archive-nl.com » NL » B » BELASTINGDIENSTPENSIOENSITE.NL

Total: 492

Choose link from "Titles, links and description words view":

Or switch to "Titles and links view".
  • Vraag & Antwoord 05-040 Levensloopverlofkorting en omzetting levensloopvoorziening in een pensioenaanspraak
    omzetting levensloopvoorziening in een pensioenaanspraak Vraag Antwoord 05 040 d d 240705 Vraag Heeft de werknemer bij het omzetten van een aanspraak ingevolge een levensloopregeling in een aanspraak op pensioen recht op de levensloopverlofkorting Antwoord Neen Ingevolge de bij de wetsbehandeling gegeven toelichting is de levensloopverlofkorting alleen van toepassing indien en voorzover sprake is van levensloopverlof of een eenmalige beschikking over het levenslooploon op 65 jarige leeftijd of de eerdere

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/VA%2005-040.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive


  • Waarderingsaspecten van pensioenen en lijfrenten
    open indexatie keur ik goed dat deze wordt gesteld op 2 per jaar Nader onderzoek naar de zakelijke overwegingen kan daarbij achterwege blijven Ik merk hierbij op dat voor zover de rekenrente per saldo lager uitkomt dan 4 de artikelen 3 26 tot en met 3 28 van de Wet IB 2001 mee kunnen brengen dat de betaalde premies gedeeltelijk moeten worden geactiveerd B Waardering van pensioen en lijfrenteverplichtingen algemeen B 1 Waardering pensioenverplichtingen in eigen beheer B 1 1 Algemeen Goed koopmansgebruik eist dat pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen worden gewaardeerd met gebruikmaking van de geldende marktrente voor langlopende leningen en de gebruikelijke overlevingstafels ten tijde van het aangaan van de verplichtingen Daarbij geldt dat bij een stijging van de verplichting als gevolg van een verzwaring per saldo van de grondslagen de verplichtingen dienovereenkomstig hoger mogen worden gewaardeerd en bij een nadien optredende verlichting per saldo van die grondslagen de verplichtingen dienovereenkomstig lager moeten worden gewaardeerd doch niet lager dan zij worden gewaardeerd met gebruikmaking van de oorspronkelijk gehanteerde grondslagen vgl HR 28 juni 2000 nr 34 169 HR 23 januari 2004 nr 38 029 en HR 1 september 2006 nr 40 930 B 1 2 Vaststelling marktrente Bij de waardering van in eigen beheer gehouden pensioenverplichtingen kunnen belastingplichtigen gebruik maken van het marktrentebesluit dat ik jaarlijks publiceer Hierbij wordt opgemerkt dat als de marktrente die in dat besluit wordt gegeven lager is dan 4 deze verplichtingen op grond van artikel 3 29 van de Wet IB 2001 moeten worden gewaardeerd met inachtneming van een rekenrente van 4 B 1 3 Sterftegrondslagen De waarderingsregel voor pensioenverplichtingen in eigen beheer van onderdeel B 1 1 wordt ten aanzien van de te hanteren sterftegrondslagen ingeperkt door artikel 8 zesde lid van de Wet VPB Op grond van dit artikel mag geen overlevingstafel worden gehanteerd waarin rekening is gehouden met verwachtingen betreffende toekomstige levensverwachtingen Bovendien mag leeftijdsterugstelling alleen worden toegepast ter correctie van het verschil tussen de gehanteerde overlevingstafel en een overlevingstafel van recentere datum B 1 4 Jaarlagen De grondslagen van de waardering zijn de marktrente en de gebruikelijke overlevingstafels ten tijde van het aangaan van de verplichting Bij elke jaarlijkse aangroei van de pensioenaanspraak is sprake van een nieuwe verplichting Voor de waardering van de nieuwe verplichting moet daarbij worden uitgegaan van de marktrente en de overlevingstafel in het jaar van aangroei Voor elke jaarlaag moeten daarom de eigen marktrente en overlevingstafel worden bijgehouden Omdat dit in de praktijk tot problemen leidt keur ik het volgende goed Goedkeuring ter beperking van het aantal jaarlagen De jaarlijkse aangroei ten gevolge van toename van de diensttijd of aanpassing aan de loon of prijsontwikkeling hoeft niet te worden aangemerkt als het aangaan van een nieuwe verplichting De verplichting mag jaarlijks gewaardeerd blijven tegen de marktrente en de overlevingstafel van het boekjaar waarin de pensioenaanspraak de eerste keer is toegekend Hierbij kan worden uitgegaan van de grondslagen op het einde van dat jaar Daarmee wordt in die gevallen voorkomen dat alsnog verschillende jaarlagen ontstaan Aangroei ten gevolge van andere oorzaken moet als zijnde een nieuwe pensioenverplichting wel worden gewaardeerd tegen de marktrente en de overlevingstafel in het jaar van aangroei Ook pensioenverplichtingen die voortvloeien uit de aanpassing van pensioenregelingen aan de Wet VPL zijn in dit verband nieuwe pensioenverplichtingen B 1 5 Indexatie De in onderdeel B 1 1 genoemde jurisprudentie maakt geen onderscheid tussen nominale en geïndexeerde verplichtingen Het door de Hoge Raad voorgeschreven gebruik van de marktrente geldt ook voor geïndexeerde pensioenen Artikel 3 26 van de Wet IB 2001 verhindert dat bij de bepaling van de winst kosten en lasten in aanmerking worden genomen die samenhangen met de wijzigingen in de hoogte van lonen en prijzen na afloop van het jaar Artikel 3 28 van de Wet IB 2001 geeft specifiek voor pensioenverplichtingen aan wanneer een verband met wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen na afloop van het jaar niet aanwezig wordt geacht Dat is het geval als de kosten en lasten van de pensioenverplichting betrekking hebben op een pensioengrondslag die is gebaseerd op een loon dat niet uitgaat boven het loon bij het einde van het jaar en bij de berekening van die kosten en lasten in feite een rekenrente in aanmerking is genomen van ten minste 4 Als rekening wordt gehouden met een indexatieverplichting en wel zodanig dat het saldo van rekenrente en indexatiepercentage minimaal 4 bedraagt wordt voor de toepassing van artikel 3 26 van de Wet IB 2001 geacht geen rekening te zijn gehouden met indexatie elementen B 2 Waardering verzekerde pensioenverplichtingen B 2 1 Algemeen De verplichtingen van een pensioenlichaam staan tegenover de reeds door hem ontvangen premies of koopsommen Bij het verzekeren van pensioenrechten bij het pensioenlichaam dienen partijen zakelijk te handelen In het vervolg van dit besluit is uitgegaan van zakelijk handelende partijen Verzekerde pensioenverplichtingen zowel ingegane als niet ingegane moeten op de winstbepalende balans worden gewaardeerd tegen de grondslagen van het tarief zoals dat heeft gegolden bij de vaststelling van de ontvangen premies of koopsommen Daarbij geldt dat bij een stijging van de waarde van de verplichting als gevolg van een verzwaring per saldo van de grondslagen de verplichting dienovereenkomstig hoger mag worden gewaardeerd en bij een nadien optredende verlichting per saldo van de grondslagen de verplichting dienovereenkomstig lager moet worden gewaardeerd doch niet lager dan naar de als zakelijk beoordeelde tariefgrondslagen vgl HR 28 juni 2000 nr 34 169 HR 23 januari 2004 nr 38 029 en HR 1 september 2006 nr 40 930 Een pensioenlichaam kan zijn stelsel van winstbepaling zo kiezen dat een pensioenverplichting op de balans wordt gewaardeerd op de hoogste van twee waarden de ene berekend op basis van de grondslagen ten tijde van de overeenkomst de andere berekend op basis van de grondslagen per balansdatum Slechts de fluctuaties in de grondslagen die zijn toe te rekenen aan de periode na het sluiten van de premieovereenkomst respectievelijk de ontvangst van de koopsom zijn relevant voor de waardering van de verplichtingen Als bij het bepalen van de

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20waarderingsaspecten%20pensioenen%20en%20lijfrenten%20030708.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Besluit Waardering van VUT- en aanverwante verplichtingen 17 januari 2006
    dit worden toegestaan Hierbij mag eveneens een leeftijdsterugstelling van 2 jaar worden toegepast 1 6 Praktische toepassing van het reserveringssysteem Ik heb aanleiding gevonden om uitsluitend bij toepassing van het onder 1 5d uiteengezette reserveringssysteem de berekening van de omvang van de voorziening of egalisatiereserve te vereenvoudigen door voorzover nodig het navolgende goed te keuren a Verhoging VUT uitkering Bij een tijdens de reserveringsperiode opgetreden verhoging van de VUT uitkering kan de reserveomvang nadien berekend worden door vermenigvuldiging van het verhoogde VUT bedrag met de geldende tabelfactor b Verlaging VUT leeftijd Bij een tijdens de reserveringsperiode opgetreden verlaging van de VUT leeftijd kan de reservering worden voortgezet op basis van de tabelfactoren behorend bij de nieuw geldende VUT leeftijd met inachtneming van de oorspronkelijke leeftijd bij de aanvang van de reservering Zie Voorbeeld 2 c Rekenrente Zoals is opgemerkt moet bij het berekenen van de reserve uitgegaan worden van de marktrente per balansdatum Hierbij moet op grond van artikel 3 29 van de Wet IB 2001 4 als minimum worden aangehouden Indien een hoger rentepercentage in aanmerking moet worden genomen dan het in de CW tabellen verwerkte percentage van 4 kunnen alleen voor het gebruik van deze tabellen de hierin vermelde factoren worden vermenigvuldigd met een herrekenfactor Deze herrekenfactoren bedragen bij een rentevoet van 5 0 95 bij een rentevoet van 6 0 90 bij een rentevoet van 7 0 85 Indien de marktrente volgens het jaarlijkse marktrentebesluit op één cijfer achter de komma eindigt kan de herrekenfactor door middel van lineaire interpolatie worden berekend Bij een rente van bijvoorbeeld 4 1 bedraagt de herrekenfactor 0 995 bij een rente van 4 2 bedraagt deze factor 0 99 etc d Leeftijd werknemer Bij de berekening van de reserveomvang per de balansdatum kan gerekend worden met de factor in de verticale kolom van de tabel die hoort bij de leeftijd welke de desbetreffende werknemer bereikt zal hebben op het tijdstip dat is gelegen een half boek jaar na de balansdatum Zie Voorbeeld 4 1 7 Andere reserveringsmethoden Bij toepassing van een andere rekenwijze dan het in onderdeel 1 5 d genoemde pseudo koopsomsysteem kunnen desgewenst de standaard blijfkansen toepassing vinden Bij toepassing van een andere methode dan de pseudo koopsommethode dienen de sterftekansen en de blijfkansen op actuarieel technisch verantwoorde wijze in de berekening te zijn verwerkt 1 8 Factoren voor ingegane VUT uitkeringen Voor berekening van de contante waarde van ingegane VUT uitkeringen kunnen indien het gaat om tot aan de 65 jarige leeftijd te verstrekken uitkeringen de volgende factoren per 1 000 per jaar aan VUT uitkering inclusief werkgeverslasten toepassing vinden Bij een rentevoet van 4 5 6 7 8 60 jarige leeftijd 4 419 4 320 4 224 4 133 4 045 61 jarige leeftijd 3 616 3 551 3 487 3 426 3 367 62 jarige leeftijd 2 777 2 739 2 702 2 666 2 631 63 jarige leeftijd 1 897 1 880 1 863 1 846 1 830 64 jarige leeftijd 974 970 965 961 957 Als de VUT regeling is aangepast aan de Wet VPL en op grond van artikel 38c Wet LB sprake is van een actuariële oprenting bij uitstel van de VUT ingangsdatum dient op balansdatum uitgegaan te worden van de na actuariële oprenting verhoogde uitkering 2 Voortgezette pensioenopbouw tijdens prepensioenperiode Tijdens een periode waarin de werknemer prepensioen geniet kunnen pensioengevende dienstjaren worden opgebouwd artikel 10a eerste lid onderdeel e Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 Door de Wet VPL is de mogelijkheid van een fiscaal gefacilieerd prepensioen beperkt tot werknemers die op 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt Daarmee is ook de voortgezette pensioenopbouw tot deze groep beperkt Ingevolge artikel 38d Wet LB worden als aanvullende voorwaarden gesteld dat bij uitstel van de ingangsdatum de prepensioenuitkeringen met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen worden herrekend en dat de prepensioenregeling de mogelijkheid van deeltijdpensioen biedt Het is gebruikelijk dat de werknemer ontslag neemt als het prepensioen feitelijk ingaat Omdat op dat moment de dienstbetrekking wordt beëindigd eisen pensioenfondsen vaak dat de voortgezette pensioenopbouw eenmalig op de ontslagdatum wordt gefinancierd De werkgever dient de voortgezette pensioenopbouw slechts te financieren indien de werknemer daadwerkelijk met prepensioen gaat Als de werknemer in dienst blijft wordt tijdens het voortgezette dienstverband op reguliere wijze pensioen opgebouwd Het is toegestaan dat de werkgever voorafgaande aan de prepensioendatum voor de verwachte koopsom met betrekking tot de voortgezette pensioenopbouw een voorziening vormt Om een voorziening te kunnen vormen moet er op balansdatum een redelijke mate van zekerheid zijn dat de werknemer aansluitend aan zijn huidige dienstbetrekking met prepensioen gaat De opbouw van een voorziening voor de voortgezette pensioenopbouw vertoont gelijkenis met de waardering van een VUT voorziening Evenals bij een VUT voorziening dient daarbij rekening te worden gehouden met de overlevings blijf en deelnamekansen Deze onzekere factoren bepalen of de onderneming daadwerkelijk de koopsommen voor de voortgezette opbouw zal moeten betalen Voor de bepaling van de blijfkansen kan worden aangesloten bij de regels zoals die voor de VUT zijn ontwikkeld In afwijking van onderdeel 1 5 b van dit besluit speelt de deelnamekans wel een rol De koopsom is immers alleen verschuldigd als de werknemer daadwerkelijk met prepensioen gaat De deelnamekans kan zonder nadere toelichting op 80 worden gesteld Evenals bij een VUT regeling kan voor de opbouwperiode van de voorziening worden uitgegaan van een periode van maximaal 15 jaar Buiten die periode is geen sprake van een redelijke mate van zekerheid 3 Bijlagen Bijlage A Standaard blijfkansen Bijlage B 4 voorbeelden Bijlage C tabellen met reservefactoren volgens de pseudo koopsommethode bij een rentevoet van 4 CW 60 tot en met CW 63 4 Inwerkingtreding en vervallen besluiten Dit besluit treedt in werking met ingang van de dagtekening van besluit Met ingang van de dagtekening van dit besluit vervallen de volgende besluiten Besluit van 28 december 1998 nr DB98 4760M Besluit van 12 juli 1999 nr DB99 1835M Besluit van 29 februari 2000 nr DB99 3768M Besluit van 31 maart 2000 nr DB2000 972M Bijlage A paragraaf 1 5

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Waardering%20van%20VUT-%20en%20aanverwante%20verplichtingen%20170106.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Besluit Affinanciering ouderdomspensioen op ingangsdatum prepensioen 31 maart 2000
    van een koopsom in één keer de jaren af die tussen de prepensioendatum liggen en de ingangsdatum van het ouderdomspensioen Het eenmalig storten van een koopsom daarvoor maakt de pensioenregeling naar mijn oordeel niet onzuiver omdat ervan kan worden uitgegaan dat de prepensioengerechtigde de prepensioenperiode vol zal maken Het is daarentegen niet toegestaan dat gedurende de actieve periode reeds de opbouwjaren voor het ouderdomspensioen worden gefinancierd die liggen tussen de prepensioendatum en de ingangsdatum van het ouderdomspensioen De afgefinancierde rechten die de werknemer bij tussentijds ontslag meekrijgt zouden in dat geval méér bedragen dan een tijdsevenredig opgebouwd pensioen Deze vorm van voorfinanciering heeft tot gevolg dat de pensioenregeling niet meer voldoet aan de eisen die zijn neergelegd in de Wet op de loonbelasting 1964 Voorts zou het mogelijk zijn dat het maximale opbouwpercentage per jaar wordt overschreden omdat de opbouwjaren tussen de prepensioendatum en de ingangsdatum van het ouderdomspensioen gedeeltelijk in de opgebouwde rechten gedurende de actieve periode verdisconteerd zitten hetgeen eveneens tot een onzuivere regeling leidt Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en affinanciering De onderneming hoeft het op te bouwen ouderdomspensioen gedurende de prepensioenperiode alleen af te financieren indien de werknemer daadwerkelijk met prepensioen gaat Het is toegestaan dat

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Affinanciering%20ouderdomspensioen%20op%20ingangsdatum%20prepensioen%20310300.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Besluit Pensioenen; niet op het loon ingehouden pensioenbijdragen; voorwaarden voor vrijwillige voortzetting van pensioenopbouw tot 10 jaar na ontslag
    betaalde bijdragen op grond van de Wet IB 2001 als uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn aan te merken In een dergelijk geval kan de belastingplichtige de betaalde premies als zodanig ten laste van het inkomen brengen binnen de maxima die daarvoor gelden op grond van afdeling 3 7 van de Wet IB 2001 3 Vrijwillige voortzetting Voormalige werknemers kunnen over perioden na ontslag van ten hoogste 10 jaar extra pensioen opbouwen zie artikel 10a eerste lid onderdeel c van het UBLB Daarbij is niet relevant of de voormalige werknemers gedurende die perioden een loongerelateerde uitkering ontvangen In die perioden kunnen deze voormalige werknemers bijvoorbeeld een eigen onderneming starten Aan deze mogelijkheid van uitbreiding van de diensttijd verbind ik op grond van voornoemde bepaling de volgende voorwaarden Voorwaarden Verbetering van de pensioenregeling tijdens de vrijwillige voortzetting is slechts toegestaan voor zover het een collectieve verbetering betreft die primair bedoeld is voor de actieve werknemers van de voormalige werkgever niet zijnde de partner van de voormalige werknemer of bloed en aanverwanten in de rechte lijn van de voormalige werknemer of zijn partner De vrijwillige voortzetting kan slechts plaatsvinden voor zover geen cumulatie plaatsvindt met opbouw in een pensioenregeling van een eventuele andere werkgever de vorming van een oudedagsreserve als bedoeld in artikel 3 67 van de Wet IB 2001 of opbouw in een beroeps of bedrijfstakpensioenregeling De uitbreiding van de pensioengevende diensttijd mag niet aanvangen in de periode van drie jaren voorafgaande aan de pensioendatum van de regeling die de voormalige werknemer vrijwillig voortzet Deze beperking is niet van toepassing als hij daadwerkelijk inkomen uit tegenwoordige arbeid geniet of als hij aannemelijk maakt dat hij om medische redenen niet in staat is inkomen uit tegenwoordige arbeid te genereren Het pensioengevend loon voor de vrijwillige voortzetting als bedoeld in artikel 10a eerste lid onderdeel

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20vrijwillige%20voortzetting%20pensioenopbouw%20270412%20%28BLKB2012-157M%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Besluit Pensioenen; vervroegen ingangsdatum pensioenuitkeringen en samenloop met arbeidsinkomsten 30 augustus 2011
    is dat het vervroegen van de reglementaire pensioeningangsdatum onder gelijktijdige voortzetting van de arbeid in beginsel niet verenigbaar is met het karakter van pensioenregelingen en de daaraan gekoppelde fiscale faciliteiten Na het intrekken van het besluit CPP2003 530M is het standpunt inzake doorwerken en bijverdienen bij een vervroegde ingang van de pensioenuitkeringen opgenomen in vraag en antwoord 08 014 op www belastingdienstpensioensite nl Samengevat staat in dit vraag en antwoord dat bij ouderdomspensioen sprake moet zijn van een inkomensvoorziening Het begrip inkomensvoorziening is gebruikt om duidelijk te maken dat de fiscale faciliteit waarbij de aanspraken op ouderdomspensioen worden vrijgesteld erop is gericht om verlies van arbeidsinkomsten op te vangen Voor prepensioen vroegpensioen en overbruggingspensioen geldt hetzelfde Als een werknemer zijn pensioen vervroegd laat ingaan zonder dat hij dienovereenkomstig in arbeidsinkomsten achteruitgaat voldoet de fiscale faciliteit niet meer aan die doelstelling Op grond van artikel 19b eerste lid van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt dan de gehele aanspraak op de vervroegde ingangsdatum belast Het is daarbij niet van belang of de inkomsten afkomstig zijn uit dezelfde dienstbetrekking uit een andere dienstbetrekking of uit enige andere inkomensgenererende activiteit Vervroegde pensionering veronderstelt een einde van het arbeidzame leven Als sprake is van een gedeeltelijke vervroegde pensionering dient de mate van vermindering van het inkomen uit economische activiteiten overeen te komen met het gedeelte waarvoor het pensioen vervroegd ingaat In de praktijk vraagt de pensioenverzekeraar hiervoor een verklaring van de werknemer waarin de werknemer verklaart dat hij zijn arbeidzame leven in dezelfde mate beëindigt als waarin hij vervroegd met pensioen gaat en dat hij niet van plan is die arbeid te hervatten 3 Maatschappelijke ontwikkelingen In de uitvoeringspraktijk blijkt het standpunt belemmerend te werken bij de flexibele invulling van situaties van samenloop van gedeeltelijk vervroegd uittreden in combinatie met doorwerken in deeltijd

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20vervroegen%20en%20doorwerken%20300811.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Besluit Loonheffingen. Pensioenen; opbouw, eigen beheer, aanwijzingen, uitstel pensioendatum en overgangsrecht. Stamrechten
    inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de werkgeversbijdrage levensloopregeling voor werknemers die niet aan de levensloopregeling deelnemen Fictief loon als bedoeld in artikel 12a van de Wet LB hoort echter conform de bestaande praktijk niet tot het pensioengevend loon ook niet als dit naderhand alsnog tot uitbetaling komt 3 2 2 Niet in geld genoten loon Aanspraken en verstrekkingen die tot het loon behoren behoren tot het pensioengevend loon voor de waarde die op grond van de Wet LB tot het fiscale loon behoort Het ter zake van een ter beschikking gestelde auto tot het loon gerekende voordeel hoort echter niet tot het pensioengevend loon zie artikel 10b eerste lid eerste volzin van het UBLB Vrijgestelde aanspraken en verstrekkingen horen niet tot het loon en daarom niet tot het pensioengevend loon Een voorbeeld van een dergelijk vrijgesteld loonbestanddeel is de aanspraak voortvloeiend uit een pensioenregeling of uit een levensloopregeling 3 2 3 Vergoedingen en verstrekkingen Vrije vergoedingen en verstrekkingen behoren niet tot het loon Ze behoren daarom ook niet tot het pensioengevend loon Zie echter onderdeel 4 wat betreft vrije vergoedingen en verstrekkingen in het kader van een ruil van beloningsbestanddelen Een belaste kostenvergoeding of verstrekking behoort wel tot het pensioengevend loon 3 2 4 Ingehouden premies voor pensioen VUT werknemersverzekeringen en levensloopsparen Op het salaris ingehouden bijdragen of premies voor pensioen VUT werknemersverzekeringen en levensloopsparen behoren in het algemeen niet tot het loon zie artikel 11 eerste lid onderdeel j van de Wet LB Dit geldt zowel voor verplichte bijdragen of premies als voor bijdragen voor vrijwillige modules Op grond van het hiervoor uiteengezette wettelijke systeem zou dit betekenen dat deze premies en bijdragen ook niet tot het pensioengevend loon behoren De wetgever beoogde voor het pensioengevend loon echter in zijn algemeenheid aan te sluiten bij het loon in de zin van de Wet LB vóór de toepassing van de in artikel 11 van die wet toegestane inhoudingen zie Kamerstukken II 1997 98 26 020 nr 3 blz 31 Gelet hierop keur ik in overeenstemming met de bestaande praktijk op grond van artikel 63 van de AWR hardheidsclausule het volgende goed Goedkeuring Ik keur goed dat op het loon ingehouden bijdragen of premies voor pensioen VUT werknemersverzekeringen en de levensloopregeling tot het pensioengevend loon behoren De inhouding van deze premies en bijdragen leidt dus niet tot een verlaging van het pensioengevend loon 3 2 5 Eindheffingsbestanddelen Eindheffingsbestanddelen behoren op grond van de wetsystematiek tot het loon Voorwaarde is uiteraard wel dat de desbetreffende eindheffingsbestanddelen individualiseerbaar zijn Ook spaarloon behoort dus tot het pensioengevend loon 3 3 Pensioengevend loon voor de 100 toets in geval van niet regelmatig genoten loon Variabele loonbestanddelen behoren ook tot het pensioengevend loon behalve in een eindloonstelsel zie artikel 10b tweede lid van het UBLB Door het wegvallen of de afname van variabele loonbestanddelen aan het eind van de loopbaan kan het pensioengevend loon in die jaren lager zijn dan het pensioengevend loon in eerdere jaren Dit doet zich vooral voor bij een combinatie van pensioenstelsels binnen één dienstbetrekking waarbij het regelmatige loon de basis vormt voor een eindloonregeling De pensioenopbouw over de variabele delen gebeurt dan in een middelloonregeling of in een beschikbare premiesysteem In dergelijke situaties is een voortgezette pensioenopbouw niet altijd mogelijk als gevolg van de zogenoemde 100 grens zie artikel 18a vierde vijfde en zevende lid van de Wet LB Naar mijn oordeel is het redelijk om die gevolgen in deze situaties te matigen Daarom keur ik voor zover nodig op grond van artikel 63 van de AWR hardheidsclausule het volgende goed Goedkeuring Ik keur voor de hiervoor bedoelde situaties goed dat voor de toetsing aan de zogenoemde 100 grens een verhoging plaatsvindt van het pensioengevend loon Deze verhoging bestaat ten hoogste uit het totaal van de variabele loonbestanddelen waarover in het verleden pensioen is opgebouwd gedeeld door de totale diensttijd Voorbeeld gegevens combinatie van eindloonregeling EL basisregeling en middelloonregeling ML variabele beloningen in de regelingen vastgestelde ingangsdatum ouderdomspensioen OP 65 jaar vaste beloning 25 64 jaar 50 000 per jaar opbouw hierover via EL variabele beloning 25 54 jaar gemiddeld 25 000 per jaar opbouw hierover via ML geen toepassing demotieregeling het voorbeeld houdt omwille van de eenvoud geen rekening met de AOW franchise Uitwerking Leeftijden Soort regeling Opbouw OP 25 54 jr Basis EL 30 2 50 000 30 000 nbsp Variabel ML 30 2 25 25 000 16 875 54 64 jr Basis EL 10 2 50 000 10 000 Totaal OP 65 jaar nbsp nbsp 56 875 Pensioengevend loon op ingangsdatum zonder verhoging 50 000 Pensioengevend loon op ingangsdatum met verhoging 50 000 30 25 000 40 68 750 Dit voorbeeld laat zien dat de opbouw zonder verhoging van het pensioengevend loon al vóór het bereiken van de 65 jarige leeftijd had moeten stoppen wegens het bereiken van de 100 grens In dat geval moet men de uitkering bevriezen of al vóór het bereiken van de 65 jarige leeftijd actuarieel gekort te laten ingaan Door de verhoging van het pensioengevend loon met 18 750 blijft het opgebouwde pensioen in het voorbeeld onder de 100 grens Het voorgaande betekent niet dat in de jaren waarin de variabele beloning is weggevallen of afgenomen opbouw over een hoger pensioengevend loon kan plaatsvinden dan het in dat jaar feitelijk genoten pensioengevend loon De maximale pensioenopbouw per jaar bedraagt in het bovenstaande voorbeeld gedurende die periode dus maximaal 2 50 000 1 000 3 4 Pensioengevend loon bij demotie Het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie demotie kan een loonsverlaging meebrengen Zo n loonsverlaging hoeft geen gevolgen te hebben voor het pensioengevend loon Dat is het geval als de demotie plaatsvindt in de periode die aanvangt tien jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum hierna tienjaarsperiode zie artikel 10b derde lid van het UBLB Dit betekent dat een verlaging van het loon in dit geval niet leidt tot een verlaging van het pensioengevend loon Het voorgaande geldt ook voor de periode na de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum Dit is van belang in het geval van uitstel van de ingangsdatum van het pensioen Het loon dat de werknemer genoot voor aanvang van de demotieperiode mag dus het uitgangspunt blijven voor het pensioengevend loon Het is daarbij mogelijk dat loon te indexeren met de loonindex in de bedrijfstak tijdens de demotieperiode Hierdoor ondervindt de werknemer geen nadeel voor wat betreft zijn pensioen als gevolg van de demotie Dit is in overeenstemming met doel en strekking van artikel 10b derde lid van het UBLB om oudere werknemers zo lang mogelijk aan het arbeidsproces deel te laten nemen Hierbij merk ik nog op dat hoewel in aansluiting op de wettekst het fiscale loon en niet het salaris uitgangspunt is voor het pensioengevend loon het geen bezwaar ontmoet als in aansluiting op de praktijk het loon in geld c q het privaatrechtelijk of publiekrechtelijk overeengekomen salaris uitgangspunt voor de indexatie is 3 5 Pensioengevend loon voor de 100 toets bij vermindering van de omvang van het dienstverband Bij een vermindering van de omvang van het dienstverband zal het totaal van de opgebouwde pensioenaanspraken in veel gevallen hoger zijn dan de fiscaal maximale pensioenaanspraak Dit is alleen anders wanneer de vermindering van werktijd plaatsvindt binnen 10 jaar voor de pensioendatum zie artikel 10a vierde lid van het UBLB Als de overschrijding van de fiscaal maximale pensioenaanspraak alleen het gevolg is van het werken in deeltijd en gedurende de loopbaan de pensioenopbouw steeds fiscaal aanvaardbaar is geweest is deze uitkomst naar mijn oordeel niet gewenst en onredelijk Hierom keur ik op grond van artikel 63 van de AWR hardheidsclausule het volgende goed Goedkeuring Ik keur goed dat in deze situaties voor de toetsing aan de zogenoemde 100 grens herrekening plaatsvindt Dit is een herrekening van het pensioengevend loon op de pensioendatum naar een hoger aanvaardbaar pensioengevend loon door middel van een gewogen deeltijdfactor Het product van de gewogen deeltijdfactor en het naar een voltijdsalaris herrekende pensioengevend loon op de pensioendatum is dan het pensioengevend loon voor de toetsing van de hoogte van de fiscaal maximaal aanvaardbare pensioenaanspraken Voorbeeld Een werknemer werkt eerst 20 jaar voor 100 vervolgens 5 jaar voor 70 en de laatste 15 jaar voor 50 Het feitelijk pensioengevend loon op basis van 50 bedraagt op de pensioendatum 25 000 Uitwerking De gewogen deeltijdfactor bedraagt 20 40 100 5 40 70 15 40 50 50 8 75 18 75 77 50 Het voltijd pensioengevend loon op de pensioendatum zou 100 50 x 25 000 50 000 bedragen Het pensioengevend loon voor de 100 toets van artikel 18a zevende lid van de Wet LB bedraagt dan 77 50 x 50 000 38 750 3 6 Pensioengevend loon bij arbeidsongeschiktheid Bij het vaststellen van het pensioengevend loon mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven voor zover deze het gevolg is van ziekte of arbeidsongeschiktheid zie artikel 10b vierde lid van het UBLB Daarbij mag men het loon dat de arbeidsongeschikte genoot voor aanvang van de arbeidsongeschiktheid indexeren met de loonindex in de bedrijfstak tijdens de arbeidsongeschiktheidsperiode Wettelijk is het fiscale loon en niet het salaris uitgangspunt voor het pensioengevend loon Het ontmoet echter geen bezwaar als in aansluiting op de praktijk het loon in geld c q het privaatrechtelijk of publiekrechtelijk overeengekomen salaris uitgangspunt voor de indexatie is 3 7 Pensioengevend loon in perioden van verlof e d In bepaalde perioden van verlof e d die als diensttijd meetellen komt het voor dat een werknemer geen loon of een lager loon dan voorheen geniet Deze situatie kan zich voordoen in perioden van verlof VUT prepensioen of verzorging of perioden na ontslag zie artikel 10a eerste lid onderdelen a c t m e en g van het UBLB Op grond van de parlementaire behandeling van de Wet fiscale behandeling van pensioenen mag men voor de bepaling van het pensioengevend loon in deze situatie echter uitgaan van het voordien of direct na het verlof genoten loon zie Kamerstukken II 1997 98 26 020 nr 3 blz 30 31 Voor de vraag wanneer een periode van verlof meetelt als diensttijd verwijs ik naar onderdeel 2 2 van dit besluit 3 8 Bereikbaar pensioengevend loon Als de werknemer vóór de pensioendatum overlijdt mag voor het partner en wezenpensioen als uitgangspunt gelden het aantal dienstjaren dat de werknemer tot aan de pensioendatum had kunnen bereiken bereikbare dienstjaren en het bereikbaar pensioengevend loon Het bereikbaar pensioengevend loon is het pensioengevend loon dat de gewezen werknemer binnen de voor hem vastgestelde loopbaanontwikkeling had kunnen bereiken in de functie die door hem werd uitgeoefend Bij de vaststelling van het bereikbaar pensioengevend loon mag men voor de diensttijd vanaf het overlijden tot aan de pensioendatum die bij in leven zijn zou hebben gegolden rekening houden met naar redelijkheid te bepalen niet regelmatig genoten variabele loonbestanddelen Dit variabele loon kan men in ieder geval stellen op het gemiddelde variabele loon van de laatste 5 jaar voor het overlijden 4 Ruil van beloningsbestanddelen 4 1 Inleiding Hierna volgt een verduidelijking van het begrip pensioengevend loon bij toepassing van zogenoemde cafetariaregelingen Dit zijn regelingen op grond waarvan een werknemer een keuze kan maken over de vorm van de te genieten beloning De keuzemogelijkheden doen zich voor in de vorm van geld verstrekkingen in natura kostenvergoedingen of vrije tijd Een cafetariaregeling maakt een onderlinge ruil van deze vormen mogelijk Veel voorkomende keuzemogelijkheden zijn onder meer een fiets voor woon werkverkeer bepaalde kostenvergoedingen vrije dagen kinderopvang vergoeding van vakbondscontributies en aanvullingen op pensioenregelingen In mijn besluit van 5 augustus 2009 nr CPP2009 1458M Stcrt 2009 12167 heb ik over de realiteitswaarde van wijzigingen van beloningen al aangegeven aan welke voorwaarden een ruil moet voldoen om fiscaal erkenning te krijgen In dat besluit heb ik verder vermeld dat een verlaging van het loon bij een dergelijke ruil in het algemeen gevolgen heeft voor de pensioengrondslag Betrokkenen moeten deze consequentie volgens genoemd besluit bewust aanvaarden voor zover het gebruik van de betrokken cafetariaregeling dit meebrengt Als ik hierna het begrip vrije vergoeding vermeld bedoel ik daarmee ook een vrije verstrekking Het begrip verstrekking omvat ook een terbeschikkingstelling 4 2 Verlaging van het pensioengevend loon Een verlaging van het loon bij een ruil van beloningsbestanddelen moet in beginsel leiden tot een aanpassing van het pensioengevend loon Zo moet bijvoorbeeld een omzetting van loon in een vrije vergoeding in beginsel leiden tot een verlaging van het pensioengevend loon omdat de vrije vergoeding niet tot het loon behoort Dit geldt ook als de omzetting plaatsvindt in een andere maand dan de peilmaand Het gebruik van een peilmaand geschiedt immers uit oogpunt van administratieve vereenvoudiging en kan niet het beginsel van een juiste pensioenmaatstaf opzij zetten Het voorgaande geldt ook bij een tijdelijke omzetting in het kader van een cafetariaregeling 4 3 Onder voorwaarden geen verlaging van het pensioengevend loon De onder 4 2 bedoelde verlagingen van het pensioengevend loon kunnen leiden tot omvangrijke en bewerkelijke administratieve aanpassingen bij werkgevers en pensioenuitvoerders Dit is extra bezwaarlijk bij tijdelijke omzettingen Bij een eindloonregeling heeft een dergelijke aanpassing van het pensioengevend loon bovendien ook slechts een tijdelijk effect als de werknemer na één of meer jaren weer zijn oorspronkelijke loon in geld gaat genieten Dit acht ik niet gewenst Daarom keur ik op grond van artikel 63 van de AWR hardheidsclausule het volgende goed Goedkeuring Ik keur voor alle soorten pensioenstelsels onder voorwaarden goed dat een in onderdeel 4 2 bedoelde verlaging van het pensioengevend loon achterwege blijft bij een verlaging van het loon Voorwaarden Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden Er is sprake van een schriftelijk vastgelegde regeling waaraan de deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid van de werkgever Het betreft een regeling waarbij de verlaging van het fiscale loon tijdelijk is dus niet structureel De werknemer moet ten minste één keer per jaar de keuze hebben om de samenstelling van zijn beloning te wijzigen Het betreft de ruil van loon tegen uitsluitend een of meer van de volgende beloningsbestanddelen a vrije vergoedingen op grond van een ruil die voldoet aan de voorwaarden van mijn besluit van 5 augustus 2009 nr CPP2009 1458M Stcrt 2009 12167 b verminderingen van de arbeidstijd tot een maximum van 10 van de overeengekomen arbeidsduur 4 4 Nadere toelichting goedkeuring 4 4 1 Driekwart eis De voorwaarde dat de regeling openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers geldt voor elk beloningsbestanddeel bedoeld in punt 3 van onderdeel 4 3 afzonderlijk Zo moet bijvoorbeeld een ruil van loon voor een verhuiskostenvergoeding in een cafetariaregeling in beginsel open staan voor ten minste driekwart van de werknemers Hieraan doet niet af dat een daadwerkelijke ruil alleen mogelijk is voor werknemers die verhuizen 4 4 2 Vrije vergoedingen Tot de vrije vergoedingen bedoeld in onderdeel 4 3 onder punt 3a behoren vrije vergoedingen in verband met extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst extraterritoriale kosten als bedoeld in artikel 15a eerste lid onderdeel j van de Wet LB 4 4 3 Vermindering van arbeidstijd en deeltijd In onderdeel 4 3 is onder punt 3 de mogelijkheid opgenomen om met gebruik van een cafetariaregeling een tijdelijke vermindering van de arbeidstijd tot een maximum van 10 van de overeengekomen arbeidsduur overeen te komen zonder verplichte verlaging van het pensioengevend loon Deze vermindering van arbeidstijd is niet hetzelfde als het werken in deeltijd waarop onderdeel 3 5 betrekking heeft 4 4 4 Gebruikelijk loon en cafetariaruimte Op grond van artikel 19 van de Wet LB mag het verschil tussen het pensioengevend loon vóór toepassing van de cafetariaregeling de grondslag en het verlaagde pensioengevend loon volgens onderdeel 4 2 niet meer bedragen dan 30 van de grondslag hierna te noemen de cafetariaruimte Voor werknemers die gebruik maken van de demotieregeling van artikel 10b derde lid van het UBLB geldt als grondslag niet het pensioengevend loon dat resulteert na toepassing van de demotieregeling maar het pensioengevend loon zoals dat zou gelden als artikel 10b derde lid van het UBLB geen toepassing zou vinden Verder kan artikel 19 van de Wet LB in voorkomend geval de cafetariaruimte beperken als het gebruikelijke loon in de beroepsgroep van de werknemer hoger is dan zijn loon vóór toepassing van een cafetariaregeling In dat geval zou het verschil tussen het gebruikelijke loon en het feitelijk genoten loon na toepassing van een cafetariaregeling meer kunnen bedragen dan 30 van het gebruikelijke loon Op grond van artikel 19 is er slechts ruimte voor deelname aan een cafetariaregeling zonder aanpassing van de pensioengevende diensttijd voor zover dat systeem een feitelijk genoten loon oplevert dat niet lager is dan 70 van het in de beroepsgroep gebruikelijke loon Om de uitvoeringspraktijk niet onnodig te belasten met het toetsen van de hoogte van het gebruikelijke loon keur ik met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen hardheidsclausule het volgende goed Goedkeuring Ik keur goed dat de werkgever er in de regel van uitgaat dat het gebruikelijke loon gelijk is aan het oorspronkelijke pensioengevend loon zoals omschreven in onderdeel 3 2 hoofdregel De gebruikelijkheidstoets zal dan ook doorgaans achterwege kunnen blijven Dit is slechts anders als de werknemer of zijn partner tevens aanmerkelijkbelanghouder is in de zin van artikel 12a van de Wet LB uitzondering Bij deze werknemers is immers niet zonder meer aannemelijk dat de vaststelling van de hoogte van het salaris op zakelijke gronden heeft plaatsgevonden Bij deze categorie werknemers moet de werkgever op verzoek van de inspecteur aannemelijk kunnen maken dat hij onderdeel 4 3 toepast met inachtneming van de cafetariaruimte Het verschil tussen het gebruikelijke loon en het verlaagde pensioengevend loon op basis van onderdeel 4 2 mag niet groter zijn dan 30 van het gebruikelijke loon 5 Pensioenopbouw in eigen beheer 5 1 Inleiding Artikel 10c van het UBLB bevat voorschriften voor de pensioenopbouw van werknemers van wie de werkgever de pensioenaanspraken geheel of gedeeltelijk in eigen beheer houdt Dat betekent dat de werkgever de pensioenen van deze werknemers niet of niet volledig verzekert bij een externe verzekeraar pensioenfonds of verzekeringsmaatschappij De werknemers zijn veelal directeuren grootaandeelhouders Dit onderdeel geeft de kaders aan voor de vaststelling van de pensioenbijdragen bij eigen beheer Daarnaast besteedt dit onderdeel aandacht aan de verdeling van de pensioenbijdragen over werkgever en werknemer bij eigen beheer 5 2 Vaststelling van de pensioenbijdragen Pensioenbijdragen bij eigen beheer zijn afhankelijk van een deel van de bedrijfseconomische kosten van de pensioenregeling Bij de vaststelling van die kosten spelen de fiscale waarderingsvoorschriften in de sfeer van de winstbepaling in de inkomsten en vennootschapsbelasting geen rol De bedrijfseconomische kosten van de pensioenregeling vallen uiteen in twee categorieën kosten die samenhangen met de door de werknemer verrichte arbeid het gaat hier om de kosten die de werkgever maakt als werkgever kosten die voortvloeien uit het in eigen beheer houden van het pensioen het gaat hier om de kosten die de werkgever maakt als verzekeraar van het pensioen De laatstgenoemde kosten bestaan onder meer uit de kosten van de actuariële oprenting van de waarde van de opgebouwde aanspraken Deze kosten behoren niet tot de pensioenbijdragen als bedoeld in artikel 10c onderdeel b van het UBLB Buiten de gevallen van eigen beheer draagt immers de externe verzekeraar deze kosten De vaststelling van de pensioenbijdragen bij eigen beheer vindt daarom uitsluitend plaats aan de hand van de eerstgenoemde kostencategorie Dat zijn de relevante kosten van de pensioenregeling 5 2 1 Berekening relevante kosten van de pensioenregeling De volgende kaders gelden voor de berekening van de relevante kosten van de pensioenregeling Als de pensioenregeling een eindloonregeling is mag de werkgever eventuele backservicekosten in aanmerking nemen Backservicekosten zijn de kosten van aanpassing van de pensioenaanspraken aan een eventuele loonstijging De werkgever mag de backservicekosten meetellen in het jaar waarin de loonstijging plaatsvindt De werkgever kan de kosten van een recht van de werknemer op een toekomstige aanpassing door indexatie opnemen in de jaarlijkse vaststelling van de pensioenbijdrage Bij een toegekende open indexatie kan de werkgever de hoogte van de jaarlijkse kosten van de pensioenregeling bepalen op basis van de waarde van een pensioen met vaste indexatie dat tussen zakelijk handelende partijen overeengekomen zou zijn ter vervanging van de toegezegde open indexatie vgl HR 14 april 2006 nr 41 569 De omvang van de vervangende fictieve vaste na indexatie kan men zonder nader onderzoek stellen op 2 per jaar 5 2 2 Extern verzekerde pensioenaanspraken Het voorgaande geldt niet voor een eventueel deel van de pensioenaanspraak dat verzekerd is bij een externe verzekeraar bijvoorbeeld een pensioenfonds een verzekeringsmaatschappij een directiepensioenlichaam of een tussen holding Voor dat deel van de aanspraak zijn de kosten gelijk aan de op basis van een zakelijke overeenkomst met de externe verzekeraar bepaalde pensioenbijdragen 5 3 Eigen bijdrage bij inkoop van pensioen De bedragen die de werkgever op grond van de pensioenregeling inhoudt mogen niet hoger zijn dan wat hij zelf aan de regeling bijdraagt zie artikel 10c onderdeel b van het UBLB De achtergrond van die bepaling is het feit dat een dergelijke premieverdeling in collectieve regelingen gebruikelijk is Bij een inkoop van pensioen als bedoeld in artikel 10a eerste lid onderdeel f of artikel 10a tweede lid van het UBLB is echter in collectieve regelingen gebruikelijk dat de werknemer de kosten daarvan volledig zelf draagt Een redelijke toepassing van artikel 18h van de Wet LB brengt dan met zich mee dat bij eigen beheer de werknemer ook een inkoop van pensioen volledig zelf kan dragen door inhouding op zijn loon 6 Uitstel pensioendatum bij doorwerken als ondernemer na einde dienstbetrekking 6 1 Inleiding Als de dienstbetrekking eindigt vóór de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum moet voortvloeiend uit artikel 18a vierde lid onder 1 3 4 en 5 van de Wet LB het pensioen ingaan op de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum als die datum de vroegste is van de in die bepalingen genoemde mogelijkheden Bij de parlementaire behandeling van het genoemde artikel heb ik meegedeeld dat de ingangsdatum van zogenoemde slapersrechten uit een dienstbetrekking mogen worden uitgesteld tot het moment waarop een werknemer in een daaropvolgende dienstbetrekking met een latere pensioendatum met pensioen gaat Deze uitstelmogelijkheid heb ik nader toegelicht in de vragen en antwoorden 10 11 en 12 van mijn besluit van 29 augustus 2003 nr CPP2003 530M Inmiddels is dit besluit ingetrokken maar de daarin ingenomen standpunten zijn nog wel van kracht De desbetreffende vragen en antwoorden 08 045 08 046 en 08 047 zijn opgenomen op www belastingdienstpensioensite nl Uit de vragen en antwoorden blijkt dat een werknemer die na de pensioendatum van zijn eerdere dienstbetrekking in een andere dienstbetrekking doorwerkt de ingangsdatum van het pensioen uit die eerdere dienstbetrekking mag uitstellen Voorwaarde bij elke vorm van uitstel is dat de werknemer in de nieuwe dienstbetrekking niet minder gaat werken Bij een afname van de omvang van het dienstverband in de nieuwe dienstbetrekking overgang naar deeltijdwerk moet het pensioen uit de oude dienstbetrekking naar rato ingaan deeltijdpensioen De praktijk vraagt mij om met toepassing van de hardheidsclausule ook uitstel van de pensioendatum toe te staan bij doorwerken als ondernemer na beëindiging van de dienstbetrekking Ik vind aanleiding die uitstelmogelijkheid onder voorwaarden goed te keuren 6 2 Goedkeuring en voorwaarden Goedkeuring Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR hardheidsclausule onder voorwaarden goed dat de werkzaamheden als ondernemer voor de toepassing van artikel 18a vierde en vijfde lid van de Wet LB worden gelijkgesteld met werkzaamheden in een tegenwoordige dienstbetrekking bij een andere werkgever Deze goedkeuring heeft alleen betrekking op uitstel van de pensioendatum en ziet niet op mogelijkheden tot pensioenopbouw over de perioden van werkzaamheid als ondernemer Voorwaarden Aan deze goedkeuring zijn de volgende zes voorwaarden verbonden De pensioenregeling bevat de mogelijkheid van uitstel en de pensioenuitvoerder is bereid mee te werken aan het uitstel en de daaraan gekoppelde voorwaarden Het aantal werkzame uren is ten minste gelijk aan het aantal uren dat de ondernemer werkzaam was in loondienst Bij een lager aantal werkzame uren moet het pensioen direct ingaan naar de mate van de vermindering van de omvang De ondernemer overlegt aan de pensioenuitvoerder een ondertekende verklaring waaruit blijkt dat hij werkzaam is als ondernemer en in welke mate hij dat is volledig of met deeltijdfactor in procenten uitgedrukt De ondernemer verplicht zich tegenover de pensioenuitvoerder om een structurele vermindering van de omvang van de gewerkte uren door te geven De pensioenuitvoerder administreert en bewaart de onder 3 bedoelde verklaringen Daarbij geldt de fiscale bewaartermijn van artikel 52 vierde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen De pensioenuitvoerder overlegt de verklaringen desgevraagd aan de inspecteur Als de werkzaamheden structureel in omvang afnemen gaat het ouderdomspensioen direct in hetzij volledig hetzij gedeeltelijk naar de mate van de vermindering van de omvang Dit uitgangspunt geldt bij elke verdere vermindering Uitstel is alleen mogelijk is als men vóór de in de pensioenregeling genoemde ingangsdatum om uitstel heeft verzocht Ik vermeld hierbij dat de wettelijke uitgangspunten van artikel 18a vierde lid onder 3 4 en 5 van de Wet LB volledig van kracht blijven De toepassing daarvan ondergaat geen wijziging doordat de voormalige werknemer als ondernemer blijft doorwerken Als bijvoorbeeld het ouderdomspensioen als gevolg van het uitstel het niveau van 100 van het laatste in loondienst genoten pensioengevend loon komt te bedragen voordat de ondernemer de leeftijd van 65 jaar bereikt moet het pensioen op dat moment volledig ingaan In dat geval is uitstel tot 65 jaar alleen toegestaan onder de voorwaarde dat het pensioenniveau volgens de pensioenregeling op 100 wordt bevroren Als het niveau van 100 wordt bereikt nadat de ondernemer 65 is geworden moet het pensioen op dat moment volledig ingaan Ik merk hierbij op dat het laatst genoten loon voorafgaande aan de beëindiging van de dienstbetrekking voor de toepassing van deze 100 toets mag worden aangepast aan de algemene loon of prijsontwikkeling Uiterlijk bij het bereiken van de 70 jarige leeftijd moet het pensioen volledig ingaan De 100 grens moet worden getoetst met inachtneming van het bepaalde in artikel 18a achtste lid van de Wet LB AOW inbouw 7 Aanwijzingen als pensioenregeling 7 1 Inleiding In dit onderdeel geef ik vier aanwijzingen op basis van artikel 19d van de Wet LB De eerste aanwijzing betreft bepaalde pensioenregelingen ingeval van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid onderdeel 7 2 De tweede aanwijzing betreft regelingen waarin een recht op een eenmalige overlijdensuitkering is opgenomen onderdeel 7 3 De derde aanwijzing betreft regelingen met een te hoog partnerpensioen onderdeel 7 4 De laatste aanwijzing geldt voor pensioenvervangende regelingen voor gemoedsbezwaarden onderdeel 7 5 Deze aanwijzingen gelden op grond van de aanhef van artikel 19d van de Wet LB niet bij eigen beheer Ik geef hierna per aanwijzing aan welke voorwaarden ik aan de toepassing ervan verbind 7 2 Aanwijzing van bepaalde pensioenregelingen waarbij de vrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is ingegaan 7 2 1 Inleiding In de uitvoeringspraktijk bestaat behoefte aan verduidelijking over de pensioenopbouw in geval van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid In het bijzonder gaat het om situaties waarin de premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid al is ingegaan Hierbij is het de vraag welke gevolgen een wijziging van de fiscale regels heeft voor de desbetreffende pensioenregeling Veel pensioenregelingen voorzien door middel van een verzekeringsovereenkomst in een recht op premievrije voortzetting van de pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid In zulke gevallen komt de voortzetting van de pensioenopbouw al naar gelang de mate van arbeidsongeschiktheid geheel of gedeeltelijk voor rekening van de verzekeraar Bij wijziging van de fiscale regels moeten bestaande pensioenregelingen worden aangepast Dit geldt ook voor pensioenregelingen waarbij de premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid al is ingegaan Het recht op premievrije pensioenopbouw wegens arbeidsongeschiktheid is echter vaak geformuleerd als een recht op voortzetting van de betaling van vaststaande premiebedragen voor pensioenopbouw voor rekening van de verzekeraar Dit betekent dat in de gevallen waarin de premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid al is ingegaan de verplichtingen van de verzekeraar en de rechten van de arbeidsongeschikte werknemer vaststaan In die gevallen kan aanpassing van de pensioenregeling voor arbeidsongeschikten tot aanzienlijke bezwaren voor de uitvoeringspraktijk leiden 7 2 2 Aanwijzing Gelet op het voorgaande wijs ik op grond van artikel 19d van de Wet LB en in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder voorwaarden de in onderdeel 7 2 1 derde alinea bedoelde pensioenregelingen voor de hierna bedoelde gevallen en onder de volgende voorwaarden aan als pensioenregeling Deze aanwijzing vervalt als de pensioenregeling van de werkgever wordt gewijzigd en deze wijziging ook van toepassing is op de premievrije pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid Gevallen waarop deze aanwijzing van toepassing is Het betreft een pensioenregeling die voor de arbeidsongeschikte werknemers niet is aangepast in de volgende gevallen Aanpassing aan de Wet fiscale behandeling van pensioenen Het gaat hier om op 1 juni 1999 bestaande pensioenregelingen waarbij de periode van premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid is ingegaan uiterlijk op 1 juni 2004 of de eerdere datum waarop de pensioenregeling op meer dan ondergeschikte punten is gewijzigd Aanpassing aan de Wet VPL Dit betreft op 31 december 2004 bestaande pensioenregelingen waarbij de periode van premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid is ingegaan uiterlijk op 31 december 2005 Hiermee geef ik invulling aan de toezegging van de staatssecretaris van Financiën aan de Eerste Kamer Handelingen I 2005 06 nr 13 blz 614 Voor de goede orde merk ik nog op dat deze aanwijzing niet geldt als de periode van premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid is ingegaan na 31 december 2005 In dat geval moet de regeling ook voor de arbeidsongeschikte werknemers direct aan de Wet VPL voldoen Dit is alleen anders als artikel 38h van de Wet LB van toepassing is Aanpassing moet dan uiterlijk 31 december 2006 hebben plaatsgevonden Voorwaarden Onderdeel van de pensioenregeling is een verzekeringsovereenkomst die voorziet in een recht op premievrije voortzetting van de pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid De premies komen dan voor rekening van de pensioenverzekeraar Afgezien van een eventuele indexatie staat de omvang van de premievrijstelling vast op de datum waarop de periode van premievrijstelling ingaat Een eventueel overeengekomen indexatie van de vrijgestelde premies vindt plaats volgens een gebruikelijke fiscaal aanvaardbare loon of prijsindex Bij een latere verlaging van de mate van arbeidsongeschiktheid geldt de aanwijzing alleen voor de in samenhang daarmee te verlagen opbouw van pensioenrechten met de bijbehorende premievrijstelling Wellicht ten overvloede merk ik op dat bij een latere verhoging van de mate van arbeidsongeschiktheid de premievrije pensioenopbouw die samenhangt met de verhoging van de premievrijstelling moet voldoen aan de fiscale regels zoals die luiden ten tijde van die verhoging 7 3 Aanwijzing van pensioenregelingen met rechten op eenmalige overlijdensuitkeringen Pensioenregelingen kunnen recht geven op een eenmalige uitkering aan nabestaanden van een pensioengerechtigde Dit recht valt niet onder de uitzonderlijke gevallen van restbegunstiging van artikel 18 eerste lid onderdeel a van de Wet LB In de praktijk blijkt dat het vaak moeilijk is om te bepalen of het recht een aparte aanspraak vormt die omwille van de eenvoud in de pensioenregeling is opgenomen of dat het gaat om een integraal onderdeel van die pensioenregeling In het laatste geval zou een recht op een dergelijke uitkering tot gevolg kunnen hebben dat de pensioenregeling niet geheel voldoet aan de Wet LB Dit is uit maatschappelijk oogpunt ongewenst Hierbij is ook van belang dat de Wet LB buiten de pensioensfeer een aparte vrijstelling kent voor dergelijke rechten en de daaruit voortvloeiende uitkeringen zie artikel 11 eerste lid onderdelen i en m van de Wet LB In verband met het voorgaande wijs ik voor zover nodig en in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de volgende pensioenregelingen aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB Dit betreft pensioenregelingen die een recht kennen op eenmalige uitkeringen of verstrekkingen als bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdeel m van de Wet LB Ik doe dat onder de hierna vermelde voorwaarden Een redelijke wetsuitleg brengt verder mee dat de uitkeringen die uit het recht voortvloeien onder dezelfde voorwaarden niet tot het loon behoren en vrijgesteld zijn van de inhouding van loonheffing premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet Voorwaarden Aan de aanwijzing verbind ik de volgende twee voorwaarden Het in de pensioenregeling opgenomen recht op een eenmalige overlijdensuitkering voldoet samen met eventuele andere overeenkomstige aanspraken jegens de voormalige werkgever aan de voorwaarden voor vrijstelling zie artikel 11 eerste lid onderdeel m van de Wet LB Dit betekent onder meer dat de eenmalige uitkeringen en verstrekkingen van de pensioenuitvoerder en de voormalige werkgever samen niet hoger mogen zijn dan driemaal het loon over een maand De pensioenregeling voldoet voor het overige aan de eisen die de Wet LB daaraan stelt of is voor het overige aangewezen als pensioenregeling in de zin van de Wet LB 7 3 1 Overgangsrecht De aanwijzing geldt ook en onder dezelfde voorwaarden voor VUT regelingen waarop artikel 38c van de Wet LB van toepassing is 7 4 Aanwijzing pensioenregelingen die voorzien in het terugvloeien van bijzonder partnerpensioen Een aantal pensioenregelingen voorziet in een te hoog partnerpensioen Dit betreft de volgende situatie Na scheiding krijgt de ex partner een bijzonder partnerpensioen toegekend Op het aan een nieuwe partner toe te kennen recht op partnerpensioen komt het aan de ex partner s toegekende bijzondere partnerpensioen op grond van artikel 18b van de Wet LB in mindering De betrokken pensioenregelingen bepalen echter dat het bijzondere partnerpensioen niet in mindering komt op het partnerpensioen van de nieuwe partner als de ex partner overlijdt vóór de pensioengerechtigde leeftijd Vanwege de geringe afwijking die een dergelijke regeling meebrengt wijs ik voor zover nodig en in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder voorwaarden aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB pensioenregelingen die voorzien in een partnerpensioen waarop niet in mindering komt het bijzondere partnerpensioen als de ex partner overlijdt vóór de pensioengerechtigde leeftijd Voorwaarden Aan de aanwijzing verbind ik de voorwaarde dat de pensioenregeling voor het overige voldoet aan de eisen die de Wet LB daaraan stelt of voor het overige is aangewezen als pensioenregeling in de zin van de Wet LB 7 5 Aanwijzing pensioenvervangende regelingen voor gemoedsbezwaarden Dit onderdeel behandelt pensioenvervangende spaarregelingen voor gemoedsbezwaarden met een ontheffing als bedoeld in artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen In overeenstemming met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wijs ik onder voorwaarden pensioenvervangende regelingen van of voor gemoedsbezwaarden aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB De aanwijzing geldt voor pensioenvervangende regelingen van gemoedsbezwaarde werkgevers die geen pensioenovereenkomst willen sluiten met hun werknemers niet gemoedsbezwaarde werkgevers ten behoeve van gemoedsbezwaarde werknemers Voorwaarden Aan de aanwijzing verbind ik de volgende tien voorwaarden Toepasselijk recht Op de regeling zijn de bepalingen van hoofdstuk IIB en hoofdstuk VIII van de Wet LB van overeenkomstige toepassing Dit is alleen anders voor zover de aard van een pensioenvervangende regeling zich daartegen verzet of als de hierna volgende voorwaarden anders bepalen Wijze van opbouw De opbouw van pensioenvervangende uitkeringen gebeurt op basis van te storten spaarbedragen Hoogte spaarbedragen De spaarbedragen zijn gelijk aan de pensioenpremies voor niet gemoedsbezwaarde werknemers Hoogte spaarbedragen bij afwezigheid pensioenregeling Als de werkgever alleen een pensioenvervangende regeling voor gemoedsbezwaarden heeft ontbreekt de vergelijkingsmaatstaf van voorwaarde 3 In dat geval zijn de spaarbedragen ten hoogste gelijk aan de premiebedragen op basis van de beschikbare premiestaffels van bijlage I tabel 1 bij het besluit van 21 december 2009 nr CPP2009 1487M In deze staffels is geen kostenopslag verwerkt De werkgever kan de eventueel verschuldigde werkelijke kosten voor de pensioenvervangende regeling afzonderlijk voldoen De kostenvergoeding kunnen partijen niet aanwenden voor hogere spaarbedragen Verzekeraar De werkgever stort de spaarbedragen op een rekening ten name van de werknemer bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel a van de Wet LB Uitkering De verzekeraar keert het gespaarde bedrag uit in gelijke termijnen vanaf de pensioeningangsdatum in de pensioenregeling Er blijft in deze en de volgende voorwaarden sprake van gelijke termijnen bij variaties overeenkomstig artikel 18d eerste lid onderdelen a en b en derde lid van de Wet LB De uitkeringsperiode is ten minste 15 en ten hoogste 25 jaar Bij afwezigheid van een pensioenregeling van de werkgever geldt een door de Wet LB toegestane ingangsdatum Overlijden werknemer vóór pensionering Als de uitkeringsgerechtigde werknemer overlijdt voordat de pensioenvervangende uitkeringen zijn ingegaan geldt het volgende de verzekeraar keert het gespaarde bedrag uit in gelijke termijnen aan de partner als

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Pensioenen%20en%20stamrechten%20090910.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Buitenlandse sociale verzekeringen
    het in artikel 3 80 van de Wet IB 2001 bedoelde loon behoren en de desbetreffende inhoudingen op het loon in mindering komen In de aanvullende toelichting bij de aangifte inkomstenbelasting Als u in Nederland woonde maar in België werkte is een schema opgenomen waarmee het Belgische loon kan worden omgerekend naar Nederlands loon Deze aanvullende toelichting kan via www belastingdienst nl worden gedownload In bepaalde gevallen houden ook Nederlandse werkgevers RSZ premie in en dragen deze af aan de Belgische instanties voor sociale zekerheid Deze premie wordt fiscaal op dezelfde wijze behandeld als premie die Belgische werkgevers inhouden Op aanslag betaalde RSVZ bijdrage Bestuurders van een Belgische onderneming vallen onder het sociaal statuut der zelfstandigen Zij moeten zich aansluiten bij een socialeverzekeringsfonds Bij hen wordt geen RSZ premie ingehouden maar een bijdrage op aanslag geheven Deze op aanslag betaalde bijdrage is naar aard en strekking vergelijkbaar met de bij werknemers ingehouden RSZ premie Hiervoor onderdeel d heb ik het standpunt ingenomen dat de met het rust en overlevingspensioen verband houdende aanspraken en inhoudingen niet tot het in artikel 3 80 van de Wet IB 2001 bedoelde loon behoren Over de jaren tot en met 2000 konden deze bestuurders het deel van de RSVZ bijdrage dat betrekking had op het rust en overlevingspensioen als beroepskosten in aanmerking nemen Vanaf 1 januari 2001 is een einde gekomen aan de beroepskostenaftrek Met de belastingherziening 2001 is echter niet beoogd een wijziging aan te brengen in de behandeling van de op aanslag betaalde RSVZ bijdrage Ik heb daarom het volgende goedgekeurd Goedkeuring Ik keur goed dat belanghebbenden het deel van de op aanslag betaalde RSVZ bijdrage dat betrekking heeft op het rust en overlevingspensioen als negatief loon in aanmerking kunnen nemen De bijdrage voor het rust en overlevingspensioen kan worden gesteld op 63 van de verschuldigde RSZ premie Dit percentage is afgeleid uit het gedeelte van de RSZ premie dat bij werknemers als eigen bijdrage of vrijgestelde aanspraak niet tot het loon wordt gerekend 23 59 ten opzichte van de in totaal door de werkgever verschuldigde premie 37 94 Waardering Belgische ziektekostenaanspraken In het besluit van 9 januari 2001 nr CPP2000 2594M is een goedkeuring gegeven voor het onder bepaalde voorwaarden maximeren van Belgische ziektekostenaanspraken op grond van het waarderingsvoorschrift van artikel 58 van de Uitv reg LB 2001 Dit artikel is met de invoering van de Zvw komen te vervallen Wel is onder de Zvw net als onder de voormalige Nederlandse ziekenfondsverzekering de verschuldigde bijdrage feitelijk gemaximeerd Aan de behoefte om de Belgische ziektekostenaanspraken te relateren aan het maximum van de Zvw is derhalve geen wijziging gekomen Ik keur daarom het volgende goed Goedkeuring Ik keur vooruitlopend op de totstandkoming van een wettelijke regeling goed dat de waarde die werknemers die vallen onder de Nederlandse fiscale wetgeving ontlenen aan Belgische ziektekostenaanspraken wordt gemaximeerd Het maximum bedraagt het gezamenlijke bedrag van de voor dat jaar geldende standaardpremie volgens artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag welke standaardpremie tweemaal in aanmerking wordt genomen als sprake is van een meeverzekerd gezinslid en het voor dat jaar geldende maximale bedrag van de inkomensafhankelijke bijdrage volgens hoofdstuk 5 van de Zvw Met ingang van 1 januari 2006 wordt de Belgische ziektekostenaanspraak voor de Wet IB 2001 gewaardeerd op de bedragen die bij een derde worden gestort om de aanspraak te dekken artikel 18 van de Uitv reg LB 2001 De waarde is dan gelijk aan 7 35 van het brutoloon Daarbij wordt opgeteld de tot het loon behorende aanspraken met betrekking tot de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid 27 4 3 Bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid De bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid die in België wordt geheven is bestemd voor de sociale zekerheid als geheel en is dus niet toe te rekenen aan een bepaalde tak van de sociale zekerheid Bij de herleiding van Belgisch loon naar Nederlands loon kan deze bijdrage in mindering worden gebracht voor zover zij kan worden toegerekend aan aanspraken die niet tot het loon behoren De niet tot het loon behorende aanspraken worden gesteld op 73 van de bijzondere bijdrage Bovenstaande behandeling van de op het loon ingehouden bijzondere bijdrage sociale zekerheid geldt niet alleen voor grensarbeiders maar ook voor andere werknemers die in België verzekerd zijn en in Nederland belastingplichtig zijn De overige 27 van de bijzondere bijdrage behoort tot het loon maar telt mee bij de maximering van de Belgische ziektekostenaanspraak 4 4 Belgische hospitalisatieverzekering De Belgische hospitalisatieverzekering is een aanvullende verzekering voor kosten ter zake van ziekenhuisopname en bepaalde kosten voorafgaand of volgend op ziekenhuisopname Bij sommige ziekenfondsen zijn er mogelijkheden tot verdere uitbreiding van de dekking van ziektekostenrisico s Zowel de werkgever als de werknemer kan de verzekering afsluiten De inhoud van de verzekering kan in overleg met de verzekeringnemer en de verzekeraar worden bepaald De premie voor de hospitalisatieverzekering die door de werknemer wordt betaald is niet aftrekbaar De aanspraak van de werknemer op de hospitalisatieverzekering valt op grond van artikel 10 van de Wet LB 1964 onder het loon Artikel 11 eerste lid onderdeel l van de Wet LB 1964 is daarbij niet van toepassing Volgens artikel 18 van de Uitv reg LB 2001 wordt deze aanspraak gewaardeerd op de bedragen die bij een derde worden gestort om de aanspraak te dekken De waarde kan worden veminderd met de bij de werknemer ingehouden premie 4 5 Vlaamse zorgverzekerin De Vlaamse zorgverzekering geeft recht op een tegemoetkoming in de niet medische hulp en dienstverlening Wordt de verzekerde ernstig en langdurig hulpbehoevend dan kan hij een maandelijkse tegemoetkoming krijgen om de niet medische kosten te betalen De Vlaamse zorgverzekering valt onder de bepalingen van Verordening EEG nr 1408 71 Inwoners van Nederland die Belgisch sociaal verzekerd zijn wegens actuele of vroegere tewerkstelling in het Nederlandse taalgebied al dan niet in combinatie met tewerkstelling in andere Belgische taalgebieden zijn verplicht zich aan te sluiten bij de Vlaamse zorgverzekering Inwoners van Nederland die Belgisch sociaal verzekerd zijn wegens actuele of vroegere tewerkstelling in het tweetalige gebied

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20CPP2009-93M.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive



  •