archive-nl.com » NL » B » BELASTINGDIENSTPENSIOENSITE.NL

Total: 492

Choose link from "Titles, links and description words view":

Or switch to "Titles and links view".
  • Vervallen besluiten
    april 2005 nr CPP2005 356M Vaste indexatie van pensioenen besluit van 21 januari 2005 nr CPP2004 1257M Vaststelling pensioenbijdragen premies bij eigen beheer besluit van 12 januari 2005 nr CPP2004 2422M Inkoop van pensioen in een eindloonregeling besluit van 3 november 2004 nr CPP2004 1657M Aanpassing van pensioenregelingen aan het Witteveenkader besluit van 12 augustus 2004 nr CPP2004 1779M Fiscale behandeling van door de werknemer rechtstreeks aan de verzekeraar betaalde pensioenpremies op PSW C polissen besluit van 8 juli 2004 nr CPP2004 874M Vragen en antwoorden hoofdstuk IIB en artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964 deel 4 besluit van 8 juli 2004 nr CPP2004 244M Pensioen en lijfrentevrijstelling voor het successierecht besluit van 5 juli 2004 nr CPP2004 1541M Intrekking diverse besluiten besluit van 14 mei 2004 nr CPP2004 1013M Vragen en antwoorden hoofdstuk IIB en de artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964 deel 3 besluit van 22 april 2004 nr CPP2003 2794M Pensioenknip in verband met lage rentestand besluit van 22 april 2004 nr CPP2004 245M Intrekking diverse besluiten besluit van 9 april 2004 nr CPP2004 165M Modelpensioenregelingen Herziening besluit besluit van 28 maart 2004 nr CPP2004 489M Bijlage 1 Modelpensioenovereenkomst eindloon 60 jaar versie maart 2004 kenmerk 04 489 1 Bijlage 2 Modelpensioenovereenkomst middelloon 60 jaar versie maart 2004 kenmerk 04 489 2 Bijlage 3 Modelpensioenovereenkomst eindloon 65 jaar versie maart 2004 kenmerk 04 489 3 Bijlage 4 Modelpensioenovereenkomst middelloon 65 jaar versie maart 2004 kenmerk 04 489 4 Vaststelling marktrente besluit van 11 maart 2004 nr CPP2004 517M Vakbondscontributies en IKAP Kennisgeving van 9 maart 2004 nr DGB2004 1265M Aanwijzing van pensioenregelingen waarbij de uitkeringen in beleggingseenheden worden gedaan Besluit van 1 maart 2004 nr CPP2003 2813M Vragen en antwoorden hoofdstuk IIB en de artikelen 38a en 38b van de Wet op de loonbelasting 1964 deel 2 besluit van 10 februari 2004 nr CPP2003 1610M Overdracht van pensioenkapitaal aan een pensioenfonds van een internationale organisatie besluit van 22 januari 2004 nr CPP2003 200M Pensioenopbouw premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid besluit van 9 januari 2004 nr CPP2003 1821M Kapitaalverzekering met pensioenclausule aanwijzing als beschikbare premieregeling besluit van 19 december 2003 nr CPP2003 1648M Nieuwe samenstelling Centraal Aanspreekpunt Pensioenen besluit van 10 december 2003 nr CPP2003 2808M Vragen en antwoorden hoofdstuk IIB en artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964 deel 1 besluit van 29 augustus 2003 nr CPP2003 530M Pensioengevend loon demotie en deeltijd besluit van 27 augustus 2003 nr CPP2003 233M Aanwijzing pensioen en VUT regelingen met rechten op eenmalige overlijdensuitkeringen besluit van 12 juni 2003 nr CPP2003 1510M Modelpensioenregelingen besluit van 11 juni 2003 nr CPP2003 1500M Bijlage 1 Modelpensioenovereenkomst eindloon 60 jaar versie 5 december 2002 kenmerk 02 098 Bijlage 2 Modelpensioenovereenkomst middelloon 60 jaar versie 5 december 2002 kenmerk 02 099 Bijlage 3 Modelpensioenovereenkomst eindloon 65 jaar versie 5 december 2002 kenmerk 02 101 Bijlage 4 Modelpensioenovereenkomst middelloon 65 jaar versie 5 december 2002 kenmerk 02 102 Beschikbare premiestaffels besluit van 28 april 2003 nr CPP2003 308M Knip

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Vervallen%20besluiten.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive


  • Wet op de loonbelasting 1964 (tekst per 1 januari 2011, www.overheid.nl)
    van uitstel van betaling op grond van artikel 25 vijfde lid van de Invorderingswet 1990 wordt c een aanspraak ingevolge een pensioenregeling waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen d of e dan wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b wordt prijsgegeven behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is d de zekerheidstelling wordt beëindigd door de werknemer of de gewezen werknemer die zich op grond van artikel 19a eerste lid onderdeel f heeft verplicht deze zekerheid te stellen wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel indien deze is overleden van de gerechtigde tot de aanspraak 2 Ingeval een verplichting ingevolge een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar wordt de aanspraak ingevolge die regeling geacht te worden afgekocht De eerste volzin is niet van toepassing ingeval de verplichting ingevolge een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk overgaat naar een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen a b d e of f mits deze overgang niet in strijd komt met de bepalingen bij of krachtens de artikelen 70 tot en met 91 van de Pensioenwet Met betrekking tot een verplichting die is verzekerd bij een lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen d of e wordt onder een overgang als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan herverzekering bij een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen a b d e en f 3 Het eerste lid is niet van toepassing ingeval de werknemer of gewezen werknemer in het kader van scheiding van tafel en bed echtscheiding of beëindiging van samenleving een aanspraak ingevolge een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk vervreemdt aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner dan wel omzet in een zodanige aanspraak met als gerechtigde die echtgenoot of gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner waarbij die verkregen of omgezette aanspraak voor de toepassing van deze wet wordt geacht de voortzetting te zijn van de aanspraak op een pensioenregeling van de werknemer of gewezen werknemer 4 Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een in onderdeel b van dat lid bedoelde uitkering of afkoopsom wordt uitgekeerd met toepassing van artikel 66 67 of 68 van de Pensioenwet 5 Het eerste lid is niet van toepassing bij een vervreemding als bedoeld in artikel 57 vijfde lid van de Pensioenwet alsmede bij een vermindering als bedoeld in artikel 134 eerste lid van die wet 6 Onze Minister kan zo nodig onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat het tweede lid eerste volzin niet van toepassing is indien de verplichting ingevolge een pensioenregeling overgaat op een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent anders dan bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen e en f zulks ter verwerving van aanspraken ingevolge een pensioenregeling in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking buiten Nederland De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de overgang van de verplichting ingevolge een pensioenregeling naar een pensioenfonds van een internationale organisatie in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking bij die organisatie in Nederland 7 Voor de toepassing van het eerste lid onderdeel a wordt een aanspraak op een pensioenregeling mede niet langer als zodanig aangemerkt ingeval op enig tijdstip niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld ingevolge het zesde lid of artikel 19d 8 De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot aanspraken op periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdeel g en stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten als bedoeld in artikel 11a Artikel 19c 1 Op verzoek van de inhoudingsplichtige beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking of een regeling een pensioenregeling is in de zin van de artikelen 18 tot en met 18h Het verzoek wordt gedaan voordat de regeling dan wel een wijziging van de regeling wordt ingevoerd 2 Indien een zodanig verzoek is gedaan en vervolgens onherroepelijk komt vast te staan dat de regeling niet een zodanige pensioenregeling is en de regeling onverwijld en ingaand op het tijdstip van ingang van de regeling wordt aangepast in dier voege dat de regeling wel een zodanige pensioenregeling is wordt de regeling geacht met terugwerkende kracht tot uiterlijk dat tijdstip een zodanige pensioenregeling te zijn De vorige volzin is niet van toepassing op pensioenregelingen als bedoeld in artikel 18h Artikel 19d Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid afwijkingen toestaan van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde door regelingen of groepen van regelingen niet zijnde een regeling als bedoeld in artikel 18h eerste lid aan te wijzen als pensioenregeling indien het een regeling betreft a die op bepaalde onderdelen niet meer dan in geringe mate afwijkt van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde mits het belang van de afwijkingen niet uitgaat boven het belang van de marges op andere onderdelen b voor gemoedsbezwaarden met een ontheffing als bedoeld in artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen die dient ter vervanging van een pensioenregeling c voor een tijdelijk in Nederland wonende of werkzame werknemer en die regeling voldoet aan artikel 1 7 tweede lid onderdeel c van de Wet inkomstenbelasting 2001 mits de opbouw van het pensioen ingevolge die regeling tijdelijk in Nederland wordt voortgezet en het pensioen reeds was verzekerd bij een pensioenfonds of lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen c of f in een periode waarin de werknemer niet in Nederland woonde of niet in Nederland een dienstbetrekking vervulde Zo nodig kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld Artikel 19e Vervallen per 01 01 2007 Artikel 19f Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van dit hoofdstuk alsmede met betrekking tot samenloop van verschillende pensioenstelsels HOOFDSTUK IIC LEVENSLOOPREGELING Artikel 19g 1 Onder levensloopregeling wordt verstaan een regeling die a ten doel heeft het treffen van een voorziening in geld uitsluitend voor een periode van extra verlof b inhoudt dat een voorziening in geld kan worden opgebouwd met dien verstande dat in het kalenderjaar niet meer aanspraken ontstaan dan overeenkomt met 12 percent van het loon van het jaar en voorzover de totale aanspraken aan het einde van het kalenderjaar door de in het kalenderjaar opgebouwde aanspraken een periode van extra verlof van 2 1 jaar niet te boven gaan 2 Over de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening mag worden beschikt ten behoeve van loon tijdens een verlofperiode dat tezamen met het daarnaast van de inhoudingsplichtige genoten loon niet uitgaat boven het laatstgenoten loon 3 Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon wordt overgemaakt naar een geblokkeerde rekening bij een kredietinstelling als premie gestort bij een verzekeraar voor een verzekering in het kader van een levensloopregeling dan wel overgemaakt naar de beheerder van een beleggingsinstelling ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling 4 Als kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in het derde lid kunnen optreden a financiële ondernemingen die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mogen uitoefenen mits zij de verplichtingen ingevolge de levensloopregeling voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekenen tot het binnenlandse ondernemingsvermogen b financiële ondernemingen die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van verzekeraar mogen uitoefenen mits zij de verplichtingen ingevolge de levensloopregeling rekenen tot het binnenlandse ondernemingsvermogen c financiële ondernemingen aan wie een vergunning is verleend ingevolge de Wet op het financieel toezicht om in Nederland het bedrijf van beleggingsinstelling uit te oefenen en die zijn gevestigd in Nederland d een ander lichaam dan bedoeld in de onderdelen a b en c dat voldoet aan door onze Minister te stellen voorwaarden 5 Een werknemer kan in een kalenderjaar niet zowel een voorziening ingevolge een levensloopregeling opbouwen als sparen ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 6 Indien op enig tijdstip a een levensloopregeling niet langer als zodanig is aan te merken of b een aanspraak ingevolge een levensloopregeling wordt afgekocht of vervreemd of c de inhoudingsplichtige aan de werknemer een bijdrage ten behoeve van de levensloopregeling verstrekt terwijl hij niet in dezelfde mate aan zijn overige werknemers die voor het overige in dezelfde omstandigheden verkeren een bijdrage verstrekt of de bijdrage onder voorwaarden verstrekt met betrekking tot het moment van beschikken over de opgebouwde voorziening wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak ingevolge de levensloopregeling aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel indien deze is overleden van de gerechtigde tot de aanspraak 7 Het zesde lid is niet van toepassing voorzover een aanspraak ingevolge een levensloopregeling wordt omgezet in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling die na de omzetting nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB gestelde begrenzingen 8 De ingevolge de levensloopregeling opgebouwde voorziening wordt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de werknemer de 65 jarige leeftijd heeft bereikt maar uiterlijk op de dag voorafgaand aan het ingaan van het ouderdomspensioen aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer 9 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel HOOFDSTUK III TARIEF Artikel 20 1 De over een loontijdvak van een jaar verschuldigde belasting is het bedrag van de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare loon verminderd met het bedrag van de heffingskorting voor de loonbelasting 2 Het bedrag van de heffingskorting voor de loonbelasting bedraagt maximaal het bedrag van de verschuldigde belasting over het loontijdvak van een jaar Artikel 20a 1 De belasting over een loontijdvak van een jaar wordt bepaald aan de hand van de navolgende tabel tarieftabel Bij een belastbaar loon van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV 18 628 1 85 18 628 33 436 344 10 80 33 436 55 694 1 943 42 55 694 11 291 52 2 De in het eerste lid vermelde bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die krachtens artikel 10 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in artikel 2 10 van die wet vermelde bedragen Artikel 20b 1 In afwijking van artikel 20a eerste lid wordt indien de werknemer vóór 1 januari 1946 is geboren de belasting over een loontijdvak van een jaar bepaald aan de hand van de volgende tabel tarieftabel voor werknemers geboren vóór 1 januari 1946 Bij een belastbaar loon van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV 18 628 1 85 18 628 33 485 344 10 80 33 485 55 694 1 948 42 55 694 11 275 52 2 De in het eerste lid vermelde bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die krachtens artikel 10 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in artikel 2 10a van die wet vermelde bedragen Artikel 21 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder a belastingtarief eerste schijf het in de eerste regel van de vierde kolom van de tabel in artikel 20a opgenomen percentage b gecombineerd heffingspercentage de som van het belastingtarief eerste schijf en de volgens artikel 11 van de Wet financiering sociale verzekeringen vastgestelde premiepercentages voor de algemene ouderdomsverzekering de nabestaandenverzekering en de algemene verzekering bijzondere ziektekosten Artikel 21a De heffingskorting voor de loonbelasting is het deel van de standaardloonheffingskorting dat tot de standaardloonheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het belastingtarief eerste schijf staat tot het gecombineerde heffingspercentage Artikel 21b Bij de toepassing van artikel 21a op het deel van de standaardloonheffingskorting dat op de ouderenkorting of de alleenstaande ouderenkorting betrekking heeft wordt het gecombineerde heffingspercentage verminderd met het volgens artikel 11 eerste lid van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de algemene ouderdomsverzekering vastgestelde premiepercentage Artikel 21c De standaardloonheffingskorting is het gezamenlijke bedrag van a de algemene heffingskorting artikel 22 b de arbeidskorting artikel 22a c de jonggehandicaptenkorting artikel 22aa d de ouderenkorting artikel 22b e de alleenstaande ouderenkorting artikel 22c en f de levensloopverlofkorting artikel 22ca Artikel 22 1 Voor de werknemer is de algemene heffingskorting van toepassing 2 De algemene heffingskorting bedraagt 1987 Artikel 22a 1 Voor de werknemer die loon uit tegenwoordige arbeid geniet is de arbeidskorting van toepassing 2 De arbeidskorting wordt berekend over het loon uit tegenwoordige arbeid en bedraagt a 1 716 van dat loon met een maximum van 158 vermeerderd met b 12 152 van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan 9209 waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan 1574 en verminderd met c 1 25 van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan 44 126 met dien verstande dat de vermindering ten hoogste 77 bedraagt 3 In afwijking van het tweede lid wordt a ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 60 het percentage en het laatstvermelde bedrag bedoeld in het tweede lid onderdeel b vervangen door 14 418 onderscheidenlijk door 1838 b ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 62 het percentage en het laatstvermelde bedrag bedoeld in het tweede lid onderdeel b vervangen door 16 667 onderscheidenlijk door 2100 c ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt het percentage en het laatstvermelde bedrag bedoeld in het tweede lid onderdeel b vervangen door 18 915 onderscheidenlijk door 2362 4 Met loon uit tegenwoordige arbeid worden gelijkgesteld a loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid b uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat 5 Loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn niet uitkeringen of inkomensvoorzieningen op grond van a de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen b de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering c de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen d de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten e buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de regelingen die zijn vermeld in de onderdelen a b c en d 6 Niet als loon uit tegenwoordige arbeid wordt aangemerkt het bedrag waarover met toepassing van artikel 19g tweede lid wordt beschikt door een werknemer die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt Artikel 22aa 1 Voor de werknemer die een uitkering geniet op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van die wet is de jonggehandicaptenkorting van toepassing De korting kan tevens worden toegepast ten aanzien van de werknemer die ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering doch welke uitkering ingevolge artikel 3 48 3 50 of 3 51 van die wet niet wordt betaald 2 De jonggehandicaptenkorting bedraagt 696 Artikel 22b 1 Voor de werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en een tijdvakloon heeft dat op jaarbasis niet meer bedraagt dan 34 857 is de ouderenkorting van toepassing 2 De ouderenkorting bedraagt 739 Artikel 22c 1 Voor de werknemer die een uitkering als bedoeld in artikel 9 eerste lid onderdeel a of onderdeel c van de Algemene Ouderdomswet geniet is de alleenstaande ouderenkorting van toepassing 2 De alleenstaande ouderenkorting bedraagt 421 Artikel 22ca 1 Voor de werknemer die beschikt over een ingevolge een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g opgebouwde voorziening is de levensloopverlofkorting van toepassing Voor de werknemer die met toepassing van artikel 19g zesde lid beschikt over de opgebouwde voorziening is de levensloopverlofkorting niet van toepassing 2 De levensloopverlofkorting is gelijk aan het bedrag waarover met toepassing van artikel 19g wordt beschikt maar ten hoogste 201 per kalenderjaar waarin een voorziening in het kader van een levensloopregeling is opgebouwd verminderd met de bedragen aan levensloopverlofkorting die de werknemer in voorafgaande loontijdvakken reeds heeft genoten 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel Artikel 22d De in de artikelen 22 22a 22aa 22b 22c en 22ca vermelde bedragen en de in artikel 22a vermelde percentages worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die en het percentage dat krachtens de artikelen 10 1 en 10 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in de artikelen 8 10 8 11 8 16a 8 17 8 18 en 8 18a van die wet vermelde bedragen en de in artikel 8 11 van die wet vermelde percentages Artikel 23 1 De heffingskorting voor de loonbelasting wordt slechts toegepast ingeval de werknemer daartoe een schriftelijk gedagtekend en ondertekend verzoek aan de inhoudingsplichtige heeft gedaan Het verzoek geldt tot het tijdstip waarop de werknemer het verzoek schriftelijk gedagtekend en ondertekend intrekt 2 Indien de werknemer over loontijdvakken die geheel of gedeeltelijk samenvallen loon geniet uit meer dan een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking dan wel van meer dan een inhoudingsplichtige en dit loon voor de berekening van de belasting niet wordt samengevoegd kan de werknemer de heffingskorting voor de loonbelasting slechts in een dienstbetrekking dan wel tegenover een inhoudingsplichtige geldend maken 3 In afwijking van het eerste lid wordt de belasting ingehouden a met toepassing van de heffingskorting voor de loonbelasting 1 indien artikel 27 zesde lid toepassing vindt met betrekking tot het loon van het in dat lid bedoelde kind 2 met betrekking tot het loon in de vorm van uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet dan wel loon uit vroegere dienstbetrekking waarin zijn begrepen de uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet dat een in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt geniet tenzij de werknemer een schriftelijk gedagtekend en ondertekend verzoek aan de inhoudingsplichtige heeft gedaan om de heffingskorting voor de loonbelasting niet toe te passen b zonder toepassing van de heffingskorting voor de loonbelasting met betrekking tot 1 uitkeringen ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars 2 tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 10 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten 4 In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid wordt door de werknemer die een uitkering of inkomensvoorziening geniet op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten het deel van de heffingskorting dat betrekking heeft op de jonggehandicaptenkorting geldend gemaakt tegenover de inhoudingsplichtige die de uitkering of inkomensvoorziening op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten uitbetaalt 5 De inhoudingsplichtige bewaart het in het eerste en derde lid bedoelde verzoek ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd Artikel 24 Voor de toepassing van de artikelen 21 tot en met 22d ter bepaling van de hoogte van de heffingskorting is beslissend de toestand op het tijdstip waarop de belasting moet worden ingehouden met dien verstande dat voor de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting beslissend is de toestand aan het einde van de kalendermaand waarin de belasting moet worden ingehouden Artikel 25 1 Loontijdvak is het tijdvak waarover het loon wordt genoten Het bedrag van de belasting over een ander loontijdvak dan een jaar wordt door herleiding bepaald Bij de herleiding wordt een jaar op 260 dagen een maand op 65 3 dag een week op 5 dagen en een tijdvak dat korter is dan een dag op een dag gesteld 2 Bij ministeriële regeling kunnen loonbelastingtabellen worden vastgesteld voor loontijdvakken waarvoor Onze Minister dit nodig acht In deze tabellen wordt de heffingskorting voor de loonbelasting op zodanige wijze verwerkt dat naast het bedrag aan loon het belastingbedrag of belastingpercentage is vermeld In deze tabellen kan de verwerking van de heffingskorting geheel of ten dele achterwege worden gelaten en kan bij de verwerking van de heffingskorting rekening worden gehouden met algemeen voorkomende beloningen die worden belast volgens een tabel voor bijzondere beloningen als bedoeld in artikel 26 Bij het opstellen van deze tabellen kunnen loonklassen en afrondingen worden aangebracht 3 De loonbelastingtabellen worden vastgesteld op basis van de daarvoor benodigde gegevens zoals die vermoedelijk zullen luiden op het tijdstip van inwerkingtreding van de tabellen Voorzover de toegepaste gegevens zodanig afwijken van de gegevens zoals die luiden op het tijdstip van inwerkingtreding dat bij toepassing van laatstbedoelde gegevens andere tabellen zouden zijn vastgesteld worden bij ministeriële regeling nieuwe tabellen vastgesteld ingaande ten hoogste zes maanden na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip van inwerkingtreding waarin de in de verstreken loontijdvakken ontstane afwijking zoveel mogelijk in de nog niet verstreken loontijdvakken van het kalenderjaar wordt ongedaan gemaakt 4 In afwijking van het eerste lid wordt een tijdvak waarvan het tijdvak waarover het loon wordt genoten deel uitmaakt als loontijdvak aangemerkt ten aanzien van 1 de werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaam is 2 de werknemer wiens loon mede omvat de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken en 3 de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer die met betrekking tot een kalenderkwartaal als student of scholier wordt aangemerkt en die schriftelijk gedagtekend en ondertekend te kennen heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak wordt aangemerkt Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de toepassing van de eerste volzin Artikel 26 1 Tantièmes gratificaties en andere beloningen die in de regel slechts eenmaal of eenmaal per jaar worden toegekend worden belast volgens loonbelastingtabellen voor bijzondere beloningen die bij ministeriële regeling worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 25 tweede en derde lid met dien verstande dat in deze tabellen jaarlonen en belastingpercentages worden opgenomen en geen rekening wordt gehouden met de arbeidskorting 2 Indien dit niet tot een hoger belastingbedrag leidt mogen de in het eerste lid bedoelde beloningen worden beschouwd als een toevoeging aan het loon over het loontijdvak waarin zij worden uitbetaald 3 Overwerkloon mag worden belast naar het percentage dat wordt aangewezen door de loonbelastingtabel voor bijzondere beloningen 4 Als jaarloon geldt voor de toepassing van dit artikel a ingeval de werknemer over het gehele voorafgaande kalenderjaar van de inhoudingsplichtige loon heeft genoten het in dat jaar genoten loon b ingeval de werknemer over een gedeelte van het voorafgaande kalenderjaar van de inhoudingsplichtige loon heeft genoten het tot een jaarloon herleide bedrag van het in dat jaar genoten loon c in andere gevallen het in het kalenderjaar te genieten loon indien over het gehele jaar van de inhoudingsplichtige loon zou worden genoten 5 Als overwerkloon gelden voor de toepassing van dit artikel de beloningen ter zake van arbeid welke wordt verricht gedurende de tijd die uitgaat boven de voor de werknemer geldende normale arbeidsduur 6 Voor het geval de werknemer binnen een samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van inhoudingsplichtige is gewisseld kunnen voor de toepassing van het vierde lid bij ministeriële regeling aanvullende bepalingen worden gesteld Artikel 26a Vervallen per 01 01 2001 Artikel 26b In afwijking van de artikelen 20 20a 20b en 26 bedraagt de belasting 52 van het loon ingeval a de werknemer zijn naam adres woonplaats of burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan zijn sociaal fiscaalnummer niet aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt b bij een werknemer die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet de inhoudingsplichtige zijn identiteit niet heeft vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie overeenkomstig artikel 28 onderdeel e c bij een werknemer die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en niet behoort tot de categorie werknemers die op grond van overeenkomsten van internationaal recht is uitgezonderd van de verplichting tot het hebben van een geldige verblijfsvergunning als bedoeld in die wet en een geldige tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid vreemdelingen de inhoudingsplichtige zijn verblijfsrechtelijke positie ter zake van het verrichten van arbeid niet heeft vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie overeenkomstig artikel 28 onderdeel e d de werknemer ter zake van de in de onderdelen a tot en met c bedoelde inlichtingen onjuiste gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of redelijkerwijs moet weten De eerste volzin aanhef en onderdeel c is niet van toepassing bij werknemers die werkzaamheden verrichten in dienstbetrekking bij de Staat der Nederlanden niet in Nederland wonen en hun dienstbetrekking geheel buiten Nederland vervullen Indien de belasting ingevolge artikel 27b eerste lid in één bedrag met de premie voor de volksverzekeringen wordt geheven wordt in afwijking in zoverre van de eerste volzin het bedrag van de verschuldigde belasting te zamen met het bedrag van de verschuldigde premie voor de volksverzekeringen gesteld op 52 van het loon Artikel 26c Vervallen per 01 01 2001 HOOFDSTUK IV WIJZE VAN HEFFING Artikel 27 1 De belasting wordt geheven door inhouding op het loon 2 De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop het loon wordt genoten 3 De inhouding vindt plaats volgens de op het tijdstip van inhouding voor de werknemer geldende loonbelastingtabel 4 Overtreft de belasting het van de inhoudingsplichtige genoten loon in geld dan wordt het ontbrekende geacht te zijn ingehouden op het in het tweede lid omschreven tijdstip met dien verstande dat de inhoudingsplichtige bevoegd is dat ontbrekende te verhalen op de werknemer Ingeval het artikel 27b eerste lid toepassing vindt is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen 5 De inhoudingsplichtige is verplicht de in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte af te dragen 6 Onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden kunnen ten aanzien van een in de onderneming van zijn ouder werkzaam kind dat behoort tot de huishouding van die ouder en niet is verzekerd ingevolge enige andere sociale verzekering dan een volksverzekering in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen of de zorgverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet een van het tweede lid afwijkend tijdstip van inhouding en een van het derde lid afwijkende loonbelastingtabel worden vastgesteld Artikel 27bis In afwijking van artikel 27 kan de overeenkomstig een door de inhoudingsplichtige bestendig gevolgde gedragslijn in de maand januari van het kalenderjaar gedane inhouding op loon dat de werknemer met betrekking tot een of meer loontijdvakken binnen het voorgaande kalenderjaar toekomt worden begrepen in de laatste aangifte met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar Het loon waarop deze inhouding betrekking heeft wordt voor de berekening van de inhouding gerekend tot het loon van het desbetreffende loontijdvak Artikel 27a 1 In afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde wordt de belasting over de in artikel 31 bedoelde eindheffingsbestanddelen geheven van de inhoudingsplichtige 2 De heffing over eindheffingsbestanddelen met uitzondering van de aan naheffing onderworpen eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31 eerste lid onderdeel a geschiedt als ware de door de inhoudingsplichtige in een tijdvak verschuldigde belasting door hem op aangifte af te dragen belasting Artikel 27b 1 Indien de werknemer ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen geschiedt de heffing van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen in één bedrag dan wel in één percentage met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor de heffing en de invordering van de loonbelasting 2 Voor gevallen waarin het eerste lid toepassing vindt worden met overeenkomstige toepassing van artikel 25 bij ministeriële regeling tabellen vastgesteld waarin telkens de belasting en de premie voor de volksverzekeringen in één bedrag dan wel in één percentage worden opgenomen 3 Bij ministeriele regeling worden voor daarbij aan te wijzen gevallen berekeningsvoorschriften vastgesteld aan de hand waarvan uit de in het tweede lid bedoelde tabellen het bedrag van de belasting wordt afgeleid Artikel 27c 1 Indien ten aanzien van de werknemer ook premieplicht voor de werknemersverzekeringen bestaat geschiedt de heffing van de premies voor de werknemersverzekeringen gelijktijdig met die van de belasting en geschiedt de afdracht van die premies en de belasting op één aangifte een en ander met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor de heffing en de invordering van de loonbelasting 2 Toerekening van een betaling op de aangifte bedoeld in het eerste lid geschiedt naar evenredigheid aan de belasting en aan de premies voor de werknemersverzekeringen Artikel 27d 1 Indien de werknemer ook verzekeringsplichtig is in de zin van de Zorgverzekeringswet geschiedt de heffing van de ingevolge de Zorgverzekeringswet over het loon verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage gelijktijdig met die van de belasting en geschiedt de afdracht van die bijdrage en de belasting op één aangifte een en ander met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor de heffing en de invordering van de loonbelasting 2 Toerekening van een betaling op de aangifte bedoeld in het eerste lid geschiedt naar evenredigheid aan de belasting en aan de ingevolge de Zorgverzekeringswet verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage Artikel 27da Voorzover de belasting en de premie voor de volksverzekeringen de premies voor de werknemersverzekeringen of de ingevolge de Zorgverzekeringswet verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage gelijktijdig worden geheven en artikel 28b van deze wet of artikel 67b 67c of 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen toepassing vindt wordt dat artikel slechts eenmaal toegepast met dien verstande dat alsdan voor de toepassing van artikel 67f tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt uitgegaan van het gezamenlijk gelijktijdig geheven bedrag Artikel 27e 1 Met het oog op het beperken van administratieve lasten van een aantal inhoudingsplichtigen die tegelijkertijd aangiften doen kan de inspecteur op hun verzoek onder door hem te stellen voorwaarden deze inhoudingsplichtigen aanwijzen als samenhangende groep inhoudingsplichtigen 2 De aanwijzing kan en de daarbij gestelde voorwaarden kunnen al dan niet op verzoek van een of meer inhoudingsplichtigen worden gewijzigd of ingetrokken 3 Aanwijzing wijziging en intrekking vinden plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking Artikel 28 1 De inhoudingsplichtige is gehouden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels a van de werknemer opgave te verlangen van gegevens waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn b de in onderdeel a bedoelde gegevens door te geven aan een andere inhoudingsplichtige c een loonadministratie te voeren en daarbij de gegevens te administreren met betrekking tot de bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en verstrekkingen welke ingevolge artikel 11 niet tot het loon behoren d aan de werknemer opgave te verstrekken van het in een kalenderjaar genoten loon van de ingehouden belasting en van andere gegevens welke van belang kunnen zijn voor de heffing van de inkomstenbelasting e van de werknemer die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet vast te stellen de identiteit aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 eerste lid onder 1 tot en met 3 van de Wet op de identificatieplicht en zo de werknemer een vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en niet behoort tot de categorie werknemers die op grond van overeenkomsten van internationaal recht is uitgezonderd van de verplichting tot het hebben van een geldige verblijfsvergunning als bedoeld in die wet en een geldige tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid vreemdelingen tevens de verblijfsrechtelijke status ter zake van het verrichten van arbeid aan de hand van een geldige verblijfsvergunning of aan de hand van een geldige tewerkstellingsvergunning alsmede van een en ander de aard het nummer en een afschrift daarvan in de loonadministratie op te nemen f ingeval de inspecteur hem bij voor bezwaar vatbare beschikking daartoe heeft verplicht voor de datum van aanvang van de werkzaamheden van een werknemer aan de inspecteur opgave te verstrekken van gegevens waarvan kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn eerstedagsmelding met dien verstande dat indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen de eerstedagsmelding wordt gedaan voor de aanvang van de werkzaamheden g mededeling aan de inspecteur te doen omtrent het einde van zijn inhoudingsplicht 2 Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de werknemer die niet in Nederland woont en die werkzaamheden verricht of heeft verricht in een in artikel 2 derde lid genoemde dienstbetrekking indien het heffingrecht over het loon uit die dienstbetrekking op grond van een belastingverdrag niet aan Nederland is toegewezen en de werknemer niet premieplichtig is voor de volksverzekeringen Artikel 28bis 1 De inspecteur kan de verplichting tot het doen van eerstedagsmeldingen slechts opleggen indien ten aanzien van de inhoudingsplichtige in de periode van zes maanden welke voorafgaat aan de dagtekening van de beschikking bedoeld in artikel 28 onderdeel f een van de volgende gebeurtenissen zich heeft voorgedaan a een naheffingsaanslag in verband met de toepassing van artikel 30a is opgelegd b een vergrijpboete als bedoeld in artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is opgelegd c een boete ter zake van een of meer beboetbare feiten als genoemd in artikel 18 van de Wet arbeid vreemdelingen is opgelegd d artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen toepassing heeft gevonden of e strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen ter zake van een of meer strafbare feiten als bedoeld in artikel 19c van de Wet arbeid vreemdelingen in artikel 47 van de Handelsregisterwet 2007 of in de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen 2 De verplichting tot het doen van eerstedagsmeldingen vervalt drie jaren na de dagtekening van de beschikking waarbij die verplichting is opgelegd of zoveel eerder als deze beschikking bij voor bezwaar vatbare beschikking is ingetrokken omdat de grond bedoeld in het eerste lid voor het opleggen van die verplichting is komen te vervallen In afwijking in zoverre van de eerste volzin vervalt de verplichting vijf jaren na de dagtekening van de beschikking ingeval aan de inhoudingsplichtige eerder een verplichting tot het doen van eerstedagsmeldingen is opgelegd 3 In de beschikking waarbij de verplichting tot het doen van eerstedagsmeldingen wordt opgelegd wordt vermeld welke van de in het eerste lid genoemde gebeurtenissen grond is voor het opleggen van de verplichting Tevens wordt in de beschikking vermeld met ingang van welke datum de verplichting vervalt Artikel 28a 1 Indien de inhoudingsplichtige met betrekking tot een aangifte binnen vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin het tijdvak is aangevangen waarover die aangifte is gedaan constateert dat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan is hij verplicht gelijktijdig met de eerstvolgende aangifte of de daarop volgende aangifte door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken 2 Indien de inspecteur met betrekking tot een aangifte binnen vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin het tijdvak is aangevangen waarover die aangifte is gedaan constateert dat die aangifte onjuist of onvolledig is kan hij de inhoudingsplichtige verplichten gelijktijdig met een aangifte door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken 3 De inhoudingsplichtige is gehouden de gegevens bedoeld in het eerste en tweede lid op dezelfde wijze en in dezelfde vorm te verstrekken als van de aangifte 4 Bij ministeriële regeling kunnen van de vorige leden afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot de verplichting voor de inhoudingsplichtige tot het indienen van een correctiebericht daaronder begrepen regels over de wijze waarop en de termijn waarbinnen een correctiebericht moet worden ingediend 5 Een correctiebericht is geen bezwaarschrift in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen 6 Indien bij de aangifte een correctiebericht is ingediend en het saldo van de te betalen belasting van de aangifte en het correctiebericht positief is is de inhoudingsplichtige in zoverre in afwijking van artikel 19 eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gehouden dit saldo aan de ontvanger te betalen Voorzover het bedrag van het correctiebericht in mindering wordt gebracht op de bij de aangifte te betalen belasting wordt heffingsrente vergoed

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Wet%20LB%20%28tekst%202011%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (tekst per 1 januari 2011, www.overheid.nl)
    bedoelde regeling minder dan vijf gehele kalenderjaren heeft bestaan is dat lid van overeenkomstige toepassing op het mindere aantal gehele kalenderjaren met dien verstande dat bij een bestaansduur van de regeling van een of twee gehele kalenderjaren de laatste volzin van dat lid niet van toepassing is 4 De waarde van een aanspraak ingevolge een wettelijke Belgische ziektekostenverzekering bedraagt maximaal het gezamenlijke bedrag van de voor dat jaar geldende standaardpremie bedoeld in artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag welke standaardpremie tweemaal in aanmerking wordt genomen ingeval sprake is van een op grond van verordening EU 883 2004 Pb EU L314 meeverzekerde echtgenoot als bedoeld in die verordening en het voor dat jaar geldende maximumbedrag van de inkomensafhankelijke bijdrage volgens hoofdstuk 5 van de Zorgverzekeringswet 5 In afwijking van de vorige leden wordt de waarde van een aanspraak op een ziektekostenregeling met een waarde van ten hoogste 27 per jaar op nihil gesteld Artikel 3 13 Privégebruik auto rittenregistratie loontijdvakken en verklaring geen privégebruik 1 De rittenregistratie bedoeld in artikel 13bis vierde lid van de wet bevat ten minste de volgende gegevens a merk type en kenteken van de auto b periode van terbeschikkingstelling van de auto c per rit 1 datum 2 beginstand en eindstand van de kilometerteller 3 beginadres en eindadres 4 de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke 5 het karakter van de rit 2 Indien in een loontijdvak de vergoeding die de werknemer voor het gebruik voor privédoeleinden verschuldigd is uitgaat boven het voor dat loontijdvak op grond van artikel 13bis eerste tot en met derde lid van de wet berekende voordeel wordt in dat loontijdvak een negatief bedrag ter grootte van het verschil tussen het berekende voordeel en de verschuldigde vergoeding als voordeel in aanmerking genomen voor zover op kalenderjaarbasis het berekende voordeel ten minste gelijk is aan de vergoeding voor het gebruik voor privédoeleinden 3 Een verzoek om een verklaring geen privégebruik als bedoeld in artikel 13bis dertiende lid van de wet bevat ten minste de volgende gegevens a de naam het adres en het burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan het sociaal fiscaalnummer van de werknemer b het kenteken van de auto indien dit bekend is en het verzoek betrekking heeft op één auto c het jaar van ingang van de verklaring Hoofdstuk 4 Pensioenregelingen hoofdstuk IIb van de wet Artikel 4 1 Splitsing pensioenregeling 1 Bij overschrijding van de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet opgenomen begrenzingen bedoeld in artikel 18 derde lid van de wet kan de inhoudingsplichtige de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de begrenzingen verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen welk deel van de aanspraak binnen de begrenzingen blijft en welk deel de begrenzingen te boven gaat 2 Met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde beschikking administreert de inhoudingsplichtige bij de loonadministratie afzonderlijk jaarlijks welk deel van de aanspraak tot het loon behoort en welk deel niet alsmede de waarde van het deel dat jaarlijks in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen Tevens administreert de inhoudingsplichtige naar rato van deze verdeling welk deel van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen als loon uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking zal worden genomen en welk deel als voordeel uit sparen en beleggen wordt behandeld 3 Van de ingevolge het tweede lid geadministreerde verdeling van de aanspraak en waarde van het deel dat in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen alsmede de verdeling van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen verstrekt de inhoudingsplichtige jaarlijks een opgave aan de inspecteur Artikel 4 2 Aanwijzing van een aantal van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte Voor de toepassing van artikel 19a van de wet worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen IJsland Noorwegen en Liechtenstein Artikel 4 3 Samenloop verschillende pensioenstelsels 1 Bij samenloop van verschillende pensioenstelsels in een pensioenregeling worden alle elementen van de pensioenregeling tezamen in acht genomen en in onderlinge samenhang bezien voor de vaststelling of de pensioenregeling moet worden aangemerkt als een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel een middelloonstelsel of een beschikbare premiestelsel 2 In afwijking van het eerste lid dient voor elk onderdeel van de pensioenregeling dat niet past binnen het op grond van het eerste lid vastgestelde pensioenstelsel afzonderlijk te worden beoordeeld op welk van de drie aldaar genoemde stelsels dat onderdeel is gebaseerd 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid kan de inhoudingsplichtige de inspecteur verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen op welk stelsel de pensioenregeling of een onderdeel daarvan is gebaseerd 4 Bij wijziging van een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd pensioen in een pensioen dat is gebaseerd op een eindloonstelsel of een middelloonstelsel blijven op de tot het moment van die stelselwijziging opgebouwde pensioenaanspraken de voorwaarden van toepassing die gelden voor een beschikbare premiestelsel Hoofdstuk 5 Levensloopregeling hoofdstuk iic van de wet Artikel 5 1 Schriftelijke vastlegging levensloopregeling 1 Een levensloopregeling moet schriftelijk zijn vastgelegd In de vastlegging moet ten minste zijn opgenomen a dat de regeling ten doel heeft het treffen van een voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van het opnemen van een periode van extra verlof b dat de aanspraken ingevolge de levensloopregeling niet kunnen worden afgekocht vervreemd prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid anders dan ten behoeve van de in artikel 5 11 bedoelde verpanding kunnen worden c de instelling waarbij de voorziening wordt aangehouden d een bepaling ingevolge welke de werknemer schriftelijk aan de inhoudingsplichtige verklaart of hij bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen aanspraken ingevolge een levensloopregeling heeft opgebouwd die ingevolge artikel 5 8 derde lid geacht worden te zijn opgebouwd bij de inhoudingsplichtige e een bepaling ingevolge welke de werknemer schriftelijk verklaart dat hij geen voorziening ingevolge een levensloopregeling opbouwt in het kalenderjaar waarin hij bij een inhoudingsplichtige loon spaart ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de wet 2 In afwijking van het eerste lid mag een levensloopregeling voorzien in de mogelijkheid van afkoop van de aanspraken bij beëindiging van de dienstbetrekking 3 In afwijking van het eerste lid mag een levensloopverzekering voorzien in de mogelijkheid van gehele of gedeeltelijke afkoop van de aanspraken voor zover overeenkomstig artikel 19g tweede lid van de wet over de voorziening wordt beschikt Artikel 5 2 Levensloopregeling 1 Het opbouwen van een voorziening ingevolge een levensloopregeling vindt plaats door inhouding op het loon waarbij het ingehouden loon wordt aangewend voor het treffen van een voorziening voor een periode van extra verlof Daarbij wordt de duur van de verlofperiode bepaald door het ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprekening als bedoeld in artikel 5 3 onderscheidenlijk door de waarde van de polis bij een levensloopverzekering als bedoeld in artikel 5 4 en door het ingehouden loon vermeerderd met de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprecht van deelneming als bedoeld in artikel 5 5 en verkrijgt de werknemer een aanspraak op het levenslooploon ten behoeve van de betaling van loon gedurende de verlofperiode Onder ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon wordt tevens verstaan een door de inhoudingsplichtige ten behoeve van de levensloopregeling verstrekte bijdrage 2 Onder levenslooploon wordt verstaan het ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprekening als bedoeld in artikel 5 3 onderscheidenlijk de waarde van de polis bij een levensloopverzekering als bedoeld in artikel 5 4 en het ingehouden loon vermeerderd met de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprecht van deelneming als bedoeld in artikel 5 5 Artikel 5 3 Levenslooprekening 1 Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon moet worden overgemaakt naar een geblokkeerde rekening levenslooprekening bij de in de levensloopregeling aangewezen instelling waar het tegoed voor iedere werknemer afzonderlijk wordt geadministreerd 2 De op de levenslooprekening gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen worden op de levenslooprekening bijgeschreven 3 Het tegoed op een levenslooprekening mag uitsluitend bestaan uit het levenslooploon 4 De instelling waar de levenslooprekening is ondergebracht maakt het levenslooploon over naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voor zover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend 5 In afwijking in zoverre van het vierde lid maakt de instelling het levenslooploon op verzoek van de werknemer over naar de werknemer indien geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6 eerste lid onderdeel a van de wet kan worden aangewezen in dit geval wordt de instelling als inhoudingsplichtige aangemerkt Artikel 5 4 Levensloopverzekering 1 Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon moet worden overgemaakt ten behoeve van een verzekering levensloopverzekering bij de in de levensloopregeling aangewezen instelling waar de waarde van de polis voor iedere werknemer afzonderlijk wordt geadministreerd 2 De bij de levensloopverzekering behaalde rendementen moeten worden aangewend voor een verhoging van het verzekerde kapitaal 3 Het verzekerde kapitaal op grond van een levensloopverzekering mag uitsluitend bestaan uit het levenslooploon 4 De instelling waar de levensloopverzekering is ondergebracht maakt het levenslooploon over naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voor zover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend 5 In afwijking in zoverre van het vierde lid maakt de instelling het levenslooploon op verzoek van de werknemer over naar de werknemer indien geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6 eerste lid onderdeel a van de wet kan worden aangewezen in dit geval wordt de instelling als inhoudingsplichtige aangemerkt 6 Een aanspraak ingevolge een levensloopverzekering mag voorzien in een hogere uitkering bij leven dan de in artikel 19g eerste lid van de wet opgenomen maxima indien deze verhoging met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen is gebaseerd op een verlaging van de ingevolge de levensloopregeling bij overlijden te ontvangen uitkering tot een niveau beneden of gelijk aan 90 van de premievrije waarde op de dag van overlijden Artikel 5 5 Levenslooprecht van deelneming 1 Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon moet worden overgemaakt naar de in de levensloopregeling aangewezen beheerder van een beleggingsinstelling ter verwerving van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling levenslooprecht van deelneming die voor iedere werknemer afzonderlijk worden geadministreerd 2 Het met een levenslooprecht van deelneming behaalde rendement wordt aangewend ter verwerving van levenslooprechten van deelneming 3 Het levenslooprecht van deelneming mag uitsluitend bestaan uit het levenslooploon 4 De beheerder van de beleggingsinstelling maakt het levenslooploon over naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voor zover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend 5 In afwijking in zoverre van het vierde lid maakt de beheerder van de beleggingsinstelling het levenslooploon op verzoek van de werknemer over naar de werknemer indien geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6 eerste lid onderdeel a van de wet kan worden aangewezen in dit geval wordt de beheerder van de beleggingsinstelling als inhoudingsplichtige aangemerkt Artikel 5 6 Maximale opbouw in een jaar 1 Het per kalenderjaar ingehouden loon ingevolge een levensloopregeling bedraagt a indien aan het begin van het kalenderjaar het levenslooploon minder bedraagt dan 2 1 maal het loon op jaarbasis gerelateerd aan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon ten hoogste 12 van het loon in het kalenderjaar b indien aan het begin van het kalenderjaar het levenslooploon gelijk is aan of meer bedraagt dan 2 1 maal het loon op jaarbasis gerelateerd aan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon nihil 2 Voor zover het ingevolge de levensloopregeling ingehouden loon uitgaat boven hetgeen ingevolge het eerste lid is toegestaan en dit ingehouden loon in hetzelfde kalenderjaar door de instelling waarbij de levensloopregeling is ondergebracht wordt teruggestort naar de inhoudingsplichtige en deze de terugstorting als loon uitkeert aan de werknemer wordt aangenomen dat is gebleven binnen de begrenzingen van het eerste lid 3 Voor de toepassing van het eerste lid mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven voor zover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie of het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum De eerste volzin is bij een loonsverlaging die het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie uitsluitend van toepassing voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50 van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de in de eerste volzin bedoelde periode 4 Voor de toepassing van de in dit artikel gestelde grenzen worden de aanspraken die zijn opgebouwd bij een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap mede in aanmerking genomen tenzij deze aanspraken met toepassing van artikel 5 8 geacht worden te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige dan een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap Artikel 5 7 Toegestane aangroei boven het plafond bij een levenslooprekening bij een levensloopverzekering en bij een levenslooprecht van deelneming Ook indien bij het begin van het kalenderjaar de in artikel 5 6 bedoelde begrenzing op basis waarvan wordt beoordeeld of in het kalenderjaar nog aanspraken ingevolge een levensloopregeling kunnen worden opgebouwd is bereikt leiden de nadien op de levenslooprekening gekweekte inkomsten en daarmee behaalde rendementen de nadien bij een levensloopverzekering behaalde rendementen en de nadien met een levenslooprecht van deelneming behaalde rendementen niet tot de constatering dat de regeling niet meer voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een levensloopregeling Artikel 5 8 Wijze van beschikken over het levenslooptegoed 1 Over de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening mag worden beschikt ten behoeve van loon tijdens een verlofperiode dat tezamen met het daarnaast van de inhoudingsplichtige genoten loon niet uitgaat boven het laatstgenoten loon In afwijking in zoverre van de eerste volzin mag niet over de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening worden beschikt ten behoeve van de aanvulling van loon dat is verlaagd tijdens een periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid 2 In geval van overlijden van de werknemer kan de tegenwaarde van de aanspraak a als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van de werknemer ter beschikking van de erfgenamen van de werknemer worden gesteld ingeval de overleden werknemer bij het begin van het kalenderjaar nog niet de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt b als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer ter beschikking van de erfgenamen van de werknemer worden gesteld ingeval de overleden werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt 3 Bij aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking worden de aanspraken ingevolge een levensloopregeling die door de werknemer zijn opgebouwd bij een gewezen inhoudingsplichtige geacht te zijn opgebouwd bij de inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienst treedt tenzij bij deze inhoudingsplichtige geen aanspraken ingevolge een levensloopregeling worden opgebouwd of de bij de gewezen inhoudingsplichtige opgebouwde aanspraken reeds geacht worden te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienstbetrekking staat 4 Indien de werknemer uitkeringen ontvangt in overeenstemming met de levensloopregeling worden deze als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in aanmerking genomen In afwijking van de eerste volzin wordt de uitkering aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking a ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt b in geval van afkoop bij beëindiging van de dienstbetrekking 5 Indien in strijd met de levensloopregeling geheel of gedeeltelijk over het levenslooploon wordt beschikt wordt de gehele aanspraak ingevolge de levensloopregeling aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer 6 Het vijfde lid is niet van toepassing voor zover een aanspraak ingevolge een levensloopregeling wordt omgezet in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling die na de omzetting nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet gestelde begrenzingen Artikel 5 9 Kredietfaciliteit Indien het ingevolge artikel 5 8 eerste lid opgenomen bedrag het op dat moment aanwezige tegoed overtreft kan het negatieve saldo uitgezonderd de daarover verschuldigde rente met inachtneming van de in artikel 5 6 gestelde begrenzingen via een inhouding op het loon worden aangevuld in welk geval deze aanvulling wordt aangemerkt als het opbouwen van een voorziening als bedoeld in artikel 5 2 Artikel 5 10 Opgebouwde voorziening bij het ingaan van het ouderdomspensioen Voor de toepassing van artikel 19g achtste lid van de wet wordt het ouderdomspensioen van een werknemer geacht niet te zijn ingegaan indien het niet meer dan voor een deel is ingegaan Artikel 5 11 Aangewezen buitenlandse aanbieders 1 Als kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 19g vierde lid onderdeel d van de wet kan door de Minister worden aangewezen een kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling die wettelijk bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten 2 Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan dient de kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling zich tegenover de Minister onder door hem te stellen voorwaarden te verplichten om met betrekking tot de aanspraken ingevolge een door deze kredietinstelling deze verzekeraar of deze beheerder van een beleggingsinstelling uitgevoerde levensloopregeling bedoeld in artikel 19g van de wet inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van deze levensloopregeling en jegens de ontvanger een in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van artikel 5 3 vijfde lid onderscheidenlijk artikel 5 4 vijfde lid of artikel 5 5 vijfde lid In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een andere lidstaat van de Europese Unie of in IJsland Noorwegen of Liechtenstein gevestigde kredietinstelling verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze kredietinstelling deze verzekeraar of deze beheerder van een beleggingsinstelling onder door de Minister te stellen voorwaarden ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting 3 De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het tweede lid bedoelde zekerheid niet door de kredietinstelling de verzekeraar of de beheerder van een beleggingsinstelling maar door de werknemer of de gewezen werknemer wordt gesteld waarbij deze tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken ingevolge een levensloopregeling aan de ontvanger mits de kredietinstelling onderscheidenlijk de verzekeraar of de beheerder van een beleggingsinstelling instemt met deze verpanding 4 De aanwijzing kan door de Minister worden ingetrokken wanneer de kredietinstelling de verzekeraar of de beheerder van een beleggingsinstelling niet meer aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het derde lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt 5 Indien de aanwijzing wordt ingetrokken worden de aanspraken ingevolge een levensloopregeling niet op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemers of gewezen werknemers of indien een werknemer of gewezen werknemer is overleden van de gerechtigden tot de aanspraken indien de aanspraken onder door de Minister te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een kredietinstelling een verzekeraar of een beheerder van een beleggingsinstelling van een levensloopregeling die voldoet aan de in artikel 19g vierde lid van de wet gestelde voorwaarden 6 De Minister maakt het aanwijzen als een kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste lid op een daartoe geschikte wijze publiek bekend Indien de Minister een aanwijzing intrekt maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend Hoofdstuk 6 Tarief hoofdstuk III van de wet Artikel 6 1 Afwijkend loontijdvak bij een werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is Ten aanzien van de werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaam is wordt in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet als loontijdvak aangemerkt a indien het loon per week wordt uitbetaald de week b indien het loon per vier weken wordt uitbetaald het tijdvak van vier weken c indien het loon per maand wordt uitbetaald de maand Artikel 6 2 Afwijkend loontijdvak bij een werknemer met vakantiebonnen vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken 1 Ten aanzien van de werknemer wiens loon mede omvat de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken wordt in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet als loontijdvak aangemerkt a ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 20 of meer vakantiedagen een door vermenigvuldiging met de factor 260 231 verlengd loontijdvak b ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 19 of minder vakantiedagen een door vermenigvuldiging met de factor 260 245 verlengd loontijdvak 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt het aantal vakantiedagen in aanmerking genomen tot het krachtens de publiekrechtelijke regeling of de collectieve arbeidovereenkomst voor een volwassen werknemer geldende aantal zonder rekening te houden met feestdagen en met extra vakantiedagen die aan de werknemer worden toegekend in verband met zijn leeftijd of de duur van zijn dienstverband Artikel 6 3 Afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren 1 Ten aanzien van de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer die met betrekking tot een kalenderkwartaal als student of scholier wordt aangemerkt en die schriftelijk gedagtekend en ondertekend te kennen heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak wordt aangemerkt kan in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet voor loonbetalingen waarvan het inhoudingstijdstip in dat kwartaal is gelegen dat kwartaal als loontijdvak worden aangemerkt 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt met betrekking tot een kalenderkwartaal als student of scholier aangemerkt a de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een gift een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek b de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten c de werknemer voor wie bij het begin van het kalenderkwartaal recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet d de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal staat ingeschreven bij een onderwijsinstelling waar hij een voltijdse opleiding volgt en die inwoner is van een lidstaat van de Europese Unie van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland en die in het bezit is van een door de Minister aangewezen internationale studentenkaart 3 Voor de toepassing van het eerste lid bewaart de inhoudingsplichtige bij zijn loonadministratie een schriftelijke door de werknemer gedagtekende en ondertekende verklaring dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak kan worden aangemerkt alsmede a ingeval het tweede lid onderdeel a of b van toepassing is het correspondentienummer b ingeval het tweede lid onderdeel c van toepassing is het registratienummer c ingeval het tweede lid onderdeel d van toepassing is een kopie van de internationale studentenkaart 4 Indien in het kwartaal meer dan eens loon wordt verstrekt wordt de op een inhoudingstijdstip verschuldigde belasting bepaald op de belasting die is verschuldigd over het in dat kwartaal in totaal verstrekte loon verminderd met de reeds ingehouden belasting 5 Bij toepassing van dit artikel is in geval van twee opeenvolgende dienstbetrekkingen artikel 23 van de wet niet van toepassing Artikel 6 4 Toepassing tabel bijzondere beloningen bij wisseling van werkgever binnen een samenhangende groep inhoudingsplichtigen Ingeval de inhoudingsplichtige van de werknemer en de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige van de werknemer behoren tot een samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet wordt de werknemer voor de toepassing van artikel 26 vierde lid van de wet geacht het van deze inhoudingsplichtigen genoten loon van één inhoudingsplichtige te hebben genoten Hoofdstuk 7 Wijze van heffing hoofdstuk IV van de wet Artikel 7 1 In de onderneming van de ouder werkzame kinderen 1 Ten aanzien van een in artikel 27 zesde lid van de wet bedoeld kind kan de inspecteur onder door hem te stellen voorwaarden toestaan dat de belasting wordt ingehouden op de eerste werkdag van het volgende kalenderjaar met toepassing van de loonbelastingtabellen voor het kalenderjaar waarin het loon is verstrekt Alsdan wordt het in dat kalenderjaar verstrekte loon geacht in gelijke delen te zijn verstrekt over de kalenderkwartalen waarin het kind werkzaam is geweest en vinden artikel 26 van de wet en de krachtens dat artikel vastgestelde loonbelastingtabellen voor bijzondere beloningen geen toepassing 2 Voor de toepassing van artikel 19 eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de belasting bedoeld in het eerste lid geacht te zijn ingehouden in het kalenderjaar waarin het loon is verstrekt 3 Indien de belasting wordt ingehouden op de voet van het eerste lid zijn ten aanzien van het in dat lid bedoelde kind de artikelen 7 2 en 7 9 niet van toepassing Artikel 7 2 Loonstaat 1 De inhoudingsplichtige legt voor iedere werknemer voor de eerste loonverstrekking in het kalenderjaar een loonstaat aan en houdt deze vervolgens bij De loonstaat wordt opgemaakt overeenkomstig het door de inspecteur verstrekte model De inhoudingsplichtige mag een van het model afwijkende loonstaat gebruiken mits deze ten minste de mogelijkheid biedt op duidelijke wijze dezelfde gegevens te administreren als het model 2 De inhoudingsplichtige wordt geacht aan het eerste lid te voldoen ingeval hij met behulp van elektronische apparatuur alle van belang zijnde gegevens vastlegt en hij die gegevens op elk gewenst tijdstip op schrift in de vorm van een van de in het eerste lid bedoelde loonstaten ter inzage kan verstrekken 3 De inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden ermee instemmen dat de inhoudingsplichtige de op de loonstaat te vermelden gegevens op een andere dan de in het eerste of het tweede lid bedoelde wijze administreert De instemming kan te allen tijde worden ingetrokken indien de administratie niet zodanig is ingericht dat een deugdelijke controle gewaarborgd is 4 De inhoudingsplichtige ontleent de in het hoofd van de loonstaat te vermelden gegevens aan a de laatstelijk door de werknemer op grond van artikel 7 9 verstrekte informatie b de door de werknemer of de Belastingdienst verstrekte opgave van het burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan het sociaal fiscaalnummer 5 In afwijking in zoverre van het vierde lid aanhef en onderdeel a vermeldt de inhoudingsplichtige in het hoofd van de loonstaat de gegevens die hem bekend zijn a indien hij weet dat de laatstelijk door de werknemer op grond van artikel 7 9 verstrekte informatie onjuist is b zolang de werknemer geen informatie als bedoeld in artikel 7 9 heeft verstrekt c indien de werknemer geen informatie als bedoeld in artikel 7 9 hoeft te verstrekken 6 De inhoudingsplichtige houdt behalve in de gevallen bedoeld in artikel 26b van de wet de belasting in aan de hand van de gegevens vermeld in het hoofd van de loonstaat 7 De inhoudingsplichtige houdt de loonadministratie op de plaats waar hij in Nederland kantoor houdt of indien zodanig kantoor niet wordt gehouden op de plaats waar hij in Nederland woont of gevestigd is of op de plaats waar hij in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft Bij gebreke daarvan houdt hij de loonadministratie onder zijn berusting De inspecteur kan een andere plaats aanwijzen 8 Ingeval de loonberekening door derden wordt uitgevoerd met behulp van mechanische of elektronische apparatuur kan de Minister onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat de loonadministratie op een andere plaats wordt bewaard 9 Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Wet werk en bijstand de Wet investeren in jongeren of de Wet werk en inkomen kunstenaars Artikel 7 3 Administratie uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdelen m en o van de wet 1 De inhoudingsplichtige administreert bij de loonadministratie de gegevens met betrekking tot uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdelen m en o van de wet 2 De inhoudingsplichtige kan de in het eerste lid bedoelde gegevens op een andere plaats administreren dan bij de loonadministratie mits a hij dit onder vermelding van de nieuwe bewaarplaats vooraf meldt aan de inspecteur en b de gegevens op verzoek van de inspecteur voor controle beschikbaar komen op de plaats waar de loonadministratie wordt gevoerd Artikel 7 4 Jaaropgaaf 1 De inhoudingsplichtige verstrekt aan de werknemer een jaaropgaaf 2 Ten aanzien van de werknemer van wie in verband met gemoedsbezwaren geen premie voor de volksverzekeringen is geheven bevat de jaaropgaaf de mededeling dat in plaats van premie voor de volksverzekeringen tot eenzelfde bedrag premievervangende belasting is ingehouden Artikel 7 5 Identificatieplicht 1 De inhoudingsplichtige stelt voor de datum van aanvang van de werkzaamheden van de werknemer of voor de aanvang van de werkzaamheden indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen de identiteit van de werknemer vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 eerste lid onder 1 tot en met 3 van de Wet op de identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor controle beschikbaar bij de loonadministratie 2 Indien uit het afschrift van het in het eerste lid bedoelde document niet de aard en het nummer van dat document blijkt administreert de inhoudingsplichtige de aard en het nummer van dat document bij de loonadministratie 3 De inspecteur kan al dan niet onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften op een andere plaats worden bewaard 4 De inhoudingsplichtige bewaart de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd Artikel 7 6 Eerstedagsmelding 1 De eerstedagsmelding bedoeld in artikel 28 onderdeel f van de wet wordt langs elektronische weg gedaan 2 Ingeval met toepassing van artikel 20 derde lid van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 voor de loonbelasting ontheffing is verleend van de in het tweede lid van dat artikel genoemde verplichting tot het doen van aangifte langs elektronische weg wordt in afwijking van het eerste lid de eerstedagsmelding gedaan door het invullen ondertekenen en inleveren of toezenden van het door de inspecteur uitgereikte of toegezonden meldingsformulier 3 De eerstedagsmelding bevat a het loonheffingennummer van de inhoudingsplichtige b het burgerservicenummer van de werknemer of bij het ontbreken daarvan het sociaal fiscaalnummer of bij het ontbreken van deze nummers een uniek personeelsnummer c de naam van de werknemer d de geboortedatum van de werknemer e de datum van aanvang van de werkzaamheden Ingeval de eerstedagsmelding ingevolge het tweede lid met een meldingsformulier wordt gedaan bevat de eerstedagsmelding tevens de naam van de inhoudingsplichtige 4 De vorige leden zijn niet van toepassing ingeval de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt bij een inhoudingsplichtige die met de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige van de werknemer behoort tot dezelfde samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet Artikel 7 7 Einde inhoudingsplicht Indien een inhoudingsplichtige in enig tijdvak voorziet dat hij gerekend vanaf het einde van dat tijdvak ten minste 12 maanden geen inhoudingsplichtige zal zijn doet hij daarvan binnen een maand na afloop van dat tijdvak mededeling aan de inspecteur Artikel 7 8 Afwijkende regels met betrekking tot de verplichting tot het indienen van een correctiebericht 1 Indien degene die is opgehouden inhoudingsplichtige te zijn binnen de in artikel 28a eerste lid van de wet bedoelde termijn van vijf jaren constateert dat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan is hij verplicht binnen acht weken na deze constatering door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken 2 Indien de inspecteur ten aanzien van degene die is opgehouden inhoudingsplichtige te zijn binnen de in artikel 28a tweede lid van de wet bedoelde termijn van vijf jaren constateert dat deze een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan kan hij deze verplichten binnen een door hem te stellen termijn door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken 3 Voor de inhoudingsplichtige voor wie het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald een kalenderhalfjaar of kalenderjaar is geldt in afwijking in zoverre van artikel 28a eerste lid van de wet dat het correctiebericht met de juiste en volledige gegevens binnen acht weken na de constatering van de onjuistheid of onvolledigheid moet worden verstrekt 4 Ten aanzien van de inhoudingsplichtige voor wie het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald een kalenderhalfjaar of kalenderjaar is geldt in afwijking in zoverre van artikel 28a tweede lid van de wet dat het correctiebericht met de juiste en volledige gegevens binnen een door de inspecteur te stellen termijn moet worden verstrekt 5 Indien een correctiebericht betrekking heeft op een aangifte over een tijdvak in een verstreken kalenderjaar kan a de inhoudingsplichtige in afwijking van artikel 28a eerste lid van de wet dat correctiebericht binnen acht weken na de constatering van de onjuistheid of onvolledigheid los van een aangifte aan de inspecteur toezenden b de inspecteur in afwijking van artikel 28a tweede lid van de wet de inhoudingsplichtige verplichten dat correctiebericht al dan niet gelijktijdig met een aangifte binnen een door hem te stellen termijn aan hem toe te zenden Artikel 7 9 Opgave van gegevens door de werknemer 1 De werknemer verstrekt voor de datum van aanvang van de werkzaamheden of voor de aanvang van de werkzaamheden indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen aan de inhoudingsplichtige schriftelijk gedagtekend en ondertekend a zijn naam met voorletters b zijn geboortedatum c zijn burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan zijn sociaal fiscaalnummer d zijn adres met postcode e zijn woonplaats en ingeval hij niet in Nederland woont zijn woonland en regio Ingeval de werknemer geen werkzaamheden verricht wordt de in de vorige volzin bedoelde opgave gedaan voordat de werknemer loon van de inhoudingsplichtige geniet 2 De inhoudingsplichtige bewaart de in het eerste lid bedoelde gegevens ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd 3 De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van a de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren b de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars c de werknemer die uitkeringen geniet wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid of uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet indien degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of laatstelijk heeft gestaan de voor de heffing van de belasting vereiste gegevens daaronder begrepen het burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan het sociaal fiscaalnummer schriftelijk mededeelt aan de inhoudingsplichtige d de in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar niet heeft bereikt en loon uit vroegere dienstbetrekking geniet indien de inhoudingsplichtige weet dat de werknemer tevens een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of een uitkering of een inkomensvoorziening ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten geniet e de in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet of loon uit vroegere dienstbetrekking geniet waarin niet zijn begrepen de uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet f de in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en loon geniet in de vorm van uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet of loon uit vroegere dienstbetrekking geniet waarin zijn begrepen de uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet g de werknemer die loon geniet in de vorm van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 10 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten 4 Indien de inhoudingsplichtige niet bekend is met het burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan het sociaal fiscaalnummer van de in het vierde lid bedoelde werknemer verzoekt de inhoudingsplichtige voor de eerste loonverstrekking de werknemer om opgave van zijn burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan zijn sociaal fiscaalnummer De werknemer doet deze opgave voor de eerste loonverstrekking toekomen aan de inhoudingsplichtige Artikel 7 10 Uitzonderingen bij samenhangende groep inhoudingsplichtigen 1 De artikelen 7 5 en 7 9 zijn niet van toepassing ingeval de werknemer zijn werkzaamheden

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Uitvoeringsregeling%20LB%202011%20%28tekst%202011%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (www.overheid.nl tekst per 1 januari 2011 na verwerken wijzigingen besluit 16 juni 2011,nr. DV 2011/283M)
    verstande dat bij een bestaansduur van de regeling van een of twee gehele kalenderjaren de laatste volzin van dat lid niet van toepassing is 4 De waarde van een aanspraak ingevolge een wettelijke Belgische ziektekostenverzekering bedraagt maximaal het gezamenlijke bedrag van de voor dat jaar geldende standaardpremie bedoeld in artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag welke standaardpremie tweemaal in aanmerking wordt genomen ingeval sprake is van een op grond van verordening EU 883 2004 Pb EU L314 meeverzekerde echtgenoot als bedoeld in die verordening en het voor dat jaar geldende maximumbedrag van de inkomensafhankelijke bijdrage volgens hoofdstuk 5 van de Zorgverzekeringswet 5 In afwijking van de vorige leden wordt de waarde van een aanspraak op een ziektekostenregeling met een waarde van ten hoogste 27 per jaar op nihil gesteld Artikel 3 13 Privégebruik auto rittenregistratie loontijdvakken en verklaring geen privégebruik 1 De rittenregistratie bedoeld in artikel 13bis vierde lid van de wet bevat ten minste de volgende gegevens a merk type en kenteken van de auto b periode van terbeschikkingstelling van de auto c per rit 1 datum 2 beginstand en eindstand van de kilometerteller 3 beginadres en eindadres 4 de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke 5 het karakter van de rit 2 Indien in een loontijdvak de vergoeding die de werknemer voor het gebruik voor privédoeleinden verschuldigd is uitgaat boven het voor dat loontijdvak op grond van artikel 13bis eerste tot en met derde lid van de wet berekende voordeel wordt in dat loontijdvak een negatief bedrag ter grootte van het verschil tussen het berekende voordeel en de verschuldigde vergoeding als voordeel in aanmerking genomen voor zover op kalenderjaarbasis het berekende voordeel ten minste gelijk is aan de vergoeding voor het gebruik voor privédoeleinden 3 Een verzoek om een verklaring geen privégebruik als bedoeld in artikel 13bis dertiende lid van de wet bevat ten minste de volgende gegevens a de naam het adres en het burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan het sociaal fiscaalnummer van de werknemer b het kenteken van de auto indien dit bekend is en het verzoek betrekking heeft op één auto c het jaar van ingang van de verklaring Hoofdstuk 4 Pensioenregelingen hoofdstuk IIb van de wet Artikel 4 1 Splitsing pensioenregeling 1 Bij overschrijding van de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet opgenomen begrenzingen bedoeld in artikel 18 derde lid van de wet kan de inhoudingsplichtige de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de begrenzingen verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen welk deel van de aanspraak binnen de begrenzingen blijft en welk deel de begrenzingen te boven gaat 2 Met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde beschikking administreert de inhoudingsplichtige bij de loonadministratie afzonderlijk jaarlijks welk deel van de aanspraak tot het loon behoort en welk deel niet alsmede de waarde van het deel dat jaarlijks in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen Tevens administreert de inhoudingsplichtige naar rato van deze verdeling welk deel van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen als loon uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking zal worden genomen en welk deel als voordeel uit sparen en beleggen wordt behandeld 3 Van de ingevolge het tweede lid geadministreerde verdeling van de aanspraak en waarde van het deel dat in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen alsmede de verdeling van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen verstrekt de inhoudingsplichtige jaarlijks een opgave aan de inspecteur Artikel 4 2 Aanwijzing van een aantal van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte Voor de toepassing van artikel 19a van de wet worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen IJsland Noorwegen en Liechtenstein Artikel 4 3 Samenloop verschillende pensioenstelsels 1 Bij samenloop van verschillende pensioenstelsels in een pensioenregeling worden alle elementen van de pensioenregeling tezamen in acht genomen en in onderlinge samenhang bezien voor de vaststelling of de pensioenregeling moet worden aangemerkt als een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel een middelloonstelsel of een beschikbare premiestelsel 2 In afwijking van het eerste lid dient voor elk onderdeel van de pensioenregeling dat niet past binnen het op grond van het eerste lid vastgestelde pensioenstelsel afzonderlijk te worden beoordeeld op welk van de drie aldaar genoemde stelsels dat onderdeel is gebaseerd 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid kan de inhoudingsplichtige de inspecteur verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen op welk stelsel de pensioenregeling of een onderdeel daarvan is gebaseerd 4 Bij wijziging van een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd pensioen in een pensioen dat is gebaseerd op een eindloonstelsel of een middelloonstelsel blijven op de tot het moment van die stelselwijziging opgebouwde pensioenaanspraken de voorwaarden van toepassing die gelden voor een beschikbare premiestelsel Hoofdstuk 5 Levensloopregeling hoofdstuk iic van de wet Artikel 5 1 Schriftelijke vastlegging levensloopregeling 1 Een levensloopregeling moet schriftelijk zijn vastgelegd In de vastlegging moet ten minste zijn opgenomen a dat de regeling ten doel heeft het treffen van een voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van het opnemen van een periode van extra verlof b dat de aanspraken ingevolge de levensloopregeling niet kunnen worden afgekocht vervreemd prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid anders dan ten behoeve van de in artikel 5 11 bedoelde verpanding kunnen worden c de instelling waarbij de voorziening wordt aangehouden d een bepaling ingevolge welke de werknemer schriftelijk aan de inhoudingsplichtige verklaart of hij bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen aanspraken ingevolge een levensloopregeling heeft opgebouwd die ingevolge artikel 5 8 derde lid geacht worden te zijn opgebouwd bij de inhoudingsplichtige e een bepaling ingevolge welke de werknemer schriftelijk verklaart dat hij geen voorziening ingevolge een levensloopregeling opbouwt in het kalenderjaar waarin hij bij een inhoudingsplichtige loon spaart ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de wet 2 In afwijking van het eerste lid mag een levensloopregeling voorzien in de mogelijkheid van afkoop van de aanspraken bij beëindiging van de dienstbetrekking 3 In afwijking van het eerste lid mag een levensloopverzekering voorzien in de mogelijkheid van gehele of gedeeltelijke afkoop van de aanspraken voor zover overeenkomstig artikel 19g tweede lid van de wet over de voorziening wordt beschikt Artikel 5 2 Levensloopregeling 1 Het opbouwen van een voorziening ingevolge een levensloopregeling vindt plaats door inhouding op het loon waarbij het ingehouden loon wordt aangewend voor het treffen van een voorziening voor een periode van extra verlof Daarbij wordt de duur van de verlofperiode bepaald door het ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprekening als bedoeld in artikel 5 3 onderscheidenlijk door de waarde van de polis bij een levensloopverzekering als bedoeld in artikel 5 4 en door het ingehouden loon vermeerderd met de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprecht van deelneming als bedoeld in artikel 5 5 en verkrijgt de werknemer een aanspraak op het levenslooploon ten behoeve van de betaling van loon gedurende de verlofperiode Onder ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon wordt tevens verstaan een door de inhoudingsplichtige ten behoeve van de levensloopregeling verstrekte bijdrage 2 Onder levenslooploon wordt verstaan het ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprekening als bedoeld in artikel 5 3 onderscheidenlijk de waarde van de polis bij een levensloopverzekering als bedoeld in artikel 5 4 en het ingehouden loon vermeerderd met de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprecht van deelneming als bedoeld in artikel 5 5 Artikel 5 3 Levenslooprekening 1 Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon moet worden overgemaakt naar een geblokkeerde rekening levenslooprekening bij de in de levensloopregeling aangewezen instelling waar het tegoed voor iedere werknemer afzonderlijk wordt geadministreerd 2 De op de levenslooprekening gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen worden op de levenslooprekening bijgeschreven 3 Het tegoed op een levenslooprekening mag uitsluitend bestaan uit het levenslooploon 4 De instelling waar de levenslooprekening is ondergebracht maakt het levenslooploon over naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voor zover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend 5 In afwijking in zoverre van het vierde lid maakt de instelling het levenslooploon op verzoek van de werknemer over naar de werknemer indien geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6 eerste lid onderdeel a van de wet kan worden aangewezen in dit geval wordt de instelling als inhoudingsplichtige aangemerkt Artikel 5 4 Levensloopverzekering 1 Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon moet worden overgemaakt ten behoeve van een verzekering levensloopverzekering bij de in de levensloopregeling aangewezen instelling waar de waarde van de polis voor iedere werknemer afzonderlijk wordt geadministreerd 2 De bij de levensloopverzekering behaalde rendementen moeten worden aangewend voor een verhoging van het verzekerde kapitaal 3 Het verzekerde kapitaal op grond van een levensloopverzekering mag uitsluitend bestaan uit het levenslooploon 4 De instelling waar de levensloopverzekering is ondergebracht maakt het levenslooploon over naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voor zover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend 5 In afwijking in zoverre van het vierde lid maakt de instelling het levenslooploon op verzoek van de werknemer over naar de werknemer indien geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6 eerste lid onderdeel a van de wet kan worden aangewezen in dit geval wordt de instelling als inhoudingsplichtige aangemerkt 6 Een aanspraak ingevolge een levensloopverzekering mag voorzien in een hogere uitkering bij leven dan de in artikel 19g eerste lid van de wet opgenomen maxima indien deze verhoging met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen is gebaseerd op een verlaging van de ingevolge de levensloopregeling bij overlijden te ontvangen uitkering tot een niveau beneden of gelijk aan 90 van de premievrije waarde op de dag van overlijden Artikel 5 5 Levenslooprecht van deelneming 1 Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon moet worden overgemaakt naar de in de levensloopregeling aangewezen beheerder van een beleggingsinstelling ter verwerving van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling levenslooprecht van deelneming die voor iedere werknemer afzonderlijk worden geadministreerd 2 Het met een levenslooprecht van deelneming behaalde rendement wordt aangewend ter verwerving van levenslooprechten van deelneming 3 Het levenslooprecht van deelneming mag uitsluitend bestaan uit het levenslooploon 4 De beheerder van de beleggingsinstelling maakt het levenslooploon over naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voor zover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend 5 In afwijking in zoverre van het vierde lid maakt de beheerder van de beleggingsinstelling het levenslooploon op verzoek van de werknemer over naar de werknemer indien geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6 eerste lid onderdeel a van de wet kan worden aangewezen in dit geval wordt de beheerder van de beleggingsinstelling als inhoudingsplichtige aangemerkt Artikel 5 6 Maximale opbouw in een jaar 1 Het per kalenderjaar ingehouden loon ingevolge een levensloopregeling bedraagt a indien aan het begin van het kalenderjaar het levenslooploon minder bedraagt dan 2 1 maal het loon op jaarbasis gerelateerd aan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon ten hoogste 12 van het loon in het kalenderjaar b indien aan het begin van het kalenderjaar het levenslooploon gelijk is aan of meer bedraagt dan 2 1 maal het loon op jaarbasis gerelateerd aan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon nihil 2 Voor zover het ingevolge de levensloopregeling ingehouden loon uitgaat boven hetgeen ingevolge het eerste lid is toegestaan en dit ingehouden loon in hetzelfde kalenderjaar door de instelling waarbij de levensloopregeling is ondergebracht wordt teruggestort naar de inhoudingsplichtige en deze de terugstorting als loon uitkeert aan de werknemer wordt aangenomen dat is gebleven binnen de begrenzingen van het eerste lid 3 Voor de toepassing van het eerste lid mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven voor zover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie of het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum De eerste volzin is bij een loonsverlaging die het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie uitsluitend van toepassing voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50 van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de in de eerste volzin bedoelde periode 4 Voor de toepassing van de in dit artikel gestelde grenzen worden de aanspraken die zijn opgebouwd bij een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap mede in aanmerking genomen tenzij deze aanspraken met toepassing van artikel 5 8 geacht worden te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige dan een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap Artikel 5 7 Toegestane aangroei boven het plafond bij een levenslooprekening bij een levensloopverzekering en bij een levenslooprecht van deelneming Ook indien bij het begin van het kalenderjaar de in artikel 5 6 bedoelde begrenzing op basis waarvan wordt beoordeeld of in het kalenderjaar nog aanspraken ingevolge een levensloopregeling kunnen worden opgebouwd is bereikt leiden de nadien op de levenslooprekening gekweekte inkomsten en daarmee behaalde rendementen de nadien bij een levensloopverzekering behaalde rendementen en de nadien met een levenslooprecht van deelneming behaalde rendementen niet tot de constatering dat de regeling niet meer voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een levensloopregeling Artikel 5 8 Wijze van beschikken over het levenslooptegoed 1 Over de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening mag worden beschikt ten behoeve van loon tijdens een verlofperiode dat tezamen met het daarnaast van de inhoudingsplichtige genoten loon niet uitgaat boven het laatstgenoten loon In afwijking in zoverre van de eerste volzin mag niet over de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening worden beschikt ten behoeve van de aanvulling van loon dat is verlaagd tijdens een periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid 2 In geval van overlijden van de werknemer kan de tegenwaarde van de aanspraak a als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van de werknemer ter beschikking van de erfgenamen van de werknemer worden gesteld ingeval de overleden werknemer bij het begin van het kalenderjaar nog niet de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt b als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer ter beschikking van de erfgenamen van de werknemer worden gesteld ingeval de overleden werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt 3 Bij aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking worden de aanspraken ingevolge een levensloopregeling die door de werknemer zijn opgebouwd bij een gewezen inhoudingsplichtige geacht te zijn opgebouwd bij de inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienst treedt tenzij bij deze inhoudingsplichtige geen aanspraken ingevolge een levensloopregeling worden opgebouwd of de bij de gewezen inhoudingsplichtige opgebouwde aanspraken reeds geacht worden te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienstbetrekking staat 4 Indien de werknemer uitkeringen ontvangt in overeenstemming met de levensloopregeling worden deze als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in aanmerking genomen In afwijking van de eerste volzin wordt de uitkering aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking a ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt b in geval van afkoop bij beëindiging van de dienstbetrekking 5 Indien in strijd met de levensloopregeling geheel of gedeeltelijk over het levenslooploon wordt beschikt wordt de gehele aanspraak ingevolge de levensloopregeling aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer 6 Het vijfde lid is niet van toepassing voor zover een aanspraak ingevolge een levensloopregeling wordt omgezet in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling die na de omzetting nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet gestelde begrenzingen Artikel 5 9 Kredietfaciliteit Indien het ingevolge artikel 5 8 eerste lid opgenomen bedrag het op dat moment aanwezige tegoed overtreft kan het negatieve saldo uitgezonderd de daarover verschuldigde rente met inachtneming van de in artikel 5 6 gestelde begrenzingen via een inhouding op het loon worden aangevuld in welk geval deze aanvulling wordt aangemerkt als het opbouwen van een voorziening als bedoeld in artikel 5 2 Artikel 5 10 Opgebouwde voorziening bij het ingaan van het ouderdomspensioen Voor de toepassing van artikel 19g achtste lid van de wet wordt het ouderdomspensioen van een werknemer geacht niet te zijn ingegaan indien het niet meer dan voor een deel is ingegaan Artikel 5 11 Aangewezen buitenlandse aanbieders 1 Als kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 19g vierde lid onderdeel d van de wet kan door de Minister worden aangewezen een kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling die wettelijk bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten 2 Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan dient de kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling zich tegenover de Minister onder door hem te stellen voorwaarden te verplichten om met betrekking tot de aanspraken ingevolge een door deze kredietinstelling deze verzekeraar of deze beheerder van een beleggingsinstelling uitgevoerde levensloopregeling bedoeld in artikel 19g van de wet inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van deze levensloopregeling en jegens de ontvanger een in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van artikel 5 3 vijfde lid onderscheidenlijk artikel 5 4 vijfde lid of artikel 5 5 vijfde lid In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een andere lidstaat van de Europese Unie of in IJsland Noorwegen of Liechtenstein gevestigde kredietinstelling verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze kredietinstelling deze verzekeraar of deze beheerder van een beleggingsinstelling onder door de Minister te stellen voorwaarden ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting 3 De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het tweede lid bedoelde zekerheid niet door de kredietinstelling de verzekeraar of de beheerder van een beleggingsinstelling maar door de werknemer of de gewezen werknemer wordt gesteld waarbij deze tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken ingevolge een levensloopregeling aan de ontvanger mits de kredietinstelling onderscheidenlijk de verzekeraar of de beheerder van een beleggingsinstelling instemt met deze verpanding 4 De aanwijzing kan door de Minister worden ingetrokken wanneer de kredietinstelling de verzekeraar of de beheerder van een beleggingsinstelling niet meer aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het derde lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt 5 Indien de aanwijzing wordt ingetrokken worden de aanspraken ingevolge een levensloopregeling niet op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemers of gewezen werknemers of indien een werknemer of gewezen werknemer is overleden van de gerechtigden tot de aanspraken indien de aanspraken onder door de Minister te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een kredietinstelling een verzekeraar of een beheerder van een beleggingsinstelling van een levensloopregeling die voldoet aan de in artikel 19g vierde lid van de wet gestelde voorwaarden 6 De Minister maakt het aanwijzen als een kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste lid op een daartoe geschikte wijze publiek bekend Indien de Minister een aanwijzing intrekt maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend Hoofdstuk 6 Tarief hoofdstuk III van de wet Artikel 6 1 Afwijkend loontijdvak bij een werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is Ten aanzien van de werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaam is wordt in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet als loontijdvak aangemerkt a indien het loon per week wordt uitbetaald de week b indien het loon per vier weken wordt uitbetaald het tijdvak van vier weken c indien het loon per maand wordt uitbetaald de maand Artikel 6 2 Afwijkend loontijdvak bij een werknemer met vakantiebonnen vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken 1 Ten aanzien van de werknemer wiens loon mede omvat de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken wordt in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet als loontijdvak aangemerkt a ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 20 of meer vakantiedagen een door vermenigvuldiging met de factor 260 231 verlengd loontijdvak b ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 19 of minder vakantiedagen een door vermenigvuldiging met de factor 260 245 verlengd loontijdvak 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt het aantal vakantiedagen in aanmerking genomen tot het krachtens de publiekrechtelijke regeling of de collectieve arbeidovereenkomst voor een volwassen werknemer geldende aantal zonder rekening te houden met feestdagen en met extra vakantiedagen die aan de werknemer worden toegekend in verband met zijn leeftijd of de duur van zijn dienstverband Artikel 6 3 Afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren 1 Ten aanzien van de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer die met betrekking tot een kalenderkwartaal als student of scholier wordt aangemerkt en die schriftelijk gedagtekend en ondertekend te kennen heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak wordt aangemerkt kan in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet voor loonbetalingen waarvan het inhoudingstijdstip in dat kwartaal is gelegen dat kwartaal als loontijdvak worden aangemerkt 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt met betrekking tot een kalenderkwartaal als student of scholier aangemerkt a de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een gift een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek b de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten c de werknemer voor wie bij het begin van het kalenderkwartaal recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet d de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal staat ingeschreven bij een onderwijsinstelling waar hij een voltijdse opleiding volgt en die inwoner is van een lidstaat van de Europese Unie van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland en die in het bezit is van een door de Minister aangewezen internationale studentenkaart 3 Voor de toepassing van het eerste lid bewaart de inhoudingsplichtige bij zijn loonadministratie een schriftelijke door de werknemer gedagtekende en ondertekende verklaring dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak kan worden aangemerkt alsmede a ingeval het tweede lid onderdeel a of b van toepassing is het correspondentienummer b ingeval het tweede lid onderdeel c van toepassing is het registratienummer c ingeval het tweede lid onderdeel d van toepassing is een kopie van de internationale studentenkaart 4 Indien in het kwartaal meer dan eens loon wordt verstrekt wordt de op een inhoudingstijdstip verschuldigde belasting bepaald op de belasting die is verschuldigd over het in dat kwartaal in totaal verstrekte loon verminderd met de reeds ingehouden belasting 5 Bij toepassing van dit artikel is in geval van twee opeenvolgende dienstbetrekkingen artikel 23 van de wet niet van toepassing Artikel 6 4 Toepassing tabel bijzondere beloningen bij wisseling van werkgever binnen een samenhangende groep inhoudingsplichtigen Ingeval de inhoudingsplichtige van de werknemer en de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige van de werknemer behoren tot een samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet wordt de werknemer voor de toepassing van artikel 26 vierde lid van de wet geacht het van deze inhoudingsplichtigen genoten loon van één inhoudingsplichtige te hebben genoten Hoofdstuk 7 Wijze van heffing hoofdstuk IV van de wet Artikel 7 1 In de onderneming van de ouder werkzame kinderen 1 Ten aanzien van een in artikel 27 zesde lid van de wet bedoeld kind kan de inspecteur onder door hem te stellen voorwaarden toestaan dat de belasting wordt ingehouden op de eerste werkdag van het volgende kalenderjaar met toepassing van de loonbelastingtabellen voor het kalenderjaar waarin het loon is verstrekt Alsdan wordt het in dat kalenderjaar verstrekte loon geacht in gelijke delen te zijn verstrekt over de kalenderkwartalen waarin het kind werkzaam is geweest en vinden artikel 26 van de wet en de krachtens dat artikel vastgestelde loonbelastingtabellen voor bijzondere beloningen geen toepassing 2 Voor de toepassing van artikel 19 eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de belasting bedoeld in het eerste lid geacht te zijn ingehouden in het kalenderjaar waarin het loon is verstrekt 3 Indien de belasting wordt ingehouden op de voet van het eerste lid zijn ten aanzien van het in dat lid bedoelde kind de artikelen 7 2 en 7 9 niet van toepassing Artikel 7 2 Loonstaat 1 De inhoudingsplichtige legt voor iedere werknemer voor de eerste loonverstrekking in het kalenderjaar een loonstaat aan en houdt deze vervolgens bij De loonstaat wordt opgemaakt overeenkomstig het door de inspecteur verstrekte model De inhoudingsplichtige mag een van het model afwijkende loonstaat gebruiken mits deze ten minste de mogelijkheid biedt op duidelijke wijze dezelfde gegevens te administreren als het model 2 De inhoudingsplichtige wordt geacht aan het eerste lid te voldoen ingeval hij met behulp van elektronische apparatuur alle van belang zijnde gegevens vastlegt en hij die gegevens op elk gewenst tijdstip op schrift in de vorm van een van de in het eerste lid bedoelde loonstaten ter inzage kan verstrekken 3 De inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden ermee instemmen dat de inhoudingsplichtige de op de loonstaat te vermelden gegevens op een andere dan de in het eerste of het tweede lid bedoelde wijze administreert De instemming kan te allen tijde worden ingetrokken indien de administratie niet zodanig is ingericht dat een deugdelijke controle gewaarborgd is 4 De inhoudingsplichtige ontleent de in het hoofd van de loonstaat te vermelden gegevens aan a de laatstelijk door de werknemer op grond van artikel 7 9 verstrekte informatie b de door de werknemer of de Belastingdienst verstrekte opgave van het burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan het sociaal fiscaalnummer 5 In afwijking in zoverre van het vierde lid aanhef en onderdeel a vermeldt de inhoudingsplichtige in het hoofd van de loonstaat de gegevens die hem bekend zijn a indien hij weet dat de laatstelijk door de werknemer op grond van artikel 7 9 verstrekte informatie onjuist is b zolang de werknemer geen informatie als bedoeld in artikel 7 9 heeft verstrekt c indien de werknemer geen informatie als bedoeld in artikel 7 9 hoeft te verstrekken 6 De inhoudingsplichtige houdt behalve in de gevallen bedoeld in artikel 26b van de wet de belasting in aan de hand van de gegevens vermeld in het hoofd van de loonstaat 7 De inhoudingsplichtige houdt de loonadministratie op de plaats waar hij in Nederland kantoor houdt of indien zodanig kantoor niet wordt gehouden op de plaats waar hij in Nederland woont of gevestigd is of op de plaats waar hij in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft Bij gebreke daarvan houdt hij de loonadministratie onder zijn berusting De inspecteur kan een andere plaats aanwijzen 8 Ingeval de loonberekening door derden wordt uitgevoerd met behulp van mechanische of elektronische apparatuur kan de Minister onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat de loonadministratie op een andere plaats wordt bewaard 9 Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Wet werk en bijstand de Wet investeren in jongeren of de Wet werk en inkomen kunstenaars Artikel 7 3 Administratie uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdelen m en o van de wet 1 De inhoudingsplichtige administreert bij de loonadministratie de gegevens met betrekking tot uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdelen m en o van de wet 2 De inhoudingsplichtige kan de in het eerste lid bedoelde gegevens op een andere plaats administreren dan bij de loonadministratie mits a hij dit onder vermelding van de nieuwe bewaarplaats vooraf meldt aan de inspecteur en b de gegevens op verzoek van de inspecteur voor controle beschikbaar komen op de plaats waar de loonadministratie wordt gevoerd Artikel 7 4 Jaaropgaaf 1 De inhoudingsplichtige verstrekt aan de werknemer een jaaropgaaf 2 Ten aanzien van de werknemer van wie in verband met gemoedsbezwaren geen premie voor de volksverzekeringen is geheven bevat de jaaropgaaf de mededeling dat in plaats van premie voor de volksverzekeringen tot eenzelfde bedrag premievervangende belasting is ingehouden Artikel 7 5 Identificatieplicht 1 De inhoudingsplichtige stelt voor de datum van aanvang van de werkzaamheden van de werknemer of voor de aanvang van de werkzaamheden indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen de identiteit van de werknemer vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 eerste lid onder 1 tot en met 3 van de Wet op de identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor controle beschikbaar bij de loonadministratie 2 Indien uit het afschrift van het in het eerste lid bedoelde document niet de aard en het nummer van dat document blijkt administreert de inhoudingsplichtige de aard en het nummer van dat document bij de loonadministratie 3 De inspecteur kan al dan niet onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften op een andere plaats worden bewaard 4 De inhoudingsplichtige bewaart de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd Artikel 7 6 Eerstedagsmelding 1 De eerstedagsmelding bedoeld in artikel 28 eerste lid onderdeel f van de wet wordt langs elektronische weg gedaan 2 Ingeval met toepassing van artikel 20 derde lid van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 voor de loonbelasting ontheffing is verleend van de in het tweede lid van dat artikel genoemde verplichting tot het doen van aangifte langs elektronische weg wordt in afwijking van het eerste lid de eerstedagsmelding gedaan door het invullen ondertekenen en inleveren of toezenden van het door de inspecteur uitgereikte of toegezonden meldingsformulier 3 De eerstedagsmelding bevat a het loonheffingennummer van de inhoudingsplichtige b het burgerservicenummer van de werknemer of bij het ontbreken daarvan het sociaal fiscaalnummer of bij het ontbreken van deze nummers een uniek personeelsnummer c de naam van de werknemer d de geboortedatum van de werknemer e de datum van aanvang van de werkzaamheden Ingeval de eerstedagsmelding ingevolge het tweede lid met een meldingsformulier wordt gedaan bevat de eerstedagsmelding tevens de naam van de inhoudingsplichtige 4 De vorige leden zijn niet van toepassing ingeval de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt bij een inhoudingsplichtige die met de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige van de werknemer behoort tot dezelfde samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet Artikel 7 7 Einde inhoudingsplicht Indien een inhoudingsplichtige in enig tijdvak voorziet dat hij gerekend vanaf het einde van dat tijdvak ten minste 12 maanden geen inhoudingsplichtige zal zijn doet hij daarvan binnen een maand na afloop van dat tijdvak mededeling aan de inspecteur Artikel 7 8 Afwijkende regels met betrekking tot de verplichting tot het indienen van een correctiebericht 1 Indien degene die is opgehouden inhoudingsplichtige te zijn binnen de in artikel 28a eerste lid van de wet bedoelde termijn van vijf jaren constateert dat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan is hij verplicht binnen acht weken na deze constatering door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken 2 Indien de inspecteur ten aanzien van degene die is opgehouden inhoudingsplichtige te zijn binnen de in artikel 28a tweede lid van de wet bedoelde termijn van vijf jaren constateert dat deze een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan kan hij deze verplichten binnen een door hem te stellen termijn door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken 3 Voor de inhoudingsplichtige voor wie het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald een kalenderhalfjaar of kalenderjaar is geldt in afwijking in zoverre van artikel 28a eerste lid van de wet dat het correctiebericht met de juiste en volledige gegevens binnen acht weken na de constatering van de onjuistheid of onvolledigheid moet worden verstrekt 4 Ten aanzien van de inhoudingsplichtige voor wie het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald een kalenderhalfjaar of kalenderjaar is geldt in afwijking in zoverre van artikel 28a tweede lid van de wet dat het correctiebericht met de juiste en volledige gegevens binnen een door de inspecteur te stellen termijn moet worden verstrekt 5 Indien een correctiebericht betrekking heeft op een aangifte over een tijdvak in een verstreken kalenderjaar kan a de inhoudingsplichtige in afwijking van artikel 28a eerste lid van de wet dat correctiebericht binnen acht weken na de constatering van de onjuistheid of onvolledigheid los van een aangifte aan de inspecteur toezenden b de inspecteur in afwijking van artikel 28a tweede lid van de wet de inhoudingsplichtige verplichten dat correctiebericht al dan niet gelijktijdig met een aangifte binnen een door hem te stellen termijn aan hem toe te zenden Artikel 7 9 Opgave van gegevens door de werknemer 1 De werknemer verstrekt voor de datum van aanvang van de werkzaamheden of voor de aanvang van de werkzaamheden indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen aan de inhoudingsplichtige schriftelijk gedagtekend en ondertekend a zijn naam met voorletters b zijn geboortedatum c zijn burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan zijn sociaal fiscaalnummer d zijn adres met postcode e zijn woonplaats en ingeval hij niet in Nederland woont zijn woonland en regio Ingeval de werknemer geen werkzaamheden verricht wordt de in de vorige volzin bedoelde opgave gedaan voordat de werknemer loon van de inhoudingsplichtige geniet 2 De inhoudingsplichtige bewaart de in het eerste lid bedoelde gegevens ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd 3 De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van a de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren b de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars c de werknemer die uitkeringen geniet wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid of uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet indien degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of laatstelijk heeft gestaan de voor de heffing van de belasting vereiste gegevens daaronder begrepen het burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan het sociaal fiscaalnummer schriftelijk mededeelt aan de inhoudingsplichtige d de in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar niet heeft bereikt en loon uit vroegere dienstbetrekking geniet indien de inhoudingsplichtige weet dat de werknemer tevens een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of een uitkering of een inkomensvoorziening ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten geniet e de in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet of loon uit vroegere dienstbetrekking geniet waarin niet zijn begrepen de uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet f de in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en loon geniet in de vorm van uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet of loon uit vroegere dienstbetrekking geniet waarin zijn begrepen de uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet g de werknemer die loon geniet in de vorm van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 10 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten 4 Indien de inhoudingsplichtige niet bekend is met het burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan het sociaal fiscaalnummer van de in het vierde lid bedoelde werknemer verzoekt de inhoudingsplichtige voor de eerste loonverstrekking de werknemer om opgave van zijn burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan zijn sociaal fiscaalnummer De werknemer doet deze opgave voor de eerste loonverstrekking toekomen aan de inhoudingsplichtige Artikel 7 10 Uitzonderingen bij samenhangende groep inhoudingsplichtigen 1 De artikelen 7 5 en 7 9 zijn niet van toepassing ingeval de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt bij een inhoudingsplichtige die met de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige van de werknemer behoort tot dezelfde samenhangende groep inhoudingsplichtigen in

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Uitvoeringsregeling%20LB%202011%20%28tekst%202011%20aangepast%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (tekst per 1 januari 2011, www.overheid.nl)
    ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren te verstrekken Artikel 4 Degene tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat of indien krachtens artikel 8 van de wet een ander als inhoudingsplichtige is aangewezen die ander wordt geacht aan de werknemer het loon te verstrekken dat deze uit hoofde van zijn dienstbetrekking geniet van een niet inhoudingsplichtige Artikel 5 Als loon van een uitvoerder van aangenomen werk en van een thuiswerker wordt aangemerkt het gehele door de aanbesteder onderscheidenlijk de opdrachtgever verstrekte loon verminderd met het loon van de hulpen Deze vermindering is slechts van toepassing voor zover de uitvoerder van aangenomen werk en de thuiswerker aan de aanbesteder onderscheidenlijk de opdrachtgever een door hem en zijn hulpen ondertekende verklaring doet toekomen waaruit het loon van ieder van de hulpen blijkt Artikel 6 Vervallen per 01 01 2001 Artikel 7 1 Bij ministeriële regeling worden loonbelastingtabellen vastgesteld voor a uitvoerders van aangenomen werk hun hulpen degenen wier arbeidsverhouding ingevolge artikel 2b of artikel 2c als dienstbetrekking wordt beschouwd en bij ministeriële regeling aangewezen sekswerkers wier arbeidsverhouding op grond van artikel 2g als dienstbetrekking wordt beschouwd b degenen die uitkeringen ontvangen ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren 2 De belasting naar het belastbare loon dat wordt genoten door de in het eerste lid bedoelde werknemers bedraagt het in de voor hen geldende loonbelastingtabel aangewezen percentage van het tabelloon met dien verstande dat dit percentage wordt verhoogd tot 52 ingeval de werknemer zijn naam adres of woonplaats niet aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt dan wel ingeval de werknemer loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet zijn identiteit niet is vastgesteld overeenkomstig artikel 28 onderdeel e van de wet alsmede ingeval de werknemer ter zake onjuiste gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of redelijkerwijs moet weten 3 Het tabelloon is a in de gevallen bedoeld in het eerste lid onderdeel a het loon vermeerderd met de bedragen bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdeel j onder 2 en 3 van de wet en verminderd met de vergoeding bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet b in de gevallen bedoeld in het eerste lid onderdeel b het loon in geld nadat dit is verminderd met de door de inhoudingsplichtige voor zijn rekening genomen belasting 4 Het bepaalde in de vorige leden is niet van toepassing met betrekking tot uitkeringen ingevolge sociale verzekeringswetten die zonder tussenkomst van de inhoudingsplichtige worden genoten 5 Voor gevallen waarin artikel 27b eerste lid van de wet toepassing vindt worden de in het eerste lid bedoelde tabellen zodanig vastgesteld dat telkens de belasting en de premie voor de volksverzekeringen in één percentage worden opgenomen Hoofdstuk 2a Voorwerp van de belasting hoofdstuk II van de wet stamrechtspaarrekening of stamrechtbeleggingsrecht toegelaten aanbieders Artikel 7a 1 Als een onderneming of instelling die bevoegd als kredietinstelling of als beheerder van een beleggingsinstelling optreedt als bedoeld in artikel 11a tweede lid onderdeel c van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een onderneming of instelling die op grond van de Wet op het financieel toezicht bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten 2 Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan dient de onderneming of instelling zich tegenover Onze Minister onder door hem te stellen voorwaarden te verplichten om met betrekking tot de bij deze onderneming of instelling aangehouden stamrechtspaarrekeningen onderscheidenlijk met betrekking tot de door deze onderneming of instelling beheerde stamrechtbeleggingsrechten bedoeld in artikel 11a van de wet inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de stamrechtovereenkomsten en een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van artikel 19b achtste lid van de wet In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie of een in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming of instelling jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze onderneming of instelling onder door Onze Minister te stellen voorwaarden ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting 3 De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het tweede lid bedoelde zekerheid niet door de onderneming of instelling maar door de werknemer of de gewezen werknemer wordt gesteld waarbij deze tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van het recht op het tegoed van een stamrechtspaarrekening onderscheidenlijk van het recht op de waarde van een stamrechtbeleggingsrecht aan de ontvanger mits de onderneming of instelling instemt met deze verpanding 4 De aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken wanneer de kredietinstelling of beheerder van een beleggingsinstelling niet meer aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het tweede lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt 5 Indien de aanwijzing wordt ingetrokken worden de tegoeden ingevolge een stamrechtspaarrekening onderscheidenlijk de waarden van een stamrechtbeleggingsrecht niet op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemers of gewezen werknemers dan wel indien een werknemer of gewezen werknemer is overleden van de gerechtigden tot de tegoeden onderscheidenlijk van de gerechtigden tot de waarde van de rechten indien deze onder door Onze Minister te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een kredietinstelling of beheerder van een beleggingsinstelling die voldoet aan de in artikel 11a van de wet gestelde voorwaarden 6 Onze Minister maakt het aanwijzen als een lichaam als bedoeld in het eerste lid op een daartoe geschikte wijze publiek bekend Indien Onze Minister een aanwijzing intrekt maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend Hoofdstuk 3 Vrije vergoedingen en verstrekkingen Hoofdstuk IIA van de wet extraterritoriale werknemers Artikel 8 1 In dit hoofdstuk en de daarop berustende regelingen zijn de volgende definities van toepassing 2 Verstaan wordt onder a extraterritoriale werknemers ingekomen werknemers en uitgezonden werknemers b ingekomen werknemer door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven of naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin van artikel 2 van de wet met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is c uitgezonden werknemer werknemer in de zin van artikel 2 van de wet door een inhoudingsplichtige naar het buitenland gezonden met het oog op 1 plaatsing als ambtenaar bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland post 2 tewerkstelling als ambtenaar rechterlijk ambtenaar of militair op de Nederlandse Antillen of Aruba 3 tewerkstelling als militair buiten het Koninkrijk der Nederlanden 4 tewerkstelling in een bij ministeriële regeling in overeenstemming met Onze Minister van Ontwikkelingssamenwerking aangewezen regio 5 het beoefenen van wetenschap of het geven van onderwijs d looptijd de periode gedurende welke dit hoofdstuk voor een werknemer van toepassing is 3 Een werknemer wordt slechts als uitgezonden aangemerkt indien hij in een periode van twaalf maanden ten minste 45 dagen ten behoeve van zijn werkzaamheden verblijft in een of meer plaatsen waarnaar hij is gezonden Bij de bepaling of aan deze voorwaarde is voldaan worden verblijfsperioden van minder dan 15 dagen niet in aanmerking genomen en worden dagen waarop de werknemer zonder onderbreking naar de desbetreffende plaatsen en terug reist of zou reizen bij gebruikmaking van het voor werknemers in het algemeen meest gebruikelijke vervoermiddel als dagen van verblijf in die plaatsen aangemerkt Indien aan de voorwaarde is voldaan kan de werknemer tevens als uitgezonden worden beschouwd gedurende alle overige dienstreizen van ten minste 10 dagen naar de desbetreffende plaatsen 4 Ambtenaren bij een post zijn a overplaatsbare ambtenaren van de Dienst Buitenlandse Zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken zijnde ambtenaren die zijn aangesteld om waar ook ter wereld werkzaam te zijn b niet overplaatsbare ambtenaren van die Dienst Buitenlandse Zaken die tijdelijk aan een post zijn toegevoegd c ambtenaren van andere ministeries die op een post zijn tewerkgesteld d militairen en burgerpersoneel van het ministerie van Defensie die op een post zijn geplaatst alsmede vlag en opperofficieren die zijn geplaatst op internationale staven in het buitenland e werknemers die op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht na uitzending vanuit Nederland werkzaamheden verrichten bij een post 5 Onder het beoefenen van wetenschap of het geven van onderwijs wordt verstaan a het buiten Nederland verrichten van onderzoek op de financiële basis van 1 een beurs of stipendium van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek of de Stichting voor wetenschappelijk onderzoek van de tropen 2 een NATO fellowship 3 door Onze minister aan te wijzen vergelijkbare beurzen stipendia en fellowships b het als leerkracht of beoefenaar van wetenschap door een instelling op het gebied van onderwijs of wetenschap worden uitgezonden dan wel op uitnodiging van een dergelijke in het buitenland gevestigde instelling zich naar het buitenland begeven met het doel aldaar onderwijs te geven aan een instelling op het gebied van onderwijs of wetenschap of wetenschappelijk onderzoek te verrichten voor een dergelijke instelling 6 Schoolgelden zijn uitgaven voor het door kinderen van de extraterritoriale werknemer volgen van basisonderwijs of voortgezet onderwijs aan internationale scholen en internationale afdelingen van niet internationale scholen tot de bedragen die door de school overeenkomstig haar tarieven voor onderwijs in rekening worden gebracht met uitzondering van kosten van kost en inwoning maar met inbegrip van vervoerskosten Artikel 9 1 Vergoedingen en verstrekkingen aan extraterritoriale werknemers van kosten respectievelijk ter voorkoming van kosten van verblijf buiten het land van herkomst worden ten aanzien van ingekomen werknemers op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de inhoudingsplichtige in elk geval beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot bewijsregel a 30 van de grondslag waarbij de grondslag is de som van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ter zake van het verblijf buiten het land van herkomst voorzover de ingekomen of uitgezonden werknemer ter zake geen recht heeft op voorkoming van dubbele belasting en de vergoeding voor extraterritoriale kosten b het bedrag van de schoolgelden 2 In geval van verstrekkingen zijn de waarderingsregels krachtens artikel 13 van de wet van toepassing Artikel 9a 1 Bij de beoordeling of een ingekomen werknemer specifieke deskundigheid bezit die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is wordt in onderlinge samenhang rekening gehouden met de volgende factoren voorzover relevant a het niveau van de door de werknemer gevolgde opleiding b de voor de functie relevante ervaring van de werknemer c het beloningsniveau van de onderhavige functie in Nederland in verhouding tot het beloningsniveau in het land van herkomst van de werknemer 2 Een werknemer van het middenkader of hoger kader van een internationaal concern met ten minste twee en een half jaar ervaring in dat concern die in het kader van roulatie wordt uitgezonden naar Nederland wordt geacht specifieke deskundigheid te bezitten die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is Artikel 9b 1 Voor ingekomen werknemers bedraagt de looptijd van de bewijsregel maximaal tien jaar ingaande op de eerste dag van de tewerkstelling door de inhoudingsplichtige 2 Voor uitgezonden werknemers is de looptijd van de bewijsregel gelijk aan de duur van de uitzending Artikel 9c 1 Indien een ingekomen werknemer tijdens de looptijd een andere inhoudingsplichtige krijgt blijft op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de nieuwe inhoudingsplichtige de bewijsregel gedurende de resterende looptijd van toepassing mits de periode tussen het einde van de tewerkstelling door de oude inhoudingsplichtige en de aanvang van de tewerkstelling door de nieuwe inhoudingsplichtige niet langer is dan drie maanden 2 Bij een dergelijk verzoek moet door de nieuwe inhoudingsplichtige opnieuw aannemelijk worden gemaakt dat de werknemer behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer Artikel 9d 1 Indien de ingekomen werknemer niet langer specifieke deskundigheid bezit die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is wordt de looptijd verminderd tot op het moment waarop deze situatie zich gaat voordoen maar tot op niet minder dan vijf jaar 2 Met ingang van het zesde jaar van de looptijd kan de inspecteur de inhoudingsplichtige verzoeken aannemelijk te maken dat de werknemer nog steeds behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer 3 Indien de inhoudingsplichtige met ingang van het zesde jaar van de looptijd aannemelijk maakt dat de werknemer op dat moment nog steeds behoort te worden aangemerkt als een ingekomen werknemer is het tweede lid gedurende de resterende looptijd niet meer van toepassing Artikel 9e 1 Indien de ingekomen werknemer voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling als ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige in Nederland is tewerkgesteld of is verbleven wordt de looptijd verminderd met de perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf 2 Perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf die meer dan vijftien jaar voorafgaand aan de tewerkstelling zijn geëindigd worden niet in aanmerking genomen 3 Perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf die meer dan tien jaar maar minder dan vijftien jaar voorafgaand aan de tewerkstelling zijn geëindigd worden niet in aanmerking genomen indien de ingekomen werknemer in de periode van tien jaar niet in Nederland is tewerkgesteld of is verbleven 4 Voor de toepassing van het derde lid is de ingekomen werknemer niet in Nederland tewerkgesteld indien hij in elk kalenderjaar van de periode van tien jaar maximaal 20 dagen hier te lande heeft gewerkt 5 Voor de toepassing van het derde lid is de ingekomen werknemer niet in Nederland verbleven indien hij in elk kalenderjaar van de periode van tien jaar in totaal niet langer dan zes weken in Nederland is verbleven wegens vakantie familiebezoek of andere persoonlijke omstandigheden waarbij in de periode van tien jaar eenmalig een periode van maximaal drie aaneengesloten maanden in Nederland wegens vakantie familiebezoek of andere persoonlijke omstandigheden niet in aanmerking wordt genomen Artikel 9f Indien een verzoek om toepassing van de bewijsregel als bedoeld in artikel 9h niet is gedaan binnen vier maanden na aanvang van de tewerkstelling als ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige wordt de looptijd verminderd met de periode tussen het tijdstip waarop de ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige is tewerkgesteld en het tijdstip waarop de beschikking bedoeld in artikel 9h voor het eerst van toepassing is Artikel 9g Bij vermindering van de looptijd volgens dit hoofdstuk wordt een periode waarmee de looptijd wordt verminderd naar boven afgerond op gehele kalendermaanden Artikel 9h 1 Een verzoek om toepassing of voortgezette toepassing van de bewijsregel ten aanzien van een ingekomen werknemer wordt gedaan aan de inspecteur Deze beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking 2 Indien het verzoek is gedaan binnen vier maanden na aanvang van de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer door de inhoudingsplichtige werkt de beschikking terug tot en met de aanvang van de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer Indien het verzoek later is gedaan is de beschikking van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het verzoek is gedaan Artikel 10 De inhoudingsplichtige wordt voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk ten aanzien van een ingekomen werknemer geacht dezelfde inhoudingsplichtige te zijn als de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtigen van de werknemer mits a de inhoudingsplichtige en de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige behoren tot een zelfde samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet en b aannemelijk is dat de werknemer opnieuw zou worden aangemerkt als ingekomen werknemer indien artikel 9c zou worden toegepast Hoofdstuk 4 Pensioenregelingen Hoofdstuk IIB van de wet Artikel 10a 1 Als perioden die meetellen als dienstjaren dan wel als diensttijd als bedoeld in de artikelen 18a 18b 18c 38c 38d en 38f van de wet worden in aanmerking genomen a de periode gedurende welke de dienstbetrekking heeft geduurd daaronder begrepen perioden van al dan niet in deeltijd 1 ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg 2 sabbatsverlof krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van de inhoudingsplichtige gedurende ten hoogste twaalf maanden 3 studieverlof voor cursussen voor opleidingen of studie voor een beroep voor het op peil houden van de vakkennis en voor cursussen opleidingen of studie die door de inhoudingsplichtige worden gefinancierd 4 verlof als bedoeld in artikel 19g van de wet met dien verstande dat bij dienstbetrekkingen in deeltijd de aldus in aanmerking te nemen periode wordt verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor b perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een met de inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd voorzover hij bij dat verbonden lichaam niet heeft deelgenomen aan een pensioenregeling c perioden gedurende welke in aansluiting op de in de onderdelen a en b bedoelde perioden na onvrijwillig ontslag loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen of onder door Onze Minister te stellen voorwaarden perioden na ontslag van ten hoogste drie jaar d perioden gedurende welke in aansluiting op de in onderdelen a en b bedoelde perioden uitkeringen worden ontvangen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 38c van de wet e perioden gedurende welke in aansluiting op de in onderdelen a en b bedoelde perioden uitkeringen worden ontvangen ingevolge een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38d van de wet f dienstjaren ten gevolge van waardeoverdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 71 74 75 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet naar de huidige inhoudingsplichtige of de pensioenuitvoerder van de huidige inhoudingsplichtige voor zover deze jaren op basis van een adequate diensttijdadministratie kunnen worden vastgesteld g perioden waarin de werknemer een tot zijn huishouden behorend kind heeft verzorgd dat de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt met dien verstande dat de perioden waarin de kinderen die hij heeft verzorgd de leeftijd van zes jaar hebben bereikt meetellen voor de helft Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt de aldus in aanmerking te nemen periode verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor 2 In afwijking van het eerste lid onderdeel a is met betrekking tot perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot vorige inhoudingsplichtigen inkoop van ontbrekende dienstjaren tot 8 juli 1994 toegestaan indien de werknemer aannemelijk kan maken dat er gerelateerd aan de pensioenregeling bij de huidige inhoudingsplichtige als gevolg van het ontbreken van die dienstjaren sprake is van een pensioentekort daaronder begrepen perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke in het buitenland werkzaamheden zijn verricht voor een met een vorige inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd 3 In afwijking van het eerste lid onderdeel a is met betrekking tot perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een vorige inhoudingsplichtige inkoop van ontbrekende dienstjaren toegestaan voor zover de werknemer aannemelijk kan maken dat er gerelateerd aan de pensioenregeling bij de huidige inhoudingsplichtige sprake is van een pensioentekort als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid van waarde overdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 71 74 75 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet 4 Voor de toepassing van het eerste lid mag de aldaar genoemde vermindering van de in aanmerking te nemen perioden bij dienstbetrekkingen in deeltijd achterwege blijven indien de deeltijdfunctie is aanvaard in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum De eerste volzin is uitsluitend van toepassing voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50 van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de aan het slot van de eerste volzin bedoelde periode Artikel 10aa 1 Indien bij een eindloonloonstelsel bij de toepassing van artikel 18a van de wet een percentage per dienstjaar wordt toegepast van wordt het in artikel 18a achtste lid onderdeel a eerste volzin bedoelde bedrag vervangen door 70 van meer dan maar niet meer dan 1 8 10 667 1 8 1 9 11 803 2 Indien bij een middelloonstelsel bij de toepassing van artikel 18a van de wet een percentage per dienstjaar wordt toegepast van wordt het in artikel 18a achtste lid onderdeel a eerste volzin bedoelde bedrag vervangen door 70 van meer dan maar niet meer dan 2 05 10 667 2 05 2 15 11 803 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 18a derde lid van de wet 4 De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot partnerpensioen en wezenpensioen met dien verstande dat daarbij de in het eerste lid en het tweede lid opgenomen percentages naar evenredigheid worden verlaagd overeenkomstig de verhouding tussen de in artikel 18b eerste en tweede lid onderscheidenlijk artikel 18c eerste en tweede lid van de wet genoemde percentages per dienstjaar en die in artikel 18a van de wet 5 Bij het begin van het kalenderjaar worden de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door andere Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de verhouding tussen het ingevolge artikel 18a achtste lid onderdeel a eerste volzin van de wet in het kalenderjaar in aanmerking te nemen bedrag en het ingevolge artikel 18a achtste lid onderdeel a eerste volzin van de wet in het vorige kalenderjaar in aanmerking te nemen bedrag Artikel 10ab 1 Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren als bedoeld in artikel 18 en 18e van de wet worden in aanmerking genomen a de perioden die ingevolge artikel 10a eerste lid onderdelen a b en g als dienstjaren in aanmerking zijn genomen b de perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige indien ter zake van het in die dienstbetrekking opgebouwde ouderdomspensioen waardeoverdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 71 74 75 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet naar de huidige inhoudingsplichtige of de pensioenuitvoerder van de huidige inhoudingsplichtige heeft plaatsgevonden c de perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige indien ter zake van deze perioden met toepassing van artikel 10a tweede of derde lid inkoop van dienstjaren heeft plaatsgevonden voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze perioden bij de opbouw van het ouderdomspensioen in aanmerking zijn genomen 2 Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren kunnen eveneens in aanmerking worden genomen dienstjaren ten gevolge van een voor 1 januari 2005 gedane waardeoverdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 32 vierde lid 32a of 32b van de Pensioen en spaarfondsenwet zoals deze artikelen luidden op 31 december 2006 voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze dienstjaren bij de opbouw van het ouderdomspensioen in aanmerking zijn genomen 3 Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren kunnen eveneens in aanmerking worden genomen perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige of een met de inhoudingsplichtige of een andere inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze perioden door die andere inhoudingsplichtige of dat lichaam bij de opbouw van het ouderdomspensioen of van een voorziening voor ouderdom ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 7 tweede lid onderdeel c van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking zijn genomen 4 Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt het ingevolge artikel 18e van de wet geldende maximum verlaagd overeenkomstig de per deelnemingsjaar geldende deeltijdfactor met dien verstande dat artikel 10b derde lid van overeenkomstige toepassing is 5 Bij toepassing van het eerste lid onderdeel c of derde lid wordt voor de toepassing van artikel 18e eerste lid onderdeel b en vierde lid van de wet het 40 deelnemingsjarenpensioen opgevat met inbegrip van de uit die andere dienstbetrekking voortvloeiende a uitkeringen ingevolge een ouderdomspensioen b uitkeringen ingevolge een 40 deelnemingsjarenpensioen c uitkeringen ingevolge een overbruggingspensioen als bedoeld in artikel 18e zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde d uitkeringen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde e uitkeringen ingevolge een prepensioen als bedoeld in artikel 38a zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde 6 Indien perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een met de inhoudingsplichtige of een andere inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd in aanmerking worden genomen als deelnemingsjaren wordt voor de toepassing van artikel 18e eerste lid onderdeel b en vierde lid van de wet het 40 deelnemingsjarenpensioen opgevat met inbegrip van de uitkeringen ingevolge de bij dat lichaam opgebouwde voorziening voor ouderdom in een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 7 tweede lid onderdeel c van de Wet inkomstenbelasting 2001 Artikel 10b 1 Als loonbestanddelen als bedoeld in artikel 18g tweede lid onderdeel a van de wet komen in aanmerking alle loonbestanddelen met uitzondering van het genot van een ter beschikking gestelde auto Voorzover over loonbestanddelen pensioen wordt opgebouwd volgens een eindloonstelsel komen loonstijgingen in de periode die aanvangt vijf jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum in aanmerking tot ten hoogste 2 percent boven de gemiddelde loonindex voor de CAO lonen per maand inclusief bijzondere beloningen zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek met dien verstande dat in elk geval in aanmerking komen loonstijgingen als gevolg van gangbare functiewijzigingen of gangbare leeftijdsperiodieken 2 Voor de toepassing van artikel 18g tweede lid onderdeel b van de wet komen niet tot het regelmatig genoten loon behorende loonbestanddelen slechts in aanmerking voorzover de opbouw van het pensioen volgens een ander stelsel dan het eindloonstelsel plaatsvindt 3 Voor de toepassing van artikel 18g tweede lid onderdeel c van de wet mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven voorzover deze het gevolg is van het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum 4 Voor de toepassing van artikel 18g tweede lid onderdeel d van de wet mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven voor zover deze het gevolg is van ziekte of arbeidsongeschiktheid Artikel 10c Voor de toepassing van artikel 18h tweede lid van de wet is een regeling een pensioenregeling indien zij voldoet aan hoofdstuk IIB of hoofdstuk VIII van de wet mits a loonbestanddelen in natura niet tot het pensioengevend loon worden gerekend b de bedragen die op de voet van de regeling op het loon van de werknemer worden ingehouden niet meer bedragen dan hetgeen door de inhoudingsplichtige wordt bijgedragen c de in te bouwen uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet per dienstjaar worden gesteld op ten minste de voor dat jaar geldende uitkeringen voor een ongehuwde persoon als bedoeld in artikel 9 eerste lid onderdeel a en zesde lid onderdeel a van die wet vermeerderd met de vakantie uitkering d indien de werknemer geen mogelijke partner of wees kan aanwijzen als waarop artikel 18b onderscheidenlijk 18c van de wet betrekking heeft de regeling geen partnerpensioen onderscheidenlijk wezenpensioen omvat e een overbruggingspensioen voorzover dat dient ter overbrugging van een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet is afgestemd op het op grond van artikel 18a achtste lid in de pensioenregeling in aanmerking genomen bedrag Artikel 10ca 1 Als een lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel e van de wet kan door de inspecteur worden aangewezen een lichaam dat voldoet aan de in artikel 19a tweede lid van de wet gestelde voorwaarden en dat is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte 2 Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan dient het lichaam a aannemelijk te maken dat de pensioenverplichting wordt gerekend tot het binnenlandse ondernemingsvermogen van de in het eerste lid bedoelde lidstaat onderscheidenlijk staat b aannemelijk te maken dat het is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing c zich tegenover de inspecteur onder door Onze Minister te stellen voorwaarden te verplichten om met betrekking tot de bij dit lichaam ondergebrachte of nog onder te brengen aanspraken ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 18 van de wet inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de pensioenregeling en de winstbepaling van het lichaam d in een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid te aanvaarden voor de belasting die wordt verschuldigd door toepassing van artikel 19b van de wet ofwel artikel 3 83 eerste of tweede lid of artikel 3 136 derde vierde of vijfde lid of artikel 7 2 achtste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 3 De aanwijzing kan door de inspecteur worden ingetrokken wanneer het lichaam a niet meer voldoet aan de in artikel 19a tweede lid van de wet gestelde voorwaarden b de pensioenverplichting niet meer rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen van de in het eerste lid bedoelde lidstaat onderscheidenlijk staat c niet meer is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing d niet meer voldoet aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of e niet aan een juiste wijze van uitvoering van de in het tweede lid onderdeel d bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt 4 De aanwijzing wordt geacht te zijn ingetrokken wanneer het lichaam zich in een andere staat vestigt tenzij de inspecteur op verzoek van het lichaam voor de verplaatsing heeft vastgesteld dat het lichaam ook na de verplaatsing voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid Artikel 10d 1 Als een verzekeraar van een pensioen als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel f van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een verzekeraar die op grond van de Wet op het financieel toezicht diensten naar Nederland mag verrichten 2 Als een pensioenfonds als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel f van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een lichaam dat naar het recht van de staat van diens zetel bevoegd gelden beheert strekkende tot verzekering van aanspraken ingevolge een pensioenregeling van tenminste 100 werknemers of gewezen werknemers en dat met betrekking tot deze aanspraken vanuit een vestiging buiten Nederland overeenkomsten sluit 3 Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan dient de verzekeraar onderscheidenlijk het pensioenfonds zich tegenover Onze Minister onder door hem te stellen voorwaarden te verplichten om met betrekking tot de bij deze verzekeraar of dit fonds verzekerde of nog te verzekeren aanspraken ingevolge een pensioenregeling bedoeld in artikel 18 van de wet inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de pensioenregelingen en een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van artikel 19b van de wet In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde verzekeraar of gevestigd pensioenfonds jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze verzekeraar of dit pensioenfonds onder door Onze Minister te stellen voorwaarden ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting 4 De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het derde lid bedoelde zekerheid niet door de verzekeraar of het pensioenfonds maar door de werknemer of de gewezen werknemer wordt gesteld waarbij deze tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken ingevolge een pensioenregeling aan de ontvanger mits de verzekeraar of het pensioenfonds instemt met deze verpanding 5 De aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken wanneer de verzekeraar of het pensioenfonds niet meer aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het derde lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt 6 Indien de aanwijzing wordt ingetrokken worden de aanspraken ingevolge een pensioenregeling niet op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemers of gewezen werknemers dan wel indien een werknemer of gewezen werknemer is overleden van de gerechtigden tot de aanspraken indien de aanspraken onder door Onze Minister te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een verzekeraar van een pensioen die voldoet aan de in artikel 19a van de wet gestelde voorwaarden 7 Onze Minister maakt het aanwijzen als een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid dan wel het aanwijzen als een pensioenfonds als bedoeld in het tweede lid op een daartoe geschikte wijze publiek bekend Indien Onze Minister een aanwijzing intrekt maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend Artikel 10e Vervallen per 01 01 2007 Hoofdstuk 5 Aanvullende regelingen Hoofdstuk VI van de wet Artikel 10f 1 Ten aanzien van de werknemers aan wie kosten verband houdende met het vervoer als bedoeld in artikel 15b eerste lid onderdeel a van de wet worden vergoed is het toegestaan dat deze vergoedingen slechts als loon in aanmerking worden genomen voor zover zij in totaal meer hebben bedragen dan het aantal in het kalenderjaar voor vergoeding in aanmerking gekomen kilometers vermenigvuldigd met het in de genoemde bepaling bedoelde bedrag per kilometer 2 Het op de voet van het eerste lid als loon in aanmerking te nemen bedrag wordt geacht niet te behoren tot het loon van het kalenderjaar doch wordt geacht te behoren tot het loon van het volgende kalenderjaar en te zijn betaald op de laatste werkdag in januari van dat volgende kalenderjaar 3 Ingeval de dienstbetrekking in de loop van het kalenderjaar is geëindigd komt bij de toepassing van het eerste en het tweede lid voor het kalenderjaar in de plaats het tijdvak gedurende hetwelk de dienstbetrekking in het kalenderjaar heeft bestaan en wordt het als loon in aanmerking te nemen bedrag geacht te behoren tot het loon van de kalendermaand volgende op die waarin de dienstbetrekking is geëindigd en te zijn betaald op de laatste werkdag van die volgende kalendermaand 4 Ten aanzien van de werknemers aan wie kosten verband houdende met het vervoer als bedoeld in artikel 15b eerste lid onderdeel a van de wet worden vergoed is het indien het eerste lid geen toepassing vindt toegestaan dat het ter zake van die vergoedingen als loon van de maand december van het kalenderjaar in aanmerking te nemen bedrag wordt geacht niet te behoren tot het loon van die maand doch wordt geacht te behoren tot het loon van de maand januari van het volgende kalenderjaar en te zijn betaald op de laatste werkdag van deze maand Artikel 10g 1 Ten aanzien van een in de onderneming van zijn ouder werkzaam kind dat behoort tot het huishouden van die ouder en niet verzekerd is ingevolge enige andere sociale verzekering dan een volksverzekering in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen of de zorgverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet kan de inspecteur onder door hem te stellen voorwaarden toestaan dat de belasting wordt ingehouden op de eerste werkdag van het volgende kalenderjaar met toepassing van de loonbelastingtabellen voor het kalenderjaar waarin het loon is verstrekt Alsdan wordt het in dat kalenderjaar verstrekte loon geacht in gelijke delen te zijn verstrekt over de kalenderkwartalen waarin het kind werkzaam is geweest en vinden artikel 26 van de wet en de krachtens dat artikel vastgestelde loonbelastingtabellen voor bijzondere beloningen geen toepassing 2 Voor de toepassing van artikel 19 eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de belasting geacht te zijn ingehouden in het kalenderjaar waarin het loon is verstrekt Artikel 11 1 De loonbelasting wordt mede geheven van natuurlijke personen die de navolgende tot het belastbare inkomen uit werk en woning dan wel het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 behorende inkomsten genieten a de navolgende termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en afkoopsommen 1 termijnen van lijfrenten verstrekt door een lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent alsmede termijnen als bedoeld in artikel 3 126a vierde vijfde en zesde lid van

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Uitvoeringsbesluit%20LB%201965%20%28tekst%202011%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Wet op de loonbelasting 1964 (tekst per 1 januari 2010, www.overheid.nl)
    het tijdstip waarop het ouderdomspensioen zou ingaan ontbrekende dienstjaren en bereikbaar pensioengevend loon in aanmerking genomen Onder ontbrekende dienstjaren worden verstaan de jaren van het tijdstip van overlijden van de werknemer tot de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum Onder bereikbaar pensioengevend loon wordt verstaan het pensioengevend loon dat de gewezen werknemer binnen de vastgestelde loopbaanontwikkeling in zijn functie zou hebben kunnen bereiken 6 Een partnerpensioen gaat in onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel onmiddellijk na beëindiging van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet 7 Een partnerpensioen gaat niet uit boven 70 percent van het pensioengevend loon of het bereikbaar pensioengevend loon op het tijdstip van ingang 8 Voor de toepassing van het zevende lid is artikel 18a negende lid van overeenkomstige toepassing Artikel 18c 1 Een op een eindloonstelsel gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 0 28 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 2 Een op een middelloonstelsel gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 0 32 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 3 Voor een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd wezenpensioen is artikel 18a derde lid van overeenkomstige toepassing 4 Een wezenpensioen gaat in onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel direct na beëindiging van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet 5 Een wezenpensioen gaat op het tijdstip van ingang niet uit boven 14 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 6 Voor volle wezen worden de in de vorige leden genoemde percentages verdubbeld 7 Voor de toepassing van het vijfde en het zesde lid is artikel 18a negende lid van overeenkomstige toepassing Artikel 18d 1 In afwijking in zoverre van de artikelen 18a 18b en 18c kunnen een ouderdomspensioen een partnerpensioen en een wezenpensioen meer bedragen dan de aldaar opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van a aanpassing van het pensioen aan loon of prijsontwikkeling b variatie in de hoogte van de uitkeringen waarbij de laagste uitkering niet minder bedraagt dan 75 percent van de hoogste uitkering en de mate van variatie ten laatste op de ingangsdatum van het pensioen wordt vastgesteld c waardeoverdracht van pensioenaanspraken d gehele of gedeeltelijke onderlinge ruil van partnerpensioen wezenpensioen en ouderdomspensioen mits de ruil uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen plaatsvindt op basis van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen 2 Door ruil als bedoeld in het eerste lid onderdeel d ontstane verlies aan pensioen kan niet worden gecompenseerd en het partnerpensioen en het wezenpensioen kunnen na een zodanige ruil niet meer bedragen dan 70 percent onderscheidenlijk 14 percent of 28 percent van het pensioengevend loon 3 Voor de toepassing van het eerste lid onderdeel b blijft in de jaren tussen de ingangsdatum van het pensioen en het bereiken van de 65 jarige leeftijd van de uitkering buiten aanmerking een bedrag dat gelijk is aan tweemaal de voor die jaren geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9 eerste lid onderdeel b en zesde lid van de Algemene Ouderdomswet vermeerderd met de vakantietoeslag De eerste volzin is onverminderd van toepassing bij dienstbetrekkingen in deeltijd Artikel 18e 1 Een 40 deelnemingsjarenpensioen is een levenslang pensioen dat a ingaat op hetzelfde tijdstip als het ouderdomspensioen b met inbegrip van het ouderdomspensioen niet meer bedraagt dan 70 van het pensioengevend loon ingeval het ouderdomspensioen ingaat bij het bereiken van de 63 jarige leeftijd c niet eerder wordt opgebouwd dan vanaf het tijdstip waarop de werknemer 40 deelnemingsjaren heeft bereikt 2 Ingeval het 40 deelnemingsjarenpensioen later ingaat dan bij het bereiken van de 63 jarige leeftijd mag het 40 deelnemingsjarenpensioen na het bereiken van die leeftijd met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen worden verhoogd 3 Ingeval het 40 deelnemingsjarenpensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 63 jarige leeftijd wordt het 40 deelnemingsjarenpensioen met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen herrekend ten opzichte van die leeftijd 4 De artikelen 18a negende lid en 18d zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat door de overeenkomstige toepassing van artikel 18d eerste lid onderdeel d een 40 deelnemingsjarenpensioen met inbegrip van het ouderdomspensioen niet meer bedraagt dan 100 van het laatste pensioengevend loon 5 Het in het eerste lid opgenomen maximum wordt voor de periode vanaf het bereiken van de 65 jarige leeftijd opgevat met inbegrip van een bedrag dat ten minste wordt gesteld op de uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9 eerste lid onderdeel b en zesde lid van de Algemene Ouderdomswet vermeerderd met de vakantietoeslag Artikel 18f Een nabestaandenoverbruggingspensioen is een pensioen dat a ingaat onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel onmiddellijk na beëindiging van het recht op een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet en uiterlijk eindigt bij het bereiken van de 65 jarige leeftijd b toekomt aan degene voor wie een regeling voor partnerpensioen of wezenpensioen is getroffen of had kunnen worden getroffen c niet meer bedraagt dan het gezamenlijke bedrag van 8 7 maal de nominale uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet vermeerderd met de vakantie uitkering en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het partnerpensioen voor en na de 65 jarige leeftijd Artikel 18g 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de perioden die in aanmerking komen als dienstjaren dan wel deelnemingsjaren bedoeld in de artikelen 18a 18b 18c en 18e 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het pensioengevend loon bedoeld in de artikelen 18a 18b 18c 18d en 18e ter zake van a de loonbestanddelen die daarin worden opgenomen b de loonbestanddelen waarover de opbouw van het pensioen volgens een ander stelsel dan het eindloonstelsel dient plaats te vinden c de situatie waarin de werknemer aan het eind van zijn loopbaan terugtreedt naar een lager gekwalificeerde functie met een lager loon dan in zijn daaraan voorafgaande functie d de situatie waarin het loon wordt verlaagd in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid van de werknemer Artikel 18h 1 In afwijking in zoverre van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde is een regeling waarvan geheel of gedeeltelijk een lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen d of e als verzekeraar optreedt een pensioenregeling indien zij voldoet aan de artikelen 18 tot en met 18g en voorts een pensioen inhoudt dat niet uitgaat boven hetgeen in collectieve regelingen gangbaar is 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden vastgesteld wat in collectieve regelingen als bedoeld in het eerste lid gangbaar is In afwijking daarvan kan worden vastgesteld dat de opbouwmogelijkheid aangegeven in artikel 18a eerste lid onverkort van toepassing is Artikel 18i Vervallen per 01 01 2005 Artikel 19 Met betrekking tot diensttijd waarin het loon nihil is of anderszins aanzienlijk lager is dan hetgeen gebruikelijk is kunnen geen onderscheidenlijk in zoverre geen aanspraken op een pensioenregeling ontstaan als bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdeel c Artikel 19a 1 Als verzekeraar van een pensioen als bedoeld in artikel 18 kan optreden a een lichaam dat ingevolge artikel 5 eerste lid onderdeel b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van die belasting b een verzekeraar als bedoeld in artikel 1 1 van de Wet op het financieel toezicht mits deze de pensioenverplichting voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen c een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent mits het pensioen de voortzetting is van een pensioen dat reeds was verzekerd bij die verzekeraar in een periode waarin de werknemer of gewezen werknemer niet in Nederland woonde of niet in Nederland een dienstbetrekking vervulde d een ander lichaam dan bedoeld in de onderdelen a b en c dat in Nederland is gevestigd de pensioenverplichting voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen en voldoet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden e een ander lichaam dan bedoeld in de onderdelen a b c en d dat 1 in een andere lidstaat van de Europese Unie is gevestigd of in een bij ministeriële regeling aangewezen andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte 2 de pensioenverplichting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen van de onder 1 bedoelde lidstaat onderscheidenlijk staat 3 aannemelijk maakt dat het lichaam is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing 4 voldoet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden 5 door de inspecteur onder door Onze Minister te stellen voorwaarden is aangewezen en zich tegenover de inspecteur heeft verplicht te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de regeling en de winstbepaling van het lichaam en 6 ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid heeft aanvaard voor de belasting die wordt verschuldigd door toepassing van artikel 19b ofwel artikel 3 83 eerste of tweede lid of artikel 3 136 derde vierde of vijfde lid of artikel 7 2 achtste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 f een pensioenfonds of lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent anders dan bedoeld in de onderdelen a b en c dat door Onze Minister onder door hem te stellen voorwaarden is aangewezen en dat zich tegenover Onze Minister heeft verplicht 1 te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de regeling en 2 zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die is verschuldigd door toepassing van artikel 19b ofwel artikel 3 83 eerste of tweede lid artikel 3 136 derde vierde of vijfde lid of artikel 7 2 achtste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 dan wel de werknemer of gewezen werknemer zich heeft verplicht deze zekerheid te stellen 2 Het lichaam bedoeld in het eerste lid onderdelen d en e kan slechts als verzekeraar van een pensioen optreden ter uitvoering van een pensioenovereenkomst die door dat lichaam is gesloten met een directeur grootaandeelhouder dan wel ter uitvoering van een in dat lichaam ondergebrachte pensioenovereenkomst van een directeur grootaandeelhouder en diens werkgever waarbij het begrip directeur grootaandeelhouder wordt opgevat overeenkomstig artikel 1 van de Pensioenwet Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de toepassing van de eerste volzin 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid onderdelen e en f bedoelde aanwijzing Artikel 19b 1 Ingeval op enig tijdstip a een aanspraak ingevolge een pensioenregeling niet langer als zodanig is aan te merken b een aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25 vijfde lid van de Invorderingswet 1990 wordt c een aanspraak ingevolge een pensioenregeling waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen d of e dan wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b wordt prijsgegeven behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is d de zekerheidstelling wordt beëindigd door de werknemer of de gewezen werknemer die zich op grond van artikel 19a eerste lid onderdeel f heeft verplicht deze zekerheid te stellen wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel indien deze is overleden van de gerechtigde tot de aanspraak 2 Ingeval een verplichting ingevolge een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar wordt de aanspraak ingevolge die regeling geacht te worden afgekocht De eerste volzin is niet van toepassing ingeval de verplichting ingevolge een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk overgaat naar een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen a b d e of f mits deze overgang niet in strijd komt met de bepalingen bij of krachtens de artikelen 70 tot en met 91 van de Pensioenwet Met betrekking tot een verplichting die is verzekerd bij een lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen d of e wordt onder een overgang als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan herverzekering bij een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen a b d e en f 3 Het eerste lid is niet van toepassing ingeval de werknemer of gewezen werknemer in het kader van scheiding van tafel en bed echtscheiding of beëindiging van samenleving een aanspraak ingevolge een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk vervreemdt aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner dan wel omzet in een zodanige aanspraak met als gerechtigde die echtgenoot of gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner waarbij die verkregen of omgezette aanspraak voor de toepassing van deze wet wordt geacht de voortzetting te zijn van de aanspraak op een pensioenregeling van de werknemer of gewezen werknemer 4 Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een in onderdeel b van dat lid bedoelde uitkering of afkoopsom wordt uitgekeerd met toepassing van artikel 66 67 of 68 van de Pensioenwet 5 Het eerste lid is niet van toepassing bij een vervreemding als bedoeld in artikel 57 vijfde lid van de Pensioenwet alsmede bij een vermindering als bedoeld in artikel 134 eerste lid van die wet 6 Onze Minister kan zo nodig onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat het tweede lid eerste volzin niet van toepassing is indien de verplichting ingevolge een pensioenregeling overgaat op een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent anders dan bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel f zulks ter verwerving van aanspraken ingevolge een pensioenregeling in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking buiten Nederland De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de overgang van de verplichting ingevolge een pensioenregeling naar een pensioenfonds van een internationale organisatie in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking bij die organisatie in Nederland 7 Voor de toepassing van het eerste lid onderdeel a wordt een aanspraak op een pensioenregeling mede niet langer als zodanig aangemerkt ingeval op enig tijdstip niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld ingevolge het zesde lid of artikel 19d 8 De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot aanspraken op periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdeel g en stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten als bedoeld in artikel 11a Artikel 19c 1 Op verzoek van de inhoudingsplichtige beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking of een regeling een pensioenregeling is in de zin van de artikelen 18 tot en met 18h Het verzoek wordt gedaan voordat de regeling dan wel een wijziging van de regeling wordt ingevoerd 2 Indien een zodanig verzoek is gedaan en vervolgens onherroepelijk komt vast te staan dat de regeling niet een zodanige pensioenregeling is en de regeling onverwijld en ingaand op het tijdstip van ingang van de regeling wordt aangepast in dier voege dat de regeling wel een zodanige pensioenregeling is wordt de regeling geacht met terugwerkende kracht tot uiterlijk dat tijdstip een zodanige pensioenregeling te zijn De vorige volzin is niet van toepassing op pensioenregelingen als bedoeld in artikel 18h Artikel 19d Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid afwijkingen toestaan van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde door regelingen of groepen van regelingen niet zijnde een regeling als bedoeld in artikel 18h eerste lid aan te wijzen als pensioenregeling indien het een regeling betreft a die op bepaalde onderdelen niet meer dan in geringe mate afwijkt van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde mits het belang van de afwijkingen niet uitgaat boven het belang van de marges op andere onderdelen b voor gemoedsbezwaarden met een ontheffing als bedoeld in artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen die dient ter vervanging van een pensioenregeling c voor een tijdelijk in Nederland wonende of werkzame werknemer en die regeling voldoet aan artikel 1 7 tweede lid onderdeel c van de Wet inkomstenbelasting 2001 mits de opbouw van het pensioen ingevolge die regeling tijdelijk in Nederland wordt voortgezet en het pensioen reeds was verzekerd bij een pensioenfonds of lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen c of f in een periode waarin de werknemer niet in Nederland woonde of niet in Nederland een dienstbetrekking vervulde Zo nodig kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld Artikel 19e Vervallen per 01 01 2007 Artikel 19f Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van dit hoofdstuk alsmede met betrekking tot samenloop van verschillende pensioenstelsels HOOFDSTUK IIC LEVENSLOOPREGELING Artikel 19g 1 Onder levensloopregeling wordt verstaan een regeling die a ten doel heeft het treffen van een voorziening in geld uitsluitend voor een periode van extra verlof b inhoudt dat een voorziening in geld kan worden opgebouwd met dien verstande dat in het kalenderjaar niet meer aanspraken ontstaan dan overeenkomt met 12 percent van het loon van het jaar en voorzover de totale aanspraken aan het einde van het kalenderjaar door de in het kalenderjaar opgebouwde aanspraken een periode van extra verlof van 2 1 jaar niet te boven gaan 2 Over de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening mag worden beschikt ten behoeve van loon tijdens een verlofperiode dat tezamen met het daarnaast van de inhoudingsplichtige genoten loon niet uitgaat boven het laatstgenoten loon 3 Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon wordt overgemaakt naar een geblokkeerde rekening bij een kredietinstelling als premie gestort bij een verzekeraar voor een verzekering in het kader van een levensloopregeling dan wel overgemaakt naar de beheerder van een beleggingsinstelling ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling 4 Als kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in het derde lid kunnen optreden a financiële ondernemingen die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mogen uitoefenen mits zij de verplichtingen ingevolge de levensloopregeling voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekenen tot het binnenlandse ondernemingsvermogen b financiële ondernemingen die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van verzekeraar mogen uitoefenen mits zij de verplichtingen ingevolge de levensloopregeling rekenen tot het binnenlandse ondernemingsvermogen c financiële ondernemingen aan wie een vergunning is verleend ingevolge de Wet op het financieel toezicht om in Nederland het bedrijf van beleggingsinstelling uit te oefenen en die zijn gevestigd in Nederland d een ander lichaam dan bedoeld in de onderdelen a b en c dat voldoet aan door onze Minister te stellen voorwaarden 5 Een werknemer kan in een kalenderjaar niet zowel een voorziening ingevolge een levensloopregeling opbouwen als sparen ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 6 Indien op enig tijdstip a een levensloopregeling niet langer als zodanig is aan te merken of b een aanspraak ingevolge een levensloopregeling wordt afgekocht of vervreemd of c de inhoudingsplichtige aan de werknemer een bijdrage ten behoeve van de levensloopregeling verstrekt terwijl hij niet in dezelfde mate aan zijn overige werknemers die voor het overige in dezelfde omstandigheden verkeren een bijdrage verstrekt of de bijdrage onder voorwaarden verstrekt met betrekking tot het moment van beschikken over de opgebouwde voorziening wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak ingevolge de levensloopregeling aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel indien deze is overleden van de gerechtigde tot de aanspraak 7 Het zesde lid is niet van toepassing voorzover een aanspraak ingevolge een levensloopregeling wordt omgezet in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling die na de omzetting nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB gestelde begrenzingen 8 De ingevolge de levensloopregeling opgebouwde voorziening wordt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de werknemer de 65 jarige leeftijd heeft bereikt maar uiterlijk op de dag voorafgaand aan het ingaan van het ouderdomspensioen aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer 9 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel HOOFDSTUK III TARIEF Artikel 20 1 De over een loontijdvak van een jaar verschuldigde belasting is het bedrag van de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare loon verminderd met het bedrag van de heffingskorting voor de loonbelasting 2 Het bedrag van de heffingskorting voor de loonbelasting bedraagt maximaal het bedrag van de verschuldigde belasting over het loontijdvak van een jaar Artikel 20a 1 De belasting over een loontijdvak van een jaar wordt bepaald aan de hand van de navolgende tabel tarieftabel Bij een belastbaar loon van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV 18 218 2 30 18 218 32 738 419 10 80 32 738 54 367 1 987 42 54 367 11 071 52 2 De in het eerste lid vermelde bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die krachtens artikel 10 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in artikel 2 10 van die wet vermelde bedragen Artikel 20b 1 In afwijking van artikel 20a eerste lid wordt indien de werknemer vóór 1 januari 1946 is geboren de belasting over een loontijdvak van een jaar bepaald aan de hand van de volgende tabel tarieftabel voor werknemers geboren vóór 1 januari 1946 Bij een belastbaar loon van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV 18 218 2 30 18 218 32 738 419 10 80 32 738 54 367 1 987 42 54 367 11 071 52 2 De in het eerste lid vermelde bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die krachtens artikel 10 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in artikel 2 10a van die wet vermelde bedragen Artikel 21 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder a belastingtarief eerste schijf het in de eerste regel van de vierde kolom van de tabel in artikel 20a opgenomen percentage b gecombineerd heffingspercentage de som van het belastingtarief eerste schijf en de volgens artikel 11 van de Wet financiering sociale verzekeringen vastgestelde premiepercentages voor de algemene ouderdomsverzekering de nabestaandenverzekering en de algemene verzekering bijzondere ziektekosten Artikel 21a De heffingskorting voor de loonbelasting is het deel van de standaardloonheffingskorting dat tot de standaardloonheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het belastingtarief eerste schijf staat tot het gecombineerde heffingspercentage Artikel 21b Bij de toepassing van artikel 21a op het deel van de standaardloonheffingskorting dat op de ouderenkorting of de alleenstaande ouderenkorting betrekking heeft wordt het gecombineerde heffingspercentage verminderd met het volgens artikel 11 eerste lid van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de algemene ouderdomsverzekering vastgestelde premiepercentage Artikel 21c De standaardloonheffingskorting is het gezamenlijke bedrag van a de algemene heffingskorting artikel 22 b de arbeidskorting artikel 22a c de jonggehandicaptenkorting artikel 22aa d de ouderenkorting artikel 22b e de alleenstaande ouderenkorting artikel 22c en f de levensloopverlofkorting artikel 22ca Artikel 22 1 Voor de werknemer is de algemene heffingskorting van toepassing 2 De algemene heffingskorting bedraagt 2044 Artikel 22a 1 Voor de werknemer die loon uit tegenwoordige arbeid geniet is de arbeidskorting van toepassing 2 De arbeidskorting wordt berekend over het loon uit tegenwoordige arbeid en bedraagt a 1 737 van dat loon met een maximum van 157 vermeerderd met b 11 888 van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan 9041 waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan 1489 en verminderd met c 1 25 van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan 43 385 met dien verstande dat de vermindering ten hoogste 56 bedraagt 3 In afwijking van het tweede lid wordt a ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 60 het percentage en het laatstvermelde bedrag bedoeld in het tweede lid onderdeel b vervangen door 14 235 onderscheidenlijk door 1752 b ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 62 het percentage en het laatstvermelde bedrag bedoeld in het tweede lid onderdeel b vervangen door 16 555 onderscheidenlijk door 2012 c ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt het percentage en het laatstvermelde bedrag bedoeld in het tweede lid onderdeel b vervangen door 18 884 onderscheidenlijk door 2273 4 Met loon uit tegenwoordige arbeid worden gelijkgesteld a loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid b uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat 5 Loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn niet uitkeringen of inkomensvoorzieningen op grond van a de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen b de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering c de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen d de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten e buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de regelingen die zijn vermeld in de onderdelen a b c en d 6 Niet als loon uit tegenwoordige arbeid wordt aangemerkt het bedrag waarover met toepassing van artikel 19g tweede lid wordt beschikt door een werknemer die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt Artikel 22aa 1 Voor de werknemer die een uitkering geniet op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van die wet is de jonggehandicaptenkorting van toepassing De korting kan tevens worden toegepast ten aanzien van de werknemer die ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering doch welke uitkering ingevolge artikel 3 48 3 50 of 3 51 van die wet niet wordt betaald 2 De jonggehandicaptenkorting bedraagt 691 Artikel 22b 1 Voor de werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en een tijdvakloon heeft dat op jaarbasis niet meer bedraagt dan 34 649 is de ouderenkorting van toepassing 2 De ouderenkorting bedraagt 684 Artikel 22c 1 Voor de werknemer die een uitkering als bedoeld in artikel 9 eerste lid onderdeel a of onderdeel c van de Algemene Ouderdomswet geniet is de alleenstaande ouderenkorting van toepassing 2 De alleenstaande ouderenkorting bedraagt 418 Artikel 22ca 1 Voor de werknemer die beschikt over een ingevolge een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g opgebouwde voorziening is de levensloopverlofkorting van toepassing Voor de werknemer die met toepassing van artikel 19g zesde lid beschikt over de opgebouwde voorziening is de levensloopverlofkorting niet van toepassing 2 De levensloopverlofkorting is gelijk aan het bedrag waarover met toepassing van artikel 19g wordt beschikt maar ten hoogste 199 per kalenderjaar waarin een voorziening in het kader van een levensloopregeling is opgebouwd verminderd met de bedragen aan levensloopverlofkorting die de werknemer in voorafgaande loontijdvakken reeds heeft genoten 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel Artikel 22d De in de artikelen 22 22a 22aa 22b 22c en 22ca vermelde bedragen en de in artikel 22a vermelde percentages worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die en het percentage dat krachtens de artikelen 10 1 en 10 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in de artikelen 8 10 8 11 8 16a 8 17 8 18 en 8 18a van die wet vermelde bedragen en de in artikel 8 11 van die wet vermelde percentages Artikel 23 1 Indien de werknemer over loontijdvakken die geheel of gedeeltelijk samenvallen loon geniet uit meer dan een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking dan wel van meer dan een inhoudingsplichtige en dit loon voor de berekening van de belasting niet wordt samengevoegd kan de werknemer de heffingskorting voor de loonbelasting slechts in een dienstbetrekking dan wel tegenover een inhoudingsplichtige geldend maken 2 In afwijking van het eerste lid wordt door de werknemer die een uitkering of inkomensvoorziening geniet op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten het deel van de heffingskorting dat betrekking heeft op de jonggehandicaptenkorting geldend gemaakt tegenover de inhoudingsplichtige die de uitkering of inkomensvoorziening op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten uitbetaalt Artikel 24 Voor de toepassing van de artikelen 21 tot en met 22d ter bepaling van de hoogte van de heffingskorting is beslissend de toestand op het tijdstip waarop de belasting moet worden ingehouden met dien verstande dat voor de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting beslissend is de toestand aan het einde van de kalendermaand waarin de belasting moet worden ingehouden Artikel 25 1 Loontijdvak is het tijdvak waarover het loon wordt genoten Het bedrag van de belasting over een ander loontijdvak dan een jaar wordt door herleiding bepaald Bij de herleiding wordt een jaar op 260 dagen een maand op 65 3 dag een week op 5 dagen en een tijdvak dat korter is dan een dag op een dag gesteld 2 Bij ministeriële regeling kunnen loonbelastingtabellen worden vastgesteld voor loontijdvakken waarvoor Onze Minister dit nodig acht In deze tabellen wordt de heffingskorting voor de loonbelasting op zodanige wijze verwerkt dat naast het bedrag aan loon het belastingbedrag of belastingpercentage is vermeld In deze tabellen kan de verwerking van de heffingskorting geheel of ten dele achterwege worden gelaten en kan bij de verwerking van de heffingskorting rekening worden gehouden met algemeen voorkomende beloningen die worden belast volgens een tabel voor bijzondere beloningen als bedoeld in artikel 26 Bij het opstellen van deze tabellen kunnen loonklassen en afrondingen worden aangebracht 3 De loonbelastingtabellen worden vastgesteld op basis van de daarvoor benodigde gegevens zoals die vermoedelijk zullen luiden op het tijdstip van inwerkingtreding van de tabellen Voorzover de toegepaste gegevens zodanig afwijken van de gegevens zoals die luiden op het tijdstip van inwerkingtreding dat bij toepassing van laatstbedoelde gegevens andere tabellen zouden zijn vastgesteld worden bij ministeriële regeling nieuwe tabellen vastgesteld ingaande ten hoogste zes maanden na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip van inwerkingtreding waarin de in de verstreken loontijdvakken ontstane afwijking zoveel mogelijk in de nog niet verstreken loontijdvakken van het kalenderjaar wordt ongedaan gemaakt 4 In afwijking van het eerste lid wordt een tijdvak waarvan het tijdvak waarover het loon wordt genoten deel uitmaakt als loontijdvak aangemerkt ten aanzien van 1 de werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaam is 2 de werknemer wiens loon mede omvat de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken en 3 de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer die met betrekking tot een kalenderkwartaal als student of scholier wordt aangemerkt en die schriftelijk gedagtekend en ondertekend te kennen heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak wordt aangemerkt Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de toepassing van de eerste volzin Artikel 26 1 Tantièmes gratificaties en andere beloningen die in de regel slechts eenmaal of eenmaal per jaar worden toegekend worden belast volgens loonbelastingtabellen voor bijzondere beloningen die bij ministeriële regeling worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 25 tweede en derde lid met dien verstande dat in deze tabellen jaarlonen en belastingpercentages worden opgenomen en geen rekening wordt gehouden met de arbeidskorting 2 Indien dit niet tot een hoger belastingbedrag leidt mogen de in het eerste lid bedoelde beloningen worden beschouwd als een toevoeging aan het loon over het loontijdvak waarin zij worden uitbetaald 3 Overwerkloon mag worden belast naar het percentage dat wordt aangewezen door de loonbelastingtabel voor bijzondere beloningen 4 Als jaarloon geldt voor de toepassing van dit artikel a ingeval de werknemer over het gehele voorafgaande kalenderjaar van de inhoudingsplichtige loon heeft genoten het in dat jaar genoten loon b ingeval de werknemer over een gedeelte van het voorafgaande kalenderjaar van de inhoudingsplichtige loon heeft genoten het tot een jaarloon herleide bedrag van het in dat jaar genoten loon c in andere gevallen het in het kalenderjaar te genieten loon indien over het gehele jaar van de inhoudingsplichtige loon zou worden genoten 5 Als overwerkloon gelden voor de toepassing van dit artikel de beloningen ter zake van arbeid welke wordt verricht gedurende de tijd die uitgaat boven de voor de werknemer geldende normale arbeidsduur 6 Voor het geval de werknemer binnen een samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van inhoudingsplichtige is gewisseld kunnen voor de toepassing van het vierde lid bij ministeriële regeling aanvullende bepalingen worden gesteld Artikel 26a Vervallen per 01 01 2001 Artikel 26b In afwijking van de artikelen 20 20a 20b en 26 bedraagt de belasting 52 van het loon ingeval a de werknemer zijn naam adres woonplaats of burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan zijn sociaal fiscaalnummer niet aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt b bij een werknemer die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet de inhoudingsplichtige zijn identiteit niet heeft vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie overeenkomstig artikel 28 onderdeel e c bij een werknemer die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en niet behoort tot de categorie werknemers die op grond van overeenkomsten van internationaal recht is uitgezonderd van de verplichting tot het hebben van een geldige verblijfsvergunning als bedoeld in die wet en een geldige tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid vreemdelingen de inhoudingsplichtige zijn verblijfsrechtelijke positie ter zake van het verrichten van arbeid niet heeft vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie overeenkomstig artikel 28 onderdeel e d de werknemer ter zake van de in de onderdelen a tot en met c bedoelde inlichtingen onjuiste gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of redelijkerwijs moet weten De eerste volzin aanhef en onderdeel c is niet van toepassing bij werknemers die werkzaamheden verrichten in dienstbetrekking bij de Staat der Nederlanden niet in Nederland wonen en hun dienstbetrekking geheel buiten Nederland vervullen Indien de belasting ingevolge artikel 27b eerste lid in één bedrag met de premie voor de volksverzekeringen wordt geheven wordt in afwijking in zoverre van de eerste volzin het bedrag van de verschuldigde belasting te zamen met het bedrag van de verschuldigde premie voor de volksverzekeringen gesteld op 52 van het loon Artikel 26c Vervallen per 01 01 2001 HOOFDSTUK IV WIJZE VAN HEFFING Artikel 27 1 De belasting wordt geheven door inhouding op het loon 2 De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop het loon wordt genoten 3 De inhouding vindt plaats volgens de op het tijdstip van inhouding voor de werknemer geldende loonbelastingtabel 4 Overtreft de belasting het van de inhoudingsplichtige genoten loon in geld dan wordt het ontbrekende geacht te zijn ingehouden op het in het tweede lid omschreven tijdstip met dien verstande dat de inhoudingsplichtige bevoegd is dat ontbrekende te verhalen op de werknemer Ingeval het artikel 27b eerste lid toepassing vindt is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen 5 De inhoudingsplichtige is verplicht de in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte af te dragen Artikel 27bis In afwijking van artikel 27 kan de overeenkomstig een door de inhoudingsplichtige bestendig gevolgde gedragslijn in de maand januari van het kalenderjaar gedane inhouding op loon dat de werknemer met betrekking tot een of meer loontijdvakken binnen het voorgaande kalenderjaar toekomt worden begrepen in de laatste aangifte met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar Het loon waarop deze inhouding betrekking heeft wordt voor de berekening van de inhouding gerekend tot het loon van het desbetreffende loontijdvak Artikel 27a 1 In afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde wordt de belasting over de in artikel 31 bedoelde eindheffingsbestanddelen geheven van de inhoudingsplichtige 2 De heffing over eindheffingsbestanddelen met uitzondering van de aan naheffing onderworpen

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Wet%20LB%20%28tekst%202010%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (tekst per 1 januari 2010, www.overheid.nl)
    ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag 3 Indien de in het eerste lid en tweede lid bedoelde vergoedingen en verstrekkingen mede betrekking hebben op inwoning door de gezinsleden van de werknemer worden de in het eerste lid genoemde bedragen verhoogd a voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt met 80 b voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt met 50 c voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt met 30 Artikel 36 Voordeelurenkaart 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van het recht op vermindering tot maximaal 50 van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer hoofdzakelijk buiten de ochtendspits voordeelurenkaart indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon werkverkeer 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van het recht op vermindering tot maximaal 50 van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer hoofdzakelijk buiten de ochtendspits voordeelurenkaart indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon werkverkeer Artikel 37 Fiets voor woon werkverkeer 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf van een fiets voorzover de vergoeding niet meer bedraagt dan 749 mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een fiets voorzover de waarde in het economische verkeer niet hoger is dan 749 mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan 3 Tot de vrije verstrekkingen behoort de terbeschikkingstelling van een fiets met een catalogusprijs welke niet hoger is dan 749 inclusief omzetbelasting mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan 4 De voor de toepassing van het eerste tweede en derde lid geldende voorwaarden zijn a de werknemer maakt op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon werkverkeer gebruik van de fiets b in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren is ter zake van de aanschaf van een fiets geen vrije vergoeding betaald en c in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren is als vrije verstrekking geen fiets verstrekt dan wel ter beschikking gesteld 5 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen van niet meer dan 82 in het kalenderjaar ten titel van met een fiets samenhangende zaken alsmede de vergoeding ter zake van een fietsverzekering mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon werkverkeer gebruik maakt van de fiets 6 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen tot niet meer dan 82 in het kalenderjaar van met een fiets samenhangende zaken alsmede de verstrekking van een fietsverzekering mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon werkverkeer gebruik maakt van de fiets Artikel 38 Vervallen per 01 01 2007 Artikel 39 Vervallen per 01 01 2007 Artikel 40 Vervallen per 01 01 2007 Artikel 41 Producten eigen bedrijf 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf bij de inhoudingsplichtige dan wel bij een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van branche eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap tot een bedrag van ten hoogste a 20 van de waarde in het economische verkeer van deze producten en b 500 per kalenderjaar 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van branche eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van ten hoogste a 20 van de waarde in het economische verkeer van deze producten en b een bedrag van 500 per kalenderjaar 3 De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden verhoogd met de voor de twee voorafgaande kalenderjaren geldende bedragen voorzover deze bedragen nog niet zijn benut De vorige volzin is niet van toepassing indien de dienstbetrekking in het desbetreffende kalenderjaar niet bestond 4 De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de dienstbetrekking is beëindigd door pensionering of arbeidsongeschiktheid 5 Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot geldleningen Artikel 42 Vervallen per 01 01 2007 Artikel 43 ARBO 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen die direct samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van de Arbeidsomstandighedenwet tenzij de werknemer hierdoor een aanmerkelijke privé besparing geniet 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen die direct samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van de Arbeidsomstandighedenwet tenzij de werknemer hierdoor een aanmerkelijke privé besparing geniet Artikel 44 Ongevallenverzekering 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van premies voor een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van een aanspraak op een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking Artikel 45 Outplacement 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van outplacement van de werknemer 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van outplacement van de werknemer Artikel 46 Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd 1 Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd behoren in ieder geval tot de vrije vergoedingen indien zij 2 75 per gewerkte week 0 55 per gewerkte dag als niet op vijf dagen per week wordt gewerkt niet te boven gaan 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien tijdens de werktijd consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd worden verstrekt Artikel 47 Vaste vergoedingen 1 Vaste vergoedingen behoren niet tot het loon voorzover deze per kostencategorie naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd en daaraan voorts op verzoek van de inspecteur een steekproefsgewijs onderzoek van de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de vaste vergoedingen bedoeld in artikel 15a eerste lid onderdeel k van de wet Artikel 48 Vervallen per 01 01 2005 Artikel 49 Vervallen per 01 01 2007 Artikel 50 Vervallen per 01 01 2005 Artikel 51 Huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten voorzover de waarde in het economische verkeer van die verstrekking hoger is dan het bedrag aangegeven in de volgende tabel Huisvesting per maand per week per dag a aan boord van binnenschepen andere dan vissersschepen en baggermaterieel 1 voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont van een schip van meer dan 2000 ton van een schip van meer dan 500 doch niet meer dan 2000 ton van een ander schip of van baggermaterieel 144 00 108 00 72 00 33 00 24 75 16 50 6 60 4 95 3 30 2 voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft 59 00 13 50 2 70 b aan boord van zeeschepen andere dan vissersschepen en op boorplatforms 1 voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont 10 05 2 voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft voor een kapitein en voor een officier voor een andere werknemer 4 70 2 35 c aan boord van vissersschepen voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft 3 25 d in pakwagens van kermisexploitanten voor de werknemer die in een pakwagen woont en geen gezin heeft 59 00 13 50 2 70 e voor de werknemer die niet is aangeduid in de onderdelen a b c en d nihil nihil nihil Artikel 52 Bedragen bewassing energie en water begrepen in bedrag inwoning en huisvesting Voor de toepassing van artikel 35 en artikel 51 worden in het bedrag van inwoning dan wel in het bedrag van huisvesting geacht te zijn begrepen de bedragen van bewassing energie en water bedoeld in artikel 34 Artikel 53 Vervallen per 01 01 2007 Artikel 54 Vervallen per 01 01 2007 Artikel 55 Maaltijden in bedrijfskantines Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van maaltijden in bedrijfskantines of andere soortgelijke ruimten op de plaats waar de arbeid wordt verricht voorzover de waarde in het economische verkeer van die maaltijden hoger is dan 2 20 voor een ontbijt 2 20 voor een koffiemaaltijd en 4 20 voor een warme maaltijd Artikel 56 Kleding die blijft op de plaats waar de arbeid wordt verricht Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van tijdens de vervulling van de dienstbetrekking gedragen kleding die blijft op de plaats buiten de woning van de werknemer waar de arbeid wordt verricht Artikel 57 Ziektekostenregeling met een zeer lage waarde Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking in de vorm van een aanspraak ingevolge van een ziektekostenregeling met een waarde van ten hoogste 27 per jaar Artikel 58 Vervallen per 01 01 2006 Artikel 59 Rentevoordeel personeelsleningen 1 Tot de vrije verstrekkingen behoort het rentevoordeel ter zake van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening voorzover de rente die ter zake van de geldlening in het economische verkeer verschuldigd zou zijn hoger is dan 2 5 per jaar 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort in zoverre in afwijking van het eerste lid het rentevoordeel ter zake van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening voorzover de werknemer het geleende bedrag op een dusdanige wijze aanwendt dat een in de plaats van de lening voor de desbetreffende aanwending gekomen vergoeding of verstrekking hetzij geheel of nagenoeg geheel tot de vrije vergoedingen of vrije verstrekkingen zou hebben behoord hetzij op grond van artikel 11 eerste lid aanhef en onderdeel q van de wet of artikel XXIV onderdeel A van de Wet van 16 december 2004 Stb 653 Belastingplan 2005 niet tot het loon zou hebben behoord Hoofdstuk 5 Pensioenregelingen hoofdstuk IIB van de wet Artikel 60 Splitsing pensioenregeling 1 Bij overschrijding van de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet opgenomen begrenzingen als bedoeld in artikel 18 derde lid van de wet kan de inhoudingsplichtige de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de begrenzingen verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen welk deel van de aanspraak binnen de begrenzingen blijft en welk deel de begrenzingen te boven gaat 2 Met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde beschikking administreert de inhoudingsplichtige bij de loonadministratie afzonderlijk jaarlijks welk deel van de aanspraak tot het loon behoort en welk deel niet alsmede de waarde van het deel dat jaarlijks in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen Tevens administreert de inhoudingsplichtige naar rato van deze verdeling welk deel van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen als loon uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking zal worden genomen en welk deel als voordeel uit sparen en beleggen wordt behandeld 3 Van de ingevolge het tweede lid geadministreerde verdeling van de aanspraak en waarde van het deel dat in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen alsmede de verdeling van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen verstrekt de inhoudingsplichtige jaarlijks een opgave aan de inspecteur Artikel 60a Aanwijzing staten partij bij Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte Voor de toepassing van artikel 19a van de wet worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen IJsland en Noorwegen Artikel 61 Samenloop verschillende pensioenstelsels 1 Bij samenloop van verschillende pensioenstelsels in een pensioenregeling worden alle elementen van de pensioenregeling tezamen in acht genomen en in onderlinge samenhang bezien voor de vaststelling of de pensioenregeling moet worden aangemerkt als een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel een middelloonstelsel of een beschikbare premiestelsel 2 In afwijking van het eerste lid dient voor elk onderdeel van de pensioenregeling dat niet past binnen het op grond van het eerste lid vastgestelde pensioenstelsel afzonderlijk te worden beoordeeld op welk van de drie aldaar genoemde stelsels dat onderdeel is gebaseerd 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid kan de inhoudingsplichtige de inspecteur verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen op welk stelsel de pensioenregeling of een onderdeel daarvan is gebaseerd 4 Bij wijziging van een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd pensioen in een pensioen dat is gebaseerd op een eindloonstelsel of een middelloonstelsel blijven op de tot het moment van die stelselwijziging opgebouwde pensioenaanspraken de voorwaarden van toepassing die gelden voor een beschikbare premiestelsel Hoofdstuk 5a Levensloopregeling Hoofdstuk IIC van de wet Artikel 61a Schriftelijke vastlegging levensloopregeling 1 Een levensloopregeling moet schriftelijk zijn vastgelegd In de vastlegging moet ten minste zijn opgenomen a dat de regeling ten doel heeft het treffen van een voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van het opnemen van een periode van extra verlof b dat de aanspraken ingevolge de levensloopregeling niet kunnen worden afgekocht vervreemd prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid anders dan ten behoeve van de in artikel 61k bedoelde verpanding kunnen worden c de instelling waarbij de voorziening wordt aangehouden d een bepaling ingevolge welke de werknemer schriftelijk aan de inhoudingsplichtige verklaart of hij bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen aanspraken ingevolge een levensloopregeling heeft opgebouwd die ingevolge artikel 61h derde lid geacht worden te zijn opgebouwd bij de inhoudingsplichtige e een bepaling ingevolge welke de werknemer schriftelijk verklaart dat hij geen voorziening ingevolge een levensloopregeling opbouwt in het kalenderjaar waarin hij bij een inhoudingsplichtige loon spaart ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de wet 2 In afwijking van het eerste lid mag een levensloopregeling voorzien in de mogelijkheid van afkoop van de aanspraken bij beëindiging van de dienstbetrekking 3 In afwijking van het eerste lid mag een levensloopverzekering voorzien in de mogelijkheid van gehele of gedeeltelijke afkoop van de aanspraken voorzover overeenkomstig artikel 19g tweede lid van de wet over de voorziening wordt beschikt Artikel 61b Levensloopregeling 1 Het opbouwen van een voorziening ingevolge een levensloopregeling vindt plaats door inhouding op het loon waarbij het ingehouden loon wordt aangewend voor het treffen van een voorziening voor een periode van extra verlof Daarbij wordt de duur van de verlofperiode bepaald door het ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprekening als bedoeld in artikel 61c en bij een levenslooprecht van deelneming als bedoeld in artikel 61da onderscheidenlijk de waarde van de polis bij een levensloopverzekering als bedoeld in artikel 61d en verkrijgt de werknemer een aanspraak op het levenslooploon ten behoeve van de betaling van loon gedurende de verlofperiode Onder ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon wordt tevens verstaan een door de inhoudingsplichtige ten behoeve van de levensloopregeling verstrekte bijdrage 2 Onder levenslooploon wordt verstaan het ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprekening als bedoeld in artikel 61c en bij een levenslooprecht van deelneming als bedoeld in artikel 61da onderscheidenlijk de waarde van de polis bij een levensloopverzekering als bedoeld in artikel 61d Artikel 61c Levenslooprekening 1 Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon moet worden overgemaakt naar een geblokkeerde rekening levenslooprekening bij de in de levensloopregeling aangewezen instelling waar het tegoed voor iedere werknemer afzonderlijk wordt geadministreerd 2 De op de levenslooprekening gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen worden op de levenslooprekening bijgeschreven 3 Het tegoed op een levenslooprekening mag uitsluitend bestaan uit het levenslooploon 4 De instelling waar de levenslooprekening is ondergebracht maakt het levenslooploon over naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voorzover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend 5 In afwijking in zoverre van het vierde lid maakt de instelling het levenslooploon op verzoek van de werknemer over naar de werknemer indien geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6 eerste lid onderdeel a van de wet kan worden aangewezen in dit geval wordt de instelling als inhoudingsplichtige aangemerkt Artikel 61d Levensloopverzekering 1 Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon moet worden overgemaakt ten behoeve van een verzekering levensloopverzekering bij de in de levensloopregeling aangewezen instelling waar de waarde van de polis voor iedere werknemer afzonderlijk wordt geadministreerd 2 De bij de levensloopverzekering behaalde rendementen moeten worden aangewend voor een verhoging van het verzekerde kapitaal 3 Het verzekerde kapitaal op grond van een levensloopverzekering mag uitsluitend bestaan uit het levenslooploon 4 De instelling waar de levensloopverzekering is ondergebracht maakt het levenslooploon over naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voorzover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend 5 In afwijking in zoverre van het vierde lid maakt de instelling het levenslooploon op verzoek van de werknemer over naar de werknemer indien geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6 eerste lid onderdeel a van de wet kan worden aangewezen in dit geval wordt de instelling als inhoudingsplichtige aangemerkt 6 Een aanspraak ingevolge een levensloopverzekering mag voorzien in een hogere uitkering bij leven dan de in artikel 19g eerste lid van de wet opgenomen maxima indien deze verhoging met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen is gebaseerd op een verlaging van de ingevolge de levensloopregeling bij overlijden te ontvangen uitkering tot een niveau beneden of gelijk aan 90 van de premievrije waarde op de dag van overlijden Artikel 61da Levenslooprecht van deelneming 1 Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon moet worden overgemaakt naar de in de levensloopregeling aangewezen beheerder van een beleggingsinstelling ter verwerving van een of meer geblokkeerd rechten van deelneming in die instelling levenslooprecht van deelneming die voor iedere werknemer afzonderlijk worden geadministreerd 2 Het met een levenslooprecht van deelneming behaalde rendement wordt aangewend ter verwerving van levenslooprechten van deelneming 3 Het levenslooprecht van deelneming mag uitsluitend bestaan uit het levenslooploon 4 De beheerder van de beleggingsinstelling maakt het levenslooploon over naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voorzover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend 5 In afwijking in zoverre van het vierde lid maakt de beheerder van de beleggingsinstelling het levenslooploon op verzoek van de werknemer over naar de werknemer indien geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6 eerste lid onderdeel a van de wet kan worden aangewezen in dit geval wordt de beheerder van de beleggingsinstelling als inhoudingsplichtige aangemerkt Artikel 61e Maximale opbouw in een jaar 1 De inhouding per kalenderjaar ingevolge een levensloopregeling bedraagt a indien aan het begin van het kalenderjaar het levenslooploon minder bedraagt dan 2 1 maal het loon op jaarbasis gerelateerd aan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon ten hoogste 12 van het loon in het kalenderjaar b indien aan het begin van het kalenderjaar het levenslooploon gelijk is aan of meer bedraagt dan 2 1 maal het loon op jaarbasis gerelateerd aan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon nihil 2 Voor zover het ingevolge de levensloopregeling ingehouden bedrag uitgaat boven hetgeen ingevolge het eerste lid is toegestaan en deze inhouding in hetzelfde kalenderjaar door de instelling waarbij de levensloopregeling is ondergebracht wordt teruggestort naar de inhoudingsplichtige en deze de terugstorting als loon uitkeert aan de werknemer wordt aangenomen dat is gebleven binnen de begrenzingen van het eerste lid 3 Voor de toepassing van het eerste lid mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven voorzover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie dan wel het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum De eerste volzin is bij een loonsverlaging die het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie uitsluitend van toepassing voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50 van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de in de eerste volzin bedoelde periode 4 Voor de toepassing van de in dit artikel gestelde grenzen worden de aanspraken die zijn opgebouwd bij een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap als bedoeld in artikel 10a zevende lid van de wet mede in aanmerking genomen tenzij deze aanspraken met toepassing van artikel 61h geacht worden te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige dan een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap als bedoeld in artikel 10a zevende lid van de wet Artikel 61f Toegestane aangroei boven het plafond bij een levenslooprekening en bij een levenslooprecht van deelneming Ook indien bij het begin van het kalenderjaar de in artikel 61e bedoelde begrenzing op basis waarvan wordt beoordeeld of in het kalenderjaar nog aanspraken ingevolge een levensloopregeling kunnen worden opgebouwd is bereikt leiden nadien de op de levenslooprekening gekweekte inkomsten en daarmee behaalde rendementen en de met een levenslooprecht van deelneming behaalde rendementen niet tot de constatering dat de regeling niet meer voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een levensloopregeling Artikel 61g Toegestane aangroei boven het plafond bij een levensloopverzekering Ook indien bij het begin van het kalenderjaar de in artikel 61e bedoelde begrenzing op basis waarvan wordt beoordeeld of in het kalenderjaar nog aanspraken ingevolge een levensloopregeling kunnen worden opgebouwd is bereikt leiden nadien behaalde rendementen niet tot de constatering dat de regeling niet meer voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een levensloopregeling Artikel 61h Wijze van beschikken over het levenslooptegoed 1 Over de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening mag worden beschikt ten behoeve van loon tijdens een verlofperiode dat tezamen met het daarnaast van de inhoudingsplichtige genoten loon niet uitgaat boven het laatstgenoten loon In afwijking in zoverre van de eerste volzin mag niet over de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening worden beschikt ten behoeve van de aanvulling van loon dat is verlaagd tijdens een periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid 2 In geval van overlijden van de werknemer kan de tegenwaarde van de aanspraak als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van de werknemer ter beschikking van de erfgenamen van de werknemer worden gesteld 3 Bij aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking worden de aanspraken ingevolge een levensloopregeling die door de werknemer zijn opgebouwd bij een gewezen inhoudingsplichtige geacht te zijn opgebouwd bij de inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienst treedt tenzij bij deze inhoudingsplichtige geen aanspraken ingevolge een levensloopregeling worden opgebouwd of de bij de gewezen inhoudingsplichtige opgebouwde aanspraken reeds geacht worden te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienstbetrekking staat 4 Indien de werknemer uitkeringen ontvangt in overeenstemming met de levensloopregeling worden deze als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in aanmerking genomen In afwijking van de eerste volzin wordt in geval van afkoop bij beëindiging van de dienstbetrekking de uitkering aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking 5 Indien in strijd met de levensloopregeling geheel of gedeeltelijk over het levenslooploon wordt beschikt wordt de gehele aanspraak ingevolge de levensloopregeling aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer 6 Het vijfde lid is niet van toepassing voorzover een aanspraak ingevolge een levensloopregeling wordt omgezet in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling die na de omzetting nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet gestelde begrenzingen Artikel 61i Kredietfaciliteit Indien het ingevolge artikel 61h eerste lid opgenomen bedrag het op dat moment aanwezige tegoed overtreft kan het negatieve saldo uitgezonderd de daarover verschuldigde rente met inachtneming van de in artikel 61e gestelde begrenzingen via een inhouding op het loon worden aangevuld in welk geval deze aanvulling wordt aangemerkt als het opbouwen van een voorziening als bedoeld in artikel 61b Artikel 61j Opgebouwde voorziening bij het ingaan van het ouderdomspensioen Voor de toepassing van artikel 19g achtste lid van de wet wordt het ouderdomspensioen van een werknemer geacht niet te zijn ingegaan indien het niet meer dan voor een deel is ingegaan Artikel 61k Aangewezen buitenlandse aanbieders 1 Als kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 19g vierde lid onderdeel d van de wet kan door de Minister van Financiën worden aangewezen een kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling die wettelijk bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten 2 Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan dient de kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling zich tegenover de Minister van Financiën onder door hem te stellen voorwaarden te verplichten om met betrekking tot de aanspraken ingevolge een door deze kredietinstelling deze verzekeraar of deze beheerder van een beleggingsinstelling uitgevoerde levensloopregeling bedoeld in artikel 19g van de wet inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van deze levensloopregeling en jegens de ontvanger een in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van artikel 61c vijfde lid onderscheidenlijk artikel 61d vijfde lid of artikel 61da vijfde lid In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een andere lidstaat van de Europese Unie of in IJsland of Noorwegen gevestigde kredietinstelling verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze kredietinstelling deze verzekeraar of deze beheerder van een beleggingsinstelling onder door de Minister van Financiën te stellen voorwaarden ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting 3 De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het tweede lid bedoelde zekerheid niet door de kredietinstelling de verzekeraar of de beheerder van een beleggingsinstelling maar door de werknemer of de gewezen werknemer wordt gesteld waarbij deze tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken ingevolge een levensloopregeling aan de ontvanger mits de kredietinstelling de verzekeraar of de beheerder van een beleggingsinstelling instemt met deze verpanding 4 De aanwijzing kan door de Minister van Financiën worden ingetrokken wanneer de kredietinstelling de verzekeraar of de beheerder van een beleggingsinstelling niet meer aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het derde lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt 5 Indien de aanwijzing wordt ingetrokken worden de aanspraken ingevolge een levensloopregeling niet op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemers of gewezen werknemers dan wel indien een werknemer of gewezen werknemer is overleden van de gerechtigden tot de aanspraken indien de aanspraken onder door de Minister van Financiën te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een kredietinstelling een verzekeraar of een beheerder van een beleggingsinstelling van een levensloopregeling die voldoet aan de in artikel 19g vierde lid van de wet gestelde voorwaarden 6 De Minister van Financiën maakt het aanwijzen als een kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste lid op een daartoe geschikte wijze publiek bekend Indien de Minister van Financiën een aanwijzing intrekt maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend Hoofdstuk 6 Tarief hoofdstuk III van de wet Artikel 62 Afwijkend loontijdvak bij werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is Ten aanzien van de werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaam is wordt in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet als loontijdvak aangemerkt a indien het loon per week wordt uitbetaald de week b indien het loon per vier weken wordt uitbetaald het tijdvak van vier weken c indien het loon per maand wordt uitbetaald de maand Artikel 63 Afwijkend loontijdvak bij werknemer met vakantiebonnen vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken 1 Ten aanzien van de werknemer wiens loon mede omvat de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken wordt in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet als loontijdvak aangemerkt a ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 20 of meer vakantiedagen een door vermenigvuldiging met de factor 260 230 verlengd loontijdvak b ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 19 of minder vakantiedagen een door vermenigvuldiging met de factor 260 245 verlengd loontijdvak 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt het aantal vakantiedagen in aanmerking genomen tot het krachtens de publiekrechtelijke regeling of de collectieve arbeidsovereenkomst voor een volwassen werknemer geldende aantal zonder rekening te houden met feestdagen en met extra vakantiedagen die aan de werknemer worden toegekend in verband met zijn leeftijd of de duur van zijn dienstverband Artikel 64 Afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren 1 Ten aanzien van de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer die met betrekking tot een kalenderkwartaal als student of scholier wordt aangemerkt kan in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet voor loonbetalingen waarvan het inhoudingstijdstip in dat kwartaal is gelegen dat kwartaal als loontijdvak worden aangemerkt De eerste volzin wordt niet toegepast ten aanzien van de student of scholier die niet schriftelijk gedagtekend en ondertekend te kennen heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak kan worden aangemerkt 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt met betrekking tot een kalenderkwartaal een werknemer als student of scholier aangemerkt a de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een gift een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek b de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten c de werknemer voor wie bij het begin van het kalenderkwartaal recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet d de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal staat ingeschreven bij een onderwijsinstelling waar hij een voltijdse opleiding volgt en die inwoner is van een lidstaat van de Europese Unie van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland en die in het bezit is van een door de Minister van Financiën aangewezen internationale studentenkaart 3 Voor de toepassing van het eerste lid bewaart de inhoudingsplichtige bij zijn loonadministratie een schriftelijke door de werknemer gedagtekende en ondertekende verklaring dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak kan worden aangemerkt alsmede a ingeval het tweede lid onderdeel a van toepassing is het correspondentienummer b ingeval het tweede lid onderdeel b van toepassing is het correspondentienummer c ingeval het tweede lid onderdeel c van toepassing is het registratienummer d ingeval het tweede lid onderdeel d van toepassing is een kopie van de internationale studentenkaart 4 Indien in het kwartaal meer dan eens loon wordt verstrekt wordt de op een inhoudingstijdstip verschuldigde belasting bepaald op de belasting die is verschuldigd over het in dat kwartaal in totaal verstrekte loon verminderd met de reeds ingehouden belasting 5 Bij toepassing van dit artikel is in geval van twee opeenvolgende dienstbetrekkingen artikel 23 van de wet niet van toepassing Artikel 64a Toepassing tabel bijzondere beloningen bij wisseling van werkgever binnen een samenhangende groep inhoudingsplichtigen Ingeval de inhoudingsplichtige van de werknemer en de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtigen van de werknemer behoren tot een samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet wordt de werknemer voor de toepassing van artikel 26 vierde lid van de wet geacht het van deze inhoudingsplichtigen genoten loon van één inhoudingsplichtige te hebben genoten Hoofdstuk 7 Wijze van heffing hoofdstuk IV van de wet Artikel 65 Opgave van gegevens door de werknemer 1 De werknemer verstrekt voor de datum van aanvang van de werkzaamheden dan wel voor de aanvang van de werkzaamheden indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen aan de inhoudingsplichtige schriftelijk gedagtekend en ondertekend a zijn naam met voorletters b zijn geboortedatum c zijn burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan zijn sociaal fiscaalnummer d zijn adres met postcode e zijn woonplaats en ingeval hij niet in Nederland woont zijn woonland en regio Ingeval de werknemer geen werkzaamheden verricht wordt de in de vorige volzin bedoelde opgave gedaan voordat de werknemer loon van de inhoudingsplichtige geniet 2 De heffingskorting wordt slechts toegepast ingeval de werknemer daartoe een schriftelijk gedagtekend en ondertekend verzoek aan de inhoudingsplichtige heeft gedaan Het verzoek geldt tot het tijdstip waarop de werknemer het verzoek schriftelijk gedagtekend en ondertekend intrekt 3 De inhoudingsplichtige bewaart de in de vorige leden bedoelde gegevens tot ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd Artikel 66 Identificatieplicht 1 De inhoudingsplichtige stelt voor de datum van aanvang van de werkzaamheden van de werknemer dan wel voor de aanvang van de werkzaamheden indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen de identiteit van werknemer vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 eerste lid onder 1 tot en met 3 van de Wet op de identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor controle beschikbaar bij de loonadministratie 2 Indien uit het afschrift van het in het eerste lid bedoelde document niet de aard en het nummer van dat document blijkt administreert de inhoudingsplichtige de aard en het nummer van dat document bij de loonadministratie 3 De inspecteur kan al dan niet onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften op een andere plaats worden bewaard 4 De inhoudingsplichtige bewaart de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften tot ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd Artikel 66a Eerstedagsmelding 1 De eerstedagsmelding bedoeld in artikel 28 onderdeel f van de wet wordt langs elektronische weg gedaan Artikel 20 derde lid van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 is van overeenkomstige toepassing 2 Ingeval met toepassing van artikel 20 derde lid van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 voor de loonbelasting ontheffing is verleend van de in het tweede lid van dat artikel genoemde verplichting tot het doen van aangifte langs elektronische weg wordt de eerstedagsmelding gedaan door het invullen ondertekenen en inleveren of toezenden van het door de inspecteur uitgereikte of toegezonden meldingsformulier 3 De eerstedagsmelding bevat a het loonheffingennummer van de inhoudingsplichtige b het burgerservicenummer van de werknemer of bij het ontbreken daarvan het sociaal fiscaalnummer of bij het ontbreken van deze nummers een uniek personeelsnummer c de naam van de werknemer d de geboortedatum van de werknemer e de datum van aanvang van de werkzaamheden Ingeval de eerstedagsmelding met een meldingsformulier wordt gedaan bevat de eerstedagsmelding tevens de naam van de inhoudingsplichtige 4 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ingeval de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt bij een inhoudingsplichtige die met de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige van de werknemer behoort tot een zelfde samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet Artikel 67 Loonstaat 1 De inhoudingsplichtige legt voor iedere werknemer voor de eerste loonverstrekking in het kalenderjaar een loonstaat aan en houdt deze vervolgens bij De loonstaat wordt opgemaakt overeenkomstig het door de inspecteur verstrekte model De inhoudingsplichtige mag een van het model afwijkende loonstaat gebruiken mits deze ten minste de mogelijkheid biedt op duidelijke wijze dezelfde gegevens te administreren als het model 2 De inhoudingsplichtige wordt geacht aan het eerste lid te voldoen ingeval hij met behulp van elektronische apparatuur alle van belang zijnde gegevens vastlegt en hij die gegevens op elk gewenst tijdstip op schrift in de vorm van een van de in het eerste lid bedoelde loonstaten ter inzage kan verstrekken 3 De inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden ermee instemmen dat de inhoudingsplichtige de op de loonstaat te vermelden gegevens op een andere dan de in het eerste of het tweede lid bedoelde

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Uitvoeringsregeling%20LB%202001%20%28tekst%202010%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (tekst per 1 januari 2010, www.overheid.nl)
    wetenschap of wetenschappelijk onderzoek te verrichten voor een dergelijke instelling 6 Schoolgelden zijn uitgaven voor het door kinderen van de extraterritoriale werknemer volgen van basisonderwijs of voortgezet onderwijs aan internationale scholen en internationale afdelingen van niet internationale scholen tot de bedragen die door de school overeenkomstig haar tarieven voor onderwijs in rekening worden gebracht met uitzondering van kosten van kost en inwoning maar met inbegrip van vervoerskosten Artikel 9 1 Vergoedingen en verstrekkingen aan extraterritoriale werknemers van kosten respectievelijk ter voorkoming van kosten van verblijf buiten het land van herkomst worden ten aanzien van ingekomen werknemers op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de inhoudingsplichtige in elk geval beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot bewijsregel a 30 van de grondslag waarbij de grondslag is de som van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ter zake van het verblijf buiten het land van herkomst voorzover de ingekomen of uitgezonden werknemer ter zake geen recht heeft op voorkoming van dubbele belasting en de vergoeding voor extraterritoriale kosten b het bedrag van de schoolgelden 2 In geval van verstrekkingen zijn de waarderingsregels krachtens artikel 13 van de wet van toepassing Artikel 9a 1 Bij de beoordeling of een ingekomen werknemer specifieke deskundigheid bezit die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is wordt in onderlinge samenhang rekening gehouden met de volgende factoren voorzover relevant a het niveau van de door de werknemer gevolgde opleiding b de voor de functie relevante ervaring van de werknemer c het beloningsniveau van de onderhavige functie in Nederland in verhouding tot het beloningsniveau in het land van herkomst van de werknemer 2 Een werknemer van het middenkader of hoger kader van een internationaal concern met ten minste twee en een half jaar ervaring in dat concern die in het kader van roulatie wordt uitgezonden naar Nederland wordt geacht specifieke deskundigheid te bezitten die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is Artikel 9b 1 Voor ingekomen werknemers bedraagt de looptijd van de bewijsregel maximaal tien jaar ingaande op de eerste dag van de tewerkstelling door de inhoudingsplichtige 2 Voor uitgezonden werknemers is de looptijd van de bewijsregel gelijk aan de duur van de uitzending Artikel 9c 1 Indien een ingekomen werknemer tijdens de looptijd een andere inhoudingsplichtige krijgt blijft op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de nieuwe inhoudingsplichtige de bewijsregel gedurende de resterende looptijd van toepassing mits de periode tussen het einde van de tewerkstelling door de oude inhoudingsplichtige en de aanvang van de tewerkstelling door de nieuwe inhoudingsplichtige niet langer is dan drie maanden 2 Bij een dergelijk verzoek moet door de nieuwe inhoudingsplichtige opnieuw aannemelijk worden gemaakt dat de werknemer behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer Artikel 9d 1 Indien de ingekomen werknemer niet langer specifieke deskundigheid bezit die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is wordt de looptijd verminderd tot op het moment waarop deze situatie zich gaat voordoen maar tot op niet minder dan vijf jaar 2 Met ingang van het zesde jaar van de looptijd kan de inspecteur de inhoudingsplichtige verzoeken aannemelijk te maken dat de werknemer nog steeds behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer 3 Indien de inhoudingsplichtige met ingang van het zesde jaar van de looptijd aannemelijk maakt dat de werknemer op dat moment nog steeds behoort te worden aangemerkt als een ingekomen werknemer is het tweede lid gedurende de resterende looptijd niet meer van toepassing Artikel 9e 1 Indien de ingekomen werknemer voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling als ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige in Nederland is tewerkgesteld of is verbleven wordt de looptijd verminderd met de perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf 2 Perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf die meer dan vijftien jaar voorafgaand aan de tewerkstelling zijn geëindigd worden niet in aanmerking genomen 3 Perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf die meer dan tien jaar maar minder dan vijftien jaar voorafgaand aan de tewerkstelling zijn geëindigd worden niet in aanmerking genomen indien de ingekomen werknemer in de periode van tien jaar niet in Nederland is tewerkgesteld of is verbleven 4 Voor de toepassing van het derde lid is de ingekomen werknemer niet in Nederland tewerkgesteld indien hij in elk kalenderjaar van de periode van tien jaar maximaal 20 dagen hier te lande heeft gewerkt 5 Voor de toepassing van het derde lid is de ingekomen werknemer niet in Nederland verbleven indien hij in elk kalenderjaar van de periode van tien jaar in totaal niet langer dan zes weken in Nederland is verbleven wegens vakantie familiebezoek of andere persoonlijke omstandigheden waarbij in de periode van tien jaar eenmalig een periode van maximaal drie aaneengesloten maanden in Nederland wegens vakantie familiebezoek of andere persoonlijke omstandigheden niet in aanmerking wordt genomen Artikel 9f Indien een verzoek om toepassing van de bewijsregel als bedoeld in artikel 9h niet is gedaan binnen vier maanden na aanvang van de tewerkstelling als ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige wordt de looptijd verminderd met de periode tussen het tijdstip waarop de ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige is tewerkgesteld en het tijdstip waarop de beschikking bedoeld in artikel 9h voor het eerst van toepassing is Artikel 9g Bij vermindering van de looptijd volgens dit hoofdstuk wordt een periode waarmee de looptijd wordt verminderd naar boven afgerond op gehele kalendermaanden Artikel 9h 1 Een verzoek om toepassing of voortgezette toepassing van de bewijsregel ten aanzien van een ingekomen werknemer wordt gedaan aan de inspecteur Deze beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking 2 Indien het verzoek is gedaan binnen vier maanden na aanvang van de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer door de inhoudingsplichtige werkt de beschikking terug tot en met de aanvang van de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer Indien het verzoek later is gedaan is de beschikking van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het verzoek is gedaan Artikel 10 De inhoudingsplichtige wordt voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk ten aanzien van een ingekomen werknemer geacht dezelfde inhoudingsplichtige te zijn als de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtigen van de werknemer mits a de inhoudingsplichtige en de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige behoren tot een zelfde samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet en b aannemelijk is dat de werknemer opnieuw zou worden aangemerkt als ingekomen werknemer indien artikel 9c zou worden toegepast Hoofdstuk 4 Pensioenregelingen Hoofdstuk IIB van de wet Artikel 10a 1 Als perioden die meetellen als dienstjaren dan wel als diensttijd als bedoeld in de artikelen 18a 18b 18c 38c 38d en 38f van de wet worden in aanmerking genomen a de periode gedurende welke de dienstbetrekking heeft geduurd daaronder begrepen perioden van al dan niet in deeltijd 1 ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg 2 sabbatsverlof krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van de inhoudingsplichtige gedurende ten hoogste twaalf maanden 3 studieverlof voor cursussen voor opleidingen of studie voor een beroep voor het op peil houden van de vakkennis en voor cursussen opleidingen of studie die door de inhoudingsplichtige worden gefinancierd 4 verlof als bedoeld in artikel 19g van de wet met dien verstande dat bij dienstbetrekkingen in deeltijd de aldus in aanmerking te nemen periode wordt verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor b perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een met de inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd voorzover hij bij dat verbonden lichaam niet heeft deelgenomen aan een pensioenregeling c perioden gedurende welke in aansluiting op de in de onderdelen a en b bedoelde perioden na onvrijwillig ontslag loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen of onder door Onze Minister te stellen voorwaarden perioden na ontslag van ten hoogste drie jaar d perioden gedurende welke in aansluiting op de in onderdelen a en b bedoelde perioden uitkeringen worden ontvangen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 38c van de wet e perioden gedurende welke in aansluiting op de in onderdelen a en b bedoelde perioden uitkeringen worden ontvangen ingevolge een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38d van de wet f dienstjaren ten gevolge van waardeoverdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 71 74 75 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet naar de huidige inhoudingsplichtige of de pensioenuitvoerder van de huidige inhoudingsplichtige voor zover deze jaren op basis van een adequate diensttijdadministratie kunnen worden vastgesteld g perioden waarin de werknemer een tot zijn huishouden behorend kind heeft verzorgd dat de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt met dien verstande dat de perioden waarin de kinderen die hij heeft verzorgd de leeftijd van zes jaar hebben bereikt meetellen voor de helft Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt de aldus in aanmerking te nemen periode verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor 2 In afwijking van het eerste lid onderdeel a is met betrekking tot perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot vorige inhoudingsplichtigen inkoop van ontbrekende dienstjaren tot 8 juli 1994 toegestaan indien de werknemer aannemelijk kan maken dat er gerelateerd aan de pensioenregeling bij de huidige inhoudingsplichtige als gevolg van het ontbreken van die dienstjaren sprake is van een pensioentekort daaronder begrepen perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke in het buitenland werkzaamheden zijn verricht voor een met een vorige inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd 3 In afwijking van het eerste lid onderdeel a is met betrekking tot perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een vorige inhoudingsplichtige inkoop van ontbrekende dienstjaren toegestaan voor zover de werknemer aannemelijk kan maken dat er gerelateerd aan de pensioenregeling bij de huidige inhoudingsplichtige sprake is van een pensioentekort als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid van waarde overdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 71 74 75 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet 4 Voor de toepassing van het eerste lid mag de aldaar genoemde vermindering van de in aanmerking te nemen perioden bij dienstbetrekkingen in deeltijd achterwege blijven indien de deeltijdfunctie is aanvaard in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum De eerste volzin is uitsluitend van toepassing voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50 van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de aan het slot van de eerste volzin bedoelde periode Artikel 10aa 1 Indien bij een eindloonloonstelsel bij de toepassing van artikel 18a van de wet een percentage per dienstjaar wordt toegepast van wordt het in artikel 18a achtste lid onderdeel a eerste volzin bedoelde bedrag vervangen door 70 van meer dan maar niet meer dan 1 8 10 481 1 8 1 9 11 597 2 Indien bij een middelloonstelsel bij de toepassing van artikel 18a van de wet een percentage per dienstjaar wordt toegepast van wordt het in artikel 18a achtste lid onderdeel a eerste volzin bedoelde bedrag vervangen door 70 van meer dan maar niet meer dan 2 05 10 481 2 05 2 15 11 597 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 18a derde lid van de wet 4 De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot partnerpensioen en wezenpensioen met dien verstande dat daarbij de in het eerste lid en het tweede lid opgenomen percentages naar evenredigheid worden verlaagd overeenkomstig de verhouding tussen de in artikel 18b eerste en tweede lid onderscheidenlijk artikel 18c eerste en tweede lid van de wet genoemde percentages per dienstjaar en die in artikel 18a van de wet 5 Bij het begin van het kalenderjaar worden de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door andere Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de verhouding tussen het ingevolge artikel 18a achtste lid onderdeel a eerste volzin van de wet in het kalenderjaar in aanmerking te nemen bedrag en het ingevolge artikel 18a achtste lid onderdeel a eerste volzin van de wet in het vorige kalenderjaar in aanmerking te nemen bedrag Artikel 10ab 1 Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren als bedoeld in artikel 18 en 18e van de wet worden in aanmerking genomen a de perioden die ingevolge artikel 10a eerste lid onderdelen a b en g als dienstjaren in aanmerking zijn genomen b de perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige indien ter zake van het in die dienstbetrekking opgebouwde ouderdomspensioen waardeoverdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 71 74 75 85 tot en met 88 en 91 van de Pensioenwet naar de huidige inhoudingsplichtige of de pensioenuitvoerder van de huidige inhoudingsplichtige heeft plaatsgevonden c de perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige indien ter zake van deze perioden met toepassing van artikel 10a tweede of derde lid inkoop van dienstjaren heeft plaatsgevonden voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze perioden bij de opbouw van het ouderdomspensioen in aanmerking zijn genomen 2 Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren kunnen eveneens in aanmerking worden genomen dienstjaren ten gevolge van een voor 1 januari 2005 gedane waardeoverdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 32 vierde lid 32a of 32b van de Pensioen en spaarfondsenwet zoals deze artikelen luidden op 31 december 2006 voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze dienstjaren bij de opbouw van het ouderdomspensioen in aanmerking zijn genomen 3 Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren kunnen eveneens in aanmerking worden genomen perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige of een met de inhoudingsplichtige of een andere inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze perioden door die andere inhoudingsplichtige of dat lichaam bij de opbouw van het ouderdomspensioen of van een voorziening voor ouderdom ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 7 tweede lid onderdeel c van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking zijn genomen 4 Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt het ingevolge artikel 18e van de wet geldende maximum verlaagd overeenkomstig de per deelnemingsjaar geldende deeltijdfactor met dien verstande dat artikel 10b derde lid van overeenkomstige toepassing is 5 Bij toepassing van het eerste lid onderdeel c of derde lid wordt voor de toepassing van artikel 18e eerste lid onderdeel b en vierde lid van de wet het 40 deelnemingsjarenpensioen opgevat met inbegrip van de uit die andere dienstbetrekking voortvloeiende a uitkeringen ingevolge een ouderdomspensioen b uitkeringen ingevolge een 40 deelnemingsjarenpensioen c uitkeringen ingevolge een overbruggingspensioen als bedoeld in artikel 18e zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde d uitkeringen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde e uitkeringen ingevolge een prepensioen als bedoeld in artikel 38a zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde 6 Indien perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een met de inhoudingsplichtige of een andere inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd in aanmerking worden genomen als deelnemingsjaren wordt voor de toepassing van artikel 18e eerste lid onderdeel b en vierde lid van de wet het 40 deelnemingsjarenpensioen opgevat met inbegrip van de uitkeringen ingevolge de bij dat lichaam opgebouwde voorziening voor ouderdom in een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 7 tweede lid onderdeel c van de Wet inkomstenbelasting 2001 Artikel 10b 1 Als loonbestanddelen als bedoeld in artikel 18g tweede lid onderdeel a van de wet komen in aanmerking alle loonbestanddelen met uitzondering van het genot van een ter beschikking gestelde auto Voorzover over loonbestanddelen pensioen wordt opgebouwd volgens een eindloonstelsel komen loonstijgingen in de periode die aanvangt vijf jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum in aanmerking tot ten hoogste 2 percent boven de gemiddelde loonindex voor de CAO lonen per maand inclusief bijzondere beloningen zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek met dien verstande dat in elk geval in aanmerking komen loonstijgingen als gevolg van gangbare functiewijzigingen of gangbare leeftijdsperiodieken 2 Voor de toepassing van artikel 18g tweede lid onderdeel b van de wet komen niet tot het regelmatig genoten loon behorende loonbestanddelen slechts in aanmerking voorzover de opbouw van het pensioen volgens een ander stelsel dan het eindloonstelsel plaatsvindt 3 Voor de toepassing van artikel 18g tweede lid onderdeel c van de wet mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven voorzover deze het gevolg is van het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum 4 Voor de toepassing van artikel 18g tweede lid onderdeel d van de wet mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven voor zover deze het gevolg is van ziekte of arbeidsongeschiktheid Artikel 10c Voor de toepassing van artikel 18h tweede lid van de wet is een regeling een pensioenregeling indien zij voldoet aan hoofdstuk IIB of hoofdstuk VIII van de wet mits a loonbestanddelen in natura niet tot het pensioengevend loon worden gerekend b de bedragen die op de voet van de regeling op het loon van de werknemer worden ingehouden niet meer bedragen dan hetgeen door de inhoudingsplichtige wordt bijgedragen c de in te bouwen uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet per dienstjaar worden gesteld op ten minste de voor dat jaar geldende uitkeringen voor een ongehuwde persoon als bedoeld in artikel 9 eerste lid onderdeel a en zesde lid onderdeel a van die wet vermeerderd met de vakantie uitkering d indien de werknemer geen mogelijke partner of wees kan aanwijzen als waarop artikel 18b onderscheidenlijk 18c van de wet betrekking heeft de regeling geen partnerpensioen onderscheidenlijk wezenpensioen

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Uitvoeringsbesluit%20LB%201965%20%28tekst%202010%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive



  •