en met veertiende zestiende tot en met negentiende lid uitstel van betaling is verleend is gedurende het uitstel verrekening niet mogelijk tenzij de belastingschuldige dit verzoekt 8 De ontvanger maakt de verrekening onverwijld bekend 9 In afwijking van artikel 4 93 vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht is verrekening ook mogelijk van een voorlopige aanslag tot een negatief bedrag als bedoeld in artikel 13 tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Afdeling 3 Uitstel van betaling kwijtschelding en verjaring Artikel 25 1 De ontvanger kan onder door hem te stellen voorwaarden aan een belastingschuldige voor een bepaalde tijd bij beschikking uitstel van betaling verlenen Gedurende het uitstel vangt de dwanginvordering niet aan dan wel wordt deze geschorst 2 Het uitstel kan tussentijds bij beschikking worden beëindigd 3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste tien jaren in de gevallen waarin belastingaanslagen in de schenk of erfbelasting zijn opgelegd en door de voldoening daarvan zonder uitstel een sociaal economisch dan wel cultureel belang in gevaar zou komen en dat uitstel niet of onvoldoende mogelijk is ingevolge de overige leden van dit artikel 4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van 12 maanden en voor de eventuele verlenging daarvan op grond van artikel 3 64 derde lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 mits voldoende zekerheid is gesteld voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd door de toepassing van artikel 3 64 eerste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 Het uitstel wordt beëindigd indien de herinvesteringen niet leiden tot in Nederland belastbare winst van de onderneming en bij emigratie van de belastingschuldige 5 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd door de toepassing van de artikelen 3 83 eerste lid of tweede lid 3 133 tweede lid onderdelen h of j 3 136 eerste tweede derde vierde of vijfde lid of 7 2 achtste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 Het in de eerste volzin bedoelde uitstel wordt verleend tot uiterlijk het begin van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft De in de eerste volzin bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op het stellen van voldoende zekerheid Het uitstel wordt beëindigd indien zich een omstandigheid voordoet als genoemd in artikel 19b eerste lid of tweede lid eerste volzin van de Wet op de loonbelasting 1964 artikel 3 133 tweede lid onderdelen a tot en met g i en k of artikel 3 135 eerste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 6 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd door de toepassing van artikel 3 116 vierde lid of artikel 3 116a vijfde lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 De in de eerste volzin bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op het stellen van voldoende zekerheid Het uitstel wordt beëindigd a indien zich een omstandigheid voordoet waardoor de woning ophoudt een eigen woning te zijn in de zin van artikel 3 111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 b indien de belastingschuldige een voordeel geniet als bedoeld in artikel 3 116 eerste lid of artikel 3 116a eerste lid van die wet c indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3 116 derde lid of artikel 3 116a vierde lid van die wet 7 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling als bedoeld in artikel 224 van het Communautair douanewetboek 8 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd ter zake van geconserveerd inkomen als bedoeld in artikel 2 8 vierde vijfde zesde of zevende lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 of ter zake van geconserveerd inkomen door de toepassing van artikel 4 16 eerste lid onderdeel h van die wet of van artikel 7 5 vierde vijfde of zevende lid van die wet Het in de eerste volzin bedoelde uitstel wordt verleend tot uiterlijk het begin van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft De in de eerste volzin bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op het stellen van voldoende zekerheid Het uitstel wordt beëindigd a ingeval aandelen of winstbewijzen die aan het uitstel ten grondslag liggen worden vervreemd in de zin van artikel 4 12 of 4 16 eerste lid onderdelen a tot en met g en i tweede lid derde lid of vierde lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 In geval van een vervreemding in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3 55 van de Wet inkomstenbelasting 2001 een splitsing als bedoeld in artikel 3 56 van die wet of een fusie als bedoeld in artikel 3 57 van die wet kan het uitstel van betaling onder nader te stellen voorwaarden worden voortgezet In geval van een vervreemding in de zin van artikel 4 16 eerste lid onderdelen e f en g van de Wet inkomstenbelasting 2001 of wegens een verdeling van een nalatenschap of een huwelijksgemeenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater onderscheidenlijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap kan het uitstel van betaling eveneens onder nader te stellen voorwaarden worden voortgezet In geval van schenking aan een natuurlijk persoon kan het uitstel van betaling eveneens onder nader te stellen voorwaarden worden voortgezet mits de verkrijger reeds gedurende de 36 maanden die onmiddellijk voorafgaan aan het tijdstip van de schenking in dienstbetrekking is van de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben b ingeval de vennootschap waarin de aandelen of winstbewijzen worden gehouden haar onderneming geheel of nagenoeg geheel heeft gestaakt en haar reserves geheel of nagenoeg geheel heeft uitgekeerd dan wel ingeval geen onderneming is gedreven haar reserves geheel of nagenoeg geheel heeft uitgekeerd c in geval van een teruggaaf van wat op aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening is gestort dan wel van wat door houders van winstbewijzen is gestort of ingelegd 9 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste tien jaar mits voldoende zekerheid is gesteld voor belastingaanslagen voor zover daarin is begrepen inkomstenbelasting ter zake van een vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan een natuurlijk persoon of aan een rechtspersoon als bedoeld in de tweede volzin indien de koper de tegenprestatie schuldig is gebleven de vervreemde aandelen ten minste vijf percent van het geplaatste kapitaal van de vennootschap uitmaken en de bezittingen van de vennootschap waarop het aanmerkelijk belang betrekking heeft niet in belangrijke mate onmiddellijk of middellijk bestaan uit beleggingen Een rechtspersoon als bedoeld in de eerste volzin is een besloten vennootschap of een andere vennootschap waarvan het kapitaal in aandelen is verdeeld en in een aandelenregister de aandeelhouders worden geadministreerd welke is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en waarvan alle aandelen worden gehouden door een natuurlijk persoon Het uitstel wordt beëindigd indien aflossingen plaatsvinden dan wel de koper van de aandelen of winstbewijzen deze vervreemdt of wanneer daaruit reguliere voordelen van substantiële omvang worden genoten 10 Voor de toepassing van het negende lid wordt het begrip vervreemding opgevat overeenkomstig artikel 4 12 en 4 16 eerste lid onderdelen a b en c van de Wet inkomstenbelasting 2001 11 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste tien jaar mits voldoende zekerheid is gesteld voor belastingaanslagen voor zover daarin is begrepen inkomstenbelasting ter zake van inkomen uit aanmerkelijk belang omdat de vennootschap waarop het belang betrekking heeft op verzoek van haar aandeelhouder aandelen in een andere vennootschap heeft overgedragen aan een natuurlijk persoon of aan een rechtspersoon als bedoeld in het negende lid tweede volzin tegen een tegenprestatie lager dan de waarde in het economische verkeer Dit uitstel wordt slechts verleend wanneer de overgedragen aandelen ten minste vijf percent van het geplaatste kapitaal van de vennootschap uitmaken en de bezittingen van de vennootschap waarop de overgedragen aandelen betrekking hebben niet in belangrijke mate onmiddellijk of middellijk bestaan uit beleggingen Het uitstel wordt beëindigd indien de begiftigde aandelen of winstbewijzen welke aan het uitstel ten grondslag liggen vervreemdt of wanneer daaruit reguliere voordelen van substantiële omvang worden genoten 12 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van tien jaren voor belastingaanslagen betreffende de schenk of erfbelasting bedoeld in artikel 35b derde lid van de Successiewet 1956 Het uitstel wordt beëindigd a in geval van faillissement van de belastingschuldige b ingeval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is c ingeval zich ten aanzien van de verkrijger tijdens de in de eerste volzin bedoelde periode een gebeurtenis voordoet als bedoeld in artikel 35e eerste lid van de Successiewet 1956 13 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van tien jaar voor belastingaanslagen in de schenk of erfbelasting voor zover die belastingen kunnen worden toegerekend aan de verkrijging van een vordering op een medeverkrijger ter zake van door deze medeverkrijger verkregen ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35c eerste lid van de Successiewet 1956 Het uitstel wordt beëindigd a in geval van faillissement van de belastingschuldige b ingeval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is c ingeval zich ten aanzien van de medeverkrijger tijdens de in de eerste volzin bedoelde periode een gebeurtenis voordoet als bedoeld in artikel 35e eerste lid van de Successiewet 1956 d voor zover de vordering bedoeld in de eerste volzin wordt voldaan 14 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste tien jaar mits voldoende zekerheid is gesteld voor belastingaanslagen voor zover daarin is begrepen inkomstenbelasting die is verschuldigd wegens het beëindigen van een terbeschikkingstelling van een zaak in de zin van artikel 3 91 of artikel 3 92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 welke belasting kan worden toegerekend aan het verschil tussen de boekwaarde en de waarde in het economisch verkeer van die zaak ingeval de zaak waarvan de terbeschikkingstelling is beëindigd a niet is vervreemd b is vervreemd waarbij de koper de overdrachtsprijs schuldig is gebleven of c is geschonken Het uitstel wordt beëindigd 1 wanneer de zaak niet is vervreemd ingeval de zaak wordt vervreemd in geval de belastingschuldige overlijdt in geval van faillissement van de belastingschuldige of in geval de schuldsanering natuurlijke personen ten aanzien van hem van toepassing is 2 wanneer de overdrachtsprijs schuldig is gebleven ingeval aflossingen plaatsvinden in geval de koper de zaak vervreemdt in geval de belastingschuldige overlijdt in geval van faillissement van de belastingschuldige of in geval de schuldsanering natuurlijke personen ten aanzien van hem van toepassing is 3 wanneer is geschonken ingeval de begiftigde de zaak vervreemdt in geval de belastingschuldige overlijdt in geval van faillissement van de belastingschuldige of in geval de schuldsanering natuurlijke personen ten aanzien van hem van toepassing is 15 Voor de toepassing van het achtste tot en met veertiende lid zijn de artikelen 4 3 tot en met 4 5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 2 derde lid onderdeel f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing 16 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste tien jaar mits voldoende zekerheid is gesteld voor belastingaanslagen voorzover daarin is begrepen inkomstenbelasting die bij staking van een onderneming is verschuldigd en kan worden toegerekend aan het verschil tussen de boekwaarde en de waarde in het economische verkeer van een woning als bedoeld in artikel 3 19 eerste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 die na het staken wordt aangemerkt als een eigen woning als bedoeld in artikel 3 111 van die wet Het uitstel wordt beëindigd a in geval van faillissement van de belastingschuldige b ingeval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is c in geval van overlijden van de belastingschuldige tenzij de partner bedoeld in artikel 1 2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 aannemelijk maakt dat de resterende belasting binnen de periode waarvoor uitstel is verleend zal worden voldaan d ingeval zich een omstandigheid voordoet waardoor de woning ophoudt een eigen woning te zijn 17 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van tien jaar voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd bij staking door overlijden als bedoeld in artikel 3 58 eerste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 18 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling mits voldoende zekerheid is gesteld voor belastingaanslagen waarin is begrepen inkomstenbelasting ter zake van winst behaald met of bij het staken van een onderneming of een gedeelte van een onderneming door de overdracht aan een natuurlijk persoon die de onderneming voortzet en de overdrachtsprijs geheel of gedeeltelijk schuldig is gebleven Het uitstel heeft betrekking op de in de eerste volzin bedoelde belasting voorzover die betrekking heeft op de overdracht van vermogensbestanddelen aan de daar bedoelde persoon Het uitstel wordt verleend voor een gedeelte in evenredigheid met de verhouding tussen het op het moment met ingang waarvan het uitstel wordt verleend schuldig gebleven gedeelte van de overdrachtsprijs en de totale overdrachtsprijs voor de duur van de overeengekomen aflossingsperiode doch tot uiterlijk het begin van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft 19 Het uitstel bedoeld in het vorige lid wordt aan het begin van elk kalenderjaar te beginnen bij de aanvang van het eerste kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn vervalt voor een evenredig gedeelte beëindigd waarbij de teller is één en de noemer gelijk aan het aantal nog resterende gehele jaren van de overeengekomen aflossingsperiode plus één doch maximaal tien minus het aantal van de reeds verstreken jaren sedert het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft Het uitstel wordt voorts beëindigd a in geval van faillissement van de belastingschuldige b ingeval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is c in geval van overlijden van de belastingschuldige d voorzover aan het begin van het kalenderjaar het bedrag van het resterende uitstel uitgaat boven het bedrag dat gelijk is aan het gedeelte van de in het vorige lid bedoelde belasting in evenredigheid met de verhouding tussen het nog niet ontvangen deel van de overdrachtsprijs en de totale overdrachtsprijs e voorzover op de dag volgend op de dag waarop de enige of laatste betalingstermijn is vervallen het resterende uitstel uitgaat boven het bedrag dat gelijk is aan het gedeelte van de in het vorige lid bedoelde belasting in evenredigheid met de verhouding tussen 1e het aantal nog resterende gehele jaren van de overeengekomen aflossingstermijn plus één doch maximaal negen verminderd met de reeds verstreken jaren sedert het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft en 2e het aantal gehele jaren van de overeengekomen aflossingsperiode doch maximaal tien Ingeval de in het vorige lid bedoelde natuurlijk persoon de daar bedoelde onderneming staakt kan de ontvanger het uitstel beëindigen Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit lid 20 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling mits voldoende zekerheid is gesteld voor belastingaanslagen betreffende de erfbelasting ter zake van de verkrijging van de blote eigendom van een woning bedoeld in artikel 35g van de Successiewet 1956 alsmede ter zake van de verkrijging van een onderbedelingsvordering bedoeld in het vierde lid van dat artikel Het uitstel wordt slechts verleend voor zover degene van wie op grond van de bevoegdheid bedoeld in artikel 78 eerste lid van de Successiewet 1956 wordt gevorderd de erfbelasting ter zake van de blote eigendom voor te schieten of uit de met vruchtgebruik bezwaarde goederen te voldoen onderscheidenlijk degene die op grond van artikel 14 eerste lid van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek dan wel op grond van het testament gehouden is tot voldoening van de erfbelasting ter zake van de onderbedelingsvordering niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar als bedoeld in artikel 26 de erfbelasting te betalen waarbij het vruchtgebruik van de woning dan wel voor zover de hiervoor bedoelde persoon de eigendom van de woning heeft de woning bedoeld in artikel 35g van de Successiewet 1956 buiten beschouwing blijft Het uitstel wordt beëindigd a ingeval de woning voor de vruchtgebruiker niet langer een eigen woning is als bedoeld in artikel 3 111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 b in geval van faillissement van de belastingschuldige c ingeval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is d bij vervreemding van de blote eigendom e voor zover de onderbedelingsvordering bedoeld in de eerste volzin wordt afgelost 21 Voor de toepassing van het vierde vijfde zesde achtste en zeventiende lid wordt de heffingsrente en voor de toepassing van het vijfde lid wordt voorts de revisierente gelijkgesteld met de inkomstenbelasting waarmee deze samenhangen Voor de toepassing van het negende elfde veertiende zestiende en achttiende lid wordt de heffingsrente voorzover deze samenhangt met de inkomstenbelasting waarvoor op de voet van die leden uitstel van betaling wordt verleend gelijkgesteld met die belasting Voor de toepassing van het twaalfde lid wordt de heffingsrente gelijkgesteld met de erfbelasting waarmee deze samenhangt Voor de toepassing van het dertiende lid wordt de heffingsrente voor zover deze samenhangt met de erfbelasting waarvoor op de voet van dat lid uitstel van betaling wordt verleend gelijkgesteld met die belasting Artikel 26 1 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke aan de belastingschuldige die niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te betalen gehele of gedeeltelijke kwijtschelding kan worden verleend 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke aan de belastingschuldige ter zake van belasting waarvoor op de voet van artikel 25 vijfde of achtste lid uitstel van betaling is verleend kwijtschelding van belasting kan worden verleend indien dit uitstel eindigt doordat de termijn bedoeld in artikel 25 vijfde lid tweede volzin onderscheidenlijk de termijn bedoeld in artikel 25 achtste lid tweede volzin is verstreken Kwijtschelding van belasting kan worden verleend tot een bedrag gelijk aan het nog openstaande bedrag nadat de termijn bedoeld in artikel 25 vijfde lid tweede volzin onderscheidenlijk de termijn bedoeld in artikel 25 achtste lid tweede volzin is verstreken 3 Indien de ontvanger het op de voet van artikel 25 vijfde lid verleende uitstel van betaling beëindigt omdat zich met betrekking tot een aanspraak uit een overeenkomst van levensverzekering of een aanspraak ingevolge een pensioenregeling een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 25 vijfde lid vierde volzin kan krachtens bij ministeriële regeling te stellen regels aan de belastingschuldige kwijtschelding van belasting worden verleend voor zover a die belasting hoger is dan de belasting die zou zijn geheven ter zake van de hiervoor bedoelde omstandigheid indien de belastingschuldige op het moment waarop die omstandigheid zich voordeed in Nederland zou hebben gewoond b de omstandigheid die ingevolge artikel 25 vijfde lid vierde volzin tot beëindiging van het uitstel van betaling heeft geleid ingevolge een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet belastbaar is in Nederland De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing voorzover de waarde in het economische verkeer van de in die volzin bedoelde aanspraak is gedaald in vergelijking met het ingevolge artikel 3 136 tweede derde of vierde lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 ter zake van die aanspraak als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen bedrag 4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke aan de belastingschuldige ter zake van belasting waarvoor op de voet van artikel 25 achtste lid uitstel van betaling is verleend kwijtschelding van belasting kan worden verleend tot een bedrag gelijk aan de in Nederland verschuldigde dividendbelasting of indien dit meer bedraagt aan de in Nederland verschuldigde inkomstenbelasting wegens reguliere voordelen in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot de aandelen of winstbewijzen waarop het uitstel betrekking heeft 5 Voorzover de ontvanger het op de voet van artikel 25 achtste lid verleende uitstel van betaling beëindigt omdat aandelen of winstbewijzen worden vervreemd in de zin van artikel 25 achtste lid onderdeel a kan krachtens bij ministeriële regeling te stellen regels kwijtschelding worden verleend a indien de waarde in het economische verkeer van die aandelen of winstbewijzen is gedaald anders dan door uitkering van winstreserves of teruggaaf van wat is gestort of ingelegd in vergelijking tot die waarde ten tijde van het belastbare feit ter zake waarvan de belastingaanslag is vastgesteld tot een bedrag gelijk aan een vierde van de in deze volzin bedoelde waardedaling b indien het heffingsrecht wegens vervreemding van die aandelen of winstbewijzen ingevolge de Belastingregeling voor het Koninkrijk de Belastingregeling voor het land Nederland of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting aan een ander land van het Koninkrijk aan een ander heffingsgebied binnen het Rijk respectievelijk aan een andere mogendheid is toegewezen tot een bedrag gelijk aan de aldaar ter zake van die vervreemding feitelijk geheven belasting c voor zover de belasting waarvoor op de voet van artikel 25 achtste lid uitstel van betaling is verleend hoger is dan de belasting die zou zijn geheven indien de belastingschuldige op het moment van die vervreemding in Nederland zou hebben gewoond Het in de eerste volzin bedoelde bedrag aan kwijtschelding bedraagt niet meer dan het bedrag van de belasting waarvoor ter zake van de aandelen of winstbewijzen nog uitstel van betaling is verleend 6 Indien de ontvanger het op de voet van artikel 25 zesde lid verleende uitstel van betaling beëindigt kan volgens bij ministeriële regeling te stellen regels kwijtschelding worden verleend voor zover de belasting waarvoor op de voet van artikel 25 zesde lid uitstel van betaling is verleend hoger is dan de belasting die zou zijn geheven indien de belastingschuldige op het moment van de omstandigheid op grond waarvan het uitstel van betaling wordt beëindigd in Nederland zou hebben gewoond 7 Voor de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4 3 tot en met 4 5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 2 derde lid onderdeel f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing 8 Voor de toepassing van het tweede lid worden de heffingsrente en de revisierente gelijkgesteld met de inkomstenbelasting waarmee deze samenhangen Voor de toepassing van dit artikel wordt de heffingsrente voorzover deze samenhangt met de inkomstenbelasting waarvoor op de voet van dit artikel kwijtschelding wordt verleend gelijkgesteld met die belasting Artikel 27 1 De ontvanger kan de verjaring van een rechtsvordering tot betaling stuiten door een schriftelijke mededeling waarin hij zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorhoudt 2 Indien een belastingschuldige is opgehouden te bestaan en voor zover voor zijn belastingschuld een aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49 eerste lid heeft plaatsgevonden treedt de aansprakelijk gestelde voor die belastingschuld in de plaats van de belastingschuldige voor zover het betreft de stuiting van de verjaring of de verlenging van de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling Hoofdstuk V Betalingskorting en rente Artikel 27a 1 Ingeval op een belastingaanslag als bedoeld in artikel 9 vijfde lid die een te innen bedrag behelst en invorderbaar is in meer dan één termijn op de eerste vervaldag ten minste het bedrag van de belastingaanslag verminderd met het bedrag van de te verlenen betalingskorting is betaald wordt een betalingskorting verleend over het bedrag van de belastingaanslag De te verlenen betalingskorting wordt berekend over de helft van het tijdvak dat aanvangt op de dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende eerste betalingstermijn en eindigt op de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende laatste betalingstermijn 2 Ingeval een belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting is verleend wordt verminderd wordt de betalingskorting teruggenomen over het bedrag van de vermindering doch ten hoogste over het positieve bedrag van die belastingaanslag De terug te nemen betalingskorting wordt berekend over de helft van het tijdvak dat aanvangt op de dag na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak of de dagtekening van de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekendgemaakt en eindigt op de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende laatste betalingstermijn 3 De betalingskorting wordt berekend naar het in artikel 29 bedoelde percentage dat geldt op de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende eerste betalingstermijn Artikel 28 1 Bij overschrijding van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn wordt aan de belastingschuldige rente invorderingsrente in rekening gebracht over het op de belastingaanslag openstaande bedrag met dien verstande dat voor het gehele tijdvak waarover de rente wordt berekend dit bedrag wordt verlaagd ingeval de belastingaanslag wordt verminderd 2 Invorderingsrente wordt niet in rekening gebracht over de tijd voor welke de belastingschuldige krachtens artikel 25 derde vijfde zesde achtste negende elfde of zeventiende tot en met negentiende lid uitstel van betaling is verleend In afwijking in zoverre van de eerste volzin wordt invorderingsrente in rekening gebracht voor zover het krachtens artikel 25 vijfde zesde achtste negende elfde of zeventiende tot en met negentiende lid verleende uitstel door de ontvanger wordt beëindigd of voor zover betaling niet plaatsvindt binnen de termijn waarvoor uitstel van betaling is verleend 3 Invorderingsrente is niet verschuldigd over de tijd voor welke de belastingschuldige uitstel van betaling is verleend als bedoeld in artikel 224 van het Communautair douanewetboek 4 Ingeval bij vermindering van de belastingaanslag het bedrag van de vermindering meer beloopt dan het op de belastingaanslag nog openstaande bedrag wordt aan de belastingschuldige invorderingsrente vergoed over het verschil doch ten hoogste over het bedrag dat op de belastingaanslag is betaald 5 De invorderingsrente wordt enkelvoudig berekend Het begin en het einde van het tijdvak waarover invorderingsrente wordt berekend worden bij algemene maatregel van bestuur bepaald 6 De vorige leden vinden geen toepassing bij een vermindering van de belastingaanslag voor zover die het gevolg is van de verrekening van een verlies van een volgend jaar Artikel 28a 1 Indien de ontvanger een aan een belastingplichtige uit te betalen bedrag niet binnen 6 weken na de dagtekening van de daartoe strekkende belastingaanslag uitbetaalt of verrekent wordt aan de belastingplichtige invorderingsrente vergoed 2 De invorderingsrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na de dagtekening van de tot uitbetaling strekkende belastingaanslag of beschikking en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de betaling In afwijking van de eerste volzin wordt invorderingsrente niet berekend over dagen waarover ingevolge hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen reeds belastingrente is vergoed 3 Invorderingsrente wordt niet vergoed voor zover het aan de belastingplichtige is te wijten dat de uitbetaling niet tijdig is geschied 4 Dit artikel is niet van toepassing op een voorlopige aanslag als bedoeld in artikel 9 vijfde lid die een uit te betalen bedrag behelst als bedoeld in het zesde lid van dat artikel 5 De in het eerste lid bedoelde periode van 6 weken wordt vervangen door een periode van 3 maanden ingeval het betreft de terugbetaling van rechten bij invoer als bedoeld in titel VII hoofdstuk 5 van het Communautair douanewetboek Artikel 28b 1 Indien een belastingaanslag wordt verminderd of herzien tot een lager bedrag dan inmiddels op die aanslag is betaald en de belastingschuldige eerder een verzoek om uitstel van betaling met betrekking tot het door hem bestreden bedrag van die aanslag heeft gedaan dat door de ontvanger bij beschikking is afgewezen wordt aan de belastingschuldige invorderingsrente vergoed 2 De invorderingsrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt de dag na de dag waarop de belastingaanslag waarvoor een verzoek om uitstel van betaling bij beschikking is afgewezen invorderbaar is ingevolge artikel 9 en eindigt 6 weken na de dagtekening van de vermindering of de herziening en heeft als grondslag het terug te geven bedrag Artikel 29 Het percentage van de invorderingsrente in een kalenderkwartaal is gelijk aan de op de eerste werkdag van de tweede kalendermaand voorafgaande aan dat kwartaal door de Europese Centrale Bank voor basisherfinancieringstransacties toegepaste interestvoet de minimale biedrente dan wel indien dit lager is het naar de gemiddelde koers van die dag door Onze Minister berekende ongewogen gemiddelde effectieve rendement van de laatste drie uitgegeven staatsleningen die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5 26 eerste lid van de Wet op het financieel toezicht is verleend waarbij dit effectieve rendement naar beneden wordt afgerond op een vijfvoud van honderdstenprocenten en vervolgens wordt verminderd met 0 5 procentpunt met dien verstande dat het aldus bepaalde percentage van de invorderingsrente vervolgens wordt vermeerderd met 1 50 procentpunt Artikel 30 1 De ontvanger stelt het bedrag van de betalingskorting en van de invorderingsrente vast bij voor bezwaar vatbare beschikking Het bedrag van de betalingskorting wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld of op andere wijze schriftelijk kenbaar gemaakt Het bedrag van de invorderingsrente wordt op het afschrift van de uitspraak of de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekendgemaakt afzonderlijk vermeld of op andere wijze schriftelijk kenbaar gemaakt 2 Op het bezwaar beroep hoger beroep en beroep in cassatie inzake de in het eerste lid bedoelde beschikking is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing Artikel 31 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de bij de berekening van betalingskorting en invorderingsrente toe te passen afrondingen en voor het niet terugnemen van betalingskorting onderscheidenlijk niet in rekening brengen van invorderingsrente die een bij die regeling bepaald bedrag niet te boven gaat Voorts kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot een doelmatige invordering van betalingskorting en invorderingsrente Artikel 31a Onze Minister kan in het kader van een regeling voor onderling overleg op grond van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen Trb 1990 173 de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen afwijkingen toestaan van de artikelen 28 29 30 en 31 Hoofdstuk VI Aansprakelijkheid Afdeling 1 Aansprakelijkheid Artikel 32 1 De bepalingen van dit hoofdstuk laten behoudens voor zover anders is vermeld onverlet het bepaalde met betrekking tot de aansprakelijkheid in enige andere wettelijke regeling 2 De bepalingen van dit hoofdstuk strekken zich mede uit tot in te vorderen bedragen die verband houden met de belasting waarvoor de aansprakelijkheid geldt een en ander voor zover het belopen daarvan aan de aansprakelijke is te wijten Artikel 33 1 In afwijking in zoverre van andere wettelijke regelingen is hoofdelijk aansprakelijk voor de rijksbelastingen verschuldigd door a een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid of een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is ieder van de bestuurders b een niet in Nederland gevestigd lichaam de leider van zijn vaste inrichting in Nederland dan wel zijn in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger c een lichaam dat is ontbonden ieder van de met de vereffening belaste personen met uitzondering van de door de rechter benoemde vereffenaar voor zover het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur met dien verstande dat geen aansprakelijkstelling kan plaatsvinden indien na de ontbinding drie jaren zijn verstreken 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder lichamen verstaan lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en wordt als bestuurder aangemerkt de volledig aansprakelijke vennoot van een maat of vennootschap 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt

    Original URL path: http://www.belastingcollectief.nl/fiscalisten/wetteksten/invorderingswet/invorderingswet-1990 (2016-01-09)
    Open archived version from archive