archive-nl.com » NL » B » BELASTINGDIENSTPENSIOENSITE.NL

Total: 492

Choose link from "Titles, links and description words view":

Or switch to "Titles and links view".
  • Besluit Inkoop van pensioen in een eindloonregeling
    huishoudingen 3 Inkoop van pensioen wegens een pensioentekort als bedoeld in artikel 10a tweede lid van het UBLB Het betreft hier de inkoop van ontbrekende diensttijd vóór 8 juli 1994 die de werknemer heeft doorgebracht bij vorige werkgevers of daarmee verbonden buitenlandse lichamen Indien de werknemer aannemelijk maakt dat er gerelateerd aan de pensioenregeling bij de huidige werkgever sprake is van een pensioentekort kan dit tekort door inkoop in de regeling worden gecompenseerd Bij de hierna weergegeven berekeningswijze van het pensioentekort is ervan uitgegaan dat de pensioenopbouw bij vorige werkgevers of daarmee verbonden buitenlandse lichamen over de periode van vóór 8 juli 1994 heeft plaatsgevonden op basis van een eindloon of middelloonstelsel zodat de opgebouwde premievrije aanspraken uit die periode slapersrechten bekend zijn Indien de pensioenregeling van de vorige werkgevers beschikbare premieregelingen zijn geldt hetgeen is opgemerkt over onderrendementen in onderdeel 2 2 van dit besluit 3 1 Wanneer is sprake van een pensioentekort Van een pensioentekort in de zin van artikel 10a tweede lid van het UBLB is sprake indien ten tijde van de inkoop de waarde van het totaal van de vóór 8 juli 1994 opgebouwde pensioenaanspraken bij vorige werkgevers slapersrechten inclusief de reeds nadien toegekende indexeringen lager is dan de waarde van het totaal van de aanspraken die op dat moment over de periode vóór 8 juli 1994 zouden zijn opgebouwd indien de regeling van de huidige werkgever in die periode van kracht zou zijn geweest Hierbij merk ik op dat vóór 8 juli 1994 gelegen dienstjaren die zijn betrokken in een waardeoverdracht naar de pensioenregeling voor de inkoop op grond van artikel 10a tweede lid van het UBLB niet hernieuwd als dienstjaren kunnen worden meegenomen Deze dienstjaren zijn al pensioengevend geworden bij de werkgever met toepassing van artikel 10a eerste lid onderdeel f van het UBLB De inkoop kan niet leiden tot een hoger aantal in te kopen dienstjaren dan het aantal dienstjaren dat werkelijk bij vorige werkgevers in de periode vóór 8 juli 1994 is doorgebracht 3 2 Grondslagen voor de berekening van de in te kopen dienstjaren Een pensioentekort wordt bij inkoop in een eindloonregeling uitgedrukt in een aantal in te kopen dienstjaren Het aantal in te kopen dienstjaren wordt bepaald naar de situatie ten tijde van de inkoop in de pensioenregeling De huidige pensioenregeling en die van vorige werkgevers kunnen van elkaar verschillen bijvoorbeeld in opbouwperiode pensioendatum en soorten pensioen Daarom dienen de aanspraken te worden vergeleken op basis van de actuariële contante waarden Het aantal in te kopen dienstjaren wordt zodanig berekend dat de waarde van de in te kopen dienstjaren ten hoogste gelijk is aan de waarde van het pensioentekort Voor het bepalen van de contante waarden wordt uitgegaan van de berekeningsgrondslagen die voor de uitvoering van de pensioenregeling van de huidige werkgever worden gehanteerd Slechts deze contante waarden geven een aanvaardbare vergelijking van de aanspraken en leiden derhalve tot een aanvaardbare bepaling van het pensioentekort Ik merk hierbij op dat bij de berekening van het pensioentekort rekening dient te worden gehouden met eventuele deeltijdfactoren gedurende de dienstjaren vóór 8 juli 1994 Omdat de berekening van het pensioentekort wordt uitgevoerd op basis van de gegevens op de inkoopdatum wordt geen rekening gehouden met de na de inkoopdatum te verkrijgen verhogingen Daarnaast kan worden uitgegaan van netto waarden hetgeen betekent dat kostenopslagen buiten beschouwing kunnen worden gelaten 3 3 Gevolgen van salarisverhogingen na het moment van inkoop De bij vorige werkgevers vóór 8 juli 1994 opgebouwde pensioenrechten maken in tegenstelling tot de situatie uit onderdeel 2 geen deel uit van de regeling van de huidige werkgever omdat deze rechten niet door middel van waardeoverdracht naar die regeling worden overgedragen Als gevolg hiervan leidt elke latere verhoging van de pensioengrondslag bij de huidige werkgever tot een nieuw tekort ten opzichte van de regeling van de huidige werkgever en tot een hernieuwde berekening van de mogelijk in te kopen dienstjaren In de bijlage wordt dit in het tweede rekenvoorbeeld zichtbaar gemaakt 3 4 Stappenplan berekening in te kopen dienstjaren De berekening van de als gevolg van een pensioentekort in te kopen respectievelijk toe te kennen dienstjaren kan van jaar tot jaar plaatsvinden Zoals in onderdeel 3 2 is opgemerkt dient daarbij te worden uitgegaan van de situatie ten tijde van elke inkoop De berekening van het aantal in te kopen dienstjaren kan aan de hand van onderstaand stappenplan uitgevoerd worden Stappenplan Stel de vóór 8 juli 1994 doorgebrachte diensttijd bij vorige werkgevers en daarmee verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a tweede lid van het UBLB vast Bij de bepaling van de doorgebrachte diensttijd dient rekening te worden gehouden met eventuele kortingen op de pensioengevende diensttijd als gevolg van toepassing van artikel 19 Wet LB Tevens dient rekening te worden gehouden met de deeltijdfactoren die in de desbetreffende periode hebben gegolden NB vóór 8 juli 1994 gelegen dienstjaren die zijn betrokken in een waardeoverdracht naar de pensioenregeling kunnen voor de inkoop op grond van artikel 10a tweede lid van het UBLB niet hernieuwd als dienstjaren worden meegenomen Deze dienstjaren zijn al pensioengevend geworden bij de werkgever met toepassing van artikel 10a eerste lid onderdeel f van het UBLB Bepaal de over die periode bij vorige werkgevers opgebouwde pensioenaanspraken inclusief de op de inkoopdatum reeds toegekende toeslagen Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met alle bij vorige werkgevers reeds eerder ingekochte of toegekende pensioenaanspraken ingevolge artikel 10a eerste lid onderdeel f en tweede lid van het UBLB voorzover die aanspraken betrekking hebben op de diensttijd vóór 8 juli 1994 Bepaal de eventuele bij de huidige werkgever reeds eerder ingekochte of toegekende pensioenaanspraken die betrekking hebben op de diensttijd vóór 8 juli 1994 en die zijn ingekocht of toegekend in een ander soort regeling dan de eindloonregeling van de huidige werkgever dus bijvoorbeeld een beschikbare premiemodule of een voorheen geldende middelloonregeling Bereken op het moment van inkoop de actuariële contante waarde van alle op de diensttijd vóór 8 juli 1994 betrekking hebbende aanspraken uit de stappen 2 en 3 Bepaal op het moment van inkoop

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20inkoop%20dienstjaren%20eindloon%20031104.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive


  • Besluit Aanpassing pensioenregelingen aan Witteveenkader
    wanneer de aangepaste overeenkomst tot stand is gekomen Zie voor vergelijkbare vragen onderdeel 11 van het Besluit van 28 augustus 2002 CPP2002 1680M en de daarin opgenomen verwijzing naar het besluit van 29 november 2001 CPP2001 1680M Ondanks de ruime overgangstermijn blijken er polissen te zijn die nog niet zijn aangepast Wanneer een regeling op 1 juni 2004 niet voldoet aan het Witteveenkader zouden de daardoor onzuivere aanspraken bij voortzetting van de opbouw na 1 juni 2004 op grond van de wettelijke bepalingen ineens moeten worden belast Aan mij is gevraagd de genoemde termijn voor het overgangsrecht te verlengen De Voorzitter Raad van Bestuur Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen UWV heeft mij meegedeeld dat de inhoud van dit besluit ook van toepassing is voor de premieheffing werknemersverzekeringen 2 Formele gebreken in de pensioenregeling Het is meer dan vijf jaar bekend dat pensioenregelingen voor het behoud van de fiscale faciliëring uiterlijk op 1 juni jl zodanig hadden moeten zijn aangepast dat deze volledig voldoen aan de in of krachtens hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde normeringen en beperkingen Deze periode van vijf jaar moet naar mijn mening ruimschoots voldoende zijn voor de aanpassing van de pensioenregelingen Een algemene verlenging van

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Aanpassing%20pensioenregelingen%20Witteveenkader%20120804.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Besluit Rechtstreeks aan de verzekeraar betaalde pensioenpremies op C-polis
    een C polis de pensioenpremies zelf rechtstreeks aan de pensioenuitvoerder betaalt In dat geval is de premie via de Wet LB dan ook niet aftrekbaar Maar ook ingevolge de Wet inkomstenbelasting 2001 Wet IB 2001 is geen aftrek mogelijk Het loon in de Wet IB 2001 dient immers te worden opgevat overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting artikel 3 81 van de Wet IB 2001 De premies zijn voorts niet aftrekbaar als uitgaven voor inkomensvoorzieningen In de jaren tot en met 2000 werden problemen met rechtstreekse premiebetalingen door werknemers op C polissen in de praktijk veelal opgelost door in de inkomstenbelasting aftrek toe te staan als aftrekbare kosten Vanaf 1 januari 2001 is door invoering van de Wet IB 2001 definitief een einde gekomen aan deze mogelijkheid Daardoor is de situatie ontstaan dat de door de werknemer betaalde pensioenpremies op C polissen in de inkomstenbelasting niet meer op het belastbare loon in mindering kunnen worden gebracht terwijl de pensioenuitkeringen te zijner tijd wel in box 1 zullen worden belast In verband met het voorgaande is aan mij de vraag voorgelegd om goed te keuren dat werknemers de rechtstreeks op C polissen betaalde pensioenpremies in de inkomstenbelasting als negatief loon in aanmerking nemen 3 Goedkeuring De hiervóór omschreven situatie acht ik ongewenst Ik keur daarom voor de jaren 2001 tot en met 2004 goed dat werknemers de door hen rechtstreeks aan verzekeraars als bedoeld in artikel 2 vierde lid onderdeel B van de PSW betaalde pensioenpremies op C polissen als negatief loon in aanmerking nemen in de aangifte inkomstenbelasting van het jaar van betaling Aan deze goedkeuring verbind ik de volgende voorwaarden De werknemer overlegt desgevraagd een verklaring van de inhoudingsplichtige werkgever waarin deze verklaart dat de pensioenregeling waar de C polis deel van uitmaakt in de jaren waarvoor aftrek wordt gevraagd voldoet aan de regels van Hoofdstuk IIB en artikel 38a dan wel voorzover van toepassing artikel 38b van de Wet LB alsmede aan de op deze wetsbepalingen gebaseerde lagere regelgeving De werknemer overlegt desgevraagd een verklaring van de inhoudingsplichtige werkgever waaruit blijkt dat de door de werknemer betaalde premies bij de berekening van de loonheffing niet hebben geleid tot een verlaging van het loon Uit de verklaring blijkt tevens in hoeverre de inhoudingsplichtige met betrekking tot de premies voor de C polis betalingen aan de werknemer of aan anderen heeft gedaan en in hoeverre die betalingen bij de berekening van de loonheffing hebben geleid tot een verhoging van het loon Als de inhoudingsplichtige dergelijke betalingen heeft gedaan geldt de goedkeuring voor dat gedeelte slechts voor zover die betalingen bij de berekening van de loonheffing hebben geleid tot een verhoging van het loon 4 Verband met uitgaven voor inkomensvoorzieningen Hiervoor merkte ik al op dat premies voor een C polis niet aftrekbaar zijn als uitgaven voor inkomensvoorzieningen Bovendien is van belang dat door deze goedkeuring het pensioenkarakter van de C polis niet wijzigt De jaarlijkse aangroei van de C polis blijft daarom onderdeel uitmaken van de pensioenaangroei als omschreven

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Betaalde%20pensioenpremies%20C-polis%20080704.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Besluit Vragen en antwoorden hoofdstuk IIB en artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964; deel 4
    het overbruggingspensioen tijdsevenredig direct voorafgaande aan de ingangsdatum van het ouderdomspensioen moet plaatsvinden Betekent dit dat de opbouwperiode van het prepensioen of het overbruggingspensioen moet doorlopen tot aan de pre pensioendatum Antwoord Ja volgens de letterlijke tekst van de wet wel Uit de wetsbehandeling kan worden afgeleid dat de uitdrukking direct voorafgaande in artikel 18e eerste lid onderdeel b van de Wet LB beoogt te voorkomen dat pensioenlasten in de tijd naar voren worden gehaald Wet fiscale behandeling van pensioenen Wet van 29 april 1999 Stb 211 Kamerstukken I 26 020 nr 104b blz 18 Voor de uitdrukking onmiddellijk voorafgaande in artikel 38a tweede lid onderdeel d van de Wet LB geldt hetzelfde Goedkeuring Ik keur goed dat in een regeling de opbouw van een prepensioen of een overbruggingspensioen wordt beëindigd op een datum vóór de ingangsdatum van het prepensioen of het ouderdomspensioen onder de voorwaarde dat de jaarlijkse opbouw niet bovenmatig wordt De opbouw dient daartoe te worden getoetst aan de wettelijke maxima onder de veronderstelling dat de opbouw wel doorloopt tot aan de ingangsdatum van het prepensioen of het ouderdomspensioen Het feit dat de pensioenopbouw eerder stopt dan op de pre pensioendatum mag dus niet tot gevolg hebben dat de opbouw per jaar in een of meer jaren hoger wordt dan wettelijk is toegestaan bij een regeling waarin wel wordt opgebouwd tot aan de pre pensioendatum Indien het opbouwpercentage het wettelijk toegestane opbouwpercentage per dienstjaar niet overschrijdt kan worden aangenomen dat geen motief aanwezig is om lasten naar voren te halen Voorbeeld Gegevens Een prepensioenregeling heeft een prepensioenleeftijd van 63 jaar De opbouwperiode van het prepensioen loopt van 25 tot 60 jaar De opbouw per jaar is 2 op eindloonbasis Bij een volledige deelnametijd 35 jaar wordt een prepensioen opgebouwd van 70 van het laatstgenoten loon Uitwerking De toetsing van deze regeling geschiedt aan de hand van de fictieve opbouw van een fiscaal maximaal prepensioen bij een opbouwperiode die doorloopt tot de ingangsdatum van het prepensioen 63 jaar De in aanmerking te nemen opbouwperiode is dan 38 jaar De fiscaal maximale opbouw zou bij een dergelijke opbouwperiode 2 24 per jaar bedragen 85 38 Omdat de jaarlijkse opbouw van 2 blijft onder het niveau van hetgeen per jaar maximaal zou kunnen worden opgebouwd bij voortzetting daarvan tot de ingangsdatum van het prepensioen op 63 jaar wordt de prepensioenregeling door de beëindiging van de opbouw op 60 jaar niet onzuiver 4 Overlijdensuitkeringen uit een prepensioenregeling artikel 38a tweede lid Wet LB Vraag Een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a van de Wet LB bevat een recht op een overlijdensuitkering indien de gerechtigde overlijdt vóór de einddatum van het prepensioen Deze overlijdensuitkering zal worden gebruikt voor een verhoging van het nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 18b van de Wet LB of van een verhoging van het wezenpensioen als bedoeld in artikel 18c van de Wet LB Is dit wettelijk toegestaan Antwoord Nee naar haar aard kan een regeling voor prepensioen geen overlijdensuitkering bevatten Op grond van artikel 38a eerste lid van de Wet LB kan een prepensioenregeling uitsluitend een voorziening bevatten die gericht is op vervroegde uittreding Goedkeuring Ik keur evenwel goed dat de bedoelde mogelijkheid van een overlijdensuitkering in de prepensioenregeling wordt opgenomen onder de volgende voorwaarden De overlijdensuitkering wordt aangewend binnen de reguliere grenzen van artikel 18b nabestaandenpensioen of artikel 18c wezenpensioen van de Wet LB De werkgever of de pensioenuitvoerder is voor het meerdere dat uitgaat boven de genoemde grenzen als begunstigde aangewezen Toelichting Een prepensioen als bedoeld in artikel 38a van de Wet LB is in beginsel een uitkering die slechts kan worden gedaan indien de werknemer in de prepensioenperiode nog in leven is Aan een dergelijke regeling is vreemd dat tevens sprake is van enige uitkering bij overlijden Daarom kan ook geen sprake zijn van een uitzonderlijk geval van restbegunstiging als bedoeld in artikel 18 eerste lid onderdeel a van de Wet LB Onder de bovenvermelde voorwaarden kunnen evenwel overlijdensuitkeringen plaatsvinden De tweede voorwaarde voorkomt daarbij oververzekering Oververzekering van nabestaandenpensioen en wezenpensioen kan voorkomen als bij de opbouw van deze pensioenen zelf geen rekening is gehouden met deze mogelijke aanvulling uit de prepensioenregeling Oververzekering leidt tot onzuiverheid van de pensioenregeling De begunstiging van de werkgever of de pensioenuitvoerder voor het meerdere voorkomt in dat geval toepassing van artikel 19b van de Wet LB 5 Bovengrens bij samenloop van ouderdomspensioen met prepensioen door gedeeltelijke vervroeging van het ouderdomspensioen artikel 38a tweede lid Wet LB Vraag In een pensioenregeling treedt samenloop op van het prepensioen met het ouderdomspensioen als gevolg van vervroeging van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen Wat is de bovengrens van de gezamenlijke uitkering van beide pensioensoorten 85 of 100 Antwoord De grens is 85 Volgens artikel 38a tweede lid van de Wet LB mag het prepensioen met inbegrip van een voor het bereiken van de 65 jarige leeftijd ingegaan ouderdomspensioen een overbruggingspensioen en uitkeringen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding in totaal niet meer bedragen dan 85 van het laatste pensioengevend loon Dit geldt ook bij gehele of gedeeltelijke vervroeging van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen De grens van 100 vermeld in artikel 38a zevende lid van de Wet LB geldt alleen in het geval van uitruil van ouderdomspensioen naar prepensioen en niet indien er sprake is van vervroeging van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen Wellicht ten overvloede wijs ik erop dat het alleen mogelijk is om het ouderdomspensioen als aanvulling op het prepensioen gedeeltelijk te vervroegen indien dat ouderdomspensioen bezien over de gehele looptijd daarvan blijft binnen de variabiliseringsgrenzen van artikel 18d eerste lid onderdeel b van de Wet LB 6 Prepensioen en uitstel van de in de regeling vastgestelde prepensioendatum artikel 38a derde lid Wet LB Vraag Een prepensioen gaat normaal gesproken in op de in de regeling vastgestelde prepensioendatum Is het mogelijk om het prepensioen feitelijk later te laten ingaan en zo ja wat zijn dan de voorwaarden Antwoord Ja de prepensioenuitkeringen kunnen later ingaan dan de in de regeling vastgestelde prepensioendatum Dit volgt uit artikel 38a derde lid van de Wet LB Voorwaarde voor uitstel doorwerken Uitstel van de in de regeling vastgestelde prepensioendatum is alleen mogelijk indien en voorzover de pensioengerechtigde na die datum blijft doorwerken in de dienstbetrekking In de parlementaire behandeling zijn de uitstelregimes voor prepensioen en overbruggingspensioen aan elkaar gelijkgesteld Ingevolge artikel 38a derde lid van de Wet LB is immers de in art 18e tweede lid van de wet opgenomen uitstelregeling voor overbruggingspensioenen van overeenkomstige toepassing op prepensioenen Zie ook Wet fiscale behandeling van pensioenen Wet van 29 april 1999 Stb 211 Kamerstukken II 26 020 nr 6 blz 25 Het overbruggingspensioen volgt ingevolge artikel 18e eerste lid onderdeel a van de Wet LB op zijn beurt weer het regime dat geldt voor het ouderdomspensioen Zie in verband hiermee vraag 10 van het Besluit van 29 augustus 2003 nr BCPP2003 530M Pensioen vragen en antwoorden hoofdstuk IIB en artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964 deel 1 Daarnaast acht ik het in strijd met het inkomensvervangende karakter van het prepensioen als de aanvang daarvan wordt uitgesteld terwijl de werkzaamheden worden beëindigd Op grond van het voorgaande ben ik van oordeel dat het in overeenstemming is met de strekking van een prepensioenregeling dat de aanvang van het prepensioen direct aansluit op het beëindigen van de werkzaamheden Indien de in de regeling vastgestelde prepensioendatum wordt uitgesteld zonder dat sprake is van voortzetting van de dienstbetrekking wordt de regeling naar mijn oordeel onzuiver en treedt artikel 19b eerste lid aanhef onderdeel a en slot van de Wet LB in werking De gehele aanspraak wordt dan belast Zelfs indien artikel 19b niet van toepassing zou zijn zou uitstel zonder doorwerken de pensioengerechtigde niet baten omdat dan de pensioentermijnen op een ongebruikelijk tijdstip zouden worden genoten Op grond van artikel 13a tweede lid van de Wet LB zouden de termijnen dan toch moeten worden belast alsof ze normaal direct na afloop van de beëindiging van de werkzaamheden zouden zijn uitgekeerd Slapersrechten Ook ingeval van slapersrechten kan een in de regeling vastgestelde prepensioendatum worden uitgesteld voorzover wordt doorgewerkt Van doorwerken is namelijk ook sprake indien en voorzover een gewezen werknemer doorwerkt in een tegenwoordige dienstbetrekking bij een andere werkgever In dat geval dient de verzekeraar van het uit een vorige dienstbetrekking afkomstige slapersrecht wel met enige regelmaat maar ten minste jaarlijks te toetsen of en in welke mate wordt doorgewerkt Bij deze toetsing kan worden volstaan met een jaarlijkse verklaring van de werknemer zelf omtrent de mate van doorwerken Wellicht ten overvloede merk ik op dat artikel 6 vijfde lid van de Wet LB ondanks deze controle van kracht blijft Bij het beëindigen van de dienstbetrekking waarin is doorgewerkt of bij verlaging van de deeltijdfactor dient het prepensioen in te gaan respectievelijk naar rato te worden verhoogd 7 Overkookregeling prepensioen in eindloon en middelloonstelsel bij uitstel van de in de regeling vastgestelde prepensioendatum artikel 38a derde lid Wet LB Vraag Prepensioenregelingen bevatten vaak de mogelijkheid om de ingangsdatum van het prepensioen uit te stellen indien wordt doorgewerkt na de in de regeling vastgestelde prepensioendatum Volgens artikel 38a derde lid van de Wet LB kan het prepensioen dan worden verhoogd tot maximaal 100 van het pensioengevend loon Moet een prepensioen dat is gebaseerd op een middelloon of eindloonstelsel bij uitstel van de in de regeling vastgestelde prepensioendatum altijd ingaan bij het bereiken van de 100 grens van artikel 38a derde lid van de Wet LB Antwoord Nee Het prepensioen behoeft niet altijd in te gaan bij het bereiken van de 100 grens Bij uitstel van de in de regeling vastgestelde prepensioendatum mag de opbouw van prepensioenrechten volgens artikel 38a derde lid van de Wet LB doorgaan en mogen de opgebouwde rechten door actuariële herrekening worden verhoogd totdat de grens van 100 van het pensioengevend loon is bereikt Ook dan behoeft het prepensioen evenwel niet in te gaan Het prepensioen mag in dat geval voor het meerdere boven de 100 grens worden omgezet in ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen Dit volgt uit de tweede volzin van artikel 38a derde lid van de Wet LB waarin artikel 18e tweede lid van de Wet LB van overeenkomstige toepassing wordt verklaard Deze omzetting van het surplus boven de 100 in ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen pleegt men in de praktijk wel aan te duiden met de term overkook Indien wordt doorgewerkt tot de 65e verjaardag zal het gehele prepensioen op deze wijze overkoken naar het ouderdomspensioen of het nabestaandenpensioen Voorwaarde voor een fiscaal aanvaardbare overkook is dat het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen na de omzetting de grenzen van onderscheidenlijk 100 en 70 van het pensioengevend loon niet overschrijden Voor het berekenen van de maximale overkook naar het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen moet voorts rekening worden gehouden met de eventuele nog na de in de regeling vastgestelde prepensioendatum op te bouwen rechten op ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen Terzijde zij opgemerkt dat uitstel van de ingangsdatum van het prepensioen alleen mogelijk is indien en voorzover de pensioengerechtigde na de in de regeling vastgestelde prepensioendatum blijft doorwerken in de dienstbetrekking Zie vraag 6 Wellicht ten overvloede merk ik voorts nog op dat indien in de prepensioenregeling geen overkook naar een hoger ouderdoms of nabestaandenpensioen is geregeld het prepensioen wel dient in te gaan zodra dit pensioen het niveau van 100 heeft bereikt Hetzelfde geldt indien geen verdere overkook naar het ouderdoms of nabestaandenpensioen meer mogelijk is Het prepensioen wordt immers bij verder uitstel door de voortgezette actuariële verhoging tot boven de 100 grens onzuiver Ook het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen kunnen op deze wijze onzuiver worden bij het overschrijden van het wettelijk maximum Ingang van een pre pensioen is evenwel niet verplicht indien in de regeling is opgenomen dat het pre pensioen bij het bereiken van het maximum op dat niveau wordt bevroren Om te voorkomen dat het pre pensioen op dat moment onzuiver wordt met als gevolg toepassing van artikel 19b eerste lid onderdeel a of c en slot van de Wet LB moet de bepaling waaruit de bevriezing blijkt al in de regeling zijn opgenomen voordat het maximum is bereikt De behandeling van de overkook van een prepensioen op eindloon of middelloonbasis vertoont gelijkenis met de overkook van een op een van dezelfde stelsels gebaseerd overbruggingspensioen Zie vraag 13 van deel 2 van deze serie vraag en antwoordbesluiten Besluit van 10 februari 2004 nr CPP2003 1610M 8 Uitstel van de in de regeling vastgestelde prepensioendatum in een beschikbare premiestelsel en de 100 toets artikel 38a derde en zevende lid Wet LB Vraag Prepensioenregelingen bevatten vaak de mogelijkheid om de ingangsdatum van het prepensioen uit te stellen indien wordt doorgewerkt na de in de regeling vastgestelde prepensioendatum Hoe verloopt bij een beschikbare premieregeling de toetsing aan de 100 grens van artikel 38a derde lid van de Wet LB Wat is de rol daarbij van 38a zevende lid van de Wet LB waarin de toetsing aan de 100 grens van artikel 18a negende lid van de Wet LB van overeenkomstige toepassing is verklaard Antwoord Bij uitstel van de in de prepensioenregeling vastgestelde prepensioendatum mag volgens artikel 38a derde lid van de Wet LB de opbouw van prepensioenrechten doorgaan en mogen de opgebouwde rechten door actuariële herrekening worden verhoogd totdat de grens van 100 van het pensioengevend loon is bereikt De doorlopende bewaking van de 100 grens die hierbij zou moeten worden uitgevoerd is voor een beschikbare premieregeling in beginsel niet anders dan voor een regeling die is gebaseerd op een ander stelsel Echter in artikel 38a zevende lid van de Wet LB wordt artikel 18a negende lid van de Wet LB van overeenkomstige toepassing verklaard Dat laatste artikel vervangt de doorlopende bewaking van de 100 grens door een eindtoetsing aan die grens op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de feitelijke ingangsdatum Het antwoord op de vraag of bij uitstel een doorlopende toetsing of een éénmalige eindtoetsing aan de 100 grens moet plaatsvinden hangt af van het antwoord op de vraag of de prepensioenopbouw na het uitstel nog wordt voortgezet of niet Er moeten bij doorwerken in een beschikbare premiestelsel dan ook twee situaties worden onderscheiden voor het moment van de 100 toets a Doorwerken zonder voortgezette pensioenopbouw Indien een werknemer doorwerkt na de in de regeling vastgestelde prepensioendatum maar besluit om geen aanvullende premies meer te laten storten wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid van verdere opbouw in artikel 38a derde lid van de Wet LB Het prepensioen behoeft dan ook niet doorlopend te worden getoetst aan de 100 grens Het op de prepensioendatum aanwezige pensioenkapitaal zal blijven renderen gedurende de periode dat wordt doorgewerkt Pas op het moment dat het prepensioen feitelijk ingaat omdat de dienstbetrekking eindigt of omdat de werknemer de 65 jarige leeftijd bereikt wettelijke einddatum prepensioen wordt de eindtoets zoals omschreven in artikel 18a negende lid van de Wet LB toegepast b Doorwerken met voortgezette pensioenopbouw doorlopende 100 toets Indien een werknemer doorwerkt na de in de regeling vastgestelde prepensioendatum en besluit om ook door te gaan met de prepensioenopbouw overeenkomstig het voorheen gevolgde stelsel is artikel 38a derde lid van de Wet LB wel van toepassing Op grond van dat artikel mag het prepensioen niet verder worden opgebouwd dan tot 100 van het pensioengevend loon Bij het bereiken van die grens moet de voortgezette pensioenopbouw derhalve worden gestaakt Dit betekent dat bij doorwerken met voortgezette pensioenopbouw ook in een beschikbare premieregeling doorlopend getoetst zal moeten worden of de 100 grens nog niet is bereikt Artikel 38a zevende lid van de Wet LB zet de toetsing van artikel 38a derde lid van de Wet LB dus niet opzij Na het bereiken van de 100 grens met als gevolg de beëindiging van de premiebetaling is men niet verplicht om het prepensioen direct te laten ingaan Is de werknemer op dat moment nog geen 65 jaar oud dan kan de ingangsdatum van het prepensioen nog worden uitgesteld tot de in de regeling vastgestelde pensioendatum van het ouderdomspensioen of indien dit moment zich eerder voordoet tot de beëindiging van de dienstbetrekking na de in de regeling vastgestelde prepensioendatum Zie artikel 38a tweede lid onderdeel b van de Wet LB Het prepensioen dient uiterlijk in te gaan bij het bereiken van de 65 jarige leeftijd wettelijke einddatum prepensioen zie artikel 38a tweede lid onderdeel c van de Wet LB Op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de feitelijke ingangsdatum van het prepensioen maar uiterlijk vlak vóór de 65 jarige leeftijd wordt in al deze gevallen de eindtoets zoals omschreven in artikel 18a negende lid van de Wet LB toegepast In een beschikbare premiestelsel heeft de voortgezette opbouw bij uitstel van de in de regeling vastgestelde prepensioendatum tot gevolg dat de voorheen gebruikte premiestaffel niet meer aansluit bij de feitelijke ingangsdatum van het prepensioen Die staffel is immers gebaseerd op de in de regeling vastgestelde prepensioendatum Ik keur goed dat men in die situatie het premiepercentage uit de laatste leeftijdsklasse van de tot op dat moment gebruikte staffel blijft hanteren 9 Overkookregeling prepensioen in een beschikbare premiestelsel bij uitstel van de in de regeling vastgestelde prepensioendatum artikel 38a derde en zevende lid Wet LB Vraag Hoe werkt de overkookregeling van artikel 38a derde lid tweede volzin van de Wet LB in geval van uitstel van de in de regeling vastgestelde prepensioendatum indien het prepensioen wordt opgebouwd op basis van beschikbare premies Antwoord Vooraf Zie het antwoord op vraag 7 voor een toelichting op het begrip overkookregeling Allereerst is van belang dat ook een prepensioen op basis van beschikbare premies bij uitstel van de prepensioendatum tot na die in de regeling vastgestelde datum niet verder kan worden opgebouwd indien de grens van 100 van het pensioengevend loon is bereikt Zie vraag 8 onder b Wordt de pensioenopbouw niet voortgezet tijdens het uitstel dan is artikel 18a negende lid van de Wet LB van overeenkomstige toepassing Dit volgt uit artikel 38a zevende lid van de Wet LB Dit betekent dat de beoordeling van het maximum van het prepensioen wordt uitgesteld tot de datum waarop het prepensioen feitelijk ingaat Omdat na het bereiken van de 65 jarige leeftijd geen sprake meer kan zijn van een prepensioen

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20V&A%2018b%20-%2018f%20Wet%20LB%20deel%20IV%20080704.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Besluit Pensioen- en lijfrentevrijstelling voor het successierecht
    de loonbelasting 1964 Zolang de overgangsregeling geldt is sprake van een pensioenregeling overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting De overgangsregeling voor de loonbelasting geldt tot 1 juni 2004 Vanaf 1 juni 2004 is voor de pensioenvrijstelling voor het successierecht van belang of de pensioenregeling is aangepast De niet aangepaste pensioenregeling is vanaf 1 juni 2004 geen pensioenregeling meer overeenkomstig de bepalingen van de loonbelasting Voor die regelingen is vanaf 1 juni 2004 de pensioenvrijstelling voor het successierecht niet van toepassing Voor de pensioenregelingen die niet hoeven te worden aangepast omdat er geen premies meer worden gedoteerd geldt een ander uitgangspunt Zie vraag 3 3 De pensioenregeling hoeft niet voor de loonbelasting te worden aangepast omdat er geen premies meer worden gedoteerd Vraag De overgangsregeling in artikel 38b van de Wet op de loonbelasting 1964 is alleen van belang voor de al dan niet ingegane pensioenregelingen waarvoor nog premies worden gedoteerd Hierdoor kan het verkregen pensioen vanaf 1 juni 2004 geen pensioenregeling overeenkomstig de bepalingen van de loonbelasting zijn Kan de pensioenvrijstelling ook gelden voor pensioenen die niet hoeven te worden aangepast omdat er geen premies meer worden gedoteerd Antwoord Ja de pensioenvrijstelling kan ook gelden voor pensioenen die niet hoeven te worden aangepast omdat er geen premies meer worden gedoteerd Van belang is dat in de opbouwperiode van het pensioen sprake was van een pensioenregeling overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting 4 De lijfrentevrijstelling vanaf 1995 tot 2001 Vraag De lijfrentevrijstelling is in 1995 ingevoerd naar aanleiding van de Brede Herwaardering Tot 2001 betrof de vrijstelling de lijfrente als bedoeld in artikel 45 eerste lid onderdeel g van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 welke zijn verzekerd bij een verzekeraar als bedoeld in het vijfde lid vanaf 1997 het zevende lid van dat artikel voor zover de ter zake voldane premies voor de heffing van de inkomstenbelasting als persoonlijke verplichting in aftrek konden worden gebracht artikel 32 vijfde lid van de Successiewet 1956 tot 2001 Geldt de lijfrentevrijstelling ook voor lijfrentecontracten die vóór 1992 zijn afgesloten maar die toch voldoen aan de voorwaarden van de Brede Herwaardering Antwoord Ja de lijfrentevrijstelling geldt ook voor lijfrentecontracten die vóór 1992 zijn afgesloten maar die toch voldoen aan de voorwaarden van de Brede Herwaardering De lijfrentevrijstelling geldt als aan alle cumulatieve voorwaarden van artikel 32 vijfde lid van de Successiewet 1956 Doorgaans zal het lijfrentecontract dat is afgesloten vóór 1992 niet voldoen aan de regels die gelden onder de Brede Herwaardering Uiteraard kan het contract wel voldoen aan de regels van de Brede Herwaardering bijvoorbeeld omdat het contract is aangepast of in het zicht van de Brede Herwaardering al is ingericht naar de vanaf 1992 geldende regels Volgens de wetshistorie zijn vrijgesteld de onderhoudsvoorzieningen die worden verkregen in de vorm van een lijfrente als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 na wijziging van de desbetreffende bepalingen ingevolge de Brede Herwaardering MvT Kamerstukken II 1992 93 23 046 nr 3 blz 11 Voldoende is dat de lijfrente materieel voldoet aan

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Pensioen-%20en%20lijfrentevrijstelling%20voor%20het%20successierecht%20050704.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Besluit intrekking diverse besluiten
    1 juni 2004 de overgangstermijn van de Wet fiscale behandeling van pensioenen Wet van 29 april 1999 Stb 211 voor de aanpassing van bestaande pensioenregelingen aan de nieuwe regels Alle aanspraken uit pensioenregelingen die vanaf die datum worden genoten moeten voldoen aan de wettelijke regels van Hoofdstuk IIB en artikel 38a van de Wet LB en aan de daarop gebaseerde lagere regelgeving In dit besluit worden enige oudere besluiten ingetrokken die betrekking hebben op het oude pensioenregime dat nog van kracht was of is voor aanspraken uit regelingen die onder het overgangsregime vielen of nog vallen Voorts maak ik volledigheidshalve van de gelegenheid gebruik een besluit inzake eenmalige overlijdensuitkeringen in een VUT regeling in te trekken omdat het zijn belang heeft verloren De Voorzitter Raad van Bestuur Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen UWV heeft mij meegedeeld dat de inhoud van dit besluit ook van toepassing is voor de premieheffing werknemersverzekeringen Voorzover de in te trekken besluiten betrekking hebben op regelingen of groepen van regelingen die in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken dan wel de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn aangewezen als pensioenregeling of regeling voor vervroegde uittreding geschiedt de intrekking in overeenstemming met deze Minister 2 Vervallen besluiten De volgende besluiten vervallen per 1 juni 2004 1 Besluit van 25 mei 1971 nr B71 9428 Lijst van regelingen voor oudedagsvoorziening en gezinsverzorging welke zijn aangewezen als pensioenregeling 2 Besluit van 15 augustus 1980 nr 279 17415 Pensioenregeling bijzondere halve wezenuitkering 3 Besluit van 11 oktober 1984 nr 284 13448 Loonbelasting en sociale verzekering Het levensjarenbeginsel in pensioenregelingen 4 Besluit van 15 december 1987 nr DB87 4631 Pensioenregeling aanvullende pensioenregeling voor commissarissen 5 Besluit van 6 april 1993 nr DB93 469 Toekenning van pensioenrechten aan de directeur aandeelhouder van naamloze of besloten vennootschappen 6 Besluit van 8 april 1994 nr

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Intrekking%20diverse%20besluiten%20140504.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Besluit Vragen en antwoorden hoofdstuk IIB en de artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964; deel 3
    zijn opgenomen dat deze perioden meetellen als dienstjaren voor de bepaling van de hoogte van de aanspraak op ouderdomspensioen Ter toelichting diene het volgende Volgens de letterlijke tekst van artikel 10a eerste lid onderdelen d en e van het UBLB dienen de VUT of prepensioenjaren willen deze als dienstjaren kunnen worden meegeteld direct te volgen op de periode van de actieve dienstbetrekking de periode van de onderdelen a en b van artikel 10a eerste lid Strikt genomen zijn de onderdelen d en e dus niet van toepassing indien in aansluiting op het einde van de actieve dienstbetrekking door onvrijwillig ontslag eerst loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen als bedoeld in het eerste lid onderdeel c van artikel 10a van het UBLB Het is evenwel in overeenstemming met de strekking van artikel 10a van het UBLB om de onderdelen d en e ook van toepassing te achten indien de VUT of prepensioenperiode aansluit op een dergelijke uitkeringsperiode 6 Waardeoverdracht naar een eindloonregeling en pensioengevende diensttijd artikel 18g eerste lid Wet LB Vraag Op grond van artikel 18g eerste lid van de Wet LB in samenhang met artikel 10a eerste lid aanhef en onderdeel f van het UBLB worden dienstjaren tengevolge van waardeoverdracht van pensioenkapitaal naar een eindloonregeling in aanmerking genomen Hoe moet in dat geval de pensioengevende diensttijd worden bepaald Antwoord Bij een waardeoverdracht wordt het pensioenkapitaal bij overdracht naar een eindloonregeling vertaald in extra toegekende fictieve dienstjaren in de nieuwe pensioenregeling Omdat tussen pensioenregelingen bijna altijd verschillen bestaan in de voorwaarden of in de grondslag zal het aantal fictieve dienstjaren zelden of nooit gelijk zijn aan het aantal jaren dat werkelijk bij de vorige werkgever is doorgebracht Een waardeoverdracht die niet gepaard gaat met een wijziging in de dienstbetrekking wordt in het UBLB anders behandeld dan de overige waardeoverdrachten Twee situaties worden hierna uitgewerkt en met een voorbeeld toegelicht Waardeoverdracht bij het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking De waardeoverdracht bij het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking is geregeld in artikel 10a eerste lid onderdeel f van het UBLB In dit geval mag het overgedragen pensioenkapitaal in eerste instantie worden vertaald in fictieve pensioengevende jaren in de eindloonregeling bij de nieuwe werkgever Als het overgedragen kapitaal leidt tot meer dienstjaren dan het maximale aantal jaren waarover in de pensioenregeling van de nieuwe werkgever pensioen kan worden opgebouwd wordt het meerdere in de nieuwe regeling behandeld als een bij ontslag verkregen pensioenaanspraak een zogenaamd slapersrecht Indien de met waardeoverdracht te verkrijgen fictieve diensttijd in de regeling van de nieuwe werkgever lager is dan de bij de vorige werkgever feitelijk doorgebrachte diensttijd kan voor het verschil aanvullende diensttijd worden ingekocht Het aantal in te kopen fictieve dienstjaren wordt dan uitgebreid tot het aantal werkelijke dienstjaren bij de vorige werkgever Daarbij geldt als voorwaarde dat die dienstjaren op basis van een adequate diensttijdadministratie kunnen worden vastgesteld De waardeoverdracht mag op grond van artikel 18d eerste lid onderdeel c van de Wet LB leiden tot overschrijding van de grenzen die de artikelen 18a 18b en 18c stellen aan hoogte van de pensioenuitkeringen Zie hiervoor ook vraag en antwoord 6 van het Besluit van 10 februari 2004 nr CPP2003 1610M Voorbeeld 1 Werknemer A heeft tien jaar gewerkt bij werkgever B Hij aanvaardt een nieuwe dienstbetrekking bij werkgever C en verzoekt om waardeoverdracht naar de pensioenuitvoerder van C Bij de nieuwe werkgever C neemt A deel in een betere pensioenregeling eindloonregeling Voor het aan de pensioenuitvoerder van C over te dragen pensioenkapitaal kunnen zeven fictieve dienstjaren worden ingekocht Op grond van artikel 10a eerste lid onderdeel f van het UBLB mag A ook het verschil tussen de werkelijke jaren tien en de fictieve jaren zeven inkopen Als de pensioenregeling bij werkgever C niet beter maar soberder is kan A voor het overgedragen pensioenkapitaal bijvoorbeeld twaalf fictieve dienstjaren inkopen Uiteraard komt inkoop van het verschil tussen de werkelijke en de fictieve diensttijd dan niet aan de orde Waardeoverdracht zonder nieuwe dienstbetrekking Ook in de situatie dat pensioenkapitaal wordt overgedragen van een oude pensioenregeling naar een nieuwe pensioenregeling eindloonregeling van dezelfde werkgever dus zonder het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking is sprake van een waardeoverdracht en wel één als bedoeld in artikel 32ba eerste lid onderdeel b van de PSW Artikel 10a eerste lid onderdeel f van het UBLB is in dat geval echter niet van toepassing omdat dit artikel niet verwijst naar artikel 32ba van de PSW Omdat sprake is van een ononderbroken dienstbetrekking geldt voor dat geval artikel 10a eerste lid onderdeel a van het UBLB Er kunnen dan in de nieuwe regeling nooit meer dienstjaren worden toegekend dan werkelijk bij de werkgever zijn doorgebracht ook niet indien de nieuwe pensioenregeling minder ruim is dan de oude Een eventueel berekend overschot aan fictieve dienstjaren moet worden aangemerkt als een excedentpensioenrecht in de vorm van een slapersrecht Op deze wijze gaan er voor de werknemer geen opgebouwde rechten verloren Ook in dit geval mag de waardeoverdracht op grond van artikel 18d eerste lid onderdeel c van de Wet LB leiden tot overschrijding van de grenzen die de artikelen 18a 18b en 18c stellen aan hoogte van de pensioenuitkeringen Voorbeeld 2 Werknemer D werkt tien jaar bij werkgever E die besloten heeft zijn pensioenregeling te flexibiliseren De nieuwe regeling bestaat uit een soberder collectief deel eindloonregeling met daarnaast een groot aantal individuele keuzemodules die allerlei vormen van individueel pensioensparen binnen de wettelijke grenzen mogelijk maken D zou daarom dertien fictieve dienstjaren kunnen krijgen terwijl hij in werkelijkheid slechts tien dienstjaren bij E heeft doorgebracht Omdat er geen sprake is van het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking is niet onderdeel f maar onderdeel a van artikel 10a eerste lid van het UBLB van toepassing De pensioengevende diensttijd kan niet langer worden dan tien dienstjaren Bij de collectieve waardeoverdracht van de oude naar de nieuwe regeling zal het niet de bedoeling zijn dat rechten van de werknemers verloren gaan Het surplus van drie dienstjaren zal daarom tot een excedentpensioenrecht slapersrecht moeten leiden Die drie dienstjaren kunnen verder niet meetellen als pensioengevende diensttijd in de nieuwe regeling Het excedentpensioenrecht mag op grond van artikel 18d eerste lid onderdeel c van de Wet LB wel leiden tot overschrijding van de maximale grenzen van de artikelen 18a 18b en 18c van de Wet LB 7 Hernieuwde opbouw van pensioen na eerder prijsgeven artikel 18g eerste lid en artikel 19b eerste lid letter c Wet LB Vraag Kan een werknemer die eerst opgebouwde pensioenrechten al dan niet belast heeft prijsgegeven over de diensttijd waarop deze prijsgegeven rechten betrekking hadden later opnieuw dezelfde pensioenrechten opbouwen of inkopen Antwoord Nee dat kan niet Ingeval een werknemer op enig moment afziet van zijn opgebouwde pensioenaanspraken beschikt hij actief over zijn pensioenrechten Fiscaal wordt dit beschikken over de pensioenaanspraken gelijkgesteld aan het genieten van de pensioenrechten De pensioenrechten zijn als het ware verbruikt Het is in strijd met de strekking van hoofdstuk IIB van de Wet LB om fiscaal tweemaal de opbouw van eenzelfde pensioenrecht over dezelfde diensttijd en hetzelfde pensioengevend loon vrij te stellen Of de sanctie van artikel 19b eerste lid letter c van de Wet LB wel of niet is toegepast bij het prijsgeven is hierbij niet van belang Indien de pensioenregeling wordt verbeterd door middel van een hoger opbouwpercentage of een hoger beschikbare premie of indien ingeval van een eindloonregeling het salaris wordt verhoogd kan voor de verbetering of verhoging wel pensioen worden opgebouwd of ingekocht over de diensjaren waarover eerder pensioen is prijsgegeven uiteraard alleen voorzover die jaren ook overigens als diensttijd mogen gelden in de actuele regeling Technisch kan deze opbouw of inkoop plaatsvinden door na de verbetering of verhoging eerst een berekening te maken van de waarde van de totale pensioenopbouw zoals die zou gelden over de dienstjaren waarover pensioen is prijsgegeven zonder rekening te houden met de door het prijsgeven tenietgegane pensioenrechten Deze laatste rechten worden vervolgens als een nog bestaande aanspraak beschouwd en de fictieve waarde ervan wordt afgetrokken van de berekende waarde van de totale opbouw Het verschil is het extra tekort waarvoor kan worden opgebouwd of dat kan worden ingekocht Als bijvoorbeeld in een eindloonregeling het laatstgenoten pensioengevend loon in de periode waarover de pensioenrechten werden prijsgegeven 50 000 bedroeg en het pensioengevend loon thans 60 000 bedraagt kan naar een pensioengevend loon van 10 000 pensioen worden opgebouwd over de diensttijd waarover voorheen de pensioenaanspraken werden prijsgegeven 8 Inkoop van dienstjaren indien in de vorige dienstbetrekking geen pensioen is opgebouwd fictieve waardeoverdracht van nihil artikel 18g eerste lid Wet LB Vraag In artikel 10a eerste lid onderdeel f van het UBLB worden dienstjaren ten gevolge van waardeoverdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 32 vierde lid 32a of 32b van de PSW naar de huidige inhoudingsplichtige of de pensioenuitvoerder van de huidige inhoudingsplichtige aangemerkt als pensioengevende diensttijd van de huidige inhoudingsplichtige voorzover deze jaren op basis van een adequate diensttijdadministratie kunnen worden vastgesteld Kan deze bepaling ook worden toegepast indien een feitelijke waardeoverdracht niet mogelijk is omdat in de vorige dienstbetrekking en geen pensioen is opgebouwd Kan in deze situatie worden gesteld dat er fictief een waardeoverdracht heeft plaatsgevonden met een overdrachtswaarde van 0 Antwoord Het antwoord op beide vragen is nee Indien geen daadwerkelijke waardeoverdracht heeft plaatsgevonden kan geen gebruik worden gemaakt van artikel 10a eerste lid onderdeel f van het UBLB Voor een dergelijke situatie resteert slechts de mogelijkheid uit het tweede lid van artikel 10a de inkoop over dienstjaren vóór 8 juli 1994 doorgebracht bij vorige inhoudingsplichtigen indien en voorzover sprake is van een pensioentekort op basis van de huidige regeling Voorzover het pensioengat niet binnen het kader van de pensioenregeling kan worden gerepareerd bestaat de mogelijkheid het gemis in de lijfrentesfeer af te dekken De daarvoor te betalen lijfrentepremies zijn slechts aftrekbaar binnen de grenzen van afdeling 3 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 9 Incidentele beloningen in een beschikbare premiestelsel artikel 18g tweede lid Wet LB Vraag Op grond van artikel 10b tweede lid van het UBLB kan de pensioenopbouw over niet tot het regelmatig loon behorende loonbestanddelen incidentele beloningen niet plaatsvinden op basis van het eindloonstelsel Pensioenopbouw voor incidentele beloningen kan bijvoorbeeld wel plaatsvinden volgens het beschikbare premiestelsel Zijn er in dat geval bijzondere regels van toepassing voor het bepalen van de beschikbare premie over incidentele beloningen Antwoord Ja voor het vaststellen van de beschikbare premie over incidentele beloningen zijn enkele bijzondere regels van toepassing Er moet rekening worden gehouden met het volgende Artikel 18a derde lid onderdeel b van de Wet LB bevat een uitgangspunt voor loonstijgingen tijdens de loopbaan Incidentele beloningen houden evenwel geen verband met de loopbaanontwikkeling Het uitgangspunt van het artikelonderdeel geldt daarom naar aard en strekking niet bij incidentele beloningen In artikel 10b tweede lid van het UBLB is aangegeven dat de pensioenopbouw over incidentele beloningen moet plaatsvinden op basis van een ander stelsel dan het eindloonstelsel Deze pensioenopbouw zou dus ook kunnen plaatsvinden op basis van het middelloonstelsel Daarom mag bij het bepalen van de beschikbare premiestaffel voor incidentele beloningen worden uitgegaan van het maximale richtpercentage voor de opbouw uit het middelloonstelsel van 2 25 per jaar in plaats van het wettelijke maximale richtpercentage voor de opbouw van 2 uit het eindloonstelsel artikel 18a derde lid eerste volzin van de Wet LB Indien in de pensioenopbouw over de structurele beloningen reeds volledig rekening is gehouden met de minimaal voorgeschreven AOW inbouw hoeft bij het bepalen van de beschikbare premie voor incidentele beloningen geen rekening gehouden te worden met de AOW inbouw Als voor de incidentele beloning geen rekening hoeft te worden gehouden met de gedeeltelijke inbouw van AOW kan de beschikbare premie worden uitgedrukt in een percentage van de incidentele beloning zelf In andere gevallen dient de beschikbare premie uitgedrukt te worden in een percentage van de pensioengrondslag incidentele beloning minus de AOW franchise ten bedrage van 10 7 maal de AOW inbouw Indien gebruik wordt gemaakt van het staffelbesluit kunnen de premiestaffels van bijlagen 1 en 2 bij dat besluit ook worden toegepast op de incidentele beloningen Zie de voorwaarden van onderdeel 3 7 van het besluit 10 Backservice en externe verzekering artikel 18h eerste lid Wet LB Vraag Een BV heeft het pensioen voor haar digra volledig ondergebracht bij een professionele verzekeraar In de regeling leidt een salarisstijging ertoe dat ook de pensioenrechten over de verstreken dienstjaren stijgen backservice De hieruit voortvloeiende kosten voldoet de vennootschap door middel van inhaalpremies De contante waarde van de toekomstige inhaalpremies wordt als backservicevoorziening op de balans worden gepassiveerd Heeft deze passivering tot gevolg dat een deel van de rechten in eigen beheer wordt gehouden Antwoord Nee dat is niet het geval Het op de balans passiveren van een backservicevoorziening houdt niet in dat de vennootschap optreedt als verzekeraar en heeft dus ook niet tot gevolg dat de gangbaarheidstoets in de zin van artikel 18h van de Wet LB moet worden uitgevoerd De uit de pensioenregeling ontstane verplichting om te zijner tijd pensioenen uit te keren is geheel overgedragen aan een professionele verzekeraar De verplichtingen van de vennootschap betreffen daarom nog uitsluitend de jaarlijkse betaling van premie Die verplichting tot premiebetaling komt door de passivering tot uitdrukking 11 Gebruikelijk loon en pensioengevend loon artikel 19 en artikel 18g tweede lid Wet LB Vraag Biedt artikel 19 van de Wet LB de mogelijkheid om pensioen op te bouwen over een bedrag dat hoger is dan het pensioengevend loon van artikel 10b van het UBLB Antwoord Nee In artikel 10b eerste lid van het UBLB is het begrip pensioengevend loon ingevuld Dat artikel biedt geen mogelijkheden om pensioen op te bouwen over niet genoten loonbestanddelen Ook artikel 19 van de Wet LB biedt die mogelijkheid niet Artikel 19 van de Wet LB verhindert of beperkt de pensioenopbouw over de diensttijd waarin het loon nihil is of aanzienlijk lager is dan het gebruikelijke loon Dit artikel richt zich dus op de pensioengevende diensttijd Het laat zich niet uit over de mogelijkheid om pensioen op te bouwen over een hoger pensioengevend loon dan het genoten loon Artikel 18g tweede lid van de Wet LB en artikel 10b eerste lid van het UBLB sluiten tezamen die mogelijkheid evenwel uit Het vorenstaande laat uiteraard onverlet dat wel pensioenopbouw over niet genoten loon mogelijk is in de gevallen waarin de regelgeving hierin voorziet Als voorbeelden hiervan noem ik perioden van verlof VUT prepensioen of verzorging of perioden na ontslag voorzover die perioden op grond van artikel 10a van het UBLB als diensttijd mogen meetellen er mag dan pensioen worden opgebouwd over het laatstgenoten loon vóór of over het eerstgenoten loon na de periode ook al wordt tijdens de genoemde perioden geen of een lager loon genoten perioden van deeltijd en demotie als bedoeld in artikel 10b derde lid van het UBLB loonsverlagingen als bedoeld in de onderdelen 3 2 en 3 3 van het Besluit van 22 februari 2002 nr CPP2001 3047M Begrip pensioengevend loon Onregelmatig salaris Cafetariasystemen fictieve vaststelling van het pensioengevend salaris op basis van onderdelen 3 en 4 van het Besluit van 11 december 2002 nr CPP2002 1448M Inhaal en inkoop van pensioen door middel van beschikbare premies 12 Gevolgen van hertrouwen met de ex echtgenoot artikel 19b eerste lid onderdeel b Wet LB Vraag Wat zijn de fiscale gevolgen voor een op de voet van artikel 2 van de WVPS verevend ouderdomspensioen als een werknemer hertrouwt met de ex echtgenoot Welke rol speelt hierbij de schriftelijke mededeling aan het uitvoeringsorgaan ingevolge artikel 2 vierde lid van de WVPS Antwoord Indien partijen opnieuw met elkaar huwen is er geen grond meer voor verevening van de pensioenaanspraken tussen de echtgenoten In artikel 2 vierde lid van de WVPS is bepaald dat het recht op uitbetaling dan eindigt nadat de echtgenoten een schriftelijke mededeling van hun hertrouwen aan het uitvoeringsorgaan van de pensioenregeling hebben gedaan In dit verband is voorts van belang artikel 1 166 van het BW waarin is bepaald dat door hertrouwen met de ex echtgenoot alle gevolgen van het huwelijk herleven alsof geen scheiding heeft plaatsgehad Volgens HR 11 april 2003 NJ 2003 492 is deze bepaling ook van kracht bij toepassing van de WVPS Omdat het recht van de ex echtgenoot op de verevening van pensioenen eindigt is geen sprake van enige vervreemding van pensioenrechten Een fiscaal heffingsmoment is dan ook niet aanwezig De mededeling aan het uitvoeringsorgaan is niet van invloed op de vraag wie fiscaal gezien de pensioenuitkering na het hertrouwen geniet Op basis van artikel 1 166 van het BW herleven immers alle gevolgen van het huwelijk De pensioenuitkeringen komen derhalve weer toe aan de werknemer en worden door hem fiscaal genoten Hier doet niet aan af dat het uitvoeringsorgaan het verevende deel van de pensioenuitkeringen nog rechtsgeldig kan blijven uitbetalen aan de ex echtgenoot zolang de bedoelde mededeling nog niet is gedaan De voorwaarde inzake de mededeling dient uitsluitend ter bescherming van het uitvoeringsorgaan 13 Prijsgeven van pensioenaanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar artikel 19b eerste lid onderdeel c Wet LB Vraag Wanneer is er sprake van niet voor verwezenlijking vatbare aanspraken Antwoord Er is sprake van niet voor verwezenlijking vatbare aanspraken als er dwingende maatschappelijke redenen zijn om af te zien van de aanspraken Dit kan het geval zijn bij faillissement surséance van betaling en schuldsanering Het moet dus gaan om bijzondere situaties waarin de financiële middelen van het lichaam waarbij de aanspraken zijn ondergebracht niet toereikend zijn Is daarvan geen sprake dan dient de uitkering te worden voortgezet zolang het lichaam waarbij de aanspraken zijn ondergebracht daarvoor nog voldoende middelen bezit Deze uitleg wordt bevestigd in de uitspraak van Hof Amsterdam van 27 november 2000 nr 99 2650 gepubliceerd in Vakstudienieuws 2001 19 23 Van schuldsanering is sprake indien alle schuldeisers afzien van een deel van hun vorderingen Indien alleen de digra afziet van zijn pensioenrechten en eventuele overige vorderingen is naar mijn oordeel geen sprake van schuldsanering In de parlementaire behandeling ter gelegenheid van de invoering van artikel 19b voorheen 11c eerste lid onderdeel c van de Wet LB is vermeld dat de invoering van deze bepaling er toe strekt om oneigenlijke handelingen

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20V&A%2018b%20-%2018f%20Wet%20LB%20deel%20III%20220404.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Besluit Pensioenknip in verband met lage rentestand
    uitsluitend wordt beïnvloed door afwijkingen in de tariefstelling van de verzekeraar en of door afwijkende beleggingsrendementen Een pensioenknip beschouw ik onder de hieronder beschreven voorwaarden niet als een vorm van variatie in de hoogte van de uitkeringen als bedoeld in artikel 18d eerste lid onderdeel b van de Wet LB De mogelijke fluctuatie in de hoogte van de uitkeringen vloeit immers niet voort uit de wens van de pensioengerechtigde om gelijkmatige pensioenuitkeringen te laten fluctueren met het oog op het patroon van consumptieve uitgaven Als er een fluctuatie optreedt is deze uitsluitend gericht op de beperking van het nadeel dat is ontstaan doordat het beoogde pensioenniveau door de lage rentestand niet wordt bereikt op het moment waarop de levenslange uitkering dient in te gaan Anders dan bij de variatie uit het genoemde wetsartikel zijn bovendien de richting en de mate van de fluctuatie door de pensioengerechtigde niet te beïnvloeden Voorwaarden pensioenknip Met de pensioenknip kan onder de volgende voorwaarden worden ingestemd Er is sprake van een kapitaalverzekering met pensioenclausule waarmee een levenslange pensioenuitkering moet worden aangekocht Op de ingangsdatum wordt het levenslange pensioen gesplitst in een tijdelijk pensioen en een uitgesteld levenslang pensioen Het uitgestelde pensioen wordt wederom op kapitaalbasis verzekerd De hoogte van de tijdelijke uitkering wordt vastgesteld alsof sprake is van één reeks van levenslange uitkeringen De uitkeringen in de eerste tijdelijke periode dienen dus te worden gesteld op het bedrag dat zonder de knip met het gehele pensioenkapitaal bij de verzekeraar had kunnen worden verkregen voor een direct ingaand levenslang ouderdompensioen eventueel in combinatie met een direct ingaand levenslang nabestaandenpensioen Hierbij dient te worden uitgegaan van de indexatie zoals deze in de pensioenregeling is opgenomen Nadat de knip is uitgevoerd mag de hoogte van de uitgestelde uitkeringen alleen worden beïnvloed door afwijkingen tussen de verwachte en werkelijke tariefstelling van de verzekeraar op de einddatum van de tijdelijke uitkering Hierbij valt te denken aan de hoogte van de markt rentevoet de duur van de rentegarantietermijn de toe te passen sterftetafels de kostenfactoren en de afwijkingen in de beleggingsrendementen gedurende de uitstelperiode Het overlijden van de pensioengerechtigde of zijn partner na de pensioeningangsdatum mag geen invloed hebben op de hoogte van de uitkeringen aan de langstlevende noch mag sprake zijn van de mogelijkheid dat uit de pensioenverzekeringen uitkeringen kunnen voortvloeien ten gunste van andere gerechtigden dan die zijn genoemd in artikel 18 eerste lid onderdeel a 1º tot en met 3º van de Wet LB De door de verzekeraar voor de overledene getroffen voorziening dient op het moment van overlijden vrij te vallen Voor de te hanteren verzekeringsvormen geldt het volgende a Als alleen sprake is van een ouderdomspensioen zal de kapitaalverzekering slechts de vorm kunnen hebben van een verzekering van een kapitaal bij leven met als verzekerd lijf de pensioengerechtigde b Als sprake is van een combinatie van een ouderdoms en een nabestaandenpensioen moet onderscheid worden gemaakt naar de uitkeringsduur van het nabestaandenpensioen dat als gevolg van het overlijden van de pensioengerechtigde in de tijdelijke periode ingaat Er

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Pensioenknip%20lage%20rentestand%20CPP2004-245M%20220404.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive



  •