archive-nl.com » NL » B » BELASTINGDIENSTPENSIOENSITE.NL

Total: 492

Choose link from "Titles, links and description words view":

Or switch to "Titles and links view".
  • Besluit Lijst van regelingen voor oudedagsvoorziening en gezinsverzorging welke zijn aangewezen als pensioenregeling
    voor de Drankindustrie te s Gravenhage adres Nationale Levensverzekering Bank NV te Rotterdam Exporteurs importeurs en groothandelaren in pluimvee wild en tamme konijnen Pensioenfonds voor Exporteurs Importeurs en Groothandelaren in Pluimvee Wild en Tamme Konijnen te s Gravenhage Film en bioscoopbedrijf Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Film en Bioscoopbedrijf te Amsterdam adres Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam Glazenwassers en schoonmaakbedrijf Bedrijfspensioenfonds voor het glazenwassers en schoonmaakbedrijf te Utrecht adres Nijenoord 1 te Utrecht Grafische bedrijven Stichting Pensioenfonds voor de Grafische Bedrijven te Amsterdam Groenten en fruitverwerkende industrie Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Groenten en Fruitverwerkende Industrie te Leiden adres Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam Groothandel in levensmiddelen Bedrijfspensioenfonds voor de Groothandel in Levensmiddelen te s Gravenhage Groothandel in vlakglas groothandel in verf het glasbewerkings en het glazeniersbedrijf Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Groothandel in Vlakglas de Groothandel in Verf het Glasbewerkings en het Glazeniersbedrijf te Rotterdam Handel in bouwmaterialen Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de handel in Bouwmaterialen te Amsterdam Horecabedrijf Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Horecabedrijf te s Gravenhage adres Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam Houten emballage Industrie Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Houten Emballage Industrie te Delft Houthandel Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Houthandel te Amsterdam adres Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam Houtwaren en borstelindustrie Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Houtwaren en Borstelindustrie te Amsterdam Kalkzandsteenindustrie Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Kalkzandsteenindustrie te Amsterdam adres Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam Kappersbedrijf Bedrijfspensioenfonds voor het kappersbedrijf te Utrecht adres Nijenoord 1 te Utrecht Kerkelijk en maatschappelijk werk Stichting Pensioen en Spaarfonds voor de RK Kerkelijke en Maatschappelijke Instellingen te s Gravenhage Koopvaardij Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij te Amsterdam adres Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Amsterdam Kruideniersbedrijf Bedrijfspensioenfonds voor het kruideniersbedrijf te Utrecht adres Nijenoord 1 te Utrecht Landbouw Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw te s Gravenhage Lederindustrie Stichting Pensioenfonds voor de Nederlandse Industrie te s Gravenhage Maatkledingbedrijf Stichting Algemeen Pensioenfonds voor het Maatkledingbedrijf te Amsterdam

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Lijst%20van%20regelingen%20oudedagsvoorziening%20250571.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive


  • Pensioenaspecten wetsvoorstel Belastingplan 2008 en Overige Fiscale Maatregelen 2008
    gegeven Hebben de bewindslieden van het CDA in de Trêveszaal wellicht zitten slapen De voorstellen liggen nu wel op tafel Bij de heer Tang is er sprake van een misverstand over het vestigingsklimaat Het gaat niet om een tikkeltje meer of minder nivellering maar om de stabiliteit van het fiscale klimaat om de voorspelbaarheid Beide voorstellen betekenen een breuk met de fiscale traditie van Nederland Daarom lopen ondernemers ook te hoop tegen deze maatregelen De brief van de vier ondernemingen riep bij mij associaties op met de brief van een aantal ondernemingen halverwege de jaren zeventig over het toenmalige kabinetsbeleid ter zake van de vermogensaanwasdeling Toen ging het ook om de voorspelbaarheid en de betrouwbaarheid van ons stelsel Ik kan geen andere conclusie trekken dan dat beide voorstellen volstrekt haaks staan op het hoofdkantorenbeleid van het kabinet en op de sterk gepromote gedachte van Holland Financial Centre Met dat laatste is de VVD fractie het overigens van harte eens Voorzitter Blok De heer Irrgang SP Voorzitter Het is zeer verleidelijk om de debatten over de topinkomens over te doen maar ik zal dat natuurlijk niet doen In zijn brief reageert de minister ook op de voorstellen van de SP fractie Het valt mij op dat die worden afgedaan met de dooddoener van het vestigingsklimaat Dat geldt blijkbaar niet voor het CDA voorstel inzake de extreme bonussen Ik vraag de minister te bevestigen dat Nederland nog steeds in de top staat van de Economist Intelligence Unit Ik incasseer overigens wel de politieke winst dat het CDA voorstel om de extreme bonussen aan te pakken de minister zeer aanspreekt Dat is belangrijk Bij de financiële beschouwingen vond een groot deel van de Kamer dat een dergelijke voorstel niet in de plaats van de voorstellen voor het eigenwoningforfait en de aftopping van de pensioenopbouw moet komen maar daar een aanvulling op moet zijn Hoe ziet de minister dit Staat het kabinet nog achter beide voorstellen Volgende week stemmen wij over het Belastingplan Ik wil snel een voorstel van de minister voor het aanpakken van de extreme bonussen maar dat hoeft niet al volgende week Dat kan ook over drie weken Zo ongeduldig ben ik ook weer niet De heer Tony van Dijck PVV Voorzitter De twee maatregelen in het kader van het Belastingplan zie ik los van de discussie over topinkomens Het CDA voorstel is erop gericht excessen tegen te gaan In de pers was onlangs veel aandacht voor mensen uit de top van bedrijven die gigantische bonussen kregen De vraag is in hoeverre een en ander nog in proportie is De fractie van de PVV is van mening dat de bonussen en de gouden handdrukken bij overnames gemaximeerd moeten worden Het belang van topbestuurders mag niet meespelen bij een beslissing om een bedrijf in de etalage te zetten Ook het bevriezen van de optieportefeuille bij een overname spreekt ons zeer aan Wij hebben grote zorgen over de publieke en de semipublieke sector In de brief kondigt de minister aan dat daarvoor de JP norm moet gelden maar daar komt helemaal niets van terecht De CEO van Schiphol verdient 850 000 bestuurders van De Nederlandsche Bank verdienen 385 000 en de bestuurders van de NS waarvoor weet ik niet gaan met meer dan 0 5 mln naar huis Van de JP norm komt dus niets terecht Daarom vragen wij aan de minister of hij er zich gedurende deze periode keihard voor zal inzetten dat in de publieke en de semi publieke sector maar ook in de staatsdeelnemingen de JP norm de norm zal zijn Als je meer wilt verdienen ga je maar ergens anders werken of naar het buitenland Wij mogen ons niet laten meesleuren in een discussie die ertoe leidt dat er gigantische bedragen moeten worden betaald omdat betrokkenen anders naar het buitenland zullen vertrekken Dat moeten zij dan maar doen De heer Van der Vlies SGP Voorzitter Ook mijn fractie is er voor dat de topinkomens kritisch worden bekeken De exorbitante componenten ervan en de excessen moeten worden aangepakt maar in alle debatten heb ik steeds erkend dat het kabinet maar een beperkte invloed heeft Wij moeten ons dat wel realiseren Voor de publieke sector is dit natuurlijk anders dan voor de marktsector maar wij moeten onze invloed niet overschatten Als er iets te doen valt moet dat zeker gebeuren maar nogmaals onze mogelijkheden zijn beperkt De enige vraag over de brief van de minister die mij relevant lijkt is wat hij onder zo spoedig mogelijk verstaat Hij zet op een rijtje wat hij allemaal zal doen Daar staan wij in principe welwillend tegenover Andere dingen vergen nog nader onderzoek Nu is de vraag hoe snel hij de Kamer over zijn bevindingen kan informeren Kan dat nog voor de stemmingen volgende week over het belastingpakket dat wij nu bespreken of daarna Ik ga ervan uit dat hij de Kamer pas daarna kan informeren Hoeveel tijd heeft hij hiervoor nodig Hoe ziet het traject eruit De heer Cramer ChristenUnie Ik constateer dat de minister nog heel veel open laat in zijn brief Mijn fractie heeft tijdens de algemene financiële beschouwingen opgemerkt dat zij de plannen die door andere fracties zijn opgesteld een aardige aanvulling acht op de voorstellen van de regering Ik stel vast dat de minister zich alleen positief uitlaat over een onderdeel van de voorstellen van de CDA fractie Misschien kan hij nu toelichten hoe ver hij met zijn onderzoek is gevorderd Minister Bos Voorzitter Dank voor de uitnodiging om ook vandaag het debat te mogen opluisteren met mijn aanwezigheid Zoals bekend doe ik dat altijd met groot genoegen Alle vragen die specifiek zijn gericht op de fiscale merites van de kabinetsvoorstellen dan wel van de alternatieven die door de Kamer zijn voorgesteld zullen door de staatssecretaris worden beantwoord Ik zal mijn antwoord toespitsen op de vragen die daar min of meer omheen cirkelen In de eerste plaats de vragen over de algemene politieke context in de tweede plaats de vragen naar het argument over het vestigingsklimaat en de brief van een aantal leidinggevenden uit het bedrijfsleven en ten slotte de vragen over de gevolgen van een en ander voor de begroting en de begrotingsspelregels De heer Vendrik heeft gevraagd wanneer de Kamer een voorstel van het kabinet tegemoet kan zien Ik wijs erop dat dit niet aan het kabinet is gevraagd Er is aan het kabinet gevraagd om commentaar te leveren op voorstellen en alternatieven van de Kamer Wij hebben dit gedaan in onze brief aan de Kamer Wij vinden de richting van een aantal voorstellen interessant Dit geldt met name voor het voorstel van de CDA fractie over verhoging van de belastingdruk op extreme bonussen en gouden handdrukken Ik neem aan dat het dan vooral gaat om gouden handdrukken terwijl er sprake is van achterblijvende prestaties Wij hebben hierop commentaar geleverd Wij zijn dus tegemoet gekomen aan het verzoek van de Kamer Het kabinet is niet gevraagd om een alternatief te ontwikkelen Ik ben ook niet van plan om dat te doen maar wij staan natuurlijk open voor alternatieven of nadere specificaties van eerdere globale voorstellen Dit geldt overigens ook voor de alternatieven waarover de executives uit het bedrijfsleven spreken Zij willen met ons in overleg treden en wij doen dat uiteraard graag Een aantal leden heeft gevraagd of er sprake is van een uitruil Dit lijkt mij niet De staatssecretaris en ik verdedigen hier het Belastingplan dat de status heeft van een wetsvoorstel Het is door de ministerraad vastgesteld tijdens de algemene politieke beschouwingen verdedigd door de minister president en ik heb dat gedaan tijdens de algemene financiële beschouwingen Een aantal leden heeft ook gerefereerd aan voorstellen voor het ontslagrecht maar voor zover ik weet heeft het kabinet daarvoor tot op heden geen voorstellen geformuleerd Daarover vindt wel uitgebreid overleg plaats lees ook ik in de kranten maar er is geen voorstel De heer Vendrik GroenLinks Ik begrijp dat het dus uitgesloten is dat de Kamer tussen vandaag en volgende week donderdag een voorstel van het kabinet krijgt voor een strafheffing of fiscale boete al dan niet in uitruil met die twee elementen die al in het Belastingplan zijn verwerkt Met andere woorden het kabinet doet niets het geeft alleen een oordeel over de voorstellen van de Kamer Ik heb een voorstel gedaan en ik hoor graag het oordeel van de minister daarover Minister Bos De staatssecretaris heeft het voorstel van de heer Vendrik bestudeerd Ik heb dit niet gedaan Ik ben hier vooral om een nadere toelichting te geven op mijn brief De staatssecretaris heeft zich voorbereid om commentaar te leveren op de voorstellen en zal dit zo dadelijk doen Ik weet niet wat er in de komende zeven dagen zal gebeuren Ik weet wel dat wij concreet uitgewerkte voorstellen hebben opgenomen in het Belastingplan Er bestaat geen twijfel over dat die juridisch goed zijn uitgewerkt en uitvoerbaar zijn Het nadenken over alternatieven of aanvullingen stopt natuurlijk niet na de komende zeven dagen Ik ben van plan dit debat eerlijk en serieus aan te gaan ook omdat ik argumenten over het vestigingsklimaat zeer serieus neem Ik begrijp dat de CEO s hun brief inmiddels openbaar hebben gemaakt Ik kan er dus ook wat meer gedetailleerd op ingaan Er valt natuurlijk ook wel wat af te dingen op de argumenten die zij in hun brief naar voren brengen De heer Vendrik GroenLinks Ik word hier een beetje moe van Nu ligt er een brief waarin de minister een politiek oordeel geeft over een voorstel van de CDA fractie een voorstel dat hem zeer aanspreekt Hij heeft de expertise hij heeft de ambtenaren hij doet onderzoek maar hij komt weer niet met een eigen voorstel Vervolgens vraag ik of het de komende tien dagen stil blijft en dan krijgen wij weer geen antwoord Wat is hier aan de hand Brengt de minister in de komende tien dagen nog een voorstel uit Moeten wij daarmee rekening houden of niet Heeft hij een idee over wat hij wil met de topinkomens al dan niet in uitruil met het ontslagrecht of komt hij niet met een voorstel Waar staat de minister nu eigenlijk Minister Bos De heer Vendrik voert drie keer hetzelfde circusnummer op over hetgeen het kabinet ook al drie keer precies hetzelfde heeft gezegd Dit debat wordt gevoerd omdat dit kabinet voor het eerst komt met concrete voorstellen om ook iets van de allerhoogste inkomens te vragen Dit debat wordt gevoerd omdat dit kabinet heeft gezegd dat de ondernemingsraad meer invloed krijgt op de vaststelling van het beloningsbeleid Wij gaan nu iets vragen van de mensen met de allerhoogste inkomens Dan wordt er een debat gevoerd over vragen als is dit de beste manier zijn er andere manieren is er meer nodig In dit kader is al verwezen naar de rapportage van de commissie Frijns die vooral zal ingaan op de relatie tussen verkregen beloning en geleverde prestatie Geen ander kabinet heeft ooit zo open gestaan voor een discussie over deze materie of zich zo bereid getoond om concrete maatregelen te nemen Daar staat dit kabinet Wij zullen serieus ingaan op alle suggesties die ons worden voorgelegd Ik heb steeds gezegd dat met name de richting van een van de suggesties van de CDA fractie ons aanspreekt maar dat ik daar vooralsnog veel haken en ogen aan zie Ik verwijs bijvoorbeeld naar de vraag van de heer Tang of het wel consistent is om enerzijds in de Code Tabaksblat vast te leggen dat een ontslagvergoeding maximaal een jaarsalaris mag zijn en anderzijds een maatregel voor te stellen waarin staat dat het eigenlijk wel meer mag zijn maar dat de vergoeding dan extra zal worden belast Verder is het de vraag of een zwaardere belasting van variabele beloningen zal leiden tot ontwijkinggedrag omdat men gewoon de vaste beloningscomponent gaat oppompen Dit zijn reële inhoudelijke argumenten Wij staan open voor een debat met de Kamer hierover maar dat neemt niet weg dat er thans voorstellen voorliggen Mevrouw Ko er Kaya D66 In de media zijn wel degelijk allerlei artikelen verschenen over de uitruil en dan met name de aftopping van de pensioenopbouw en het eigen woningforfait Zegt de minister nu dat daar geen sprake van is dat dit onzin is Als het geen onzin is blijven die twee punten de komende zeven dagen dan wel staan Dit zijn de punten die de minister heeft voorgesteld en daar zal hij dan toch aan vast moeten houden tijdens de onderhandelingen over het ontslagrecht Of zegt hij wij gaan daar nog wel over discussiëren Minister Bos Toen de Kamer en met name de CDA fractie mij vroeg om een brief te schrijven over voorstellen over deze problematiek is vooral gevraagd om binnen dezelfde budgettaire mogelijkheden te kijken naar alternatieven die gerichter zouden zijn dan de voorstellen van het kabinet Ik heb hieraan voldaan in deze brief Ik heb ook van alles gelezen over alle mogelijke koppelingen Ik kan alleen maar zeggen dat er op dit moment geen kabinetsvoorstel is voor het ontslagrecht Er is wel een kabinetsvoorstel met de titel Belastingplan en dat wordt hier vandaag besproken Mevrouw Ko er Kaya D66 Dit is geen antwoord op mijn vraag Ik heb het niet over het brede onderwerp topinkomens maar specifiek over de twee genoemde onderdelen ervan Zijn die twee onderdelen bespreekbaar of niet Op die vraag geeft de minister geen antwoord Minister Bos In een parlementaire democratie is alles wat in een wetsvoorstel wordt voorgelegd per definitie bespreekbaar De heer Remkes VVD Ja bespreekbaar maar ook veranderbaar naar de politieke opvatting van de minister Minister Bos Als er goede argumenten zijn maar die heb ik nog niet gehoord De heer Remkes VVD Dus ook de argumenten van de heer Kortenhorst zijn naar uw kwalificatie niet goed Minister Bos Ik wil daar nu op ingaan Zoals gezegd hebben de CEO s hun brief kennelijk publiek gemaakt en dan kan ik er iets uitgebreider op ingaan Ik begin met de vaststelling van de maatregelen die in die brief worden opgevoerd als schadelijk voor het vestigingsklimaat Het gaat dan niet alleen over de voorgestelde beperking van de aftrekbaarheid van pensioenpremies en de verhoging van het eigenwoningforfait voor huizen met een WOZ waarde boven de 1 mln Er wordt nu nee geschud aan de andere kant van de tafel In de brief die ik heb gekregen gaat het ook om de verhoogde bijtelling van leaseauto s Blijkbaar heb ik een andere brief ontvangen Dat is interessant ik heb een andere brief Is men toch geschrokken omdat men wist dat de andere argumenten misschien iets minder sterk waren zoals de aanrechtsubsidie de verhoging van de btw en de verlaging van de kinderbijslag Of zou mijn weblog van vanochtend invloed hebben gehad Heel interessant deze brief ken ik niet Blijft staan dat het in de brief die ik heb ontvangen gaat over aftrekbaarheid van de pensioenpremies verhoging van het eigenwoningforfait en bijtelling van de leaseauto De staatssecretaris heeft al vele malen verdedigd dat lastenverzwaring in het autodossier over het algemeen elders weer terugkomt als lastenverlichting Er is dus geen sprake van een netto lastenverzwaring maar van verplaatsing van de belastingdruk Tegenover het beperken van de aftrekbaarheid van pensioenpremies staat natuurlijk het feit dat de pensioenuitkering na 65 jaar onbelast blijft indien men toch bovenmatig pensioen opbouwt Hier is per saldo dus ook geen sprake van lastenverzwaring Deze argumenten moeten natuurlijk meegewogen worden Het meer principiële argument is dit De redenering in de brief is dat eigenlijk alles wat lastenverzwarend werkt voor de hogere inkomens per definitie wordt gezien als schadelijk voor het vestigingsklimaat Het alternatief is kennelijk dat je wel mag heffen bij de lagere en de middeninkomens Dit lijkt mij een moeilijke conclusie als je ervan uitgaat dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen Een tweede implicatie van deze redenering is dat alternatieven zoals die bijvoorbeeld worden voorgesteld door de heer Kortenhorst en die uiteindelijk hetzelfde moeten opbrengen als de maatregelen van het kabinet in de logica van deze brief net zo lastenverzwarend en dus net zo schadelijk zijn voor het vestigingsklimaat Iedere lastenverzwaring voor hogere inkomens wordt immers gezien als schadelijk voor het vestigingsklimaat Ik vind dit een moeizame redenering Dit doet niets af aan het feit dat ik het debat met het bedrijfsleven graag aan ga Ik heb naar aanleiding van de uitspraak van de heer Tilmant al gezegd dat ik daar met hem over zal praten Die uitspraak ging over meer dan alleen topbeloningen Ik kende zijn argumentatie op dat punt wel maar niet op een aantal andere punten Er is dus sowieso reden om met elkaar te praten De andere heren weten mij ook te vinden De heer Tang PvdA Ik raak een beetje in de war door die verschillende brieven Wat staat er in de brief van de multinationals Ik begrijp dat daarin staat dat verlaging van de kinderbijslag het afschaffen van de aanrechtsubsidie en de verhoging van de btw slecht zijn voor het vestigingsklimaat Minister Bos Ja dat staat in de brief die ik heb ontvangen De heer Tang PvdA Interessante brief De heer Irrgang SP Ik verbaas me over de opstelling van de minister Een van de frustraties van de Kamer is dat de minister de voorstellen van haar kant om iets te doen aan de topinkomens van tafel heeft geveegd Nu ligt er een voorstel van de CDA fractie om de extreme bonussen aan te pakken dat hem zoals hij zegt zeer aanspreekt Vervolgens zegt hij dat hij zelf geen voorstel zal doen Ik vind dit merkwaardig Als de minister echt iets wil doen aan de topinkomens en dit voorstel spreekt hem zeer aan dan gaat hij toch aan het werk Hij heeft hier een hele batterij ambtenaren zitten Ik heb me laten vertellen dat hier twee zalen vol zitten Waarom werkt hij dit niet verder uit om vervolgens met een voorstel te komen Dit hoeft niet voor de stemmingen volgende week klaar te zijn hij mag er best wat langer over doen Waarom gaat hij niet aan de slag in plaats van de bal terug te leggen bij de Kamer en te vragen of zij met een voorstel komt De Kamer heeft al heel veel voorstellen gedaan en zij vraagt nu aan de minister om alle ambtelijke ondersteuning te gebruiken en met een voorstel te komen Minister Bos Ik probeer volmaakt dienstbaar te zijn aan de wensen van de Kamer Het was de wens van de Kamer dat het kabinet commentaar zou leveren op maatregelen die globaal werden voorgesteld Ik heb dit in de voorliggende brief gedaan Als de Kamer van mening is dat er bovenop de voorstellen in het Belastingplan nadere voorstellen moeten worden uitgewerkt dan hoor ik wel of de Kamer die uitspraak doet Volgens mij is die uitspraak niet door de Kamer gedaan Ik heb zelf al gezegd dat de vraag of er meer nodig is in ieder geval aan de orde komt als de rapportage van de commissie Frijns aan de orde is Daarnaast heeft de CDA fractie gezegd dat haar voorstellen wellicht beter zijn dan de maatregelen die het kabinet voor ogen staan Dit debat ben ik nooit uit de weg gegaan en ik ga het nu ook niet uit de weg Ik wijs in deze brief alleen wel op een paar problemen die er in ieder geval in deze onuitgewerkte vorm aan dit voorstel kleven Misschien is dit een reden voor de fractie van het CDA om dit debat in de komende tijd verder te voeren Ook daar sta ik voor open De heer Jules Kortenhorst CDA Ik wil ingaan op de alternatieven die door mijn fractie naar voren zijn gebracht Minister Bos Ik ben er niet op voorbereid om alle fiscaal technische bezwaren tegen die alternatieven nu te bespreken De staatssecretaris heeft dit wel gedaan Ik ben gevraagd om hier te komen om in te gaan op de politieke context van een en ander Ik wil me graag bij die rol houden De heer Jules Kortenhorst CDA De maatregelen die de CDA fractie voorstelt zijn destijds gepresenteerd als alternatieven voor en niet als aanvulling op de maatregelen die het kabinet voorstelt in het Belastingplan Ze sluiten aan bij de exorbitante excessen waarover iedereen in deze zaal zich zorgen maakt Wij hebben naar aanleiding van de maatregelen die het kabinet voorstelt voor de hogere inkomens aandacht gevraagd voor de argumenten voor het vestigingsklimaat De minister zegt dat hij de argumenten en de redenering van de CEO s van vier grote bedrijven voor een deel kan volgen Wij hebben niet alleen die brief ontvangen maar wij hebben vanmorgen ook een brief ontvangen van de American Chamber of Commerce in The Netherlands die hetzelfde punt maakt Iedere keer hoor ik zeggen dat buitenlandse investeringen belangrijk zijn voor Nederland hoofdkantoren zijn belangrijk internationale ondernemingen zijn belangrijk Onderschrijft de minister dat het belang van hoofdkantoren van internationale investeringen en van mobiele arbeid en kapitaal vereist dat wij heel zorgvuldig kijken naar de vormgeving van deze maatregelen zodat zij het vestigingsklimaat van Nederland niet ondermijnen Minister Bos Het antwoord op die vraag is ja De heer Kortenhorst maakte ook nog een opmerking over zijn kennelijke veronderstelling dat Nederland hier in isolement iets doet wat in andere landen niet aan de orde is Daarmee moet ook iets voorzichtiger worden omgegaan Bij de laatste begrotingspresentatie in Engeland heeft de Engelse minister van Financiën op belastinggebied een aantal voorstellen gedaan die juist op dit dossier grote gevolgen hebben bijvoorbeeld inzake de problematiek van carried interest en private equity fund managers waarvoor in Nederland met name door de SP aandacht is gevraagd Daar is echt sprake van een enorme toename van de belastingdruk Sarkozy is in Frankrijk mede gekozen omdat hij beloofde dat hij op dit punt de teugels strakker zou aantrekken Hij heeft ook al maatregelen genomen om wettelijk vast te leggen dat er een transparanter verband komt tussen geleverde prestatie en verkregen beloning Duitsland heeft een paar jaar geleden een verhoging van het toptarief gehad zij het nog altijd dik onder het toptarief dat Nederland heeft Het is dus niet zo dat de wereld stilstaat terwijl er alleen in Nederland iets gebeurt Net zoals de heer Kortenhorst vind ik het vestigingsklimaat belangrijk Naar mijn mening spelen er naast het fiscale klimaat vele andere zaken een rol die ook allemaal belangrijk zijn Ik denk dat deze maatregelen goed te verdedigen zijn daarom worden zij hier ook verdedigd Ik ben bereid om op alles verder te studeren sta daar zeer open in maar in de globale bewoordingen waarin het ons tot nu toe is aangereikt zien wij vooral ook een paar knap moeilijke dilemma s om op te lossen willen wij met elkaar een stap verder komen Om misverstanden te voorkomen wil ik ten slotte het volgende zeggen Ik hoor steeds dat het slechts om 75 mln zou gaan Dat betreft begrotingstechnisch alleen de belasting van het kader Bij de pensioenmaatregelen draait het om 60 mln en bij de eigenhuismaatregelen om 15 mln Het saldo in 2011 zoals bekend een belangrijke doelstelling van het kabinet waaraan vooral de CDA fractie mij bij tijd en wijle pleegt te herinneren zou 250 mln lager uitvallen als de pensioenmaatregel werd geschrapt Dat dienen wij met elkaar in de uiteindelijke aftrekking te betrekken De heer Vendrik GroenLinks Ik wil toch even helderheid krijgen over de vraag waartoe dit uur heeft geleid Is mijn conclusie juist dat het kabinet de komende tien dagen op geen enkele wijze met aanvullende voorstellen rondom topinkomens zal komen het Belastingplan ligt er en dat is het maar dat er wel alle ruimte is voor de Kamer om daarop aanvullend met voorstellen te komen die de minister waarschijnlijk bijzonder zullen aanspreken Klopt dat nu Is dat de politieke toestand waarin wij vandaag morgen volgende week met elkaar spreken over het Belastingplan Minister Bos De Kamer heeft rechten die ik haar niet kan of zou willen ontnemen Een daarvan is het recht om met eigen voorstellen te komen of die nu aanvullend of vervangend zijn De heer Vendrik GroenLinks Geef nu toch ook antwoord op het eerste deel van mijn vraag Waar staan wij nu Komt het kabinet nu met voorstellen of niet Ik denk van niet maar klopt dat nu Zeg nu gewoon ja of nee is dat nu zo ingewikkeld Kan de minister niet overzien wat er de komende tien dagen gebeurt Minister Bos Wij zitten hier om het Belastingplan te verdedigen Daar zijn wij mee gekomen Wij hebben geen enkele behoefte om op dit moment aanvullingen op het Belastingplan voor te stellen Omdat de Kamer ons daarvoor een aantal punten heeft aangereikt hebben wij gezegd dat wij ons wel kunnen voorstellen om tegen de tijd dat de commissie Frijns rapporteert te kijken waar wij dan staan en of er aanvullende noodzaak is voor van alles Dat is de formele situatie Dat doet verder niets af aan wat ik in eerste instantie antwoordde op de vraag van de heer Vendrik namelijk dat het de Kamer vrij staat om met van alles en nog wat te komen op elk moment dat zij dat wil De heer Irrgang SP Mijn politieke conclusie is dat op dit moment deze twee voorstellen ter discussie staan en mogelijk worden vervangen door andere voorstellen Ik vind dat jammer omdat het zou betekenen dat wij dus niet verder komen in de aanpak van de topinkomens maar dat wij met andere maatregelen komen die in de plaats komen van deze De minister merkte op dat de maatregelen voor de pensioeninkomens heel netjes zijn begroot niet op kasbasis maar op basis van het structurele effect Hij zei dat het kasbasiseffect 250 mln in 2011 is Betekent dat ook dat als er vervangende maatregelen komen hij van die maatregelen verwacht dat zij hetzelfde effect in 2011 hebben op het saldo dat door de coalitiepartijen als doel is geformuleerd Minister Bos De conclusie die de heer Irrgang in eerste instantie trekt laat ik maar voor zijn rekening Ik constateer slechts dat hij ogenschijnlijk een diametraal tegengestelde conclusie trekt tot datgene wat de heer Vendrik net uit mijn beantwoording meende te mogen opmaken Ik geloof dat men dat in diplomatentaal constructieve ambiguïteit noemt dus dat laten wij dan maar even zo Wat zijn tweede punt betreft weet hij dat dit kabinet sterk hecht aan het saldo dat het in 2011 achterlaat Ook dat is dus een punt van overweging bij alles wat financieel op welk moment in welk debat dan ook aan de orde is De heer Tony van Dijck PVV De minister is niet ingegaan op de publieke en semi publieke sector en de Balkenendenorm De voorzitter Ik maak als voorzitter daar even een voorbehoud bij dit staat nu niet expliciet op de agenda maar dat komt het nog wel Ik dank de minister voor zijn komst naar de Kamer Ik wil voor de lunchpauze de inbreng van de Kamer in blok 1 afmaken natuurlijk een beetje in de hoop dat u honger krijgt Wij waren aangekomen bij de heer Irrgang De heer Irrgang SP Voorzitter Ook mijn fiscale honger is groot dus ik stel het op prijs dat wij dit nu kunnen afmaken Ik begin met een algemene beoordeling van het Belastingplan Het Belastingplan is natuurlijk een cruciaal onderdeel van het kabinetsbeleid en van datgene wat het kabinet volgend jaar voor de burgers in petto heeft Het is samen met het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen een flinke netto lastenverzwaring Er vindt een bescheiden lastenverschuiving plaats van arbeid naar milieuonvriendelijk gedrag en er wordt flink wat gesleuteld aan het koopkrachtbeeld in goede en in slechte zin Wij zullen vandaag spreken over de buitengewone uitgaven over het eigenwoningforfait de aftopping van de pensioenpremies en de topinkomens De SP fractie steunt de staatssecretaris in vergroeningsmaatregelen die werken maar niet in vergroeningsmaatregelen die niet werken zoals de verschuiving van bpm naar de motorrijtuigenbelasting Wij constateren wel dat het uiteindelijk resulterende koopkrachtbeeld waarvan het Belastingplan een cruciaal onderdeel is wel heel erg moeilijk is Dat is een probleem want wij vinden wel dat er nu op dit moment iets moet worden gedaan aan armoedebestrijding in dit land Het meest positieve is dat er eigenlijk geen koopkrachtvooruitgang is dat vindt mijn fractie onvoldoende Daarom pleiten wij voor meer nivellering Wij vinden niet dat dit nu kan blijven liggen Wij zullen het Belastingplan dus vooral beoordelen aan de hand van ons verkiezingsprogramma en de concrete richting van de voorstellen daarin en natuurlijk aan de hand van ons eigen belastingplan dat wij begin september in de vorm van een tegenbegroting hebben gepresenteerd Ik wilde tot slot van dit algemene blokje alvast vooruitblikken op iets waarop ik straks zal terugkomen namelijk de fiscale sprinkhanenbestrijding Dat staat in het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen Dit suggereert eigenlijk dat het niet belangrijk is maar dat is het wat mij betreft wel Ik was gisteren op een interessante bijeenkomst in De Rode Hoed waar dit punt ook aan de orde kwam Vorige week zaterdag stond in NRC Handelsblad dat het kabinet 0 5 mld armer wordt aan het leeghalen van ondernemingen door de renteaftrek Ik zal straks met een aantal concrete suggesties komen om wat te gaan doen aan die renteaftrek om het aan te scherpen Ik vind niet dat de fiscus dit soort gedrag dus het leeghalen van ondernemingen het zwaar verschulden van ondernemingen nog eens een keer fiscaal moet subsidiëren De heer Jules Kortenhorst CDA Ik maak toch bezwaar tegen het gebruik van taal zoals te grazen nemen en bestrijden van sprinkhanen door mijn collega s wanneer het gaat over fiscale maatregelen Dat draagt duidelijk niet bij aan de toon van het debat over het vestigingsklimaat in Nederland In ieder geval zijn er van de kant van mijn fractie grote bezwaren tegen een dergelijke terminologie De heer Irrgang SP Ik waag te bestrijden dat dit namens uw fractie is De heer De Nerée die in de Kamer hierover begon gebruikt ook het woord sprinkhanen Vergeet ook Joop Wijn niet gewezen minister van Economische Zaken Ik meen hierin in het CDA een bondgenoot te hebben Dat geldt kennelijk niet voor de heer Kortenhorst maar ik hoop toch dat ik hierin met het CDA met zijn collega de heer De Nerée en met deze nieuwe staatssecretaris van Financiën stappen vooruit kan zetten De heer Jules Kortenhorst CDA Nee mijnheer Irrgang Wanneer het aankomt op een gedegen debat over het fiscale vestigingsklimaat in Nederland gebruik ik geen termen zoals te grazen nemen en sprinkhanen Ik denk dat dit niet bijdraagt tot een Nederland dat concurrerend is een Nederland dat een innovatieve economie heeft een Nederland dat een goed vestigingsklimaat heeft Ik doe daar dus niet aan mee De heer Irrgang SP Ik denk dat het niet in het Nederlands belang is dat bedrijven zodanig in de schulden worden gestoken dat zij nagenoeg allemaal verlieslijdend worden en dat dit ook nog eens wordt gesubsidieerd door de fiscus Dat is niet het vestigingsklimaat dat je zou moeten willen Ik wil dus samen met het CDA ik dacht dat ik daarin de heer De Nerée als bondgenoot had en hopelijk ook samen met deze staatssecretaris kijken of wij daaraan kunnen werken Ik zal daarvoor straks een aantal concrete richtingen suggereren Ik hoop dan een constructieve opstelling niet alleen van deze CDA staatssecretaris maar ook van de heer Kortenhorst te mogen bemerken De heer Tony van Dijck PVV Voorzitter Het kabinet komt met een pakket aan fiscale maatregelen waar je u tegen zegt In 2008 wordt maar liefst 2 mld extra bij de burgers weggehaald en dit stijgt naar 5 mld in de jaren daarna De grote vraag in dit verband is waarom Waarom moet de belastingdruk verder worden verhoogd voor burgers en ondernemers Deze is al bijna het hoogste van heel Europa Zitten wij soms in een recessie en moet iedereen zijn steentje bijdragen om uit het economische dal te klimmen Zitten wij soms in een buitensporigtekortprocedure bij de Europese Unie Gaat dit kabinet de staatsschuld versneld aflossen Niets is minder waar Het kabinet doet niets aan dit alles Het kabinet heeft gewoon meer geld nodig voor linkse hobby s Het is nooit genoeg meer geld naar ontwikkelingshulp immigratie kunst cultuur publieke omroep generaal pardon krachtwijken en noem maar op Het zijn allemaal zaken waarop de burger de ondernemer en de economie van Nederland niet zitten te wachten maar zij mogen het wel betalen Wat de effecten van deze lastenverzwaring betreft verwijst de staatssecretaris naar het CPB Het is echter niet bekend in hoeverre hierbij ook rekening is gehouden met externe factoren zoals de prijs van de olie die op bijna 100 dollar zit de valutaontwikkeling de euro staat het hoogst sinds de introductie ervan en de kredietcrisis in de Verenigde Staten Is het niet meer dan billijk dat in het licht van deze recente ontwikkelingen de optimistische blik op de toekomst en de economische groei moet worden bijgesteld en daarmee ook het kabinetsbeleid voor zover het gaat om lastendruk De prijs van de brandstof is zo hebben wij in de laatste weken kunnen zien naar een recordhoogte gestegen Die staat nu op 1 53 Op 1 januari van dit jaar was dit nog 1 34 Als gevolg van deze ontwikkeling gaat de automobilist er nu fors in koopkracht op achteruit Met andere woorden voor deze negatieve koopkrachtontwikkeling hebben wij de overheid niet eens nodig Ook zonder overheid gaan wij allen er volgend jaar flink op achteruit Wat dit kabinet doet is zout strooien in de open wonden bij de burgers en dit gaat heel veel pijn doen Wij hebben vraagtekens bij de effecten van deze belastingmaatregelen Hebben zij wel het gewenste effect Wij denken eerder het tegenovergestelde De lastendruk in Nederland heeft zijn maximum bereikt Verder verhogen van de belastingdruk resulteert in minder inkomsten voor de staatskas De bereidheid van burgers om nog meer aan de staatskas af te dragen is verdwenen waardoor men gericht op zoek gaat naar alternatieven om de belasting te ontwijken Veel burgers lopen met plannen voor emigratie zwartwerken illegaal importeren van drank en sigaretten in de grensstreek en noem maar op Daarom hebben wij een algemene vraag aan de staatssecretaris Heeft hij de effecten van de voorgenomen belastingmaatregelen voldoende doorgerekend Op welke operationele budgettaire doelstellingen kunnen wij hem afrekenen Welk scenario heeft hij in petto indien de verwachte extra inkomsten blijken tegen te vallen of wanneer volgend jaar de economische groei stagneert Gaat het kabinet dan intensiveringen schrappen of gaat het verder met extra lastenverzwarende maatregelen Ik kom bij de uitvoerbaarheid Wij weten allemaal dat de Belastingdienst onder vuur ligt De IT is een puinhoop en men kan de stroom van klachten nauwelijks aan De grootschalige complexe gegevensverwerking en uitwisseling is onbeheersbaar gebleken De staatssecretaris kwam in de zomer met een plan voor een vereenvoudigingsoperatie bij de Belastingdienst Toch presenteert dit kabinet weer een veelheid aan extra belastingmaatregelen waardoor de Belastingdienst extra wordt belast Kan de staatssecretaris garanderen dat dit niet leidt tot extra problemen in de uitvoering bij de Belastingdienst Is het niet verstandiger om maatregelen gefaseerd in te voeren en eerst een gedegen proefdraaiperiode in te stellen alvorens een maatregel tot wetgeving te bombarderen Afgesproken was ook dat alle wet en regelgeving eerst zou worden getoetst op uitvoerbaarheid door de Belastingdienst In hoeverre is dit met het Belastingplan 2008 gebeurd De staatssecretaris stelt dat de betrokken partijen uit de praktijk uitvoerig zijn betrokken bij deze maatregelen met name maatregelen die in het kader van de vergroening zijn voorgesteld De Partij voor de Vrijheid ziet dit niet Wij krijgen en zien alleen maar reacties van betrokken partijen die fel uithalen tegen alle maatregelen en die deze naar de prullenbak verwijzen MKB Nederland VNO NCW Bovag ANWB de RAI stopbos nl iedereen is bezig om deze plannen af te schieten Wij willen graag weten met wie de staatssecretaris overleg heeft gevoerd De heer Jules Kortenhorst CDA Zegt de heer Van Dijck dat hij de noodzaak van vergroening en de ernst van het klimaatprobleem niet ziet Of ziet hij niet hoe daarover overleg is gevoerd De heer Tony van Dijck PVV Wij zien zeker de noodzaak tot een zekere mate van vergroening Het valt ons op dat de staatssecretaris in de stukken

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Wetsvoorstel%20Belastingplan%202008%20pensioenaspecten.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • 29760 ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
    ten aanzien van de beide onderwerpen De beschreven budgettaire en beleidsmatige samenhang heeft er ook toe geleid dat beide onderwerpen in de maatschappelijke beeldvorming onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is de memorie van toelichting op dit punt aangevuld 3 VUT en prepensioen a De maatregelen die ten aanzien van de VUT en het prepensioen worden voorgesteld komen overeen met de maatregelen die in het voorstel van Wet aanpassing fiscale behandeling VUT waren opgenomen De Raad heeft over de maatregelen in dat voorstel in het advies van 12 juli 2002 no W06 02 0161 IV als volgt geadviseerd De fiscale faciliëring voor VUT regelingen bestaat uit de toepassing van de zogenoemde omkeerregeling hetgeen inhoudt dat de aanspraken ingevolge een VUT regeling niet tot het loon worden gerekend maar de VUT uitkeringen als loon worden belast Hiermee samenhangend is tevens bepaald dat de bijdragen die van de werknemer voor een VUT regeling worden ingehouden aftrekbaar zijn De aanspraak op de VUT ontstaat voor werknemers op het tijdstip van invoering van een VUT regeling of op het moment van het sluiten van een arbeidsovereenkomst indien tot de arbeidsvoorwaarden een VUT regeling behoort omdat het een voorziening is krachtens welke de werknemer het recht heeft om na verloop van tijd en onder bepaalde voorwaarden periodiek een uitkering te ontvangen Hieraan doet niet af dat VUT regelingen geen opbouw kennen zoals wel het geval is bij pre pensioenregelingen deze omstandigheid brengt niet mee dat de aanspraak in de zin van artikel 10 tweede lid van de Wet op de loonbelasting 1964 Wet LB 1964 eerst ontstaat op het tijdstip van het ingaan van de VUT uitkeringen Het voorgestelde regime dat beoogt de huidige fiscale faciliëring voor VUT regelingen te laten vervallen bestaat uit de volgende elementen a de aanspraken blijven vrijgesteld b de VUT uitkeringen blijven als loon box I belast bij de werknemer c de werknemersbijdragen zijn niet langer aftrekbaar d de VUT uitkeringen die de werkgever doet of de bijdragen die hij aan een VUT fonds doet worden bij hem belast tegen een tarief van 52 Het voorstel heeft weinig te maken met het laten vervallen van de omkeerregel die door de elementen a en b volledig wordt gehandhaafd Het houdt enkel een meervoudige heffing over de VUT uitkeringen in die tot meer dan 100 van het bedrag van die uitkeringen kan oplopen door het gezamenlijke effect van element b met element c of d Naar het oordeel van de Raad is een dergelijke heffing niet te rechtvaardigen Door het opleggen van een meervoudige heffing die tot meer dan 100 kan oplopen wordt het treffen van een VUT regeling de facto bestraft Naar het oordeel van de Raad is het onjuist het fiscale instrument op deze wijze in te zetten De Raad adviseert het voorstel zodanig aan te passen dat alleen de faciliteit bestaande in de toepassing van de omkeerregel voor de VUT regelingen komt te vervallen De Raad adviseert over de in dit voorstel opgenomen maatregelen met betrekking tot de regelingen voor de VUT en het prepensioen niet anders b In onderdeel 2 2 Fiscale faciliëring VUT en prepensioenregelingen van het Algemeen deel van de toelichting wordt gesteld dat de omkeerregel inhoudt dat de aanspraak onbelast is en dat de uitkeringen belast worden toepassing van de omkeerregel leidt derhalve tot uitstel van belastingheffing In de toelichting wordt verder geen nadere aanduiding van de fiscale faciliëring gegeven Het vervallen van de omkeerregel heeft echter betrekking op meer dan het enkele verval van uitstel van belastingheffing In het kader van het voorstel Aanpassing van de Wet op de loonbelasting 1964 en andere wetten aan Brede Herwaardering Kamerstukken II 1992 93 23 046 is uitvoerig ingegaan op de verhouding tussen het belasten van de aanspraak en het belasten van de uitkeringen alsmede op het trekken van inkomensbestanddelen in hetzij de loonsfeer hetzij de inkomstensfeer In het nader rapport is met betrekking tot artikel 11 eerste lid onderdeel g van de Wet op de loonbelasting 1964 dat toentertijd bepaalde dat tot het loon niet behoren uitkeringen en verstrekkingen ingevolge een aanspraak die tot het loon behoort onder meer gesteld Met het laten vervallen van artikel 11 eerste lid onderdeel g van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt bewerkstelligd dat uitkeringen uit aanspraken die eenmaal tot het loon zijn gerekend niet op hun beurt in de sfeer van de loonbelasting kunnen opkomen De systematiek van de Wet op de loonbelasting 1964 brengt ook mee dat een in de heffing van de loonbelasting betrokken bestanddeel de sfeer van de loonbelasting verlaat De uitkeringen ingevolge belaste aanspraken vallen dan niet meer onder het loonbegrip van de loonbelasting maar kunnen alleen nog in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken volgens de voor die belasting geldende bepalingen Aan de hand van het voor de inkomstenbelasting geldende inkomensbegrip dient vervolgens te worden bepaald of en zo ja in hoeverre in de buiten de loonsfeer opkomende uitkeringen een belastbaar element is opgenomen Kamerstukken II 1992 93 23 046 B blz 21 23 Het vervallen van de omkeerregel houdt mitsdien in dat niet de uitkeringen maar de aanspraak als loon wordt belast alsmede dat de aanspraak vervolgens tot de privé vermogenssfeer van de werknemer gaat behoren De opbrengst van de aanspraak wordt op grond van de voor die sfeer geldende bepalingen in de inkomstenbelastingheffing betrokken Materieel betekent dit aangezien de belastingheffing over de aanspraak rekening houdend met sterftekansen de contante waarde van de belastingheffing over de uitkeringen in het algemeen niet veel zal ontlopen dat het verschil in belastingdruk tussen een heffing over de aanspraak en de heffing over de uitkeringen is terug te voeren op een heffing over de rentecomponent in de uitkeringen Het toepassen van de omkeerregel leidt ertoe dat de heffing over deze rentecomponent achterwege blijft de fiscale faciliëring is het niet als zodanig belasten van deze rentecomponent De Raad laat in het midden of de fiscale faciliëring moet worden gekwalificeerd als het achterwege laten van een in economisch opzicht dubbele heffing hij beschouwt het vigerende stelsel als een gegeven Het vervallen van de faciliteit voor de VUT regelingen zou er materieel toe moeten leiden dat een met een rentecomponent overeenstemmend deel van de VUT uitkeringen afzonderlijk in de belastingheffing wordt betrokken Dit laat onverlet dat nader dient te worden bezien of deze compenserende heffing individueel dan wel forfaitair wordt bepaald alsmede of de compenserende heffing alleen moet drukken op de werknemer of op de werkgever dan wel op werknemers en werkgevers gezamenlijk De Raad adviseert in de toelichting nader in te gaan op hetgeen onder het vervallen van de fiscale faciliëring van de VUT regelingen moet worden verstaan Tevens adviseert de Raad aan te geven op welke wijze de compenserende heffing die voortvloeit uit het vervallen van de faciliteit vorm wordt gegeven en het voorstel dienovereenkomstig aan te passen 3 Vut en prepensioen a De Raad verwijst met betrekking tot het advies over de maatregelen ten aanzien van VUT en prepensioen naar zijn advies van 12 juli 2002 no WO6 02 0161 IV op het wetvoorstel aanpassing fiscale behandeling VUT Dit wetsvoorstel is niet aanhangig gemaakt bij de Tweede Kamer der Staten Generaal In samenhang met de indiening van het wetsvoorstel Belastingplan 2004 bij de Tweede Kamer der Staten Generaal is dit advies samen met het wetsvoorstel gepubliceerd in de bijlage bij de Staatscourant 2003 nr 198 aangezien op dat moment duidelijk was dat het wetsvoorstel aanpassing fiscale behandeling VUT niet zou worden ingediend In het wetsvoorstel aanpassing fiscale behandeling VUT is voor wat betreft de fiscale behandeling van VUT regelingen dezelfde systematiek opgenomen als in het onderhavige wetsvoorstel Deze systematiek houdt in dat de aanspraken ingevolge een VUT regeling worden vrijgesteld en de uitkeringen uit die regeling als loon worden belast Daarnaast zijn binnen deze systematiek de werknemersbijdragen aan de VUT regeling niet langer aftrekbaar en de werkgeversbijdragen premies of uitkeringen die door de werkgever worden betaald worden in de belastingheffing betrokken Deze systematiek die voor wat betreft het heffen over zowel de premies als de uitkeringen overigens reeds geldt voor de AOW en Anw uitkeringen eveneens omslaggefinancierde uitkeringen is in het onderhavige wetsvoorstel wederom opgenomen nu gebleken is dat de in het Belastingplan 2004 voorgestelde systematiek op grote maatschappelijke weerstand stuit In het Belastingplan 2004 was met betrekking tot VUT regelingen een systematiek opgenomen waarbij de aanspraken ingevolge een VUT regeling belast werden terwijl de uitkeringen ingevolge deze regelingen vrijgesteld werden De totale VUT aanspraken werden binnen de systematiek zoals opgenomen in het Belastingplan 2004 ineens belast op het moment voorafgaand aan het ingaan van de uitkeringen De keuze voor deze systematiek was mede gebaseerd op het advies van de Raad van State op het wetsvoorstel aanpassing fiscale behandeling VUT In dit advies betoogt de Raad evenals in het advies op het onderhavige wetsvoorstel dat slechts de fiscale faciliteit bestaande in de toepassing van de omkeerregel zou behoren te vervallen De voorstellen met betrekking tot de fiscale behandeling van VUT regelingen in het Belastingplan 2004 voorzagen in het vervallen van het voordeel van de omkeerregel Hoewel de aanspraken ingevolge een VUT regeling zoals de Raad in dit advies opnieuw aangeeft niet ontstaan op het moment voorafgaand aan het ingaan van de uitkeringen is het tot dat moment onmogelijk een reële waarde aan de aanspraken toe te kennen Bij de vaststelling van de waarde van de aanspraak zou niet alleen rekening moeten worden gehouden met de sterftekans en de kans dat de werknemer bij het bereiken van de VUT gerechtigde leeftijd nog bij deze werkgever werkt de blijfkans maar ook met de kans dat tegen die tijd nog een VUT regeling bestaat Deze factoren samen zouden naast de problemen om deze factoren te bepalen leiden tot een zeer lage waarde van de VUT aanspraken Het enkele niet langer toepassen van de omkeerregel zou derhalve een gunstiger fiscale behandeling van VUT regelingen inhouden ten opzichte van de huidige fiscale behandeling van VUT regelingen De VUT aanspraken zouden in dat geval immers tegen een zeer lage waarde of zelfs tegen een waarde van nihil in de heffing worden betrokken terwijl de uitkeringen zouden zijn vrijgesteld Per saldo wordt dan minder geheven dan onder het huidige fiscale regime In het Belastingplan 2004 is daarom de hierboven beschreven heffing ineens over de aanspraken voorafgaand aan het ingaan van de uitkeringen voorgesteld Op deze wijze zouden de aanspraken tegen een reële waarde in de heffing kunnen worden betrokken en zou slechts de fiscale faciliteit worden weggenomen Gezien de grote maatschappelijke weerstand tegen de in het Belastingplan 2004 opgenomen systematiek is er tijdens het Voorjaarsoverleg tussen kabinet en sociale partners voor gekozen met betrekking tot VUT regelingen uit te gaan van de systematiek uit het niet ingediende wetsvoorstel aanpassing fiscale behandeling VUT Deze systematiek voor de fiscale behandeling van VUT regelingen was onderdeel van zowel de voorstellen van het kabinet als de voorstellen van sociale partners Als gevolg van deze ontwikkelingen is in het onderhavige wetsvoorstel met betrekking tot VUT regelingen de systematiek uit het wetsvoorstel aanpassing fiscale behandeling VUT opgenomen Zoals de Raad in het advies op dit wetsvoorstel aangeeft gaat de in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen systematiek verder dan het enkel laten vervallen van de omkeerregel Anders dan de Raad is het kabinet echter van mening dat de voorgestelde systematiek geen straf is op voortzetting van VUT regelingen Het is ook na 2006 nog steeds mogelijk een VUT regeling voort te zetten waarbij als gevolg van de voorgestelde systematiek wel sprake is van fiscaal ontmoedigingsbeleid De heffing wordt alleen opgelegd als door werkgevers en werknemers de keuze wordt gemaakt om dergelijke regelingen in stand te houden Wel wordt bij VUT regelingen een ongunstiger fiscale behandeling voorgesteld dan bij prepensioenregelingen Deze ongunstiger fiscale behandeling komt voort uit de hierboven beschreven technische problemen met betrekking tot het toekennen van een reële waarde aan VUT aanspraken Daarbij is het kabinet anders dan de Raad van mening dat de als gevolg van de hierboven beschreven technische problemen ongunstiger fiscale behandeling van VUT regelingen ten opzichte van prepensioenregelingen niet ongewenst is Zoals in de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel uitgebreid is toegelicht hebben VUT regelingen een aantal belangrijke nadelen ten opzichte van prepensioenregeling VUT regelingen zijn kwetsbaar bij de toenemende vergrijzing beperken de arbeidsmobiliteit van ouderen en leveren een negatieve prikkel op langer doorwerken Prepensioenregelingen kennen deze nadelen minder door het systeem van kapitaaldekking maar ook met deze regelingen wordt de mogelijkheid geboden om ruim voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar te stoppen met werken hetgeen niet langer wenselijk is Met betrekking tot prepensioenregelingen vervalt dan ook de omkeerregel waardoor op grond van dit wetsvoorstel vanaf 2006 de hoofdregel van toepassing is De aanspraken op grond van een prepensioenregeling worden dan in box 1 belast de waarde van de totale aanspraken maakt vervolgens deel uit van de grondslag voor box 3 en de uitkeringen zijn vrijgesteld In tegenstelling tot bij VUT regelingen is deze systematiek bij prepensioenregelingen technisch mogelijk omdat in de opbouwfase aan de aanspraken een reële waarde kan worden toegekend Verder wordt door de toepassing van de hoofdregel bereikt dat prepensioenregelingen niet zoals VUT regelingen worden ontmoedigd maar dat de overheid niet langer door middel van fiscale faciliëring een bijdrage levert aan de voortzetting van deze regelingen Bij VUT regelingen wordt vanwege de hierboven beschreven technische problemen bij de waardering van VUT aanspraken en de beschreven maatschappelijke ongewenste effecten van VUT regelingen een ontmoedigend beleid ingezet Het fiscale instrument wordt hierbij gebruikt om een prikkel te geven om bij voortzetting van een regeling die het mogelijk maakt om voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar het arbeidsproces te verlaten deze regeling vorm te geven als een kapitaalgedekte prepensioenregeling Omdat het kabinet zich ervan bewust is dat het enige tijd zal kosten om bestaande VUT regelingen te beëindigen wordt naast de beschreven systematiek overgangsrecht voorgesteld Binnen dit overgangsrecht is tot 2011 de werknemerspremie nog voor de helft aftrekbaar en wordt het tarief van de heffing bij de werkgever gehalveerd Mede naar aanleiding van het advies van de Raad is additioneel overgangsrecht opgenomen Voor VUT en prepensioenregelingen op basis waarvan na 31 december 2005 uitsluitend uitkeringen kunnen worden gedaan aan werknemers die op 1 januari 2005 57 jaar of ouder zijn blijft de huidige fiscale faciliëring gelden Verder wordt voor werknemers die op 1 januari 2005 50 jaar of ouder maar niet ouder dan 56 jaar zijn een extra stortingsmogelijkheid in de levensloopregeling voorgesteld Dit is een afwijking op het binnen de levensloopregeling geldende maximum van 12 van het loon van het kalenderjaar voor de jaarlijkse opbouw van een voorziening ingevolge een levensloopregeling De overige voorwaarden van de levensloopregeling zoals de voorwaarde dat de totale levensloopvoorziening niet meer mag bedragen dan anderhalf keer het laatstverdiende loon blijven volledig gelden voor deze werknemers Het advies van de Raad om het voorstel dusdanig aan te passen dat slechts het voordeel van de omkeerregel vervalt voor VUT regelingen wordt vanwege hierboven beschreven technische problemen en de beleidsmatige overwegingen niet gevolgd b De Raad adviseert in de toelichting nader in te gaan op de precieze inhoud van het vervallen van de fiscale faciliëring van VUT regelingen Anders dan de Raad betoogt is het kabinet van mening dat het voordeel van de omkeerregel breder is dan het niet belasten van de rentecomponent in de VUT uitkering Onderstaand wordt de huidige fiscale faciliëring door middel van de omkeerregel van VUT regelingen nader toegelicht De hoofdregel binnen de fiscaliteit is dat aanspraken op toekomstige uitkeringen op het moment van verkrijging van de aanspraak tot het loon behoren en dientengevolge op dat moment worden belast Deze hoofdregel volgt uit het feit dat binnen de loonbelasting al hetgeen uit dienstbetrekking wordt genoten wordt belast Aanspraken worden aan de werknemer toegekend omdat de werknemer in dienstbetrekking is Op het moment van toekennen van de aanspraken worden deze genoten door de werknemer Hoewel de werknemer op dat moment nog niet kan beschikken over de toekomstige uitkeringen worden de aanspraken de rechten op deze toekomstige uitkeringen op bijvoorbeeld VUT op prepensioenuitkeringen op het moment van toekennen ook door de werknemer als een voordeel uit dienstbetrekking gezien Voor verschillende specifieke aanspraken is bepaald dat deze op het moment van ontstaan niet tot het loon worden gerekend maar dat in de toekomst de uitkeringen ingevolge deze aanspraken worden belast De aangroei van de aanspraken is binnen deze systematiek niet belast in box 3 omdat de aanspraken de box 1 sfeer niet verlaten totdat de uitkeringen worden gedaan Deze uitzondering op de hoofdregel wordt de omkeerregel genoemd De toepassing van de omkeerregel is een fiscale faciliteit omdat door de werking van de omkeerregel uitstel van belastingheffing wordt toegekend Het voordeel van uitstel van belastingheffing door de omkeerregel bestaat uit twee elementen Ten eerste uit een rentevoordeel en ten tweede uit een mogelijk tariefsvoordeel Beide elementen worden onderstaand nader uitgewerkt Het zogenoemde rentevoordeel houdt verband met het feit dat de belastingplichtige door het uitstel van belastingheffing pas op een later moment loonbelasting hoeft te betalen waardoor rendement kan worden behaald over de op dit moment nog niet te betalen belasting Dit rendement over de op dit moment nog niet te betalen belasting is voor de belastingplichtige Met dit extra rendement kan hij in de toekomst de belasting betalen die is verschuldigd over de rentecomponent die in de uitkering schuil gaat De Raad duidt dit voordeel in het advies aan als het achterwege laten van de heffing over de rentecomponent Wanneer de aanspraken niet zouden zijn vrijgesteld zouden de aanspraken jaarlijks tot de heffingsgrondslag van box 3 behoren en zou de belastingplichtige het extra rendement ten gevolge van belastinguitstel niet genieten Het tweede voordeel dat kan ontstaan door uitstel van belastingheffing op grond van de omkeerregel is een tariefsvoordeel Dit tariefsvoordeel is het gevolg van het progressieve tarief dat in box 1 wordt gehanteerd Op het moment waarop de aanspraken zijn vrijgesteld wordt het loon niet vermeerderd met deze aanspraken waardoor de mogelijkheid bestaat dat een lagere tariefschijf van toepassing is Het afzien van deze vermeerdering

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Nader%20Rapport%20Prep-VUT%202005.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • 29760 VOORSTEL VAN WET TWEEDE KAMER
    7 Op verzoek van de inhoudingsplichtige beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking of een regeling een regeling voor vervroegde uittreding is Het verzoek wordt gedaan voordat de regeling dan wel een wijziging van de regeling wordt ingevoerd 8 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel P In artikel 36a tweede lid wordt 1 januari 2007 vervangen door 1 januari 2006 Q In artikel 36b wordt artikel 18i onderdeel c vervangen door artikel 18i onderdeel c zoals dat luidde op 31 december 2004 R Artikel 38a vervalt S Artikel 38b wordt vervangen door Voor bestaande aanspraken ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in deze wet blijven de op het moment van ontstaan van deze aanspraken in deze wet opgenomen bepalingen die verband houden met deze aanspraken van toepassing In afwijking in zoverre van de eerste volzin is met betrekking tot de in de eerste volzin bedoelde aanspraken artikel 10 vierde lid eveneens van toepassing T Na artikel 38b wordt een artikel ingevoegd luidende Artikel 38c 1 Voor een op 31 december 2004 bestaande regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde blijven tot en met 31 december 2005 de artikelen 11 18g 18i 19 19a 19b 19c en 19d zoals die luidden op 31 december 2004 van toepassing en is artikel 32aa niet van toepassing 2 In afwijking in zoverre van het eerste lid blijven de artikelen 11 18g 18i 19 19a 19b 19c en 19d zoals die luidden op 31 december 2004 van toepassing en is artikel 32aa niet van toepassing voor een op 31 december 2004 bestaande regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde indien ingevolge die regeling voor vervroegde uittreding na 31 december 2005 nog uitsluitend uitkeringen kunnen worden gedaan aan werknemers a die voor 1 januari 2006 reeds een of meer uitkeringen ingevolge deze regeling genoten of b die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 57 jaar hebben bereikt U Na artikel 38c wordt een artikel ingevoegd luidende Artikel 38d 1 Voor een op 31 december 2004 bestaande prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde blijft tot en met 31 december 2005 artikel 38a zoals dit artikel luidde op 31 december 2004 van toepassing 2 In afwijking in zoverre van het eerste lid blijft artikel 38a zoals dit artikel luidde op 31 december 2004 van toepassing voor een op 31 december 2004 bestaande prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a zoals dit artikel toen luidde indien ingevolge die prepensioenregeling na 31 december 2005 nog uitsluitend uitkeringen kunnen worden gedaan a aan werknemers die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 57 jaar hebben bereikt of b ingevolge aanspraken die voor 1 januari 2006 zijn opgebouwd 3 In afwijking in zoverre van artikel 18a kan een ouderdomspensioen meer bedragen dan de aldaar opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van de omzetting van een op 31 december 2005 bestaande aanspraak ingevolge een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling V Na artikel 38d wordt een artikel ingevoegd luidende Artikel 38e 1 Voor een op 31 december 2004 bestaande regeling voor ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 18a zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde blijft tot en met 31 december 2005 artikel 18a zoals dit artikel luidde op 31 december 2004 van toepassing 2 In afwijking in zoverre van het eerste lid blijft artikel 18a zoals dit artikel luidde op 31 december 2004 van toepassing voor een werknemer die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt W Na artikel 38e wordt een artikel ingevoegd luidende Artikel 38f 1 Voor een op 31 december 2004 bestaande regeling voor overbruggingspensioen als bedoeld in artikel 18e zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde blijven tot en met 31 december 2005 de artikelen 18 18e en 18g zoals deze luidden op 31 december 2004 van toepassing 2 In afwijking in zoverre van het eerste lid blijven de artikelen 18 18e en 18g zoals deze luidden op 31 december 2004 van toepassing voor een werknemer die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt 3 In afwijking in zoverre van artikel 18a kan een ouderdomspensioen meer bedragen dan de aldaar opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van de omzetting van een op 31 december 2005 bestaande aanspraak ingevolge een overbruggingspensioen als bedoeld in artikel 18e zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling Artikel II De Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2006 als volgt gewijzigd A Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd 1 In het eerste lid vervalt onderdeel g 2 In het eerste lid wordt onderdeel j onder 5 vervangen door 5 als bijdragen ingevolge een levensloopregeling volgens de bij of krachtens hoofdstuk IIC gestelde normeringen en beperkingen 3 In het eerste lid wordt onderdeel r onder 4 vervangen door 4 ingevolge een levensloopregeling 4 Het derde vierde en vijfde lid vervallen onder vernummering van het zesde lid tot tweede lid 5 In het tot tweede lid vernummerde zesde lid wordt een regeling voor verlofsparen vervangen door een levensloopregeling Voorts wordt de in het tweede lid onderdeel b opgenomen begrenzingen vervangen door de in artikel 19g eerste lid onderdeel b opgenomen begrenzingen B In artikel 13a tweede lid wordt geheel of voor een meer dan bijkomstig deel vervangen door geheel of gedeeltelijk Voorts vervalt de tweede volzin C Artikel 19b wordt als volgt gewijzigd 1 Na het derde lid wordt onder vernummering van het vierde vijfde en zesde lid tot vijfde zesde en zevende lid een lid ingevoegd luidende 4 Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een in onderdeel b van dat lid bedoelde uitkering of afkoopsom wordt uitgekeerd als gevolg van een bij of krachtens artikel 32 vierde lid van de Pensioen en spaarfondsenwet toegestane afkoop van aanspraken opgebouwd ten behoeve van pensioen in de periode voorafgaand aan de datum waarop de deelnemer of gewezen deelnemer de leeftijd van 65 jaar bereikt 2 Het tot zevende lid vernummerde zesde lid vervalt D Na artikel 19f wordt een hoofdstuk ingevoegd luidende HOOFDSTUK IIC LEVENSLOOPREGELING Artikel 19g 1 Onder levensloopregeling wordt verstaan een regeling die a ten doel heeft het treffen van een voorziening in tijd of geld uitsluitend voor een periode van extra verlof b inhoudt dat een voorziening in tijd of geld kan worden opgebouwd met dien verstande dat in het kalenderjaar niet meer aanspraken ontstaan dan overeenkomt met 12 percent van het loon van het jaar en voorzover de totale aanspraken aan het einde van het kalenderjaar door de in het kalenderjaar opgebouwde aanspraken een periode van extra verlof van anderhalf jaar niet te boven gaan 2 Over de ingevolge een levensloopregeling in geld opgebouwde voorziening mag worden beschikt ten behoeve van loon tijdens een verlofperiode dat tezamen met het daarnaast van de inhoudingsplichtige genoten loon niet uitgaat boven het laatstgenoten loon 3 Het ingevolge een levensloopregeling ter zake van een voorziening in geld ingehouden loon wordt overgemaakt naar een geblokkeerde rekening bij een kredietinstelling dan wel als premie gestort bij een verzekeraar voor een verzekering in het kader van een levensloopregeling 4 Als kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar als bedoeld in het derde lid kunnen optreden a ondernemingen of instellingen aan wie het ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992 is toegestaan hun bedrijf te maken van het ter beschikking krijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen of beleggingen mits deze kredietinstelling de verplichting ingevolge de levensloopregeling voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen b verzekeraars aan wie het ingevolge de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 is toegestaan het directe verzekeringsbedrijf uit te oefenen mits deze verzekeraar de verplichting ingevolge de levensloopregeling rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen c een ander lichaam dan bedoeld in de onderdelen a en b dat voldoet aan door onze Minister te stellen voorwaarden 5 Een werknemer kan in een kalenderjaar niet zowel een voorziening ingevolge een levensloopregeling opbouwen als sparen ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 6 Indien op enig tijdstip a een levensloopregeling niet langer als zodanig is aan te merken of b een aanspraak ingevolge een levensloopregeling wordt afgekocht of vervreemd wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak ingevolge de levensloopregeling aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel indien deze is overleden van de gerechtigde tot de aanspraak 7 Het zesde lid is niet van toepassing voorzover een aanspraak ingevolge een levensloopregeling wordt omgezet in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling die na de omzetting nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB gestelde begrenzingen 8 De ingevolge de levensloopregeling opgebouwde voorziening wordt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de werknemer de 65 jarige leeftijd heeft bereikt maar uiterlijk op de dag voorafgaand aan het ingaan van het ouderdomspensioen aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer 9 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel E Artikel 36a tweede lid wordt vervangen door 2 De aanspraken die voor 1 januari 2006 zijn opgebouwd ingevolge een regeling voor verlofsparen worden aangemerkt als aanspraken opgebouwd ingevolge een levensloopregeling F Artikel 37 wordt vervangen door Artikel 37 1 Met betrekking tot een op 31 december 2005 bestaande aanspraak welke naar of krachtens de tekst van artikel 11 zoals dat op 31 december 2005 luidde is aan te merken als een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter vervanging van gederfd of te derven loon is artikel 19b van overeenkomstige toepassing 2 Met betrekking tot een op 31 december 1994 bestaande aanspraak welke naar of krachtens de tekst van artikel 11 zoals dat op 31 december 1994 luidde is aan te merken als een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter vervanging van gederfd of te derven loon zijn de in artikel 11 eerste lid onderdeel g onder 1 en 2 gestelde voorwaarden zoals deze luidden op 31 december 2005 niet van toepassing Met betrekking tot de in de eerste volzin genoemde aanspraken is artikel 19b van overeenkomstige toepassing Artikel III De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2006 als volgt gewijzigd A Artikel 3 125 wordt als volgt gewijzigd 1 Het eerste lid onderdeel c vervalt onder verlettering van onderdeel d tot onderdeel c 2 In het tot onderdeel c verletterde onderdeel d van het eerste lid vervalt of het jaar waarin hij een pensioen als bedoeld in onderdeel c gaat genieten 3 In het tweede lid wordt onderdelen a c en d vervangen door onderdelen a en c 4 In het derde lid vervalt alsmede voor rechten als bedoeld in het eerste lid onderdeel c B In artikel 8 2 wordt onder verlettering van de onderdelen g tot en met m tot respectievelijk h tot en met n na onderdeel f een onderdeel ingevoegd luidende g de ouderschapsverlofkorting artikel 8 14b C In artikel 8 9 eerste lid wordt de zinsnede en aanvullende combinatiekorting vervangen door aanvullende combinatiekorting en ouderschapsverlofkorting Voorts wordt de zinsnede en de aanvullende combinatiekorting vervangen door de aanvullende combinatiekorting en de ouderschapsverlofkorting D Na artikel 8 14a wordt een artikel ingevoegd luidende Artikel 8 14b Ouderschapsverlofkorting 1 De ouderschapsverlofkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar a gebruik maakt van zijn recht op ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg en b een voorziening in tijd of geld in het kader van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g Wet op de loonbelasting 1964 opbouwt 2 De ouderschapsverlofkorting bedraagt 50 van het wettelijk minimumloon per werkdag zoals bepaald bij of krachtens artikel 8 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag per werkdag opgenomen ouderschapsverlof in het kalenderjaar 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel E In artikel 9 3 tweede lid wordt onder verlettering van de onderdelen e tot en met k tot respectievelijk f tot en met l na onderdeel d een onderdeel ingevoegd luidende e de ouderschapsverlofkorting F Na hoofdstuk 10 wordt een hoofdstuk ingevoegd luidende HOOFDSTUK 10A OVERGANGSRECHT TEN GEVOLGE VAN WIJZIGINGSWETTEN Artikel 10a 1 Overgangsrecht in verband met afschaffing per 1 januari 2006 van premieaftrek voor overbruggingslijfrenten 1 Op aanspraken die uitsluitend dan wel mede betrekking hebben op lijfrenten als bedoeld in artikel 3 125 eerste lid onderdeel c zoals dit onderdeel luidde op 31 december 2005 blijven de op die datum geldende bepalingen die verband houden met de aanspraken op dergelijke lijfrenten van toepassing voor zover de aanspraken voortvloeien uit premies die vóór 1 januari 2006 in aanmerking zijn genomen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen 2 Indien ter zake van een overeenkomst waarin een aanspraak is opgenomen die mede betrekking heeft op lijfrenten als bedoeld in artikel 3 125 eerste lid onderdeel c zoals dit onderdeel luidde op 31 december 2005 ook na 31 december 2005 nog premies worden voldaan worden die premies geacht geen betrekking te hebben op lijfrenten als bedoeld in genoemd onderdeel c 3 Indien ter zake van een overeenkomst waarin een aanspraak is opgenomen die uitsluitend of mede betrekking heeft op lijfrenten als bedoeld in artikel 3 125 eerste lid onderdeel c zoals dit onderdeel luidde op 31 december 2005 ook na 31 december 2005 nog premies worden voldaan is aanwending van opgebouwde aanspraken voor lijfrenten als bedoeld in genoemd onderdeel c slechts mogelijk tot ten hoogste een bedrag gelijk aan de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op 31 december 2005 Voor zover de in de eerste volzin bedoelde aanspraken tot een hoger bedrag dan de aldaar bedoelde waarde worden aangewend voor lijfrenten als bedoeld in genoemd onderdeel c is artikel 3 133 eerste lid van overeenkomstige toepassing Artikel IV De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2010 als volgt gewijzigd A In artikel 8 2 vervalt onderdeel g onder verlettering van de onderdelen h tot en met n tot respectievelijk g tot en met m B In artikel 8 9 eerste lid wordt de zinsnede aanvullende combinatiekorting en ouderschapsverlofkorting vervangen door en aanvullende combinatiekorting Voorts wordt de zinsnede de aanvullende combinatiekorting en de ouderschapsverlofkorting vervangen door en de aanvullende combinatiekorting C Artikel 8 14b vervalt D In artikel 9 3 tweede lid vervalt onderdeel e onder verlettering van de onderdelen f tot en met l tot respectievelijk e tot en met k Artikel V De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd A Artikel 5 derde lid onderdeel a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt vervangen door a een zodanige regeling in de zin van de Pensioen en Spaarfondsenwet respectievelijk de wettelijke bepalingen betreffende de loonbelasting dan wel een buitenlandse regeling welke daarmee naar aard en strekking overeenkomt B Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd 1 Onder vernummering van het zevende tot en met twaalfde lid tot achtste tot en met dertiende lid wordt na het zesde lid een nieuw lid ingevoegd luidende 7 Artikel 3 53 eerste lid onderdeel a van de Wet inkomstenbelasting 2001 is niet van toepassing op kosten en lasten in verband met een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 32aa van de Wet op de loonbelasting 1964 ten behoeve van werknemers als bedoeld in artikel 12a van die wet Een voorziening ter zake van een zodanige regeling voor vervroegde uittreding voor bedoelde werknemers is niet mogelijk 2 In het tot elfde lid vernummerde tiende lid wordt zevende lid vervangen door achtste lid C In artikel 18 eerste lid wordt artikel 8 eerste tot en met het zevende tiende en twaalfde lid vervangen door artikel 8 eerste tot en met het achtste elfde en dertiende lid Artikel VI De Wet arbeid en zorg wordt met ingang van 1 januari 2006 als volgt gewijzigd Na Hoofdstuk 6 wordt een nieuw hoofdstuk ingevoegd luidende HOOFDSTUK 7 LEVENSLOOPREGELING Begrippen Artikel 7 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder a levensloopregeling een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 b levenslooprekening de bij een kredietinstelling als bedoeld in artikel 19g derde lid van de Wet op de loonbelasting 1964 van de keuze van de werknemer geopende rekening waarop het ingehouden loon ter zake van een levensloopregeling wordt gestort c levensloopverzekering de bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 19g derde lid van de Wet op de loonbelasting 1964 van de keuze van de werknemer aangegane verzekering waarop het ingehouden loon ter zake van een levensloopregeling als premie wordt gestort Recht op deelname Artikel 7 2 1 De werknemer heeft onder bij en krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde voorwaarden elk kalenderjaar recht deel te nemen aan een levensloopregeling 2 De werkgever stort het op verzoek van de werknemer ter zake van een levensloopregeling ingehouden loon op de door de werknemer geopende levenslooprekening of afgesloten levensloopverzekering 3 Bij het in het tweede lid bedoelde verzoek geeft de werknemer kennis aan de werkgever van de hoogte van het per kalenderjaar in te houden en op de levenslooprekening of als premie voor de levensloopverzekering te storten loon 4 De werkgever willigt het verzoek in uiterlijk met ingang van de aanvang van de derde kalendermaand na de indiening ervan 5 De werknemer kan het in het tweede lid bedoelde verzoek slechts een keer per jaar doen met dien verstande dat de werknemer te allen tijde kan verzoeken om de inhoudingen en stortingen te beëindigen Mate van gebondenheid Artikel 7 3 Van dit hoofdstuk kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken Artikel VII De Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds wordt met ingang van 1 januari 2011 als volgt gewijzigd A Artikel 2 derde lid komt te luiden 3 Van de verplichtstelling zijn uitgesloten a arbitrale bedingen als bedoeld in artikel 1020 vijfde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering b

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Wetsvoorstel%20VUT-Prep%202005%20tekst.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • 29760 Memorie van Toelichting
    maar nog geen 57 jaar zijn is daarom in het overgangsrecht de extra mogelijkheid opgenomen om meer dan 12 van het loon per kalenderjaar op te bouwen De overige voorwaarden van de levensloopregeling zoals de voorwaarde dat de totale levensloopvoorziening niet meer mag bedragen dan anderhalf keer het laatstverdiende loon blijven wel gelden voor deze werknemers Met dit overgangsrecht wordt bereikt dat oudere werknemers evenals jongere werknemers de mogelijkheid hebben om een levensloopvoorziening tot 150 van het laatstverdiende loon op te bouwen Op deze wijze biedt de levensloopregeling ook soelaas voor werknemers die bij de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel 50 jaar of ouder zijn 3 8 Extra stortingsmogelijkheid in verband met afkoop prepensioenaanspraken Indien werknemers in de voor hen geldende pensioenregeling de mogelijkheid krijgen om hun prepensioenrechten af te kopen en zij tot afkoop overgaan wordt de mogelijkheid geboden om de afkoopwaarde van deze rechten te storten in een levensloopregeling Voor deze storting is de in 3 4 genoemde stortingsbegrenzing van maximaal 12 van het brutoloon per jaar niet van toepassing Het absolute opbouwmaximum van 150 blijft evenals de andere voorwaarden van de levensloopregeling wel bestaan Deze verruimde stortingsmogelijkheid maakt het voor werknemers mogelijk om afgekochte prepensioenrechten individueel en naar eigen keuze via de levensloopregeling aan te wenden voor verlof tijdens de levensloop dan wel verlof voorafgaand aan pensioen Bovendien betekent deze extra stortingsmogelijkheid dat met opbouwen op grond van de levensloopregeling een relatief snelle start kan worden gemaakt 3 9 Introductie tijdelijke heffingskorting ouderschapsverlof In het Strategisch Akkoord heeft het vorige kabinet bepaald dat in het kader van de introductie van de levensloopregeling de financieringsregelingen voor langer durend verlof zullen worden gestroomlijnd Dit betekent dat de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof verdwijnt de afschaffing is opgenomen in het onderhavige wetsvoorstel Ook de financieringsregeling loopbaanonderbreking uit de Wet arbeid en zorg finlo zal verdwijnen ingevolge de derde nota van wijziging op het wetsvoorstel langdurend zorgverlof dat thans in behandeling is bij de Tweede Kamer Voor verlof dat de werkgever deels voor de werknemer had kunnen of willen financieren omdat de werkgever in aanmerking kwam voor de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof wordt in de levensloopregeling een ouderschapsverlofkorting als tijdelijke extra faciliteit geboden De fiscale tegemoetkoming bestaat uit een heffingskorting ter hoogte van 50 van het voor de werknemer geldende bruto wettelijk minimumloon WML per opgenomen verlofdag zoals opgenomen in het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Om in aanmerking te komen voor de ouderschapsverlofkorting moet aan een tweetal eisen worden voldaan Ten eerste moet de werknemer in het kalenderjaar gebruik maken van zijn wettelijk recht op ouderschapsverlof maximaal 13 weken Hiervoor moet aan alle eisen die de Wet arbeid en zorg stelt aan het opnemen van ouderschapsverlof worden voldaan Hierdoor kan de ouderschapsverlofkorting niet over een langere periode worden genoten dan de wettelijke duur van het ouderschapsverlof Ten tweede wordt de eis gesteld dat de werknemer in het desbetreffende kalenderjaar deelneemt aan de levensloopregeling Dit betekent dat de werknemer in dat kalenderjaar een storting moet doen op grond van de levensloopregeling en derhalve geen loon kan sparen ingevolge de spaarloonregeling deze anti cumulatiebepaling wordt hieronder toegelicht Storting op een te openen levenslooprekening of in een af te sluiten levensloopverzekering is voldoende voor deelname aan de levensloopregeling de hoogte van het bedrag van de storting is daarbij niet van belang Opname van tegoed van de levensloopregeling of verzekering is evenwel niet vereist Voor op 1 januari 2006 reeds ingegaan ouderschapsverlof kan ook gebruik worden gemaakt van de ouderschapsverlofkorting De ouderschapsverlofkorting kan in dit geval alleen worden toegekend voor het deel van het ouderschapsverlof dat na 2005 plaatsvindt De faciliteit van de ouderschapsverlofkorting wordt geboden tot het moment dat deelnemers aan de levensloopregeling voor dit verlof zelf voldoende hebben kunnen sparen Gekozen is voor een fiscale tegemoetkoming aan werknemers bij gebruik van de levensloopregeling voor het financieren van onbetaald ouderschapsverlof De tijdelijke ouderschapsverlofkorting wordt ingevoerd per 1 januari 2006 Ten behoeve van een adequate controle op toepassing van de tijdelijke ouderschapsverlofkorting zullen bij ministeriële regeling voorwaarden worden gesteld De fiscale tegemoetkoming betreft een tijdelijke regeling die loopt tot en met 31 december 2009 Na deze periode worden werknemers geacht zelf voldoende gelegenheid te hebben gehad om een inkomensvoorziening voor een redelijke periode van verlof op te bouwen Werkgevers kunnen ook na afschaffing van de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof het ouderschapsverlof van de werknemer gedeeltelijk blijven financieren Uitgaande van de huidige situatie waarin de werkgever gedeeltelijk fiscaal wordt gecompenseerd via een korting op de af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen bedragen de netto loonkosten voor een voltijds werknemer in de marktsector met een modaal inkomen voor een gemiddelde periode van ouderschapsverlof circa 280 uur ca 3 850 wanneer tijdens de periode van ouderschapsverlof 75 van het loon wordt doorbetaald Hierbij dient te worden opgemerkt dat loondoorbetaling gedurende de periode van ouderschapsverlof voornamelijk plaatsvindt door werkgevers in de overheidssector en in mindere mate door werkgevers in de marktsector Daarnaast bedraagt de loondoorbetaling gedurende de periode van ouderschapsverlof in de overheidssector voornamelijk 75 van het laatstverdiende loon terwijl dit in de marktsector gemiddeld minder is dan 75 van het laatstverdiende loon 3 10 Relatie met spaarloon De spaarloonregeling blijft in de huidige vorm bestaan terwijl de levensloopregeling wordt vormgegeven volgens de systematiek van de verlofspaarregeling De werknemer kan jaarlijks kiezen tussen storten in de spaarloonregeling of opbouwen binnen de levensloopregeling Er geldt een jaarlijkse anti cumulatiebepaling Op termijn is een combinatie mogelijk een werknemer kan dan zowel een spaarloonrekening als een levenslooprekening of levensloopverzekering hebben maar kan elk jaar slechts op grond van één van de twee regelingen spaarloon of levensloop bijstorten Wel is het mogelijk om in een kalenderjaar uit beide regelingen op te nemen De anti cumulatiebepaling geldt niet per dienstbetrekking maar per werknemer Dit volgt weliswaar niet expliciet uit de wet maar het is de bedoeling in lagere regelgeving te bepalen dat in iedere levensloopregeling de voorwaarde moet worden opgenomen dat in het kalenderjaar niet eveneens gespaard wordt op grond van de spaarloonregeling De verantwoordelijkheid voor toepassing van de anti cumulatiebepaling ligt bij de inhoudingsplichtige De inhoudingsplichtige en de werknemer kunnen hiertoe conform de regelgeving bij de verlofspaarregeling overeenkomen dat de werknemer aangeeft of hij opgebouwde aanspraken heeft op grond van een levensloopregeling Hiernaast kan worden aangegeven of de werknemer in dat kalenderjaar loon spaart op grond van een spaarloonregeling 3 11 Levensloopregeling en werknemersverzekeringen Ten aanzien van de heffing van premies werknemersverzekeringen verandert er met de introductie van de levensloopregeling niets Hetgeen in paragraaf 3 2 is vermeld over de werknemersverzekeringen bij de huidige verlofspaarregeling blijft ongewijzigd gelden bij de levensloopregeling Dit is een afwijking ten opzichte van het inmiddels ingetrokken wetsvoorstel levensloopregeling Deze afwijking vloeit voort uit een amendement op het wetsvoorstel WALVIS dat ertoe strekt voor verlofsparen de situatie te handhaven dat over de inleg wel premies werknemersverzekering worden geheven Met het heffen van premies werknemersverzekeringen over de inleg in de levensloopregeling worden de premiegrondslag en de daarbij behorende uitkeringsrechten niet verlaagd door het opbouwen van een voorziening op grond van de levensloopregeling 4 Internationale aspecten Door het vervallen van de fiscale faciliëring van VUT en prepensioen zullen in voorkomende gevallen de verkregen aanspraken of de betaalde werkgeversbijdragen tot het te belasten loon behoren Bij niet inwoners met een Nederlandse dienstbetrekking staan in situaties waarin Nederland het heffingsrecht heeft over de arbeidsinkomsten de belastingverdragen niet aan een dergelijke heffing in de weg Indien latere uitkeringen ter heffing aan het woonland zijn toegewezen hangt het vervolgens af van de nationale wetgeving in de woonstaat in hoeverre bij de belastingheffing over de uitkeringen rekening wordt gehouden met het al belast zijn geweest van de aanspraken In het buitenland wonende werknemers die in Nederland werkzaam zijn kunnen deelnemen aan de levensloopregeling Indien deze werknemers verlof opnemen worden de opnamen of uitkeringen uit de levensloopregeling gedurende deze periode in Nederland als loon uit dienstbetrekking in de belastingheffing betrokken De vraag of Nederland bij werknemers die in het buitenland wonen dit nationale heffingsrecht ook onder de belastingverdragen kan realiseren dient per geval op basis van de vormgeving van de uitkering en en het van toepassing zijnde verdrag te worden beoordeeld Hier worden enkele algemene richtlijnen gegeven Individuele verdragen kunnen afwijkingen bevatten Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt bij de verdragstoepassing op inkomsten uit particuliere dienstbetrekking het zogenoemde gesloten systeem Dit houdt in dat dergelijke inkomsten als hoofdregel onder het verdragsartikel inzake niet zelfstandige arbeid vallen tenzij het pensioenartikel van toepassing is Vallen de betalingen onder artikel 11 dan is Nederland als voormalige werkstaat heffingsbevoegd De uitkeringen vallen bij een particuliere dienstbetrekking onder meer onder het pensioenartikel indien deze in de terminologie van de Hoge Raad erop zijn afgestemd en er toe strekken om al dan niet in aanvulling op wettelijke of op andere wijze getroffen voorzieningen te voorzien in de behoefte aan levensonderhoud vanaf de datum van beëindiging van de dienstbetrekking tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd Hiervan zal in beginsel sprake zijn indien met behulp van de levensloopregeling direct voorafgaande aan het ouderdomspensioen gedeeltelijk of volledig verlof wordt opgenomen vervroegd pensioen Onder het pensioenartikel is het heffingsrecht over de opnamen veelal toegewezen aan het woonland Bij uitkeringen ineens kan dit anders liggen Tevens bevatten sommige recente verdragen een specifieke voorziening voor het geval het woonland zijn heffingsrecht niet of onvoldoende benut Daarnaast kent een aantal door Nederland afgesloten belastingverdragen waaronder het recente verdrag met België in het pensioenartikel een specifieke regeling voor lijfrenten Vallen de betalingen onder de lijfrentedefinitie van het verdrag dan is hierop het pensioenartikel van toepassing in plaats van het artikel inzake niet zelfstandige arbeid Alsdan zal in beginsel het woonland heffingsbevoegd zijn ook als het gaat om betalingen tijdens een verlofperiode niet zijnde vooruitlopend op pensioen Bij artiesten sporters die in dienstbetrekking zijn en bij bestuurders commissarissen leiden de voor deze groepen geldende verdragsartikelen vergelijk de artikelen 16 en 17 OESO modelverdrag tot eenzelfde resultaat als hiervoor beschreven voor particuliere dienstbetrekkingen Voor inkomsten uit een overheidsdienstbetrekking geldt dat zowel het salaris als de pensioenuitkeringen en dus ook de betalingen op basis van een levensloopregeling steeds ter heffing aan het bronland is toegewezen Over de kwalificatie onder belastingverdragen van betalingen als hier aan de orde bestaat geen internationaal kader Noch het OESO modelverdrag noch het Commentaar daarop biedt veel duidelijkheid In voorkomende gevallen zou het daarom kunnen voorkomen dat zowel het andere woonland als Nederland als bronland de betalingen uit een levensloopregeling belasten Mochten zich dergelijke problemen van dubbele belasting voordoen dan voorzien de belastingverdragen in een overlegprocedure tussen de verdragspartners Het kabinet wil buitenlandse aanbieders onder voorwaarden toelaten als aanbieder van een levensloopregeling Deze bij lagere regelgeving te stellen voorwaarden zullen overeenkomen met de voorwaarden die worden gesteld aan buitenlandse aanbieders van pensioenen en lijfrenten 5 Budgettaire aspecten De meerjarige budgettaire effecten van het onderhavige wetsvoorstel VUT prepensioen en levensloop exclusief de oorspronkelijke kosten van de levensloopregeling worden in Tabel 2 weergegeven Tabel 2 Budgettaire aspecten wetsvoorstel VUT prepensioen en levensloopregeling prijzen 2003 in mln euro 2006 2007 2008 2009 2010 2011 1 Opbrengst maatregelen VUT prepensioen BP2004 1060 1520 1650 1800 1910 1990 Extra maatregelen a Niet doorgaan verlagen maximum opbouw OP naar 70 215 250 280 300 290 285 b Vervallen deeltijdeis bij levensloop 180 220 255 265 235 220 c Overgangsrecht VUT en prepensioenregelingen 190 290 320 265 170 130 d Extra stortingsmogelijkheid werknemers 50 57 jaar 10 15 20 20 20 45 e Aanpassing heffingssystematiek omslaggefinancierde regelingen 5 10 15 25 30 140 2 Totale kosten 590 765 860 825 685 540 Financieringsbronnen 3 Financiële enveloppe Vut prepensioen Levensloop 510 410 400 380 350 320 4 Netto premieopbrengst grondslagverbreding werknemersverzekeringen 250 280 240 280 310 330 5 2 3 4 Tekort overschot 170 75 220 165 25 110 6 Opbrengst na maatregelen 1 5 1230 1445 1430 1635 1885 2100 De wijzigingen ten opzichte van het aangehouden wetsvoorstel levensloopregelingen zijn verwerkt in Tabel 2 In Tabel 3 wordt het totale budgettaire beslag van de levensloopregeling weergegeven Regel 1 betreft het budgettair beslag van de bestaande verlofspaarregeling regel 2 betreft het budgettair beslag van het wetsvoorstel levensloopregeling met daaraan toegevoegd het budgettair beslag van de extra maatregelen ten opzichte van dat wetsvoorstel Het gaat daarbij om het laten vervallen van de deeltijdeis direct voorafgaande aan het ouderdomspensioen en het additionele overgangsrecht extra stortingsmogelijkheid voor werknemers van 50 57 jaar Tabel 3 Budgettair beslag levensloopregeling prijzen 2003 in mln 2006 2007 2008 2009 2010 2011 1 Budgettair belang huidige verlofspaarregeling 125 165 160 155 155 155 2 Budgettaire effecten invoeren levensloopregeling 395 415 475 480 380 390 wv budgettair belang spaarregeling 325 345 405 410 380 390 wv budgettair belang ouderschapsverlofkorting 70 70 70 70 3 1 2 Totaal budgettair belang Levensloopregeling 520 580 635 635 535 545 4 Afschaffen afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof 14 42 42 42 42 42 5 Overgangsregeling financieringsregeling loopbaanonderbreking 6 Uitvoeringsaspecten belastingdienst De in dit wetsvoorstel opgenomen maatregelen leiden tot extra uitvoeringkosten bij de Belastingdienst De structurele uitvoeringskosten houden verband met de controle op een terechte en juiste uitvoering en gebruik van de levensloopregeling en het gewijzigde regime inzake pre pensioenen en VUT regelingen Dit laatste houdt mede verband met de doorlooptijd van het overgangsrecht en het op juiste wijze ontvangen en verwerken van de loonaangifte vanaf 2006 De begeleiding van de invoering van deze maatregelen bij werkgevers in de eerste twee jaar leidt tevens tot incidentele extra werkzaamheden Deze houden onder meer verband met voorlichting aan individuele werkgevers en beoordelen van nieuwe regelingen De verwerking van de voorgestelde tijdelijke ouderschapsverlofkorting via de voorlopige teruggaaf leidt daarnaast in de jaren 2006 tot en met 2009 tot extra werkzaamheden voor de Belastingdienst De computersystemen en de formulieren van de Belastingdienst moeten worden aangepast terwijl binnen het proces van de voorlopige teruggaaf tevens in elk van de genoemde jaren extra aandacht is vereist voor de uitvoering van de tijdelijke heffingskorting De extra uitvoeringskosten bedragen in totaal in 2006 2 5 mln in 2007 2 mln en in de jaren 2008 en 2009 1 75 mln Vanaf 2010 bedragen de extra uitvoeringskosten 1 25 mln structureel De hiermee gemoeide personele capaciteit bedraagt 10 fte structureel De inpassing hiervan zal bij Miljoenennota 2006 worden geregeld 7 Administratieve lasten De maatregelen met betrekking tot de levensloopregeling leiden tot een verhoging van de administratieve lasten voor werkgevers en de betrokken financiële instellingen Bij de berekeningen is gebruik gemaakt van de zogenaamde standaardkostenmodellen administratieve lasten zoals deze luiden na de geactualiseerde meting voor de situatie ultimo 2002 De extra administratieve lasten van de levensloopregeling als zodanig bedragen naar verwachting 5 mln structureel Het betreft hier de meerkosten ten opzichte van de administratieve lasten van de verlofspaarregeling zoals deze per ultimo 2002 zijn gemeten Deze extra administratieve lasten hangen vooral samen met het aanbieden van de levensloopregeling per 1 januari 2006 op basis van het wettelijk recht verwerking van de levensloopregeling in de salarisadministratie en het behandelen en afhandelen van verzoeken om toepassing van de levensloopregeling Met de verwerking in de salarisadministratie en reguliere loonbetalingen door werkgevers is naar schatting bijna 4 mln aan administratieve lasten gemoeid Daarnaast hangen de extra administratieve lasten samen met de anti cumulatiebepaling van spaarloon en levensloop omdat werknemers twee verschillende rekeningen kunnen openen en aanhouden Werkgevers moeten controleren of werknemers niet tegelijkertijd in beide regelingen inleggen De maatregelen met betrekking tot pre pensioen en VUT regelingen leiden enerzijds tot een kleine structurele verlaging van de administratieve lasten Anderzijds leidt het voorgestelde overgangsrecht tot extra administratieve lasten De beoogde maatregelen met betrekking tot het de inlichtingenverplichting en het vervallen van het afkoopverbod voor prepensioenaanspraken leiden tot eenmalige extra administratieve lasten van circa 6 5 mln Deze extra administratieve lasten houden verband met de opgave van de waarde van de prepensioenaanspraken en de verwerking in de loonadministratie De extra lasten zullen zich overigens over een aantal jaren uitstrekken Bij het vormgeven van de voorstellen hebben de effecten voor de administratieve lasten een rol gespeeld Daar waar een aanvaardbaar alternatief mogelijk was dat voor de werkgever minder belastend is is voor dit alternatief gekozen Zo is met het oog op de effecten voor de administratieve lasten bij werkgevers ervoor gekozen om de tijdelijke ouderschapsverlofkorting te effectueren via de voorlopige teruggaaf in de inkomstenbelasting Parallel aan deze maatregelen zal per 2006 de afdrachtvermindering ouderschapsverlof vervallen Dit leidt tot een structurele verlichting van de administratieve lasten met circa 0 3 mln Daarnaast komt de Financieringsregeling loopbaanonderbreking te vervallen Vanwege het bijzonder lage gebruik van deze regeling is de structurele verlichting van de administratieve lasten evenwel nihil Per saldo leiden de maatregelen als geheel tot een structurele verhoging van de administratieve lasten met 4 5 mln II Artikelsgewijs Artikel I Wet op de loonbelasting 1964 Artikel I onderdeel A artikel 10 Wet op de loonbelasting 1964 In dit artikel wordt voorgesteld een vierde lid en vijfde lid aan artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 toe te voegen Het voorgestelde vierde lid regelt dat uitkeringen of verstrekkingen die voortkomen uit een aanspraak die op grond van de bepalingen van de Wet op de loonbelasting 1964 belast had moeten worden maar niet is belast belast kunnen worden Deze bepaling wordt opgenomen om een langdurige onterechte toepassing van de omkeerregel te kunnen herstellen Op grond van de omkeerregel worden in afwijking van de hoofdregel de aanspraken vrijgesteld en de uitkeringen belast Het ten onrechte toepassen van de omkeerregel heeft tot gevolg dat de aanspraken onbelast blijven terwijl op een later moment blijkt dat dit niet terecht was In het algemeen kan dit dan niet meer volledig worden hersteld door middel van naheffing en of navordering Het ten onrechte toepassen van de omkeerregel kan onder de huidige wetgeving slechts worden gecorrigeerd voor zover de naheffings en of navorderingstermijn van vijf jaar artikel 20 respectievelijk artikel 16 Algemene wet inzake rijksbelastingen nog niet is verstreken In veel gevallen zal het bij de toepassing van de omkeerregel echter gaan om een langere periode dan vijf jaar Dit probleem speelt met name bij pensioenen De periode waarin de omkeerregel wordt toegepast is daar in het algemeen 35 jaar of meer Ook bij andere regelingen waar de omkeerregel wordt toegepast en lange termijnen van toepassing zijn zoals bij de levensloopregeling kan deze bepaling van belang zijn Het nieuwe vierde lid van artikel 10 voorkomt dat én de aanspraken niet worden belast omdat de regeling destijds als zuiver werd gezien en mogelijk in eerste instantie ook zuiver is geweest én de uitkeringen onbelast moeten blijven omdat de regeling naderhand niet zuiver blijkt te zijn en er zonder de wijziging van artikel 10 dus geen grondslag is om de uitkeringen te belasten Met deze bepaling wordt zeker gesteld dat óf de aanspraken óf de uitkeringen worden belast Met het belasten van de uitkeringen wordt aangesloten bij de wijze waarop de werkgever en de werknemer de aanspraak zelf steeds hebben behandeld Het vrijstellen van de aanspraak en het toepassen van de omkeerregel impliceert dat de uitkeringen in beginsel worden belast De voorgestelde bepaling bewerkstelligt dit ook en brengt derhalve geen nadeel toe aan de belastingplichtige Voorgesteld wordt deze bepaling met ingang van de datum van indiening van dit wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in werking te laten treden Daarmee wordt voorkomen dat uitkeringen ingevolge pensioenregelingen die achteraf bezien onzuiver blijken te zijn niet belast kunnen worden terwijl ook de aanspraak niet meer in de belastingheffing kan worden betrokken Deze misbruiksituaties worden onwenselijk geacht De toevoeging van een vijfde lid aan artikel 10 hangt samen met de hierna in onderdeel B toegelichte wijziging van artikel 11 Als gevolg van die wijziging zijn de op het loon van de werknemer ingehouden bijdragen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding niet langer aftrekbaar maar behoren deze tot het loon De toevoeging van het vijfde lid aan artikel 10 regelt dat uitkeringen ter zake van een voordien niet tot het loon gerekende aanspraak ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding tot het loon behoren onverminderd het feit dat de bijdrage van de werknemer tot het loon is gerekend Indien de bijdrage tot het loon is gerekend zoals nu wordt voorgesteld voor bijdragen aan een regeling voor vervroegde uittreding zou zonder deze aanpassing van artikel 10 namelijk de gedachte kunnen opkomen dat de uitkering in zoverre niet tot het loon behoort Ook de Raad van State gaat uit van deze benadering advies d d 12 juli 2002 nr W06 02 0161 IV als bijvoegsel bij Staatscourant nr 198 opgenomen samen met het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964 aanpassing fiscale behandeling VUT Zoals de Raad van State aangeeft in dit advies kan dit echter worden voorkomen door in artikel 10 expliciet te bepalen dat de uitkering ook in die situatie volledig tot het loon behoort Om dezelfde reden is bepaald dat de belastbaarheid van de uitkering evenmin wordt beïnvloed door het feit dat de inhoudingsplichtige op grond van het voorgestelde artikel 32aa loonbelasting is verschuldigd over de uitkeringen en bijdragen voor een dergelijke regeling Zoals uit de voorgestelde wettekst volgt geldt het voorgestelde vijfde lid niet indien de aanspraak tot het loon is gerekend Deze aanspraken en dus ook de op grond van deze aanspraken te verstrekken uitkeringen verlaten de box I sfeer en worden als vermogen in box III beschouwd Artikel I onderdeel B artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964 De wijziging van onderdeel d van het eerste lid van artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft tot gevolg dat niet tot het loon behoort de aanspraak ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding volgens de definitie zoals deze volgens dit voorstel wordt opgenomen in het zesde lid van artikel 32aa van de Wet op de loonbelasting 1964 De uit deze vrijgestelde aanspraak voortvloeiende uitkeringen worden zoals bij de toelichting op artikel 10 vijfde lid is aangegeven wel tot het loon gerekend Onder het huidige regime behoren aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i niet tot het loon Door ook in artikel 11 aan te sluiten bij de ruimere definitie van regeling voor vervroegde uittreding in artikel 32aa ontstaat een sluitend geheel Met de wijziging van artikel 11 eerste lid onderdeel j onder 1º van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt bewerkstelligd dat de op het loon van de werknemer ingehouden bijdragen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding niet langer aftrekbaar zijn Deze wijziging vormt het complement van de bepalingen in het voorgestelde artikel 32aa van de Wet op de loonbelasting 1964 Zoals bij dat artikel nader wordt toegelicht worden op grond van dat artikel de door de werkgever betaalde bijdragen in de eindheffing betrokken behoudens voor zover ter zake bedragen zijn ingehouden bij werknemers Zoals bij de toelichting op de voorgestelde wijziging van artikel 10 is aangegeven heeft deze wijziging van artikel 11 eerste lid onderdeel j onder 1º van de Wet op de loonbelasting 1964 geen gevolgen voor de belastbaarheid van de uit deze vrijgestelde aanspraak voortvloeiende uitkeringen Artikel I onderdeel C hoofdstuk IIB Wet op de loonbelasting 1964 In samenhang met de aanpassing van de fiscale behandeling van VUT regelingen verdwijnen VUT regelingen uit hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 Derhalve wordt de titel van dit hoofdstuk gewijzigd Artikel I onderdeel D artikel 18 Wet op de loonbelasting 1964 De in het Hoofdlijnenakkoord opgenomen afschaffing van de fiscale faciliëring van prepensioen wordt onder andere vormgegeven door de afschaffing van de fiscale faciliëring van overbruggingspensioen In artikel 18 Wet op de loonbelasting 1964 vervalt daardoor de definitie van deze pensioenvorm De fiscale behandeling van het in artikel 18f opgenomen nabestaandenoverbruggingspensioen blijft ongewijzigd Artikel I onderdeel E artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964 In artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964 zijn de normen opgenomen waaraan een ouderdomspensioen moet voldoen De in het Hoofdlijnenakkoord opgenomen afschaffing van de fiscale faciliëring van prepensioen heeft voor ouderdomspensioen tot gevolg dat de zogenoemde pensioenrichtleeftijd van 60 jaar uit het zesde lid wordt vervangen door 65 jaar In het huidige zesde lid van artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964 is bepaald dat wanneer het ouderdomspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar het pensioen herrekend wordt ten opzichte van die leeftijd of van de in de pensioenregeling opgenomen latere ingangsdatum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen De voorgestelde wijziging bewerkstelligt dat deze herrekening moet plaatsvinden wanneer het pensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar Bestaande ouderdomspensioenregelingen met een pensioendatum die vóór 65 jaar ligt zullen om fiscale faciliëring te behouden zodanig moeten worden aangepast dat bij de verdere opbouw wordt uitgegaan van een ouderdomspensioen dat bij handhaving van die eerdere pensioendatum wordt gekort ten opzichte van het maximaal toegestane ouderdomspensioen bij de richtleeftijd van 65 jaar De tweede volzin van de huidige tekst van artikel 18a zesde lid is niet overgenomen aangezien dit meer mogelijkheden zou blijven bieden om voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar met pensioen te gaan dan wenselijk wordt geacht In het achtste lid wordt een wijziging aangebracht waardoor wordt bewerkstelligd dat bij de maxima het overgangsrecht dat niet in hoofdstuk IIB maar in hoofdstuk VIII van de Wet op de loonbelasting 1964 is opgenomen eveneens van toepassing is Artikel I onderdeel F artikel 18d Wet op de loonbelasting 1964 Met deze wijziging wordt bewerkstelligd dat in situaties waarin het pensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 65 jarige leeftijd er geen belemmeringen zijn om in periode tot het bereiken van de 65 jarige leeftijd even hoge pensioenuitkeringen te ontvangen als in de periode daarna aan AOW en pensioenuitkeringen wordt ontvangen Zonder de voorgestelde wijziging van artikel 18d kunnen artikel 18d eerste lid onderdeel b en artikel 18a achtste lid in deze situatie een belemmering vormen Op grond van artikel 18a zevende lid mag het ouderdomspensioen niet hoger zijn dan 100 van het pensioengevend loon op het tijdstip van ingang Artikel 18a achtste lid bepaalt dat dit maximum dient te worden opgevat met inbegrip van AOW inbouw Daarbij is niet van belang of in die jaren ook daadwerkelijk AOW wordt genoten In de periode voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar wordt nog geen AOW genoten en kan het wenselijk zijn dat hogere pensioenuitkeringen worden gedaan Op grond van artikel 18d eerste lid onderdeel b mag het pensioen meer bedragen dan de in artikel 18a opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van variatie in de uitkeringen Daarbij wordt echter de voorwaarde gesteld dat de laagste uitkering niet minder bedraagt dan 75 percent van de hoogste uitkering Als gevolg van deze bandbreedte die in tegenstelling tot de in artikel 18a genoemde maxima overigens uitsluitend betrekking heeft op het aanvullende pensioen is het met name bij werknemers met een lager inkomen slechts in zeer beperkte mate mogelijk om de ouderdomspensioenuitkering in de periode waarin nog geen AOW wordt ontvangen zodanig te verhogen onder gelijktijdige verlaging van de na die periode te ontvangen pensioenuitkeringen dat de tot het bereiken van de 65 jarige leeftijd te ontvangen pensioenuitkeringen even hoog zijn als in de periode daarna aan AOW en aanvullende pensioenuitkeringen wordt ontvangen Met name in situaties waarin men op jonge leeftijd is begonnen met werken en hierdoor voldoende pensioen heeft opgebouwd om voor de pensioenrichtleeftijd een reële inkomensvoorziening te hebben wordt deze beperking ongewenst geacht In deze situatie zou het mogelijk moeten zijn om het met inachtneming van de in hoofdstuk IIB gestelde grenzen en normeringen opgebouwde pensioenkapitaal op zodanige wijze tot uitkering te laten komen dat het pensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 65 jarige leeftijd Het is in deze situatie wenselijk dat de tot het bereiken van de 65 jarige leeftijd te ontvangen pensioenuitkeringen even hoog mogen zijn als hetgeen in de periode daarna aan AOW en aanvullende pensioenuitkeringen wordt ontvangen Om die reden wordt voorgesteld om voor de toepassing van artikel 18d eerste lid onderdeel b bij de toets van de hiervoor genoemde bandbreedte 100 75 toe te staan dat een deel van de uitkering die wordt ontvangen in de periode voor het bereiken van de 65 jarige leeftijd buiten aanmerking gelaten wordt Het buiten aanmerking te laten deel wordt gesteld op het in artikel 18a achtste lid genoemde bedrag Daarmee wordt bewerkstelligd dat de ouderdomspensioenuitkering in de genoemde periode zodanig mag worden verhoogd dat het ontbreken van de AOW uitkering kan worden gecompenseerd zonder dat strijd ontstaat met de bandbreedte Artikel I onderdeel G artikel 18e Wet op de loonbelasting 1964 In het kader van de beëindiging van de fiscale faciliëring van prepensioen wordt de in artikel 18e Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen pensioenvorm overbruggingspensioen afgeschaft Overbruggingspensioen is een pensioen dat ingaat op hetzelfde tijdstip als het ouderdomspensioen en uiterlijk eindigt bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar De bedoeling van overbruggingspensioen is het bieden van een aanvullende inkomensvoorziening wanneer gebruik wordt gemaakt van ouderdomspensioen in de periode voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar Tot deze leeftijd bestaat er nog geen recht op AOW dat echter wel is ingebouwd bij het ouderdomspensioen en moet een hoger bedrag aan premies volksverzekeringen worden betaald Hierdoor is het pensioen in de periode tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar lager Overbruggingspensioen bood de mogelijkheid om voor en na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar een gelijke inkomensvoorziening te hebben Artikel I onderdeel H artikel 18g Wet op de loonbelasting 1964 In verband met het vervallen van de artikelen 18i en 38a Wet op de loonbelasting 1964 vervallen de verwijzingen naar deze artikelen in artikel 18g Wet op de loonbelasting 1964 Tevens vervalt de in artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen term diensttijd aangezien deze term niet meer wordt gebezigd in de in het gewijzigde artikel 18g genoemde artikelen Artikel I onderdeel I artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964 De fiscale behandeling van regelingen voor vervroegde uittreding wordt op grond van het Hoofdlijnenakkoord aangepast Dientengevolge vervalt artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964 De fiscale behandeling van regelingen voor vervroegde uittreding die zonder fiscale faciliëring in stand worden gehouden wordt voortaan bepaald door het nieuwe artikel 32aa in samenhang met de artikelen 10 vijfde lid en artikel 11 eerste lid onderdelen d en j van de Wet op de loonbelasting 1964 In artikel 32aa zesde lid van de Wet op de loonbelasting 1964 is tevens een nieuwe definitie van regeling voor vervroegde uittreding opgenomen Artikel I onderdeel J artikel 19 Wet op de loonbelasting 1964 In artikel 19 Wet op de loonbelasting 1964 vervalt in samenhang met het vervallen van artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964 de term regeling voor vervroegde uittreding en de verwijzing naar deze term in artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964 Artikel I onderdeel K artikel 19a Wet op de loonbelasting 1964 Als gevolg van de aanpassing van de fiscale behandeling van regelingen voor vervroegde uittreding is artikel 19a Wet op de loonbelasting 1964 niet meer van belang voor dergelijke regelingen Artikel I onderdeel L artikel 19b Wet op de loonbelasting 1964 De onderdelen van artikel 19b Wet op de loonbelasting 1964 die na de aanpassing van de fiscale behandeling van regelingen voor vervroegde uittreding nog van belang zijn voor dergelijke regelingen zijn ten behoeve van de structuur van de wet overgebracht naar artikel 32aa Artikel I onderdeel M artikel 19c Wet op de loonbelasting 1964 Ten behoeve van de structuur van de wet is de in het eerste lid van dit artikel opgenomen bepaling voor zover deze betrekking heeft op regelingen voor vervroegde uittreding overgebracht naar artikel 32aa Als gevolg van de aanpassing van de fiscale behandeling van regelingen voor vervroegde uittreding is het tweede lid van artikel 19c Wet op de loonbelasting 1964 niet meer van belang voor dergelijke regelingen Het derde lid kan dan ook vervallen Artikel I onderdeel N artikel 19d Wet op de loonbelasting 1964 Als gevolg van de aanpassing van de fiscale behandeling van regelingen voor vervroegde uittreding is artikel 19d Wet op de loonbelasting 1964 niet meer van belang voor dergelijke regelingen Artikel I onderdeel O artikel 32aa Wet op de loonbelasting 1964 Met het eerste lid van het nieuw ingevoegde artikel 32aa van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt bewerkstelligd dat een inhoudingsplichtige belasting in de vorm van eindheffing is verschuldigd over de op hem drukkende uitkeringen die ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding door hem aan VUT gerechtigden worden gedaan De eindheffing is ook verschuldigd over de op een inhoudingsplichtige drukkende bijdragen en premies die door hem worden voldaan aan een fonds dat of een verzekeraar die een regeling voor vervroegde uittreding uitvoert De inhoudingsplichtige met een VUT regeling in eigen beheer is door deze systematiek bij het doen van de op hem drukkende uitkeringen zowel de eindheffing als de reguliere loonheffing via inhouding op de uitkeringen aan de ex werknemer verschuldigd Dat geldt ook voor een fonds dat of een verzekeraar die een dergelijke regeling uitvoert Indien een inhoudingsplichtige gebruik maakt van een fonds dat of een verzekeraar die een dergelijke regeling uitvoert is de eerstgenoemde inhoudingsplichtige belasting verschuldigd over de op hem drukkende bijdragen en premies die door hem aan dat fonds of aan die verzekeraar worden gedaan In het derde lid is een uitwerking opgenomen van het in het eerste lid opgenomen begrip drukkend Uitkeringen bijdragen of premies drukken niet op de inhoudingsplichtige wanneer de inhoudingsplichtige hiervoor bedragen heeft ingehouden van werknemers In zoverre is dan geen eindheffing verschuldigd Eindheffing is evenmin verschuldigd voorzover de inhoudingsplichtige bijdragen of premies heeft ontvangen van andere inhoudingsplichtigen die ter zake daarvan zelf inhoudingsplichtig zijn Wanneer een VUT fonds uitkeringen doet die hoger zijn dan de van andere inhoudingsplichtigen ontvangen bijdragen drukt het verschil tussen de uitkeringen en de van andere inhoudingsplichtigen ontvangen bijdragen op het fonds en is hierover derhalve eindheffing verschuldigd Voor de vraag of er sprake is van een drukkende bijdrage of premie is niet van belang of deze bijvoorbeeld in concernverband wordt doorberekend De in het eerste lid genoemde uitkeringen en bijdragen of premies worden aangemerkt als loon dat als eindheffingsbestanddeel wordt belast De bepalingen die gelden voor de heffing en invordering van de over de in artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 genoemde eindheffingsbestanddelen verschuldigde belasting gelden in zoverre eveneens voor de belasting die is verschuldigd over de in artikel 32aa genoemde uitkeringen en bijdragen of premies De belastingheffing over deze uitkeringen en bijdragen of premies vindt alleen plaats tegen een tarief van 52 Er is voor gekozen de in artikel 32aa genoemde uitkeringen en bijdragen of premies wel te belasten als eindheffingsbestanddelen maar niet in artikel 31 onder te brengen De bijdragen van een inhoudingsplichtige aan een regeling voor vervroegde uittreding zijn niet goed in te passen in het aan een individuele werknemer toe te rekenen loonbegrip Deze bijdragen worden veelal in hetzelfde jaar als waarin deze worden gedaan geheel of gedeeltelijk gebruikt voor de uitkeringen aan de gewezen werknemers van de bij het fonds aangesloten inhoudingsplichtigen omslagstelsel Een toerekening naar reële waarde aan een individuele werknemer van de inhoudingsplichtige is in die situatie niet goed denkbaar Hoewel een individuele toerekening ook bij een op grond van artikel 31 te belasten eindheffingsbestanddeel niet in alle gevallen eenvoudig is hetgeen ook juist de reden kan zijn om deze loonbestanddelen onder de eindheffing te brengen is daar een toerekening in ieder geval in theorie mogelijk Gelet op het vorenstaande is er voor gekozen om de heffing over de bijdragen aan en de uitkeringen ingevolge een regeling voor vervroegde uitreding onder te brengen in een afzonderlijk artikel Om vergelijkbare redenen is er voor gekozen om deze bijdragen en uitkeringen te belasten tegen een vast tarief van 52 en niet tegen het in artikel 31 genoemde tabeltarief of tegen het eveneens in dit artikel genoemde enkelvoudige tarief Zowel dit tabeltarief als dit enkelvoudige tarief zijn afhankelijk van het jaarloon en gaan in zoverre uit van de mogelijkheid om de eindheffingsbestanddelen toe te rekenen aan individuele werknemers van de inhoudingsplichtige Zoals hiervoor is aangegeven is dat met name bij de bijdragen aan een VUT fonds niet goed mogelijk Met het tarief van 52 is aangesloten bij het in artikel

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Wetsvoorstel%20VUT-Prep%202005%20MvT.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • 29760 Nota van Wijziging wetsvoorstel aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling
    de leeftijd van 58 jaar vervangen door de leeftijd van 51 jaar maar niet de leeftijd van 56 jaar VI Artikel XIV wordt vervangen door 1 Onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet treedt deze wet in werking met ingang van 1 januari 2005 2 Artikel 10 vierde lid van de Wet op de loonbelasting 1964 zoals dat komt te luiden ingevolge artikel I onderdeel A werkt terug tot en met 16 september 2004 voor uitkeringen die worden genoten als gevolg van afkoop vervreemding of het formeel of feitelijk onderwerp van zekerheid worden van de aanspraak anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25 vijfde lid van de Invorderingswet 1990 Toelichting Deze nota van wijziging bevat een uitwerking van een van de voorstellen die zijn opgenomen in de motie Verhagen c s Kamerstukken II 29 800 nr 4 Dit betreft de verruiming van het overgangsrecht voor de fiscale behandeling van VUT en prepensioenregelingen Daarnaast zijn twee technische verbeteringen aangebracht I In onderdeel 1 wordt voorgesteld om de in het voorgestelde artikel 38c van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen leeftijdsgrens te verlagen van 57 jaar naar 55 jaar Op grond van deze wijziging blijft de huidige fiscale behandeling van kracht voor regelingen voor vervroegde uittreding op basis waarvan na 31 december 2005 nog uitsluitend uitkeringen kunnen worden gedaan aan werknemers die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt of aan werknemers die voor 1 januari 2006 reeds een of meer uitkeringen ingevolge deze regeling hebben genoten In onderdeel 2 wordt voorgesteld om de in het voorgestelde artikel 38d van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen leeftijdsgrens te verlagen van 57 jaar naar 55 jaar Op grond van deze wijziging blijft de huidige fiscale behandeling van kracht voor prepensioenregelingen op basis waarvan na 31 december 2005 nog uitsluitend uitkeringen kunnen worden gedaan aan werknemers die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt of ingevolge aanspraken die voor 1 januari 2006 zijn opgebouwd In onderdeel 3 wordt voorgesteld om de in het voorgestelde artikel 38e van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen leeftijdsgrens te verlagen van 57 jaar naar 55 jaar Met deze wijziging wordt bewerkstelligd dat werknemers die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt de opbouw van hun ouderdomspensioen zonder fiscale consequenties kunnen voortzetten In onderdeel 4 wordt voorgesteld om de in het voorgestelde artikel 38f van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen leeftijdsgrens te verlagen van 57 jaar naar 55 jaar Met deze wijziging wordt bewerkstelligd dat werknemers die voor 1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt de opbouw van hun overbruggingspensioen zonder fiscale consequenties kunnen voortzetten II Als gevolg van het in artikel II onderdeel C van het voorstel van wet opgenomen voorstel om het tot zevende lid vernummerde zesde lid van artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964 te laten vervallen dient ook de in artikel 30i van de

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Wetsvoorstel%20VUT-Prep%202005%20NvW1.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • 29760 Nader Verslag wetsvoorstel aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling
    hierop te reageren Kan de regering uitleggen waarom alle deskundigen die een bijdrage geleverd hebben aan de hoorzitting op 11 oktober jl het bij het verkeerde einde hadden toen zij eensgezind concludeerden dat de levensloopregeling vooral een aantrekkelijke regeling is voor bemiddelde mannen van middelbare leeftijd Kunt u indien u dit kunt weerleggen dit met berekeningen onderbouwen Juridische implicaties Hoe verhoudt de Wet op leeftijdsdiscriminatie zich tot de verschillende regelingen voor de verschillende leeftijden Is het juridisch mogelijk voor een werkgever om een extra bijdrage te leveren aan werknemers die deelnemen aan een individuele levensloopregeling Is dat makkelijker bij collectieve regelingen om een bedrag in de collectieve regeling te storten De deskundigen aan de hoorzitting op 11 oktober jl waren zowel in hun position papers als mondeling allen van mening dat de wetgeving zeer onzorgvuldig is Met name de begrippen wat de grondslag voor belasting is riep veel vragen op Kan de regering de reacties van o a prof dr L G M Stevens weerleggen Vindt de regering het tegen die achtergrond verantwoord deze wet onverkort door te voeren Heeft de Belastingdienst een uitvoeringstoets gedaan Zo ja wat was hun conclusie Zo nee is de regering bereid die toets nog uit te laten voeren Zo nee waarom niet Volgens het kabinet zullen er rekenvoorschriften komen om de waarde van de prepensioenaanspraken te bepalen Deskundigen noemen dit een gevaar immers door de verschillen in regelingen kunnen die waarderingen per fonds verschillen uniforme regels leiden dan tot een chaos Graag ontvangen de leden van de PvdA fractie hier een reactie op Internationaal Wat was de opstelling van Nederland bij de totstandkoming van de Europese wens om de omkeerregel voor pensioen overal te introduceren Hoe verhoudt zich dat tot voorstellen om over te gaan op vooraf heffen bij VUT regelingen en prepensioen in de toekomst Kan de regering aangeven hoe in Zuid Amerika en in het Oostblok er bij de opbouw van een pensioenstelsel omgeschakeld is van omslagfinanciering naar kapitaaldekking Hoe is in deze landen de kosten van deze ombouw over een langere periode uitgesmeerd Welke lessen trekt de regering hieruit voor de afbouw van de VUT in Nederland Kan de regering aangeven hoe een levensloopregeling die deels voor pensioendoeleinden wordt gebruikt gedefinieerd dient te worden in relatie tot de Bolkestein richtlijn Volgens prof dr P Kavelaars past levensloop niet in het systeem van de verdragen ter voorkoming van dubbele belasting Slechts als een levensloopregeling alleen voor pensioendoeleinden zal worden gebruikt zijn er in verdragssituaties minder problemen te verwachten Kan de regering een visie geven over de fiscale behandeling van levensloop in grensoverschrijdende situaties zowel in relatie tot verdragslanden als nietverdragslanden Vragen van de leden van de VVD fractie Naar aanleiding van de hoorzitting inzake onderhavig wetsvoorstel hebben de leden van de VVD fractie nog een aantal vragen aan de regering Kan de regering ingaan op de opvatting van het Centraal Planbureau CPB dat de levensloopregeling vooral gebruikt zal gaan worden door de hogere inkomensgroepen ten behoeve van prepensioen Beaamt de regering deze

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Wetsvoorstel%20VUT-Prep%20Nader%20Verslag%20151004.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • 29760 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG EN HET NADER VERSLAG
    kunnen worden gestort in een buitenlandse pensioenregeling Volgens het voorgestelde artikel 19g zevende lid van de Wet op de loonbelasting 1964 kunnen de aanspraken ingevolge een levensloopregeling worden ingebracht in een zuivere pensioenregeling in de zin van de loonbelasting Hieronder kunnen onder omstandigheden ook buitenlandse regelingen vallen Te denken valt aan de buitenlandse werknemer die tijdelijk in Nederland werkzaam is en zijn pensioenregeling bij zijn voormalige werkgever in het buitenland kan voortzetten artikel 19a eerste lid onderdeel c van de Wet op de loonbelasting 1964 Bij vertrek uit Nederland kan de levensloopregeling desgewenst in die pensioenregeling worden ingebracht indien de aanspraak ingevolge die pensioenregeling na de omzetting nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde begrenzingen Verder bestaat bij een in Nederland wonende werknemer die een dienstbetrekking in het buitenland wil aanvaarden de mogelijkheid om het levenslooptegoed nog in zijn Nederlandse pensioenregeling in te brengen indien de aanspraak ingevolge die pensioenregeling na de omzetting nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde begrenzingen Deze pensioenregeling kan vervolgens op basis van artikel 19b vierde lid van de Wet op de loonbelasting 1964 onder voorwaarden worden ingebracht in de pensioenregeling bij de nieuwe werkgever In antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de CDA fractie wordt opgemerkt dat tussen de Belgische tijdskredietregeling en de levensloopregeling geen koppeling bestaat De vormgeving van beide regelingen vertoont ook belangrijke verschillen De regelingen kennen elk hun eigen voorwaarden en begrenzingen Een werknemer die eerst in België heeft gewerkt en vervolgens in Nederland een baan aanvaardt kan op reguliere wijze aan de levensloopregeling deelnemen De leden van de CDA fractie verzoeken nader in te gaan op de rechten en verplichtingen die aan buitenlandse aanbieders van levensloopproducten door de regering worden gesteld Tevens vragen zij wanneer de Kamer en met name verzekeraars en banken de ministeriële regeling waarin de voorwaarden genoemd zullen worden waaraan levensloopproducten moeten voldoen tegemoet kunnen zien In beginsel zullen voor buitenlandse banken en verzekeringsmaatschappijen die levensproducten aanbieden dezelfde rechten en plichten gaan gelden als voor binnenlandse aanbieders van levensloopproducten Om binnenlandse en buitenlandse aanbieders materieel zoveel mogelijk in een vergelijkbare positie te brengen is het noodzakelijk om met betrekking tot de buitenlandse aanbieders een aantal specifieke voorwaarden te stellen Meer specifiek wordt in dit kader vooralsnog op twee voorwaarden gedoeld waaraan de buitenlandse aanbieders dienen te voldoen Allereerst wordt van buitenlandse verzekeraars geëist dat zij in het land van vestiging bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefenen Voor buitenlandse banken die in Nederland fiscaal gefacilieerde levensloopregelingen wensen aan te bieden wordt een gelijkluidende eis opgenomen Het moet deze banken in het land van vestiging zijn toegestaan hun bedrijf te maken van het ter beschikking krijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen of beleggingen Ten tweede wordt van de hiervoor bedoelde buitenlandse verzekeraars en banken vereist dat zij informatie verstrekken aan de Nederlandse belastingdienst betreffende de uitvoering van de door hen aangeboden levensloopregelingen De uiteindelijke aanwijzing als toegelaten aanbieder van de fiscaal gefacilieerde levensloopregeling geschiedt door de minister van Financiën De voornoemde voorwaarden zullen voor 1 april 2005 gereed zijn zodat de buitenlandse verzekeraars en banken per 1 januari 2006 als toegelaten aanbieders de Nederlandse markt kunnen betreden en daarnaast voldoende tijd hebben om per diezelfde datum de levensloopregeling aan te bieden De leden van de VVD fractie vragen of Nederlanders die in niet verdragslanden gaan wonen een extra heffing over hun VUT uitkering zullen gaan betalen VUT uitkeringen vormen loon uit dienstbetrekking Het onderhavige wetsvoorstel brengt hierin geen verandering Voor niet inwoners behoren deze uitkeringen op basis van artikel 7 2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland voor zover ze voortvloeien uit arbeid die in Nederland is verricht of geacht wordt in Nederland te zijn verricht Ook inwoners van een niet verdragsland die een VUT uitkering genieten uit een in Nederland vervulde dienstbetrekking worden hierover derhalve in Nederland in de heffing betrokken In hoeverre deze uitkeringen ook in het woonland in de heffing worden betrokken en in hoeverre het woonland bereid is eventueel voorkoming van dubbele belasting te verlenen wordt bepaald door de nationale wetgeving van dat land Een mogelijke dubbele heffing over de VUT uitkeringen in Nederland én het niet verdragswoonland kan zich overigens evenzeer onder de huidige wetgeving voordoen Het onderhavige wetsvoorstel brengt hierin geen wijziging II 15 Budget De leden van de CDA fractie wijzen op het bericht in de Financiële Telegraaf van zaterdag 25 september waarin wordt gemeld dat er te weinig geld is voor de levensloopregeling In dat artikel wordt gesteld dat als de huidige beroepsbevolking van volgens het artikel 5 mln mensen hieraan deelnemen met een overheidsbudget van 500 mln er dan een jaarlijks spaarbedrag voor deze mensen is van 200 tot 300 Graag ontvangen de leden van de CDA fractie op dit punt een reactie Tevens vragen zij om een bevestiging van de tijdens de algemene politieke beschouwingen gedane uitspraak dat de levensloopregeling een open einde regeling is Ook de leden van de PvdA fractie vragen hiernaar Elke werknemer in Nederland heeft het recht jaarlijks 12 van zijn bruto loon in te leggen een levensloopregeling tot het maximumsaldo van 150 van het laatstverdiende loon is bereikt Dit saldo is hervulbaar Dit betekent dat nadat een deel van het saldo is opgenomen ter financiering van een verlofperiode het saldo weer kan worden aangevuld tot het maximale op te bouwen saldo weer is bereikt Het gebruik van de levensloopregeling is onder andere afhankelijk van het gebruik van de spaarloonregeling door de anticumulatie het afschaffen van de fiscale faciliëring van VUT en prepensioen en daarnaast van individuele voorkeuren De deelname aan de levensloopregeling is vrijwillig Niet de gehele beroepsbevolking zal ieder jaar 12 van zijn of haar bruto jaarloon opzij willen of kunnen zetten Dit mede vanwege het feit dat het saldo op de levensloopregeling gemaximeerd is op 150 van het bruto loon Iemand die de levensloopregeling uitsluitend wenst te gebruiken om vervroegd uit te treden zal gemiddeld genomen jaarlijks veel minder dan 12 hoeven te sparen om aan het einde van diens arbeidzame leven een saldo van 150 op te hebben gebouwd Werknemers kunnen er ook voor kiezen om hun spaar geld beschikbaar te houden voor andere dingen dan verlof of prepensioen De budgettaire gevolgen van de invoering van de levensloopregeling zijn geraamd op 390 mln in 2006 Het totale geraamde budgettaire belang van de levensloopregeling bedraagt 515 mln in 2006 Deze bedragen staan ook vermeld in de aangepaste memorie van toelichting van het onderhavige wetsvoorstel Deze bedragen betreffen ramingen en moeten dus niet worden geïnterpreteerd als beschikbare bedragen De budgettaire gevolgen kunnen hoger of lager uitvallen naarmate het gebruik van de levensloopregeling hoger of lager uitvalt dan verwacht In 2006 maken naar verwachting 1 1 mln werknemers gebruik van de levensloopregeling in 2008 1 6 mln en in 2010 1 8 mln werknemers Dit in antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de PvdA Onderstaande tabel geeft in antwoord op een vraag van de leden van de fractie van de PvdA een overzicht van de veronderstellingen die gebruikt zijn voor de budgettaire ramingen met betrekking tot de levensloopregeling Tabel 6 Aannames raming verlofspaarregeling en levensloopregeling 2006 2007 2008 2009 1 verlofspaarregeling Inleg per jaar 1 560 1 560 1 560 1 560 Aantal deelnemers circa 300 000 300 000 300 000 300 000 2 Levensloopregeling Inleg per jaar 1 106 1 106 1 106 1 106 Aantal deelnemers circa 1 150 000 1 400 000 1 650 000 1 800 000 3 Anti cumulatie effect met spaarloon Aantal van spaarloonregeling circa 500 000 640 000 770 000 870 000 Gemiddelde inleg spaarloon 552 552 552 552 4 Ouderschapsverlofkorting Gemiddelde verlofduur 280 280 280 280 Aantal personen met ouderschapsverlof 50 000 65 000 65 000 65 000 Afgerond op hele duizendtallen Verondersteld is dat circa 4 van de werknemers gebruik zal maken van de verlofspaarregeling in 2006 bij ongewijzigd beleid Het gebruik van de verlofspaarregeling is dus vrij beperkt De verlofspaarregeling kent geen wettelijk recht waardoor werknemers om gebruik te kunnen maken van deze regeling geheel afhankelijk zijn van hun werkgever Op basis van op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitgevoerd SCP onderzoek 25 kan worden verondersteld dat de beperkte groep werknemers die op dit moment gebruik maakt van de verlofspaarregeling relatief jong is en nog geen kinderen heeft Met het oog op de effecten van de levensloopregeling vragen de leden van de PvdA fractie naar de inzichten die bestaan in de relatie tussen gebruik van verlof en beschikbare financiële middelen De leden van de PvdA fractie vragen de regering in te gaan op de gegevens die hierover beschikbaar zijn op basis van onderzoek van het SCP Nyfer universiteiten en andere onderzoeksinstituten Gegevens uit empirisch onderzoek over het gebruik van verlof zijn schaars laat staan gegevens over de relatie tussen gebruik van verlof en betaling van verlof Bij universiteiten Nyfer en andere onderzoeksinstituten zijn wel studies naar verlof verricht maar het betreft dan geen empirische studies onder de doelgroepen van de verschillende verlofregelingen zie bijvoorbeeld de literatuurstudie van Nyfer 26 en de studie onder werkgevers van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek OSA 27 In dit verband zijn met name gegevens over het gebruik van langerdurend verlof relevant Gebruiksgegevens daarover zijn beschikbaar uit evaluatieonderzoek van de wettelijke regeling voor ouderschapsverlof 28 uit de evaluatie van de financieringsregeling loopbaanonderbreking 29 uit de Enquête Beroepsbevolking van het Centraal Bureau voor de Statistiek gegevens over ouderschapsverlof en recentelijk uit het onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau over behoefte aan en gebruik van verlofregelingen 30 Uit deze onderzoeken blijkt allereerst dat er een sterk positieve relatie is tussen het gebruik van ouderschapsverlof en de betaling ervan Verder blijkt dat deze relatie voor mannen nog sterker geldt dan voor vrouwen Ook het gebruik van loopbaanonderbreking blijkt volgens de betreffende evaluatie en het SCP onderzoek zeer gevoelig voor de hoogte van de betaling tijdens deze verlofperiode Voor wat betreft langerdurend zorgverlof waarvoor overigens nog geen wettelijk recht op verlof geldt maakt het SCP onderzoek duidelijk dat voor 15 van de rechthebbende niet gebruikers die wel behoefte aan dit verlof hadden het inkomensverlies bij onbetaald verlof de belangrijkste reden was om geen verlof te nemen De leden van de PvdA fractie hebben gevraagd wat het wegvallen van prepensioenregelingen die deels gebruikt worden voor het dichten van pensioengaten zal betekenen voor het gebruik van de levensloopregeling De regering sluit niet uit dat de levensloopregeling deels gebruikt zal gaan worden om pensioengaten te dichten Wat betreft het profiel van de deelnemers die de levensloopregeling mogelijk voor dit doel gaan gebruiken zal het vooral gaan om mensen die de verwachting hebben dat hun pensioen tekort zal schieten voor de bestedingen die zij na pensionering willen gaan doen De regering heeft in de budgettaire ramingen rekening gehouden met dit gedragseffect II 16 Administratieve lasten De leden van de fractie van het CDA vragen welke middelen ingezet worden om het draagvlak onder burgers werkgevers en uitvoerders te vergroten De Belastingdienst zal uiteraard via de reguliere communicatiekanalen informatie verschaffen aan werkgevers en de andere betrokken uitvoerders zoals banken en verzekeraars Ook in het kader van het arbeid en zorgbeleid van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal voorlichting over de levensloopregeling worden gegeven De leden van de fractie van het CDA vragen de regering een nadere analyse van de administratieve lasten te geven gezien de reacties op dit punt van de werkgevers en uitvoerders De structurele extra administratieve lasten als gevolg van dit wetsvoorstel bedragen circa 4 5 mln zoals is weergegeven in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel Dit effect is onder andere bepaald met behulp van berekeningen in het standaardkostenmodel administratieve lasten loonheffing conform de uitgangspunten van de regering De extra structurele administratieve lasten als gevolg van de levensloopregeling bedragen 5 mln Deze komen bovenop de administratieve lasten van de al bestaande verlofspaarregeling die ruim 2 5 mln bedragen De verwachte structurele administratieve lasten van de levensloopregeling als geheel komen daarmee op circa 7 5 mln Voor wat betreft de samenstelling van de administratieve lasten kan worden vermeld dat het achtereenvolgens de volgende categorieën betreft op de hoogte komen van de regeling verschaffen van informatie voorlichting aan personeel op papier zetten van de regeling tijd of geldsparen invoeren spaargegevens voor nieuwe werknemers het onderhoud van spaargegevens van werknemers en verwerking in de salarisadministratie het controleren en toetsen gegevens en ten slotte het vastleggen en archiveren van gegevens De administratieve lasten van de levensloopregeling zijn daarmee niet gering maar niet buitensporig ten opzichte van vergelijkbare regelingen Wanneer gecorrigeerd wordt voor het verschil in verwacht gebruik zijn de administratieve lasten per individuele werknemer bij de levensloopregeling vergelijkbaar met de spaarloonregeling Tevens is rekening gehouden met eventuele administratieve lasten bij banken en verzekeraars Hierbij moet wel worden opgemerkt dat zij hun bedrijf maken van het aanbieden van financiële producten en diensten De extra administratieve lasten voor banken en verzekeraars zijnde de extra kosten ten opzichte van de normale bedrijfsvoering blijven daarmee beperkt De berekeningen zijn in afwijking van hetgeen de leden van de CDA fractie veronderstellen aan Actal voorgelegd Actal heeft ook een advies uitgebracht Een afschrift van dit advies is bijgevoegd bijlage 2 Volgens de leden van de CDA fractie wordt het draagvlak tevens vergroot als op één centrale plek de administratie en controle op de levensloopregeling neer gelegd wordt zoals bijvoorbeeld de Belastingdienst Het succes van de levensloopregeling wordt naar de mening van de leden van de CDA fractie bepaald door de eenvoud en kostendekkendheid Zoals hiervoor is uiteengezet is het systeem van de levensloopregeling alleen werkbaar als gewerkt wordt via de relatie tussen werkgever en werknemer Zij bepalen immers met elkaar wanneer verlof wordt opgenomen en wanneer daarom opname van de levenslooprekening plaatsvindt De werkgever is ook degene die de loonvervangende betalingen doet Daarom is bepaald dat de werkgever de faciliteit toepast en in eerste instantie verantwoordelijk is voor juiste toepassing De Belastingdienst is belast met het toezicht op juiste toepassing III TIJDELIJKE OUDERSCHAPSVERLOFKORTING Er zijn verschillende vragen gesteld over de achtergrond van de tijdelijkheid van de heffingskorting bij ouderschapsverlof In de eerste jaren na de introductie van de levensloopregeling per 1 januari 2006 hebben werknemers over het algemeen nog niet voldoende kunnen sparen voor de financiering van een periode van ouderschapsverlof Daarom geldt voor de jaren tussen 2006 en 2010 een tijdelijke heffingskorting Daarna worden werknemers geacht voldoende gelegenheid te hebben gehad voor het opbouwen van een financiële voorziening Op de vraag van de leden van de SGP fractie is het antwoord van de regering dat de heffingskorting ouderschapsverlof een fiscale faciliteit is voor werknemers die gebruikmaken van hun wettelijk recht op ouderschapsverlof en deelnemen aan de levensloopregeling dat wil zeggen in dat jaar storten in de levensloopregeling Op verzoek van de leden van de fracties van de PvdA de VVD en D66 geeft de regering daarbij de volgende nadere uitleg van de voorwaarden voor heffingskorting De heffingskorting is een extra fiscale faciliteit die wordt een geïntroduceerd in directe samenhang met de levensloopregeling Vanzelfsprekend is daarom een voorwaarde dat gespaard wordt in het kader van de levensloopregeling Als gevolg van de anticumulatiebepaling impliceert deze voorwaarde dat werknemers in het jaar waarin zij voor de heffingskorting ouderschapsverlof in aanmerking willen komen niet aan de spaarloonregeling kunnen deelnemen Ook in het kader van de spaarloonregeling bestaat de mogelijkheid om voortijdig via deblokkering tegoed op te nemen voor de financiering van onbetaald verlof Wie echter voor deze mogelijkheid kiest kiest per definitie niet voor de extra faciliteit van de ouderschapsverlofkorting die bij de levensloopregeling hoort Werknemers die hun ouderschapsverlof uit een spaarregeling willen financieren zullen vooraf moeten afwegen of voor hen de mogelijkheid binnen de spaarloonregeling dan wel die binnen de levensloopregeling het meest adequaat is De regering gaat er vanuit dit mede in antwoord op vragen van leden van de CDA PvdA en VVD fractie dat werknemers al aan het begin van hun loopbaan anticiperen op een mogelijke toekomstige behoefte aan verlof bijvoorbeeld in verband met ouderschap en daarom van meet af aan zullen deelnemen aan de levensloopregeling De mogelijke effecten van deze spaarregeling voor ouderschapsverlof komen aan de orde in de Emancipatie effectrapportage die in opdracht van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid door het SCP is verricht 31 Daaruit blijkt 32 dat vrouwen gemiddeld 9 tot 10 jaar werken voordat zij hun eerste kind krijgen en mannen gemiddeld nog ongeveer 2 jaar langer werken voordat ze vader worden Daarom is er naar de mening van de regering voor aspirant ouders vanaf de start van hun werkzame leven voldoende tijd om spaartegoed op te bouwen voor periodes van ouderschapsverlof De regering is in antwoord op de vraag van de leden van de VVD en PvdA fractie niet voornemens om onderzoek te laten doen naar de effecten van de levensloopregeling voor het sparen van loonvervanging tijdens ouderschapsverlof na januari 2010 Onderzoek naar langetermijn effecten lijkt weinig zinvol Zo laat het SCP zich over dergelijke effecten niet uit omdat het het doen van houdbare uitspraken over de langere termijn niet verantwoord acht 33 Wel zal de levensloopregeling geëvalueerd worden in het kader van de monitoring van beleidsartikel 25 van de Begroting 2004 van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarbinnen de levensloopregeling is opgenomen als instrument ter bevordering van het combineren van arbeid en zorg In antwoord op de vraag van de leden van de CDA fractie daarover verwacht de regering dat ouders in de periode 2006 tot 2010 bij hun besluit om al dan niet het wettelijke ouderschapsverlof op te nemen en gebruik te maken van de heffingskorting ook zullen anticiperen op de situatie na 1 januari 2010 wanneer de tijdelijke heffingskorting niet langer zal bestaan De regering onderkent dat zoals de leden van de PvdA fractie opmerken betaling van verlof met name van belang is voor het gebruik van verlof door mannen Via de levensloopregeling geeft de regering fiscale ondersteuning bij het opbouwen van een voorziening ter financiering van loonvervanging tijdens elke vorm van verlof waaronder ouderschapsverlof Van deze ondersteuning kunnen ook mannen profiteren en met het tegoed op de levensloopregeling kunnen zij voorzien in loonvervanging tijdens ouderschapsverlof Als het levensloopperspectief een omslag in denken teweegbrengt en werknemers vanaf de start van hun loopbaan anticiperend op een mogelijke behoefte aan verlof deelnemen aan de levensloopregeling zijn positieve effecten van de tijdelijke heffingskorting bij ouderschapsverlof zoals aangehaald door de leden van de SP fractie ook mogelijk zonder deze heffingskorting Dan zal sparen voor verlof en verlof financieren uit het tegoed op grond van de levensloopregeling ook voor mannen vanzelfsprekender worden De levensloopregeling als algemene financieringsregeling voor loonvervanging tijdens periodes van onbetaald verlof komt ondermeer in de plaats van de specifieke fiscale afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof voor werkgevers die tijdens ouderschapsverlof gedeeltelijk het loon van verlofgangers doorbetalen De regering wil het aantal bestaande financieringsregelingen voor onbetaald verlof verminderen en stroomlijnen Daarom heeft zij niet dit in reactie op vragen van de leden van de CDA en de PvdA fractie overwogen om de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof naast de levensloopregeling te laten bestaan maar er voor gekozen om de nieuwe levensloopregeling gedurende enige jaren na de introductie ervan te voorzien van een tijdelijke heffingskorting Anders dan deze laatstgenoemde leden meent de regering dat verwarring bij burgers en onnodige bureaucratie juist worden voorkomen door per 1 januari 2006 de financiering van langerdurend onbetaald verlof te stroomlijnen en de levensloopregeling in te zetten als financieringsregeling voor alle vormen dergelijk verlof In tegenstelling tot de leden van de PvdA fractie verwacht de regering dat de levensloopregeling op de langere termijn ook bij kan dragen aan een grotere zorgdeelname van mannen en een meer gelijke verdeling van arbeid en zorg tussen mannen en vrouwen In antwoord op de vraag van de leden van de CDA fractie meldt de regering dat de heffingskorting ouderschapsverlof in de levensloopregeling geen administratieve lasten met zich meebrengt omdat deze heffingskorting slechts is opgenomen in de inkomstenbelasting en dus wordt uitgevoerd door de Belastingdienst Tegelijkertijd kunnen na 1 januari 2006 bij werkgevers die voorheen gebruikmaakten van de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof door het vervallen van deze afdrachtvermindering de administratieve lasten afnemen De leden van de fractie van de PvdA vragen de regering een overzicht te geven van arbeidsparticipatie van vrouwen in verschillende Europese landen gerelateerd aan voorzieningen voor betaald ouderschapsverlof In Tabel 7 worden de arbeidsparticipatiecijfers van vrouwen in verschillende Europese landen 2003 34 en de al dan niet beschikbaarheid van betaald ouderschapsverlof in deze landen gegevens 2002 2003 35 naast elkaar gezet Tabel 7 Europese landen naar arbeidsdeelname van vrouwen en beschikbaarheid van betaald ouderschapsverlof 2002 2003 Landen Arbeidsparticipatie van vrouwen Betaald onbetaald ouderschapsverlof EU 15 landen 56 0 Oostenrijk 62 8 Betaald 3 jaar basisbedrag Duitsland 59 0 Betaald 2 jaar basisbedrag Zweden 71 5 Betaald 390 dg 80 loon 90 dg basisbedrag Frankrijk 57 2 Onbetaald 2 jaar België 51 8 Betaald 3 mnd basisbedrag Spanje 46 0 Onbetaald 1 jaar Italië 42 7 Betaald 6 mnd 30 loon Denemarken 70 5 Betaald 16 wk 60 werkloosheidsuitkering Finland 65 7 Betaald 6 mnd 80 loon Portugal 60 6 Onbetaald 6 mnd Ierland 55 8 Onbetaald 14 wk Nederland 65 8 Onbetaald 13 wk Ver Kon rijk 65 3 Onbetaald 3 mnd Griekenland 43 8 Onbetaald 3 mnd Bij deze tabel dient te worden opgemerkt dat de gegevens over arbeidsdeelname van vrouwen en die over de beschikbaarheid van betaald ouderschapsverlof niet noodzakelijkerwijs aan elkaar gerelateerd zijn zoals de leden van de PvdA fractie in hun vraag lijken te veronderstellen De hoogte van de arbeidsdeelname van vrouwen is in de verschillende landen afhankelijk van meer factoren dan alleen van de mogelijkheid tot betaald ouderschapsverlof Van groot belang zijn factoren op persoonsniveau zoals opleiding en leeftijd huishoudensniveau zoals gezinsinkomen en aanwezigheid van jonge kinderen niveau van de arbeidsorganisatie zoals flexibele werktijden parttime werk en institutioneel niveau wettelijke systeem van verlofregelingen en kinderopvangvoorzieningen Dat er geen rechtstreekse relatie bestaat tussen de beschikbaarheid van betaald ouderschapsverlof en de participatiegraad van vrouwen is ook te zien aan bovenvermelde cijfers Zo kent Italië betaald ouderschapsverlof en tegelijkertijd een lage arbeidsdeelname van vrouwen 42 7 In mindere mate geldt dit ook voor België en Duitsland Daarentegen is in het Verenigd Koninkrijk en Nederland de arbeidsdeelname relatief hoog terwijl in deze landen betaald ouderschapsverlof ontbreekt IV UITGANGSPUNTEN VUT PREPENSIOEN De regering is verheugd dat de leden van de fracties van het CDA en D66 aangeven de visie van de regering op een stelsel van vervroegd uittreden VUT dan wel prepensioen te onderschrijven Zij achten het net als de regering niet langer gewenst en verantwoord om via fiscale ondersteuning het vervroegd terugtreden van de arbeidsmarkt te bevorderen De veranderingen op de arbeidsmarkt van de afgelopen 25 jaar en de als gevolg van de komende vergrijzing te verwachten andere samenstelling van de beroepsbevolking nopen tot veranderingen De toegenomen levensverwachting in combinatie met juist een verlaging van het aantal gewerkte jaren illustreert nog eens dat een verandering niet alleen wenselijk maar ook mogelijk is De leden van de LPF fractie vragen in welk e opzicht en de in het voorgestelde artikel 32aa van de Wet op de loonbelasting 1964 bedoelde regeling voor vervroegde uittreding zich onderscheidt van een zogenoemde prepensioenregeling De in het voorgestelde artikel 32aa van de Wet op de loonbelasting 1964 bedoelde regeling voor vervroegde uittreding en de in het spraakgebruik als prepensioenregeling kapitaalgedekte regelingen die bedoeld zijn voor pensionering voorafgaand aan het ingaan van het ouderdomspensioen of de AOW hebben inderdaad een groot aantal gemeenschappelijke kenmerken In beide gevallen gaat het om regelingen die buiten het fiscale kader en dus zonder fiscale faciliëring de mogelijkheid bieden om vervroegd uit te treden Het onderscheidend criterium tussen beide regelingen is het antwoord op de vraag of de uit de regeling voortvloeiende aanspraak kan worden aangemerkt als een toezegging in de zin van het bepaalde bij of krachtens de Pensioen en spaarfondsenwet Als dat laatste het geval is is er geen sprake van een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in het voorgestelde artikel 32aa Anders dan de leden van de ChristenUnie fractie en de leden van de SGP fractie veronderstellen behoort ook vervroegd deeltijdpensioen nog steeds tot de mogelijkheden van het wetsvoorstel Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven blijft het fiscaal toegestaan om de ingangsdatum van het ouderdomspensioen dat na inwerkingtreding van het wetsvoorstel gericht is op ingang bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar te vervroegen Dit kan ook bij deeltijdpensioen In dat geval blijft het op grond van artikel 10b van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 fiscaal zelfs mogelijk om de opbouw van het ouderdomspensioen ongewijzigd voort te zetten op basis van het tot het ingaan van het deeltijdpensioen genoten loon Overigens kan ook de levensloopregeling worden gebruikt voor deeltijdverlof De leden van de SGP fractie vragen of het voor het ouderdomspensioen geldende maximum van 100 van het laatstgenoten pensioengevend loon inclusief of exclusief de AOW is Het antwoord op deze vraag volgt uit artikel 18a zesde lid van de Wet op de loonbelasting 1964 op grond waarvan de voor het ouderdomspensioen geldende maxima worden opgevat met inbegrip van een bedrag dat ten minste wordt gesteld op per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar een evenredig gedeelte van de voor dat jaar geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9 eerste lid onderdeel b en vijfde lid van de Algemene Ouderdomswet vermeerderd met de vakantietoeslag Ook het genoemde maximum van 100 van het laatstgenoten pensioengevend loon is dus inclusief een forfaitair bedrag aan AOW De leden van de fractie van het CDA vragen een reactie op de aantijgingen van pensioenfondsen dat de huidige kabinetsplannen het kapitaalgedekte pensioenstelsel en de solidariteit ernstig aantasten Allereerst wil de regering er op wijzen dat tot voor drie decennia terug er nauwelijks sprake was van VUT regelingen en prepensioenregelingen VUT en prepensioenregelingen kunnen mede daarom niet als een wezenlijk onderdeel van het pensioenstelsel worden beschouwd Integendeel de regering is juist van mening dat het bestaan van deze regelingen op den duur het stelsel zullen aantasten omdat ze onbetaalbaar worden en dus het vertrouwen in het stelsel aantasten en daardoor het draagvlak voor het collectieve ouderdoms pensioenstelsel versmallen Het is juist dat door de kabinetsplannen de solidariteit in prepensioenregelingen zal verdwijnen Dat is een bewuste keuze van de regering Vervroegd uittreden kan en mag ook straks nog maar dan wel op grond van een individuele keuze De regering acht het niet gewenst om voor vervroegde uittredingsregelingen anno 2006 solidariteit te blijven eisen binnen verplichte collectieve regelingen Van aantasting van de solidariteit binnen het pensioenstelsel is zoals uit het voorgaande volgt echter geen sprake IV 1 VUT De leden van de CDA fractie vragen wanneer de Tweede Kamer een nota van wijziging tegemoet kan zien in verband met de bij de algemene politieke beschouwingen door een meerderheid van de Tweede Kamer gevraagde verruiming van het overgangsrecht Deze nota van wijziging waar ook de leden van de fractie van D66 naar vragen is op 13 oktober jl bij de Tweede Kamer ingediend De leden van de PvdA fractie vinden dat het niet past bij de diversiteit van de beroepsbevolking dat in het wetsvoorstel wordt gekozen voor één pensioenleeftijd van 65 jaar De voorgestelde wetgeving biedt volgens de leden van de PvdA fractie onvoldoende flexibiliteit voor deze verschillen Zij vragen de regering deze stelling te weerleggen door met behulp van voorbeelden aan te geven hoeveel inkomen overblijft als percentage van het laatst verdiende salaris wanneer op genoemde leeftijd wordt gestopt met werken De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de regering denkt dat het vervroegen van de pensioenleeftijd zonder fiscale faciliëring haalbaar is voor alle inkomensgroepen en vragen in dit kader naar een cijfermatige onderbouwing bij de vraag vanaf welk inkomensniveau het uitgaande van een gemiddeld bestedingspatroon mogelijk is om respectievelijk 1 2 3 4 of 5 jaar eerder te stoppen met werken dan de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar ervan uitgaande dat gebruik wordt gemaakt van de levensloopregeling De door de leden van de PvdA fractie gevraagde berekeningen worden in tabel 1 en 2 gepresenteerd Deze berekeningen zijn eveneens een reactie op de door de leden van fractie van de Christen Unie gevraagde onderbouwing Een cijfermatige onderbouwing op basis van een gemiddeld bestedingspatroon is niet mogelijk omdat niet duidelijk is wat onder een gemiddeld bestedingspatroon kan worden verstaan Een werknemer met een laag inkomen zal altijd onder het gemiddelde bestedingspatroon blijven ook als deze met pensioen gaat omdat het aanvullende ouderdomspensioen gebaseerd is op het inkomen wat iemand heeft verdient Uitgangspunt bij de berekeningen is dat een werknemer alleen dat deel van het ouderdomspensioen naar voren haalt dat uitkomt boven het pensioen dat bij een opbouwperiode van 40 jaar bij de gemiddelde regeling bereikt kan worden Dit komt op dit moment veelal neer op 70 van de pensioengrondslag gebaseerd op het laatstverdiende loon of circa 80 van de pensioengrondslag gebaseerd op middelloon Verondersteld is dat een gemiddelde pensioenregeling op dit moment een opbouwpercentage heeft van 2 middelloon en een franchise van 13 000 Dit betekent dat een werknemer met een middelloon van 22 000 na 40 jaar een pensioen van circa 7 200 exclusief AOW heeft opgebouwd Al het extra pensioen dat de werknemer opbouwt door meer dan 40 jaar te werken of door verruiming van de pensioenregeling wordt gebruikt om vroeger te kunnen uittreden Er wordt verondersteld dat een werknemer eerst zorgt voor een aanvulling van het ouderdomspensioen tot het niveau dat bij 40 dienstjaren bereikt zou kunnen worden onder de oude nog niet op de maximale ruimte van het Witteveenkader afgestemde regeling Ter vergelijking ABP heeft voor de structurele situatie een opbouwpercentage van 1 9 middelloon en een franchise van 13 000 PGGM heeft een opbouwpercentage van 1 75 middelloon en een franchise van 11 366 De leden van de PvdA fractie vragen om de volgende varianten Variant 0 Het bestaande fiscale Witteveenkader wordt volledig benut evenals de levensloopregeling maximaal 150 van het inkomen Ten opzichte van de huidige regeling betekent dit dat het opbouwpercentage verhoogd wordt van 2 naar 2 25 en de franchise verlaagd wordt naar het niveau van een individuele 10 7 AOW van 11 500 Variant 1 Is gelijk aan variant 0 alleen de franchise is verlaagd naar een individuele AOW van 8 000 Variant 2a Is gelijk aan variant 0 zonder benutting levensloop voor vervroegd pensioen Variant 2b Is gelijk aan variant 0 met benutting van levensloop waarbij gedurende 15 jaar 4 per jaar gespaard wordt voor vervroegde uittreding Tabel 8 laat de structurele situatie zien van iemand die op 1 januari 2006 begint met werken en het extra deel van het opgebouwde ouderdomspensioen dat uitgaat boven de 80 van een middelloonregeling gebruikt voor een uitkering in de periode tot het bereiken van de 65 jarige leeftijd De uitkering is uitgedrukt als percentage van het laatst verdiende loon Dit uitkeringspercentage geldt uitsluitend voor de periode tot het bereiken van de 65 jarige leeftijd De extra ruimte om eerder uit te treden wordt mede bepaald door de leeftijd waarop iemand begint met werken en de uittreedleeftijd Tabel 8 Inkomen als percentage van het laatstverdiende loon op het moment van stoppen met werken De werknemer begint met werken op 1 januari 2006 Leeftijd stoppen met werken 58 60 62 Gemiddeld inkomen gedurende loopbaan 22 000 44 000 60 000 22 000 44 000 60 000 22 000 44 000 60 000 Leeftijd beginnen met werken op 1 1 2006 18 variant 0 37 37 37 56 59 59 102 109 112 variant 1 59 48 45 88 75 72 157 138 133 variant 2a 16 16 16 26 29 29 52 59 62 variant 2b 25 25 25 38 42 42 73 79 83 22 variant 0 30 27 26 48 44 44 52 52 52 variant 1 51 36 33 76 59 55 82 67 63 variant 2a 9 5 4 18 14 13 22 22 22 variant 2b 18 14 13 30 27 26 34 34 34 24 variant 0 28 21 20 43 37 36 48 45 44 variant 1 46 31 27 70 51 45 77 59 55 variant 2a 6 0 2 12 7 6 18 15 13 variant 2b 15 9 7 25 20 19 30 27 26 Uit Tabel 8 blijkt dat voor werknemers met een lang dienstverband begonnen met werken op 18 jarige leeftijd bij volledige benutting van het Witteveenkader variant 0 het uitkeringsniveau bij vervroegde uittreding van werknemers met een laag inkomen niet veel afwijkt van dat van werknemers met een hoog inkomen Dit is het gevolg van twee tegengestelde effecten Enerzijds ligt het opbouwpercentage hoger dan het gemiddelde opbouwpercentage bij de huidige regelingen Hierdoor neemt de pensioenopbouw toe waarvan werknemers met hogere inkomens het meest profiteren omdat een groter deel van hun inkomen boven de franchisegrens ligt Anderzijds ligt de franchise lager dan de franchise die gemiddeld genomen wordt gehanteerd bij de huidige regelingen Van de franchiseverlaging profiteren vooral de werknemers met een lager inkomen Hun pensioenopbouw neemt in relatieve termen veel sterker toe dan de pensioenopbouw bij de hogere inkomens Voor werknemers met minder dan 40 jaar opbouw begonnen met werken op 22 jarige of 24 jarige leeftijd en ingangsdatum prepensioen 58 of 60 jaar respectievelijk 58 60 of 62 jaar wordt ervan uitgegaan dat zij de verruiming van de pensioenregeling gebruiken om eerst het ouderdomspensioen aan te vullen tot het niveau dat bij 40 dienstjaren bereikt zou kunnen worden onder de oude nog niet op de maximale ruimte van het Witteveenkader afgestemde regeling Het daarna nog resterende vermogen is beschikbaar voor vervroegde uittreding De hiervoor genoemde aanvulling van het ouderdomspensioen is voor werknemers met hoge inkomens relatief duur zij bouwen immers over een relatief groter deel van hun inkomen pensioen op Dit betekent dat hogere inkomens een minder groot deel van de extra pensioenopbouw beschikbaar hebben voor vervroegde uittreding Bij een onvolledige pensioenopbouw geldt dus dat volledige benutting van het Witteveenkader de werknemers met lagere inkomens relatief meer ruimte geeft voor vervroegde uittreding Een verdere verlaging van de minimumfranchise in het Witteveenkader naar 8 000 variant 1 betekent dat werknemers met een lang dienstverband en een laag inkomen op hun 60 ste kunnen uittreden tegen een uitkeringsniveau van meer dan 70 Voorwaarde is wel dat zij een maximaal saldo in hun levensloopregeling hebben opgebouwd en dit aanwenden voor vervroegde uittreding Deze werknemers kunnen nog vóór hun 60 ste jaar uittreden tegen 70 van hun laatstverdiende loon Vooral werknemers met een laag inkomen profiteren van de franchiseverlaging en zij kunnen zelfs met een uitkering van 88 uittreden Tabel 8 laat ook zien dat slechts tegen een laag uitkeringpercentage kan worden uitgetreden indien geen variant 2a of slechts beperkt variant 2b gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om via de levensloopregeling vervroegd uit te treden Bij werknemers die zijn begonnen op 24 jarige leeftijd en uittreden op 58 jarige leeftijd is het beschikbare uitkeringspercentage zelfs negatief voor hogere inkomens Dit betekent dat de extra pensioenopbouw die verkregen is door volledige benutting van het Witteveenkader onvoldoende is om het tekort aan opbouwjaren te compenseren Een ouderdomspensioen van 80 van het middelloon is voor deze groep niet bereikbaar en er is dus ook geen surplus aan ouderdomspensioen beschikbaar om naar voren te halen Tabel 9 laat de situatie zien van werknemers die al eerder begonnen zijn met werken Hierbij is verondersteld dat de werknemer 5 jaar prepensioen heeft opgebouwd in een regeling met een uitkeringspercentage van 80 van het middelloon bij een spilleeftijd van 60 jaar Tevens is verondersteld dat de werknemer op zijn twintigste is begonnen met werken Bij deze voorbeelden geldt eveneens dat het deel van het ouderdomspensioen boven 80 van het middelloon gebruikt wordt om vervroegd uit te treden Er is weer verondersteld dat eerst het ouderdomspensioen aangevuld wordt tot 80 van het middelloon en dat het restant wordt aangewend voor vervroegde uittreding De uitkering is weer uitgedrukt als percentage van het laatstverdiende loon Dit uitkeringspercentage geldt uitsluitend voor de periode tot het bereiken van de 65

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Wetsvoorstel%20VUT-Prep%202005%20NNAVV%20en%20NV.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive



  •