archive-nl.com » NL » B » BELASTINGDIENSTPENSIOENSITE.NL

Total: 492

Choose link from "Titles, links and description words view":

Or switch to "Titles and links view".
  • Besluit Internationale aspecten van pensioenen (besluit van 31 januari 2008 nr. CPP2007/98M, Stcrt. nr. 27
    naar Nederland overdragen Het gaat hier om andere waardeoverdrachten dan die zijn geregeld in artikel 10a eerste lid onderdeel f van het UBLB De buitenlandse pensioenuitvoerder is doorgaans een volgens de Nederlandse regels niet toegelaten verzekeraar Op grond van de pensioenovereenkomst kent de Nederlandse werkgever aan de werknemer pensioenaanspraken toe in de Nederlandse pensioenregeling als tegenprestatie voor het ontvangen kapitaal Dit zijn aanspraken die worden verleend over dienstjaren die de Nederlandse regelgeving fiscaal niet erkent Ze worden immers niet genoemd in artikel 10a van het UBLB De gehele pensioenaanspraak komt daardoor mogelijk in strijd met de algemene regels voor fiscale faciliëring Dit acht ik in een aantal gevallen ongewenst Daarom volgt hierna voor die gevallen een aanwijzing als pensioenregeling Aanwijzing Voor zover nodig wijs ik de volgende pensioenregelingen aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB Het betreft pensioenregelingen van werknemers die pensioenkapitaal vanuit het buitenland laten overdragen aan de pensioenverzekeraar van hun Nederlandse pensioenregeling Aan deze aanwijzing verbind ik de volgende voorwaarden De buitenlandse pensioenuitvoerder draagt het pensioenkapitaal rechtstreeks over aan de pensioenverzekeraar De Nederlandse werkgever kent niet meer pensioenrechten toe dan hetgeen overeenkomt met het overgedragen kapitaal Na de waardeoverdracht blijft de regeling in alle overige opzichten voldoen aan de van toepassing zijnde bepalingen van de Wet LB De werknemer pleegt in verband met de waardeoverdracht geen enkele aftrek op enig in Nederland belastbaar inkomen van hem of zijn partner Toelichting op voorwaarde b Als men het kapitaal inbrengt in een pensioenregeling die is gebaseerd op een eindloonstelsel kan de werkgever aan de werknemer fictieve dienstjaren toekennen overeenkomend met het bedrag van het kapitaal Is sprake van een middelloonstelsel dan kan de werknemer voor het kapitaal een extra pensioenbedrag inkopen Bij een beschikbare premiestelsel dient het overgedragen kapitaal als premie voor een toekomstig pensioen 2 4 Uitkeringen ingevolge Nederlandse pensioenaanspraken waarvoor de werknemer tijdens de opbouw in het buitenland geen fiscale tegemoetkoming heeft genoten Pensioenuitkeringen uit een Nederlandse pensioenregeling die voldoet aan de regels voor fiscale faciliëring zijn belast volgens artikel 10 eerste lid van de Wet LB Daar staat tegenover dat de verworven aanspraken tijdens de opbouw zijn vrijgesteld en dat de premies aftrekbaar zijn Het komt voor dat werknemers in het buitenland pensioen blijven opbouwen in een Nederlandse pensioenregeling die wel voldoet aan de Nederlandse fiscale regels maar niet aan de buitenlandse Deze situatie kan zich voordoen als een werknemer tijdelijk in het buitenland gaat werken onder voortzetting van zijn Nederlandse pensioenregeling bij de pensioenverzekeraar van die regeling Het gevolg hiervan kan zijn dat de werknemer in het buitenland geen vrijstelling en geen premieaftrek krijgt tijdens de opbouw De uitkeringen uit die regeling worden evenwel na terugkeer in Nederland normaal belast volgens artikel 10 eerste lid van de Wet LB Er is in dat geval dus sprake van economische dubbele heffing Dit geeft mij aanleiding het volgende goed te keuren Goedkeuring Met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen keur ik goed dat in deze situatie een deel van de pensioenuitkeringen buiten de heffing van loon en inkomstenbelasting blijft Het betreft het bedrag van de voor en door de werknemer betaalde bijdragen terzake van de buitenlandse arbeid Voorwaarde is dat de werknemer voor deze bijdragen in het buitenland geen fiscale tegemoetkoming heeft ontvangen Ik verbind aan deze wetstoepassing de voorwaarde dat belanghebbende desgevraagd aannemelijk maakt dat in verband met de verkrijging van de pensioenaanspraken in het buitenland daadwerkelijk belasting is geheven die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting Onder een daadwerkelijke heffing versta ik ook het achterwege zijn gebleven van premieaftrek bij de werknemer Uitwerking en voorbeelden Een cijfermatige uitwerking met voorbeelden van toepassing bij verschillende pensioenstelsels is te vinden op www belastingdienstpensioensite nl 3 Uitgaande werknemers 3 1 Inleiding In dit onderdeel ga ik in op twee situaties die op pensioengebied kunnen voorkomen als een werknemer in het buitenland gaat werken uitgaande werknemer De werknemer wenst de deelneming in de Nederlandse pensioenregeling tijdens zijn verblijf in het buitenland voort te zetten onderdeel 3 2 Op verzoek van de werknemer vindt een overdracht van het pensioenkapitaal waardeoverdracht plaats van de pensioenverzekeraar aan een buitenlandse fiscaal niet toegelaten pensioenuitvoerder onderdeel 3 3 In situatie a kan de vraag ontstaan in welke gevallen Nederland de voortgezette regeling nog fiscaal facilieert Bij situatie b is van belang dat de wet de mogelijkheid biedt voorwaarden te stellen aan de overdracht Van deze mogelijkheid maak ik in dit besluit gebruik Indien de betrokkenen bij een overdracht niet aan die voorwaarden voldoen kan de overdracht een belaste afkoop vormen 3 2 Voortzetting Nederlandse pensioenregeling in het buitenland Ik heb in de besluiten van 16 april 2001 nr RTB2001 1325M en 24 juli 2002 nr CPP2002 1073M antwoord gegeven op vragen over de mogelijkheden van voortzetting Deze antwoorden betreffen rechtstreekse wetstoepassing Zie onderdeel 1 onder b van dit besluit 3 3 Waardeoverdracht aan een fiscaal niet toegelaten pensioenuitvoerder Dit onderdeel behandelt de waardeoverdrachten op verzoek van een werknemer door een pensioenverzekeraar aan een fiscaal niet toegelaten pensioenuitvoerder Het gaat om overdrachten vanuit een Nederlandse pensioenregeling aan een buitenlandse pensioenuitvoerder of aan een in Nederland gevestigde uitvoerder van de pensioenregeling van een internationale organisatie De overnemende pensioenuitvoerder is geen toegelaten pensioenverzekeraar als bedoeld in artikel 19a eerste lid van de Wet LB In bepaalde gevallen kan een dergelijke overdracht zonder loonheffingen plaatsvinden op grond van artikel 19b zesde lid van de Wet LB De bepaling betreft de aanvaarding van een dienstbetrekking buiten Nederland of bij een internationale organisatie in Nederland Dit onderdeel bevat de uitwerking van de in het artikel bedoelde voorwaarden Onderdeel 3 3 1 behandelt de voorwaarden voor de overdrachten in het algemeen van pensioenkapitaal aan buitenlandse fiscaal niet toegelaten pensioenuitvoerders Daarna volgen twee soorten overdrachten waarvoor afwijkende specifieke regels gelden Het gaat in de eerste plaats om de overdrachten van pensioenkapitaal aan de pensioenuitvoerder van de EU of de ECB onderdeel 3 3 2 Daarna volgen in onderdeel 3 3 3 de overdrachten aan de pensioenuitvoerders van internationale organisaties zowel die in Nederland als die in het buitenland Ter vermindering van de administratieve lasten heb ik de voorwaarde van akkoordverklaring met de hoogte van het over te dragen pensioenkapitaal beperkt Die voorwaarde geldt nu alleen nog voor overdrachten door een lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel d van de Wet LB Het gaat dan om een lichaam dat een pensioenovereenkomst met een directeur grootaandeelhouder uitvoert Voor zover nodig heb ik voorts de voorwaarden voor overdracht aangepast aan de wet en regelgeving rond de PW Daarbij beoog ik een gelijke fiscale behandeling van pensioenverzekeraars die wel en pensioenverzekeraars die niet onder de PW vallen 3 3 1 Waardeoverdracht in het algemeen Op grond van artikel 19b zesde lid van de Wet LB verleen ik de voorzitter de bevoegdheid ermee in te stemmen dat een waardeoverdracht aan een buitenlandse pensioenuitvoerder zonder loonheffingen geschiedt Daarbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage III van dit besluit 3 3 2 Waardeoverdracht aan een pensioenuitvoerder van de EU of de ECB Ik ben met de Europese Commissie en de ECB zogenoemde working arrangements overeengekomen Deze arrangements zijn mede tot stand gekomen in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 20 maart 1986 zaak 72 85 gepubliceerd in Jurisprudentie van het Hof van Justitie 1986 3 blz 1219 e v De arrangements regelen de fiscale consequenties van waardeoverdrachten aan een pensioenuitvoerder van de Europese Unie of de ECB Daarbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage IV van dit besluit Deze voorwaarden en bijzonderheden zijn grotendeels overgenomen uit de arrangements Indien een pensioenverzekeraar een waardeoverdracht pleegt aan een pensioenuitvoerder van de EU of de ECB dient deze overdracht te voldoen aan de voorwaarden en bijzonderheden uit die bijlage In dat geval kan de waardeoverdracht zonder loonheffingen geschieden Instemming van de voorzitter is dan niet noodzakelijk 3 3 3 Waardeoverdracht aan een pensioenuitvoerder van een internationale organisatie Een uitgaande werknemer kan een dienstbetrekking aanvaarden bij een internationale organisatie die al dan niet in Nederland is gevestigd Ik verleen de voorzitter de bevoegdheid ermee in te stemmen dat een waardeoverdracht aan de pensioenuitvoerder van die internationale organisatie zonder loonheffingen geschiedt Daarbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage V van dit besluit Voor de goede orde merk ik op dat overdrachten aan de pensioenuitvoerders van de EU of de ECB niet onder dit onderdeel vallen maar onder onderdeel 3 3 2 4 Overgangsrecht Inkomende werknemers als bedoeld in onderdeel 2 2 kunnen een rechtstreeks beroep doen op dit besluit als hun detachering of tewerkstelling begint bij of na de inwerkingtreding van dit besluit Als hun detachering of tewerkstelling eerder begon geldt het volgende Bestaande aanwijzingen blijven als hoofdregel van kracht Bestaande aanwijzingen zijn aanwijzingen op grond van het besluit van 24 september 2002 nr CPP2002 1640M zie ook onderdeel 5 Als DNB de ontheffing heeft verleend als bedoeld in voorwaarde 2 3 van dat besluit eindigt de aanwijzing 5 jaar na de aanvangsdatum van de ontheffing Anders dan voorwaarde 2 4 van dat besluit vermeldt geldt dit derhalve ook als DNB slechts ontheffing heeft verleend voor de periode tot 1 januari 2007 Werknemers die dat wensen kunnen de voorzitter verzoeken om een bestaande aanwijzing te wijzigen in een nieuwe aanwijzing op grond van dit besluit De nieuwe aanwijzing geldt met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit tot aan de datum waarop de bestaande aanwijzing zou vervallen Het is ook mogelijk dat werknemers bij de inwerkingtreding van dit besluit nog geen verzoek hebben gedaan om aanwijzing volgens besluit CPP2002 1640M Ook zij kunnen desgewenst de voorzitter verzoeken om toepassing van dit besluit In dat geval geldt de aanwijzing met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit tot aan het einde van de termijn van 5 jaar van hun detachering of tewerkstelling 5 Ingetrokken regelingen De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit besluit van 20 december 2000 nr CPP2000 3178M besluit van 21 december 2000 nr CPP2000 2971M besluit van 16 april 2001 nr RTB2001 1325M besluit van 17 januari 2002 nr CPP2001 3181M besluit van 16 juli 2002 nr CPP2002 192M besluit van 24 juli 2002 nr CPP2002 1073M besluit van 6 augustus 2002 nr CPP2002 784M besluit van 24 september 2002 nr CPP2002 1640M besluit van 22 januari 2004 nr CCP2003 200M 6 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst Den Haag 31 januari 2008 de staatssecretaris van Financiën namens deze de directeur generaal Belastingdienst mr J Thunnissen Bijlage I bij besluit CPP2007 98M inzake internationale aspecten van pensioenen EU tewerkstellingen Voorwaarden en bijzonderheden bij aanwijzing op grond van onderdeel 2 2 1 van het besluit Bij de aanwijzing op grond van onderdeel 2 2 1 van het besluit gelden de volgende voorwaarden en bijzonderheden Voorwaarden Voortzetting buitenlandse pensioenregeling De Nederlandse werkgever en de werknemer zetten de opbouw van aanspraken ingevolge de buitenlandse pensioenregeling van de werknemer voort Fiscale eisen buitenland De belastingwetten van de buitenlandse lidstaat komen naar aard en strekking overeen met de Nederlandse loonbelasting of inkomstenbelasting Die wetten beschouwen de buitenlandse regeling als een pensioenregeling Juridisch karakter regeling De voort te zetten regeling betreft een aanvullende pensioenregeling De regeling valt derhalve niet onder Verordening EEG nr 1408 71 Uitvoerder regeling Het buitenlandse pensioen is verzekerd bij een pensioenverzekeraar als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel c of f van de Wet LB Het pensioen mag ook verzekerd zijn bij een werkgever in de lidstaat van uitzending die volgens de wetten van die lidstaat een in die lidstaat toegelaten uitvoerder van collectieve pensioenregelingen is De werkgever moet in dat geval voor de uitvoering van de pensioenregeling onderworpen zijn aan een vorm van overheidstoezicht Eisen indiening verzoek Werkgever en werknemer dienen een verzoek om aanwijzing in bij de voorzitter In het verzoek verklaren werkgever en werknemer dat is voldaan aan de hiervoor onder a tot en met d genoemde voorwaarden Voorts verstrekken zij bij het verzoek de volgende gegevens de naam het adres en het loonbelastingnummer van de werkgever de voor de werkgever bevoegde inspecteur naam adres en sofinummer of BSN van de werknemer de staat van waaruit de werknemer wordt uitgezonden en waar hij pensioen opbouwt Bijzonderheden Toelichting op begrip voortzetting Het begrip voortzetting van de pensioenregeling omvat voor de toepassing van dit besluit ook de situatie waarin de volgende drie momenten in de tijd samenvallen het moment van indiensttreding bij de uitzendende werkgever het moment van toetreding tot de buitenlandse pensioenregeling en het moment van de tewerkstelling in Nederland Duur aanwijzing De aanwijzing geldt voor de periode van tewerkstelling maar niet langer dan voor maximaal 5 jaar in totaal Nederlandse pensioenregeling De aanwijzing geldt voor zover de werknemer niet deelneemt in een Nederlandse pensioenregeling Fiscale faciliëring in Nederland De fiscale faciliëring in Nederland zal na de aanwijzing gelijk zijn aan hetgeen wettelijk is toegestaan in de lidstaat waar de werknemer deelneemt in de voort te zetten regeling Dit houdt in dat Nederland dezelfde vrijstelling van de genoten pensioenaanspraken verleent als de belastingwetten in de detacherende lidstaat toestaan Onder het begrip vrijstelling valt hier ook de aftrek van het loon inkomen van werknemersbijdragen aan de regeling Het Nederlandse loon en het Nederlandse belastbaar inkomen worden met hetzelfde bedrag verlaagd als in de lidstaat van deelneming zou geschieden als de werknemer in die lidstaat zou werken Aanwijzing door voorzitter De voorzitter wijst de regeling aan zonder inhoudelijke toetsing van de voorwaarden voor aanwijzing tenzij hij beschikt over aanwijzingen dat niet aan die voorwaarden is voldaan Gedeeltelijke afkoop na tewerkstelling Indien de werknemer na afloop van de tewerkstelling het pensioen afkoopt zal de ontvanger overgaan tot invordering van eventuele aan de werknemer opgelegde en nog openstaande conserverende aanslagen Hij trekt dan het verleende uitstel voor deze aanslagen in Hiervoor bestaat mijns inziens geen reden in het geval dat de werknemer gebruik maakt van een gebruikelijke in de pensioenregeling voorziene mogelijkheid van een gedeeltelijke afkoop van het pensioen Ik acht het dan ook in overeenstemming met een redelijke wetstoepassing dat de ontvanger in een dergelijk geval het uitstel niet intrekt Voorwaarde hiervoor is dat het niet afgekochte deel van de waarde van de pensioenaanspraak uitgedrukt in de totale waarde daarvan tenminste gelijk is aan het percentage dat de Nederlandse diensttijd uitmaakt van de totale diensttijd in de regeling Op deze wijze wordt het afgekochte bedrag bij de afwikkeling van de conserverende aanslagen geacht volledig betrekking te hebben op de buiten Nederland doorgebrachte diensttijd Inhoudelijke toetsing I Eisen indiening verzoek inhoudelijke toetsing In afwijking van de onderdelen e en j kunnen de Nederlandse werkgever en de werknemer desgewenst gezamenlijk bij het verzoek vragen om inhoudelijke toetsing van de voorwaarden voor de aanwijzing Zij voegen dan bij het verzoek zodanige stukken en gegevens desgevraagd in de Nederlandse taal dat daaruit aannemelijk wordt dat zij voldoen of zullen voldoen aan de onderdelen a tot en met d en g tot en met i van deze bijlage Het verdient aanbeveling om in ieder geval de volgende stukken en gegevens bij het verzoek te voegen bewijs van de tewerkstelling een verklaring van de pensioenuitvoerder van de buitenlandse regeling waaruit blijkt dat de regeling voldoet aan voorwaarde b van deze bijlage een kopie van de buitenlandse regeling bewijs van de voortzetting van de deelneming in de buitenlandse regeling zie de onderdelen a en f van deze bijlage de volgende gegevens de naam het adres en het loonbelastingnummer van de werkgever de voor de werkgever bevoegde inspecteur naam adres en sofinummer of BSN van de werknemer een beschrijving van de buitenlandse wijze van fiscale faciliëring van de regeling een verklaring waaruit blijkt dat men verzoekt om toepassing van dit onderdeel l van deze bijlage De voorzitter kan om nadere gegevens vragen voorzover die nodig zijn om de toetsing te kunnen uitvoeren De voorzitter wijst na de toetsing de pensioenregeling aan of deelt bij afwijzing van het verzoek gemotiveerd de redenen daarvoor mee aan de werkgever Bijlage II bij besluit CPP2007 98M inzake internationale aspecten van pensioenen Overige tewerkstellingen Voorwaarden en bijzonderheden bij aanwijzing op grond van onderdeel 2 2 2 van het besluit Bij de aanwijzing op grond van onderdeel 2 2 2 van het besluit gelden de volgende voorwaarden en bijzonderheden Voortzetting buitenlandse pensioenregeling De Nederlandse werkgever en de werknemer zetten de opbouw van aanspraken ingevolge de buitenlandse pensioenregeling van de werknemer voort Fiscale eisen buitenland De belastingwetten van de buitenlandse staat komen naar aard en strekking overeen met de Nederlandse loonbelasting of inkomstenbelasting Die wetten beschouwen de buitenlandse regeling als een pensioenregeling Juridisch karakter regeling De voort te zetten regeling betreft een aanvullende pensioenregeling Uitvoerder regeling Het buitenlandse pensioen is verzekerd bij een pensioenverzekeraar als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel c of f van de Wet LB Gebruikelijkheid regeling Het gaat om een in het desbetreffende buitenland gebruikelijke fiscaal gefacilieerde regeling De regeling bevat een inkomensvoorziening bij ouderdom van de werknemer of een inkomensvoorziening voor nabestaanden bij overlijden van de werknemer of beide Toetsing regeling aan hoofdstuk IIB van de Wet LB Het resultaat van de pensioenopbouw in de regeling is vergelijkbaar met het resultaat van een pensioenopbouw overeenkomstig hoofdstuk IIB van de Wet LB en staat daarmee in een redelijke verhouding Grens fiscale faciliëring in Nederland De fiscale faciliëring in Nederland gaat niet verder dan gebruikelijk is in het land van herkomst van de werknemer Eisen indiening verzoek Werkgever en werknemer dienen een verzoek om aanwijzing in bij de voorzitter Zij maken in het verzoek aannemelijk dat is voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden Het verzoek gaat vergezeld van de volgende stukken en gegevens desgevraagd in de Nederlandse taal bewijs van de tewerkstelling een verklaring van de pensioenuitvoerder van de buitenlandse regeling waaruit blijkt dat de regeling voldoet aan voorwaarden b en e van deze bijlage een kopie van de buitenlandse regeling bewijs van de voortzetting van de deelneming in de buitenlandse regeling zie de onderdelen a en j van deze

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Internationale%20aspecten%20van%20pensioenen%2031-01-2008.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive


  • Regeling voor de toepassing van het Nederlands-Duitse belastingverdrag met betrekking tot de toedeling van het recht tot belastingheffing over aan werknemers betaalde afkoopsommen (besluit van 14 november 2007, nr. IFZ 2007/754M, Stcrt. nr. 227)
    van de andere Staat niet worden toegepast in gevallen waarin het voornaamste doel is de voordelen uit de bepalingen van deze regeling te verkrijgen De belastingautoriteiten van een verdragsstaat zullen de bevoegde belastingautoriteiten van de andere verdragsstaat op de voet van artikel 23 van de Overeenkomst spontaan mededeling doen van de uitkering van een afkoopsom Deze in onderling overleg vastgestelde regeling treedt in werking op de dag na de ondertekening De dag van de laatste ondertekening is hiervoor bepalend Deze in onderling overleg vastgestelde regeling is eveneens van toepassing op gevallen die op het moment van inwerkingtreding van deze regeling nog niet zijn afgesloten of die het onderwerp van een onderlinge overlegprocedure zijn Iedere bevoegde autoriteit kan deze in onderling overleg vastgestelde regeling schriftelijk opzeggen met inachtneming van een termijn van zes maanden voor het einde van een kalenderjaar In dit geval is deze regeling alleen nog van toepassing op gevallen van belastingheffing waarin de dienstbetrekking is beëindigd in het kalenderjaar waarin deze regeling is opgezegd Als de Overeenkomst buiten werking treedt treedt daarmee tevens deze in onderling overleg vastgestelde regeling buiten werking De bevoegde autoriteiten van de verdragsstaten zullen deze regeling na verloop van vier jaren evalueren Voor het Bondsministerie van Financiën Voor het Ministerie van Financiën Bondsrepubliek Duitsland Koninkrijk der Nederlanden Berlijn 25 oktober 2007 Den Haag 19 oktober 2007 Ernst Czakert Paul Vlaanderen Toelichting Nederland De tussen Nederland en Duitsland op 25 oktober 2007 tot stand gekomen regeling dient ter vermijding zowel van dubbele belastingheffing als van volledige vrijstelling over afkoopsommen die worden toegekend in verband met de beëindiging van een privaatrechtelijke dienstbetrekking Het basisbeginsel voor de toepassing van deze regeling wordt gevormd door de economische achtergrond van de afkoopsom Dit beginsel is neergelegd in onderdeel 1 van de regeling Onderdeel 1 onder a Op grond daarvan wordt voor de toedeling van het recht tot belastingheffing over afkoopsommen die hoofdzakelijk worden toegekend wegens voortijdige beëindiging van de dienstbetrekking toegedeeld aan de staat die voorafgaand aan het ontslag op grond van artikel 10 van het Nederlands Duitse belastingverdrag het heffingsrecht over de inkomsten uit niet zelfstandige arbeid van een werknemer had Daarbij wordt het gehele arbeidsverleden van de werknemer bij de werkgever van wie hij de afkoopsom ontvangt in de beschouwing betrokken Als de werknemer niet alleen werkzaamheden heeft verricht in de staat waar zijn werkgever is gevestigd de andere staat maar ook in zijn woonstaat en of in derde staten dan wordt het heffingsrecht over de afkoopsom naar rato van de duur van de werkzaamheden verdeeld tussen de woonstaat en de andere staat Daarbij wordt aan de woonstaat van de werknemer het heffingsrecht toegedeeld over het deel van de afkoopsom dat is toe te rekenen aan de werkzaamheden in de woonstaat en de die in derde staten onderdeel 1 onder a De reden dat ook het heffingsrecht over het deel van de afkoopsom dat is toe te rekenen aan de werkzaamheden in derde staten is toegedeeld aan de woonstaat van de werknemer is dat alleen deze staat

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Toepassing%20verdrag%20Nederland-Duitsland%20afkoopsommen%20werknemers%20141107.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Regeling met België inzake ontslaguitkeringen
    de belastingheffing in België zijn aan te merken als inkomsten bedoeld in artikel 17 paragraaf 1 4 juncto artikel 20 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art 4 1 Artikel 1 en artikel 2 van deze regeling worden toegepast op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige Bij het verzoek verklaart de belastingplichtige uitdrukkelijk dat hij akkoord gaat met de toepassing van artikel 2 van deze regeling 2 Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt ingediend bij de plaatselijke belastingcontrole van de Belgische belastingadministratie waaronder de belastingplichtige ressorteert 3 De bevoegde autoriteiten van Nederland stellen de bevoegde autoriteiten van België in kennis van het bedrag van de aanspraken die volgens artikel 11 eerste lid onderdeel g van de Wet op de loonbelasting 1964 van Nederlandse belastingheffing zijn vrijgesteld 4 De bevoegde autoriteiten van België doen een kopie van het in het eerste lid bedoelde verzoek toekomen aan de bevoegde autoriteiten van Nederland Art 5 Deze regeling is van toepassing met ingang van de laatste van de data waarop zij in Nederland in de Staatscourant en in België in het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd Zij geldt zolang de bovenvermelde bepalingen van het belastingverdrag en of van het Nederlandse of Belgische belastingrecht wezenlijk ongewijzigd zijn gebleven Toelichting Artikel 11 eerste lid onderdeel g van de Nederlandse Wet op de loonbelasting 1964 hierna Wet LB 1964 bevat de zogenoemde stamrechtvrijstelling op grond waarvan aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfde of te derven beloningen onder voorwaarden niet tot het loon behoren De uit die aanspraken voortvloeiende periodieke uitkeringen behoren daarentegen wel tot het loon Het Belgische Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 hierna WIB 92 kent geen stamrechtvrijstelling Aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfde of te derven beloningen worden op het moment van toekenning dan ook tot de belastbare inkomsten als bedoeld in artikel 23 paragraaf 1 WIB 92 gerekend Vervolgens wordt volgens artikel 17 paragraaf 1 4 juncto artikel 20 WIB 92 jaarlijks 3 procent van het afgestane kapitaal als inkomen van roerende goederen en kapitalen belast Vorenstaand verschil in nationale behandeling kan in de situatie waarin aan een inwoner van België in verband met zijn ontslag uit een Nederlandse dienstbetrekking onder toepassing van de stamrechtvrijstelling van artikel 11 eerste lid onderdeel g Wet LB 1964 aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon worden toegekend tot meervoudige belastingheffing leiden Het gaat hierbij om het gedeelte van de aanspraken waarover Nederland volgens artikel 15 artikel 16 paragraaf 1 of artikel 19 paragraaf 1 van het belastingverdrag en met inachtneming van het arrest HR 11 juni 2004 nr 37 714 BNB 2004 344c V N 2004 31 8 heffingsbevoegd is Een meervoudige belastingheffing doet zich dan voor omdat i België deze aanspraken op het moment van toekenning in de belastbare inkomsten begrijpt en daarvoor gelet op artikel 23 paragraaf 1 subparagraaf a van het belastingverdrag geen voorkoming van dubbele belasting verleent ii België vanaf het moment van toekenning van deze aanspraken jaarlijks 3 procent van het afgestane

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit_Regeling_met_Belgie_ontslaguitkeringen_220606_%28CPP2006-1404M%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Besluit Financiële regelingen bij ontslag in relatie tot het begrip regeling voor vervroegde uittreding
    Uiteraard kan men desgewenst ook eerst het besluit van 26 mei toepassen en als niet aan de kwantitatieve toets wordt voldaan daarna het onderhavige besluit Bewijslast In de meeste reguliere ontslagsituaties zal hetzij op grond van dit besluit hetzij op grond van het besluit van 26 mei jl worden vastgesteld dat geen sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding Artikel 32aa van de Wet LB is dan niet van toepassing Als geen van beide besluiten tot de conclusie leidt dat geen sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding dan zal in eerste instantie de inhoudingsplichtige moeten beoordelen of de VUT eindheffing van artikel 32aa van toepassing is Om zekerheid te krijgen of eindheffing moet worden afgedragen kan de inhoudingsplichtige de situatie voorleggen aan de bevoegde inspecteur Bij verschil van inzicht met de inhoudingsplichtige zal de inspecteur op grond van de feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken dat sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding De bewijslast ligt in dat geval dus bij de inspecteur Indien sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding vindt de eindheffing plaats bij de inhoudingsplichtige en niet bij de werknemer die de uitkering ontvangt De inhoudingsplichtige heeft hiervoor geen verhaalsrecht op de betrokken werknemer 3 Aangrijpingspunt bij de kwalitatieve benadering de redenen voor ontslag Er is sprake van vervroegde uittreding indien een ontslaguitkering wordt gegeven met het oog op de mogelijkheid om eerder te stoppen met werken Een andere reden om een werknemer te ontslaan is bijvoorbeeld een reorganisatie of een individueel ontslag dat eveneens niet leeftijdgerelateerd is Als het ontslag niet is gericht op het ontslaan van oudere werknemers is onder de hierna beschreven omstandigheden nooit sprake van eindheffing noch op het moment van toekenning noch op een ander moment Geen VUT eindheffing bij collectief ontslag wegens reorganisatie Een reorganisatie vindt bijvoorbeeld plaats als een bedrijf een afslankingsoperatie uitvoert of als men besluit om een afdeling geheel of gedeeltelijk op te heffen omdat het voordeliger is om het werk van die afdeling uit te besteden Bij een dergelijke reorganisatie krijgen de werknemers die worden ontslagen door middel van bijvoorbeeld een sociaal plan een compensatie voor een deel van het loon dat ze door het ontslag missen en als overbrugging naar de volgende baan Het gaat erom dat de reorganisatie plaatsvindt met het oog op de vermindering van het personeelsbestand op basis van objectieve criteria zoals het lifo systeem of het afspiegelingsbeginsel waarbij niet de intentie bestaat ouderen met het oog op vervroegd uittreden te ontslaan Hiermee wordt naar mijn mening recht gedaan aan de huidige praktijk en wordt een eventueel verstarrend effect in de verhoudingen tussen werkgever en werknemer voorkomen Artikel 32aa is in ieder geval wel van toepassing bij een regeling op grond waarvan alle werknemers vanaf een bepaalde leeftijd bijvoorbeeld 55 60 of 62 de mogelijkheid hebben om met financiële ondersteuning uit te treden en niet wordt voldaan aan de in het besluit van 26 mei jl opgenomen kwantitatieve toets In dat geval zal de inspecteur bij verschil van

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Financiele%20regelingen%20bij%20ontslag%20en%20RVU%20081205.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Besluit Begrip regeling voor vervroegde uittreding; afgrenzing met loonstamrechten en eenmalige ontslaguitkeringen; overgangsrecht
    van de uitkeringen bij toekenning vaststaat Bij dit soort regelingen zijn voldoende gegevens aanwezig om bij de toekenning van het stamrecht al definitief te bepalen dat geen sprake is van een RVU Voor de afgrenzing tussen een normaal stamrecht en een RVU kan dan het volgende gelden A De 55 jaar toets Een stamrechtregeling waarbij de ingangsdatum van de uitkeringen bij in leven zijn van de werknemer vaststaat is geen RVU indien de periodieke uitkeringen in ieder geval eindigen uiterlijk op de dag voordat de ex werknemer de 55 jarige leeftijd bereikt terwijl geen enkele uitkering op jaarbasis hoger is dan 100 van het laatstgenoten reguliere jaarloon uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer wordt ontslagen Toelichting 1 Met behulp van deze vrij simpele toets wordt bereikt dat een grote groep van jongere werknemers stamrechtuitkeringen kan genieten zonder dat de voormalige werkgever of de stamrechtuitvoerder wordt getroffen door de eindheffing 2 De grens van 100 wordt gesteld om ophoping van de uitkeringen tegen de 55 ste verjaardag en uitsmering daarvan over de periode daarna te voorkomen B De 70 toets Indien niet wordt voldaan aan de 55 jaar toets omdat de periodieke uitkering later eindigt dan op de onder A genoemde datum dan wel niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat geen enkele uitkering op jaarbasis hoger is dan 100 van het laatstgenoten reguliere jaarloon mag nog de 70 toets worden toegepast Dit geldt alleen in de situatie dat de uitkeringen uiterlijk ingaan op de dag die 24 maanden voorafgaat aan de AOW datum dan wel de eerdere pensioendatum Bij de 70 toets vindt een actuariële berekening plaats uitgaand van de ingangsdatum van het stamrecht Bij de berekening dient naar actuariële maatstaven berekend te worden wat uit de waarde van het recht aan maximale gelijkblijvende periodieke uitkeringen kan worden gekocht met een looptijd vanaf de ingangsdatum tot aan de dag die 24 maanden voorafgaat aan de AOW datum dan wel de eerdere pensioendatum Deze berekening dient netto actuarieel plaats te vinden op basis van een recente overlevingstafel waarbij leeftijdscorrecties worden gesteld op man 5 en vrouw 6 gerekend wordt op basis van nominale gelijkblijvende uitkeringen en een rekenrente van ten minste 3 wordt gehanteerd Indien de op basis van deze berekening resulterende jaarlijkse uitkering gelijk is aan of minder bedraagt dan 70 van het laatstgenoten reguliere loon is de regeling geen RVU Bij deze toetsing dient in tegenstelling tot de toetsing onder A bij het bepalen van de 70 grens wel rekening te worden gehouden met de naar verwachting te ontvangen uitkeringen uit dezelfde vroegere dienstbetrekking WW ZW WAO VUT prepensioen voor zover niet overgeheveld naar de huidige pensioenregeling levensloop e d Deze uitkeringen dienen derhalve voor de toetsing te worden ingebouwd Nadat volgens de 70 toets is vastgesteld dat geen sprake is van een RVU dient het stamrecht wil het ook daarna gevrijwaard blijven van de eindheffing te blijven voldoen aan de volgende voorwaarden 1 De pensioendatum wordt niet meer gewijzigd na de berekening 2 De laagste uitkering bedraagt niet minder dan 75 van de hoogste uitkering Bij de toets aan deze voorwaarde mogen verhogingen van de uitkering die voortvloeien uit een aanpassing aan de loon of prijsontwikkeling buiten beschouwing worden gelaten Toelichting 1 Het gaat bij de 70 toets om uitkeringen die bij in leven zijn van de ex werknemer eindigen op of na de 55 ste verjaardag van de werknemer of zodanig hoog zijn dat ze geacht moeten worden mede betrekking te hebben op de periode na de 55 ste verjaardag Het inkomensvervangende karakter van de stamrechtregeling gaat in deze periode van het leven geleidelijk aan verschuiven van een voorziening voor pure overbrugging tot aan de volgende dienstbetrekking naar een oudedagsvoorziening Daarom wordt de toetsingsgrens verlaagd naar 70 in plaats van 100 van het laatstgenoten loon 2 Verder moet ook rekening worden gehouden met andere inkomensvervangende uitkeringen die in deze fase van het leven ook meer de trekken krijgen van een oudedagsvoorziening 3 Er is geen sprake van overbrugging indien een uitkering stopt ruim vóór de AOW datum dan wel de eerdere pensioendatum Indien evenwel de uitkering stopt vlak vóór de genoemde datum kan de ex werknemer door in de voorafgaande periode te sparen toch de periode tot de AOW of pensioendatum overbruggen Dat is uiteraard niet de bedoeling van de RVU regelgeving Uit praktische overwegingen is daarom in de toets een absolute periode van 24 maanden opgenomen die als onderbreking voorafgaande aan de AOW datum dan wel de eerdere pensioendatum kan worden aangehouden Bij een dergelijke periode kan mits ook aan de overige voorwaarden is voldaan worden aangenomen dat de regeling niet nagenoeg uitsluitend het doel heeft om de periode tot aan de AOW of pensioendatum te overbruggen 4 De 70 toets geldt niet voor regelingen waarbij de uitkeringen later ingaan dan op de dag die 24 maanden voorafgaat aan de AOW datum dan wel de eerdere pensioendatum Dergelijke regelingen zal de Belastingdienst in beginsel aanmerken als RVU 5 Indien de stamrechtovereenkomst een nabestaandenvoorziening bevat geldt voor deze nabestaandenvoorziening de ingangsdatum van het nabestaandenpensioen als pensioendatum 6 Het gaat bij de 70 toets om een fictieve berekening Indien deze berekening leidt tot de conclusie dat geen RVU aanwezig is kunnen de werkelijke looptijd en de werkelijke hoogte van de termijnen mits de uitkeringen daadwerkelijk binnen de genoemde bandbreedte blijven zie opmerking 7 van de regeling dus afwijken zonder dat de regeling daardoor een RVU wordt 7 Hoewel de 70 toets uitgaat van een fictie zijn er twee voorwaarden gesteld die daadwerkelijk moeten worden vervuld om de vrijwaring van de eindheffing te kunnen continueren Deze voorwaarden dienen om manipulaties na de uitvoering van de toets te voorkómen Het gaat om het ongewijzigd laten van de pensioendatum die bij de 70 toets is gehanteerd en om het beperken van de variatie in de uitkeringen Zonder de laatste voorwaarde zou het mogelijk zijn om vlak vóór de dag die 24 maanden voorafgaat aan de AOW datum dan wel de eerdere pensioendatum een grote uitkering te doen en in de jaren

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Ontslaguitkeringen%20en%20artikel%2032aa%20LB%20%28260505%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Besluit Begrip regeling voor vervroegde uittreding; afgrenzing met loonstamrechten en eenmalige ontslaguitkeringen; overgangsrecht
    de definitie van regelingen voor vervroegde uitreding in artikel 32aa van de Wet op de loonbelasting 1964 Met deze richtlijnen heb ik invulling gegeven aan de toezegging die ik in de Eerste Kamer heb gedaan Daarnaast heb ik in het beleidsbesluit een goedkeuring opgenomen voor stamrechten bij ontslag en eenmalige ontslaguitkeringen die voor 26 mei jl zijn overeengekomen In verband met de discussie die op 30 juni a s in

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20opschorten%20artikel%2032aa%20ontslaguitkeringen%20080605.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Besluit knip in de opbouw van pensioenrechten 26 juni 2003
    10a eerste lid onderdeel a van het UBLB de diensttijd beperkt tot de duur van de dienstbetrekking de voorperiode niet als pensioengevende diensttijd worden aangemerkt Als echter in een op 1 juni 1999 reeds bestaande regeling de voorperiode als pensioengevende diensttijd heeft gegolden blijft deze periode in zoverre ook pensioengevende diensttijd onder de nieuwe wetgeving Voor het nabestaanden en wezenpensioen heeft invoering van de wet overeenkomstige consequenties Voorzover bestaande regelingen niet aan de nieuwe wetgeving voldoen geldt krachtens de overgangsregeling van artikel 38b van de Wet LB tot 1 juni 2004 nog de oude wetgeving mits de pensioenregeling niet op meer dan ondergeschikte punten wordt gewijzigd 3 Verdiende rechten en verlaging opbouwpercentage OP Allereerst wordt opgemerkt dat het naar maatschappelijke opvattingen redelijk is dat eenmaal verdiende en opgebouwde rechten niet worden aangetast De nieuwe wetgeving maakt hierop geen inbreuk Zie in dit verband de Nota naar aanleiding van het verslag van 4 november 1998 bij artikel 38b wet LB TK 1998 1999 26 020 nr 6 blz 29 Dit betekent dat reeds opgebouwde rechten niet herrekend behoeven te worden naar het thans maximaal toegestane opbouwpercentage voor het OP van 2 Het nieuwe opbouwpercentage dient als de nieuwe wetgeving op de pensioenregeling van toepassing is wel gehanteerd te worden voor de bepaling van backservice aanspraken die ontstaan bij verhoging van het pensioengevende loon of pensioengrondslagverbreding Zie de Memorie van Antwoord van 25 februari 1999 EK 1998 1999 26 020 nr 104b blz 15 16 4 Uitwerking knipberekening voor een ouderdomspensioen aanspraak in combinatie met nabestaandenpensioen Met in achtneming van hetgeen hierboven is opgemerkt kan een knip voor het OP als volgt worden bepaald Bepaal per het overgangstijdstip op basis van het dan geldende brutosalaris en de in de regeling geldende verstreken diensttijd de opgebouwde OP rechten uitgaande van de oude pensioenregeling met inachtneming van de daarbij geldende pensioengrondslag en van de op de nieuwe wetgeving aangepaste pensioenregeling eveneens met in achtneming van de bij die wetgeving geldende pensioengrondslag Het berekende positieve verschil in rechten a minus b is als een excedent OP aan te merken Het excedent NP is te stellen op het product van het overgangspercentage en het excedent OP Onder het overgangspercentage wordt in dit verband verstaan het percentage waarmee het NP zich verhoudt tot het OP Op basis van deze eenmalige rekenexercitie kan op een eenvoudige wijze worden berekend welke OP en NP bedragen naast de op basis van de nieuwe wetgeving te verkrijgen aanspraken reeds zijn opgebouwd en als verdiende aanspraken dienen te worden gerespecteerd Het excedent pensioenbedrag ondergaat in de loop van de tijd geen wijziging Dit excedent pensioen zal als een afzonderlijk recht moeten worden bijgehouden naast het totaal van de op basis van de nieuwe wetgeving op te bouwen pensioenaanspraken 5 Uitwerking knipberekening voor het TOP Het TOP is krachtens artikel 18e van de Wet LB samengesteld uit een overbrugging van de AOW uitkering tot 65 jaar en een premiecompensatie Onder premiecompensatie wordt verstaan de compensatie voor het zo mogelijk gebruteerde verschil in verschuldigde

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20pensioenknip%20260603.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Fiscale behandeling van verplichte bijdragen voor beroepspensioenregelingen
    beroepspensioenregelingen aangemerkt als belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen artikel 3 100 eerste lid onderdeel d van de wet De verplichte deelname aan de bovenbedoelde pensioenregelingen geldt ook voor beroepsbeoefenaren die in dienstbetrekking werkzaam zijn De pensioenuitkeringen van deze deelnemers worden op grond van artikel 3 100 eerste lid onderdeel d van de wet op dezelfde wijze belast als bij de beoefenaren van een zelfstandig beroep De Belastingherziening 2001 heeft geen wijziging gebracht in deze belastbaarheid Voor die werknemers is wel een verandering opgetreden in de behandeling van de bijdragen premies in de beroepspensioenregeling Over de jaren tot en met 2000 kunnen de in loondienst werkzame beroepsbeoefenaren de verplichte premie als beroepskosten in aanmerking nemen Vanaf 1 januari 2001 is een einde gekomen aan de beroepskostenaftrek Met de Belastingherziening 2001 is echter niet beoogd een wijziging aan te brengen in de behandeling van de beroepspensioenen In onderdeel 2 keur ik daarom goed dat belanghebbenden de verplichte bijdrage als negatief loon in aanmerking kunnen nemen 2 Goedkeuring Gelet op het voorgaande keur ik goed dat de beroepsbeoefenaren in loondienst de verplichte bijdrage voor de beroepspensioenregeling als negatief loon opnemen in de aangifte inkomstenbelasting Aan deze goedkeuring verbind ik de volgende voorwaarden de

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20bijdragen%20beroepspensioenregelingen%20070403.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive



  •