archive-nl.com » NL » B » BELASTINGDIENSTPENSIOENSITE.NL

Total: 492

Choose link from "Titles, links and description words view":

Or switch to "Titles and links view".
  • 29678 Fiscale onderhoudswet 2004 Memorie van Toelichting
    1964 bij een op een middelloonstelsel gebaseerd nabestaandenpensioen niet uitdrukkelijk bepaald dat ook ontbrekende dienstjaren in aanmerking genomen mogen worden De in dit onderdeel opgenomen wijziging voorziet in het toevoegen van de term ontbrekende dienstjaren ter verduidelijking van het tweede lid van artikel 18b van de Wet op de loonbelasting 1964 Artikel III onderdeel C artikel 18c tweede lid Voor een wezenpensioen op basis van een eindloonstelsel is in artikel 18c eerste lid van de Wet op de loonbelasting 1964 bepaald dat ontbrekende dienstjaren in aanmerking kunnen worden genomen Hoewel in het vijfde lid van artikel 18b van de Wet op de loonbelasting 1964 uitdrukkelijk en zonder beperkingen voor een op het eindloonstelsel gebaseerd pensioen is bepaald dat ontbrekende dienstjaren in aanmerking genomen kunnen worden bij nabestaandenpensioen en wezenpensioen is in het tweede lid van artikel 18c van de Wet op de loonbelasting 1964 bij een op een middelloonstelsel gebaseerd wezenpensioen niet uitdrukkelijk bepaald dat ook ontbrekende dienstjaren in aanmerking genomen mogen worden De in dit onderdeel opgenomen wijziging voorziet in het toevoegen van de term ontbrekende dienstjaren ter verduidelijking van het tweede lid van artikel 18c van de Wet op de loonbelasting 1964 Artikel III onderdeel D artikel 18d tweede lid In artikel 2b van de Pensioen en spaarfondsenwet is de mogelijkheid opgenomen om nabestaandenpensioen om te zetten in ouderdomspensioen Op grond van artikel 18d van de Wet op de loonbelasting 1964 mogen een ouderdomspensioen een nabestaandenpensioen en een wezenpensioen meer bedragen dan de in artikel 18a 18b en 18c van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen maxima voor zover dat het gevolg is van gehele of gedeeltelijke onderlinge ruil van nabestaandenpensioen wezenpensioen en ouderdomspensioen Op grond van de tweede volzin van het tweede lid van dit artikel geldt hierbij wel de voorwaarde dat de ruil van nabestaandenpensioen niet tot een hoger beloop dan 50 percent van het pensioengevend loon plaatsvindt De achtergrond van deze beperking was de gedachte dat een hoger ouderdomspensioen dan 100 50 150 niet meer aanvaardbaar was Hierbij is echter onvoldoende onderkend dat de omzetting van een nabestaandenpensioen van 50 van het pensioengevend loon niet tot een verhoging van het ouderdomspensioen met 50 van het pensioengevend loon leidt De waarde van het nabestaandenpensioen wordt op grond van artikel 2 van het Besluit gelijke behandeling bij pensioenen bepaald op basis van een actuarieel collectief gelijkwaardige ruilvoet De omvang van de verhoging van het ouderdomspensioen als gevolg van de omzetting is afhankelijk van de hoogte van deze ruilvoet Bovendien treft de in de tweede volzin van het tweede lid van artikel 18d Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen beperking ook situaties waarin nog lang niet een ouderdomspensioen van 100 is opgebouwd Een alleenstaande werknemer met 40 dienstjaren heeft maximaal een ouderdomspensioen van 80 en een nabestaandenpensioen van 56 opgebouwd Ook in deze situatie wordt de mogelijkheid om het nabestaandenpensioen over te dragen op grond van artikel 18d van de Wet op de loonbelasting 1964 beperkt Voorgesteld wordt om de bovengenoemde beperking te laten vervallen De eveneens in de tweede volzin van het tweede lid van artikel 18d van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen vergelijkbare beperking voor de ruil van wezenpensioen komt hierbij eveneens te vervallen Artikel III onderdeel E artikel 19b vierde en vijfde lid Op grond van artikel 19b eerste lid onderdeel b van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt bij afkoop van een aanspraak ingevolge een pensioenregeling de aanspraak belast als loon uit vroegere dienstbetrekking Artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen regelt dat in dat geval revisierente verschuldigd is over de waarde in het economische verkeer van die aanspraak De verzekeraar van deze aanspraak is op grond van artikel 44b Invorderingswet 1990 aansprakelijk voor de belasting die terzake van de afkoop is verschuldigd en eveneens voor de verschuldigde revisierente De voorgestelde aanpassing van artikel 19b bewerkstelligt dat in twee specifieke in de Pensioen en spaarfondsenwet genoemde situaties de hiervoor genoemde regelingen inzake aansprakelijkheid en revisierente niet van toepassing zijn Op grond van de Pensioen en spaarfondsenwet bestaat voor kleine pensioenen in twee gevallen de mogelijkheid tot afkoop De eerste is op artikel 8 achtste lid van de Pensioen en spaarfondsenwet gebaseerde afkoop van een pensioen bij een deelname korter dan een jaar in welk geval terugbetaling van pensioenpremies is toegestaan De andere is geregeld in artikel 32 vijfde lid van de Pensioen en spaarfondsenwet dit is afkoop van een pensioen van maximaal 350 56 op het tijdstip van ingang van het pensioen of van een pensioen van maximaal 2 x 350 56 bij vestiging in het buitenland Mede in het licht van de beoogde vermindering van de administratieve lasten wordt voorgesteld voor de hiervoor genoemde specifieke gevallen van afkoop een uitzondering op te nemen in artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964 Door deze wijziging wordt de aanspraak niet meer op het onmiddellijk aan de afkoop voorafgaande tijdstip tot het loon uit een vroegere dienstbetrekking gerekend De wijziging bewerkstelligt overigens niet dat ook de afkoopsom buiten de heffing blijft De ontvangen afkoopsom is op grond van artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 belast als loon uit vroegere dienstbetrekking Pensioenregelingen van internationale organisaties zijn in het algemeen niet aan te merken als zuivere pensioenregelingen in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 Bij de overdracht van een verplichting ingevolge een zuivere pensioenregeling naar een pensioenfonds van een internationale organisatie wordt de aanspraak ingevolge die regeling op grond van artikel 19b tweede lid van de Wet op de loonbelasting 1964 om die reden in beginsel geacht te zijn afgekocht Op grond van de huidige wettelijke bepalingen kan de verplichting ingevolge een zuivere pensioenregeling behoudens eventuele verdragstoepassing slechts zonder belastingheffing worden overgedragen naar een niet als verzekeraar in de zin van artikel 19a eerste lid onderdeel f van de Wet op de loonbelasting 1964 aangewezen buitenlands pensioenfonds van een internationale organisatie als is voldaan aan de in artikel 19b vierde lid van de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde voorwaarde dat een dienstbetrekking wordt aanvaard

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Onderhoudswet%202004%20MvT.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive


  • 29678 Fiscale onderhoudswet 2004 Verslag vaste commissie voor Financiën, vastgesteld 1 oktober 2004
    De leden van de SGP fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het vooral technische wetsvoorstel Fiscale Onderhoudswet 2004 Op een aantal punten zouden deze leden graag verduidelijking ontvangen Deze leden hebben er begrip voor dat vanwege het complexe karakter van belastingwetgeving het risico groot is dat er fouten worden gemaakt Tegelijkertijd vragen zij zich af of het de wetgever siert om de toelichting enthousiast in te zetten met de in de laatste jaren gebruikelijk geworden praktijk om met enige regelmaat een verzamelwetsvoorstel te maken met voorstellen tot herstel van de in de uitvoeringspraktijk gebleken onduidelijkheden in de wetgeving en aanpassingen van redactionele aard Er mag immers worden verwacht dat de open dialoog met degenen die de wet moeten uitvoeren reeds voor de inwerkingtreding van de wet plaatsvindt Wetswijzigingen die met terugwerkende kracht in werking treden kunnen dan zoveel mogelijk worden vermeden Op welke wijze wordt binnen het Ministerie van Financiën bevorderd dat dergelijke wetswijzigingen niet meer nodig zijn ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel I onderdeel A In de verdragen met internationale organisaties is steeds opgenomen dat de pensioenuitkeringen belast zijn in het land waar de pensioengenieter woont Onder de oude Wet op de inkomstenbelasting 1964 kon deze heffing ook worden gerealiseerd De leden van de CDA fractie constateren echter dat deze situatie in de nieuwe Wet op de inkomstenbelasting 2001 niet goed is geregeld Bij genoemde leden rijst de vraag hoe belastingplichtigen die bij een internationale organisatie hebben gewerkt en nu hier in Nederland hun oude dag beleven tussen 1 januari 2001 en nu in de heffing betrokken zijn geweest Heeft de overheid als gevolg van deze omissie inkomsten gederfd Bovendien vragen zij zich af waarom deze omissie nu pas aan licht komt Tenslotte hebben genoemde leden op dit punt de volgende meer technische vragen Een definitie van het begrip internationale instellingen

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Onderhoudswet%202004%20Verslag%20wetgevingsoverleg%20011004.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • 29678 Fiscale onderhoudswet 2004 Nota naar aanleiding van het verslag, ontvangen 2 november 2004
    in Nederland uitkeringen ingevolge een pensioenregeling van deze internationale organisatie genieten tussen 1 januari 2001 en nu in de heffing betrokken zijn geweest en of de overheid als gevolg van deze omissie inkomsten heeft gederfd Verder vragen deze leden waarom deze omissie nu pas aan het licht komt In antwoord op de bovenstaande vragen wordt opgemerkt dat in de uitvoeringspraktijk ook na 1 januari 2001 is uitgegaan van het onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geldende systeem zodat er in zoverre nog geen sprake is van een derving van belastinginkomsten Om te voorkomen dat een dergelijke derving in de toekomst alsnog ontstaat dient de voorgestelde aanpassing van de wet wel met terugwerkende kracht plaats te vinden Het feit dat de wettekst niet meer adequaat was werd geconstateerd de genoemde leden vragen daarnaar bij het schrijven van het besluit inzake de overdracht van pensioenkapitaal naar internationale organisaties besluit van 22 januari 2004 nr CPP 2003 200M De genoemde leden wijzen er terecht op dat een definitie van het begrip internationale instellingen organisaties ontbreekt en dat er ook geen opsomming wordt gegeven van de organisaties die tot dit begrip behoren Hier is echter bewust voor gekozen Het opnemen van een definitie of een opsomming heeft na de voorgestelde wijzigingen geen toegevoegde waarde voor de mogelijkheid om te kunnen heffen over de uitkeringen Voor zover een pensioenregeling niet kan worden aangemerkt als een pensioenregeling van een internationale organisatie en geen naar doel en strekking met de loonbelasting of inkomstenbelasting overeenkomende heffing naar het inkomen over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling heeft plaatsgevonden zal sprake zijn van een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 7 tweede lid onderdelen a b of c van de Wet inkomstenbelasting 2001 De pensioenuitkering zal dan in Nederland kunnen worden belast Voor zover wel een naar doel en strekking met de loonbelasting of inkomstenbelasting overeenkomende heffing naar het inkomen over de aanspraken ingevolge die regeling heeft plaatsgevonden is evenmin van belang of het gaat om een regeling van een internationale organisatie of niet Ongeacht of het gaat om een regeling van een internationale organisatie of om een andere regeling vindt de afwikkeling van de aanspraak in dat geval in box 3 plaats De definitie van het begrip internationale instellingen organisaties is wel van belang voor de toepassing van het op grond van dit wetsvoorstel eveneens te wijzigen artikel 19b vierde lid van de Wet op de loonbelasting 1964 Vooruitlopend op die wetswijziging is in het beleidsbesluit van 22 januari 2004 nr CPP 2003 200M bepaald onder welke voorwaarden onbelaste overdracht mogelijk is aan het buitenlandse pensioenfonds van internationale organisaties Het genoemde besluit is evenals de voorgestelde wetswijziging alleen van toepassing als ook voor toepassing van de Pensioen en spaarfondsenwet overdracht van pensioenkapitaal mogelijk is Hiervoor wordt verwezen naar het besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 april 1999 nr SV VP 99 16038 Stcrt 1999 nr 78 overdracht pensioenkapitaal naar internationale organisaties In een bijlage bij dat besluit is een opsomming opgenomen van de

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Onderhoudswet%202004%20NNAVV%20021104.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • 29678 Fiscale onderhoudswet 2004 Wetsvoorstel Eerste Kamer
    lid een lid ingevoegd luidende 4 Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een in onderdeel b van dat lid bedoelde uitkering of afkoopsom wordt uitgekeerd met toepassing van artikel 8 achtste lid of artikel 32 vijfde lid van de Pensioen en spaarfondsenwet 2 In het tot vijfde lid vernummerde vierde lid wordt aan het slot een volzin toegevoegd luidende De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de overgang van de verplichting ingevolge een pensioenregeling naar een pensioenfonds van een internationale organisatie in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking bij die organisatie in Nederland ARTIKEL V De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd I Artikel 31d wordt vervangen door Artikel 31d 1 Indien de belastingplichtige ten gevolge van de wijziging met ingang van 1 januari 2004 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met ingang van die datum bij de waardering van een pensioenverplichting moet overgaan op een ander waarderingsstelsel of op de hantering van een andere overlevingstafel of een andere leeftijdsterugstelling wordt zolang de verplichting nog bestaat en de waarde van die verplichting ten gevolge van die wijziging uitkomt op een bedrag dat lager is dan de volgens het tweede lid gecorrigeerde waarde van de in aanmerking genomen waarde aan het einde van het laatste jaar waarin het oude stelsel of de eerder toegepaste overlevingstafel of leeftijdsterugstelling nog toepassing vond de gecorrigeerde waarde in aanmerking genomen 2 De in aanmerking genomen waarde aan het einde van het laatste jaar waarin het oude stelsel of de eerder toegepaste overlevingstafel of leeftijdsterugstelling nog toepassing vond wordt verlaagd met de sedert 1 januari 2004 gedane uitkeringen ingevolge de in het eerste lid bedoelde pensioenverplichting en met de sedert dat tijdstip aan derden betaalde premies of koopsommen voor zover die betrekking hebben op

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Onderhoudswet%202004%20Wetsvoorstel%20EK.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Wetsvoorstel Belastingplan 2004 pensioen
    regelingen uit hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 Derhalve wordt de titel van dit hoofdstuk gewijzigd Artikel V onderdeel M artikel 18 Wet op de loonbelasting 1964 De in het Hoofdlijnenakkoord opgenomen afschaffing van de fiscale faciliëring van prepensioen wordt onder andere vormgegeven door de afschaffing van de fiscale faciliëring van overbruggingspensioen In artikel 18 Wet op de loonbelasting 1964 vervalt daardoor de definitie van deze pensioenvorm Artikel V onderdeel N artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964 In artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964 zijn de normen opgenomen waaraan een ouderdomspensioen moet voldoen De in het Hoofdlijnenakkoord opgenomen afschaffing van de fiscale faciliëring van prepensioen heeft voor ouderdomspensioen tot gevolg dat de zogenoemde pensioenrichtleeftijd van 60 jaar uit het zesde lid wordt vervangen door 65 jaar In het huidige zesde lid van artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964 is bepaald dat wanneer het ouderdomspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar het pensioen herrekend wordt ten opzichte van die leeftijd of van de in de pensioenregeling opgenomen latere ingangsdatum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen De voorgestelde wijziging bewerkstelligt dat deze herrekening moet plaatsvinden wanneer het pensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar Bestaande ouderdomspensioenregelingen met een pensioendatum die vóór 65 jaar ligt zullen zodanig moeten worden aangepast dat bij de verdere opbouw wordt uitgegaan van een ouderdomspensioen dat bij handhaving van die eerdere pensioendatum wordt gekort ten opzichte van het maximaal toegestane ouderdomspensioen bij de richtleeftijd van 65 jaar De tweede volzin van de huidige tekst van artikel 18a zesde lid is niet overgenomen in de voorgestelde tekst van artikel 18a aangezien dit meer mogelijkheden zou blijven bieden om voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar met pensioen te gaan dan wenselijk wordt geacht In het huidige zevende lid van artikel 18a Wet op de loonbelasting 1964 is bepaald dat het ouderdomspensioen inclusief de minimaal in te bouwen AOW niet meer dan 100 procent van het pensioengevend loon op het tijdstip van ingang van het pensioen mag bedragen Deze bepaling heeft tot gevolg dat in pensioenregelingen voor het verkrijgen van de fiscale faciliëring een bepaling moet zijn opgenomen dat geen uitkeringen worden gedaan die de 100 grens overschrijden Het zevende lid wordt samen met het zesde lid omgevormd tot een nieuw vierde lid De inperking van de opbouwpercentages binnen het Witteveenkader die zou plaatsvinden op grond van de bepalingen in het Belastingplan 2003 wordt niet doorgezet In het Belastingplan 2003 deel I was een inperking van de opbouwpercentages binnen het Witteveenkader van 2 naar 1 75 bij een eindloonstelsel en bij de andere stelsels een overeenkomstige inperking opgenomen Deze maatregel zou op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treden Besloten is deze maatregel niet door te zetten In artikel XXIII van dit wetsvoorstel wordt deze inperking van de opbouwpercentages uit het Belastingplan 2003 deel I verwijderd Ter vervanging van deze maatregel wordt de maximumnorm voor ouderdomspensioen aangepast en verlaagd naar 70 van het pensioengevend loon op het tijdstip waarop de werknemer of gewezen werknemer de 65 jarige leeftijd bereikt Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet fiscale behandeling van pensioenen is aangegeven dat 70 als een wenselijke pensioennorm werd gezien terwijl de 100 grens het karakter van een absolute bovengrens had Voordeel van de aanpassing van het pensioenmaximum ten opzichte van de inperking van de opbouwpercentages is dat bij ontbrekende dienstjaren over de wel aanwezig dienstjaren extra opgebouwd kan worden en op deze wijze toch nog een pensioen kan worden gerealiseerd dat meer in de buurt komt van het hiervoor genoemde maximumpensioen van 70 Ingeval het ouderdomspensioen later ingaat dan op de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum mag het pensioen op grond van het tot zesde lid vernummerde vijfde lid evenals onder de huidige regeling worden verhoogd overeenkomstig het tot die datum gevolgde stelsel met inbegrip van herrekening met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen tot maximaal 100 van het pensioengevend loon Deze bepaling is onder de voorgestelde regeling uitsluitend van belang voor situaties waarin na het bereiken van de leeftijd van 65 wordt doorgewerkt Zonder deze bepaling zou het uitermate onaantrekkelijk worden om langer door te werken aangezien in dat geval in feite afstand zou worden gedaan van een deel van de opgebouwde pensioenrechten Om dezelfde reden komt in het tot vijfde lid vernummerde vierde lid onderdeel 3 te vervallen De overige wijzigingen in artikel 18a hangen samen met het overbrengen van de bepalingen uit het huidige zesde en zevende lid naar het vierde lid Afgezien van de hiervoor genoemde wijzigingen wordt hiermee geen materiële wijziging beoogd Artikel V onderdeel O artikel 18b Wet op de loonbelasting 1964 De wijziging in artikel 18b hangt samen met de in onderdeel N opgenomen vernummering van een aantal leden van artikel 18a Artikel V onderdeel P artikel 18c Wet op de loonbelasting 1964 De wijziging in artikel 18c hangt samen met de in onderdeel N opgenomen vernummering van een aantal leden van artikel 18a Artikel V onderdeel Q artikel 18e Wet op de loonbelasting 1964 Zoals bij artikel II onderdeel B is aangegeven wordt in het kader van de beëindiging van de fiscale faciliëring van prepensioen de in artikel 18e Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen pensioenvorm overbruggingspensioen afgeschaft Overbruggingspensioen is een pensioen dat ingaat op hetzelfde tijdstip als het ouderdomspensioen en uiterlijk eindigt bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar De bedoeling van overbruggingspensioen is het bieden van een aanvullende inkomensvoorziening wanneer gebruik wordt gemaakt van ouderdomspensioen in de periode voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar Tot deze leeftijd bestaat er nog geen recht op AOW dat echter wel is ingebouwd bij het ouderdomspensioen en moet een hoger bedrag aan premies volksverzekeringen worden betaald Hierdoor is het pensioen in de periode tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar lager Overbruggingspensioen bood de mogelijkheid om voor en na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar een gelijke inkomensvoorziening te hebben Artikel V onderdeel R artikel 18g Wet op de loonbelasting 1964 In verband met het vervallen van de artikelen 18i en 38a Wet op de loonbelasting 1964 zie onderdeel S en onderdeel EE vervallen de verwijzingen naar deze artikelen in artikel 18g Wet op de loonbelasting 1964 Tevens vervalt de in artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen term diensttijd aangezien deze term niet meer wordt gebezigd in de in het gewijzigde artikel 18g genoemde artikelen Artikel V onderdeel S artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964 De fiscale faciliëring van regelingen voor vervroegde uittreding wordt op grond van het Hoofdlijnenakkoord afgeschaft Dientengevolge vervalt artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964 De fiscale behandeling van regelingen voor vervroegde uittreding die in stand worden gehouden zonder fiscale faciliëring wordt voortaan bepaald door het nieuwe artikel 13b Wet op de loonbelasting 1964 waarin tevens een nieuwe definitie van regeling voor vervroegde uittreding is opgenomen Artikel V onderdeel T artikel 19 Wet op de loonbelasting 1964 In artikel 19 Wet op de loonbelasting 1964 vervalt in samenhang met het vervallen van artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964 de term regeling voor vervroegde uittreding en de verwijzing naar deze term in artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964 Artikel V onderdeel U artikel 19a Wet op de loonbelasting 1964 Als gevolg van de afschaffing van de fiscale faciliëring van regelingen voor vervroegde uittreding is artikel 19a Wet op de loonbelasting 1964 niet meer van belang voor dergelijke regelingen Artikel V onderdeel V artikel 19b Wet op de loonbelasting 1964 Als gevolg van de afschaffing van de fiscale faciliëring van regelingen voor vervroegde uittreding is artikel 19b Wet op de loonbelasting 1964 niet meer van belang voor dergelijke regelingen Artikel V onderdeel W artikel 19c Wet op de loonbelasting 1964 In verband met het vervallen van de fiscale faciliëring van regelingen voor vervroegde uittreding is het derde lid van artikel 19c Wet op de loonbelasting 1964 niet meer van belang voor dergelijke regelingen Artikel V onderdeel X artikel 19d Wet op de loonbelasting 1964 Als gevolg van de afschaffing van de fiscale faciliëring van regelingen voor vervroegde uittreding is artikel 19d Wet op de loonbelasting 1964 niet meer van belang voor dergelijke regelingen Artikel V onderdeel DD artikel 36b Wet op de loonbelasting 1964 In verband met het vervallen van artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964 per 1 januari 2004 wordt in artikel 36b Wet op de loonbelasting 1964 aangegeven dat het in dit artikel gaat om de tekst van artikel 18i Wet op de loonbelasting 1964 zoals dat artikel luidde voor het vervallen van dit artikel Artikel V onderdeel FF artikel 38a Wet op de loonbelasting 1964 Op grond van het huidige artikel 38a mag een pensioenregeling in afwijking van de in of krachtens hoofdstuk IIB opgenomen begrenzingen tevens een zogenoemde prepensioenregeling omvatten Voorwaarde is dat deze prepensioenregeling dient of mede dient ter vervanging van een regeling voor vervroegde uittreding Indien aan die voorwaarde is voldaan gelden aanzienlijk ruimere mogelijkheden voor een opbouw van een pensioen Dit pensioen mag in beginsel niet eerder ingaan dan bij het bereiken van de 60 jarige leeftijd en eindigt uiterlijk bij het bereiken van de 65 jarige leeftijd Voorgesteld wordt om de in dit artikel opgenomen ruime opbouwmogelijkheden te laten vervallen Dat betekent dat een pensioenregeling volledig dient te voldoen aan de in of krachtens hoofdstuk IIB opgenomen begrenzingen Artikel V onderdeel GG artikel 38b Wet op de loonbelasting 1964 De voorgestelde wijziging van artikel 38b hangt samen met het vervallen van artikel 38a Artikel V onderdeel HH artikel 38c Wet op de loonbelasting 1964 Op grond van het voorgestelde artikel 38c blijven de huidige bepalingen met betrekking tot op 31 december 2003 bestaande regelingen voor vervroegde uittreding tot en met 31 december 2004 ongewijzigd van kracht In het tweede lid is bepaald dat artikel 13b met ingang van 1 januari 2005 ook van toepassing is op aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uitreding die voor 1 januari 2005 zijn ontstaan behoudens indien de werknemer voor 1 januari 2005 reeds een of meer uitkeringen ingevolge deze aanspraken heeft genoten Artikel V onderdeel II artikel 38d Wet op de loonbelasting 1964 Op grond van het voorgestelde artikel 38d blijven ook voor op 31 december 2003 bestaande prepensioenregelingen in de zin van het huidige artikel 38a de huidige bepalingen in 2004 ongewijzigd van kracht Op grond van het tweede lid blijven die bepalingen voor deze prepensioenregelingen ook na 31 december 2004 nog van kracht indien ingevolge deze prepensioenregelingen na 31 december 2004 nog uitsluitend uitkeringen kunnen worden gedaan ingevolge aanspraken die voor 1 januari 2005 zijn opgebouwd De achtergrond voor dit tweede lid is gelegen in de omstandigheid dat ook deze regelingen in het algemeen nog grotendeels op omslagbasis zijn gefinancierd zodat de uitkeringen bij deze regelingen in het algemeen nog grotendeels worden gefinancierd uit de premies die worden ingehouden op het loon van de werkenden Om te voorkomen dat lopende uitkeringen moeten worden stopgezet zullen deze premies ook na 1 januari 2005 moeten worden ingehouden op het loon van de werkenden en aftrekbaar blijven De in dit onderdeel opgenomen overgangsregeling maakt het tevens mogelijk om in situaties waarin de uitkeringen op 31 december 2004 nog niet zijn ingegaan het op dat moment opgebouwde prepensioenkapitaal binnen de grenzen van het huidige artikel 38a op een later moment alsnog aan te wenden voor prepensioenuitkeringen Op grond van het derde lid kan een op 31 december 2004 bestaande aanspraak ingevolge een prepensioenregeling als bedoeld in het huidige artikel 38a echter ook worden omgezet in een ouderdomspensioen zonder dat daarbij hoeft te worden getoetst aan de in artikel 18a opgenomen maxima Artikel V onderdeel JJ artikel 38e Wet op de loonbelasting 1964 Op grond van het voorgestelde artikel 38e blijven voor op 31 december 2003 bestaande regelingen voor ouderdomspensioen de huidige wettelijke bepalingen ongewijzigd van kracht tot en met 31 december 2004 Dat betekent derhalve dat de pensioenopbouw in 2004 ongewijzigd kan worden voortgezet Met ingang van 1 januari 2005 gelden de nieuwe begrenzingen Voor een werknemer die op dat moment een pensioen heeft opgebouwd dat hoger is dan 70 van het pensioengevend loon op het tijdstip waarop de werknemer of gewezen werknemer de 65 jarige leeftijd bereikt is behoudens het bepaalde in artikel 18d verder gefacilieerde opbouw niet langer mogelijk Op grond van artikel 18d kan het ouderdomspensioen meer bedragen dan de in artikel 18a opgenomen maxima voor zover de overschrijding van deze maxima het gevolg is van een aanpassing van het pensioen aan loon of prijsontwikkeling variatie binnen een bepaalde bandbreedte in de hoogte van de uitkeringen waardeoverdracht van pensioenaanspraken en gehele of gedeeltelijke onderlinge ruil van nabestaandenpensioen wezenpensioen en ouderdomspensioen Artikel V onderdeel KK artikel 38f Wet op de loonbelasting 1964 Op grond van het voorgestelde artikel 38f blijven voor op 31 december 2003 bestaande regelingen voor overbruggingspensioen de huidige wettelijke bepalingen ongewijzigd van kracht tot en met 31 december 2004 Op grond van het tweede lid kan een op 31 december 2004 bestaande aanspraak ingevolge een overbruggingspensioen als bedoeld in het huidige artikel 18e worden omgezet in een ouderdomspensioen zonder dat daarbij hoeft te worden getoetst aan de in artikel 18a opgenomen maxima Artikel VI Wet op de loonbelasting 1964 Artikel VI onderdeel A artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964 In het eerste lid van artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964 vervalt het per 1 januari 2004 tot onderdeel f vernummerde onderdeel g In de tekst van het huidige onderdeel g wordt bepaald dat aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon niet tot het loon behoren wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan Deze vrijstelling wordt veelal de stamrechtvrijstelling genoemd Deze stamrechtvrijstelling wordt op dit moment in de praktijk met name gebruikt om de heffing over een schadeloosstelling bij ontslag uit te stellen De stamrechtvrijstelling zou echter ook kunnen worden gebruikt voor een VUT achtige regeling of voor een pre pensioenregeling Zonder de afschaffing van de stamrechtvrijstelling zou voor werkgevers en werknemers derhalve de weg open blijven staan om op eenvoudige wijze in onderling overleg VUT of prepensioenregelingen zodanig vorm te geven dat nog steeds fiscaal gefacilieerd vervroegd kan worden uitgetreden Artikel VI onderdeel B artikel 13a Wet op de loonbelasting 1964 In artikel 13a is een anti misbruikbepaling opgenomen die is bedoeld om te voorkomen dat werknemers onbeperkt hun salaris en daarmee de belastingheffing naar de toekomst konden verschuiven Met name directeuren grootaandeelhouders maakten voor de invoering van deze bepaling gebruik van deze mogelijkheid In de huidige tekst van artikel 13a wordt nog een marge van 10 gehanteerd In deze tekst is namelijk bepaald dat alleen geen rekening wordt gehouden met het verschuiven van het loon als het loon geheel of voor een meer dan bijkomstig gedeelte op een ongebruikelijk tijdstip wordt genoten In fiscale zin is sprake van een meer dan bijkomstig gedeelte als dat meer is dan 10 Hoewel deze bepaling daar uiteraard niet voor is bedoeld biedt deze marge van 10 tevens ruimte om maximaal 10 van het loon en de belastingheffing daarover door te schuiven naar bijvoorbeeld het moment waarop de werknemer 60 jaar wordt en het uitgestelde loon vervolgens over de periode tot het ingaan van het ouderdomspensioen gespreid over de jaren te laten uitkeren Dit zou de mogelijkheid bieden VUT regelingen te vervangen door regelingen die worden gebaseerd op dit artikel zodat de VUT regelingen de facto zonder fiscale gevolgen ongewijzigd kunnen worden voortgezet Om dit te voorkomen wordt voorgesteld de marge van 10 in deze regeling te laten vervallen en de bepaling voortaan te laten gelden in alle situaties waarin loon geheel of gedeeltelijk op een ongebruikelijk tijdstip wordt genoten Artikel VI onderdeel C artikel 19b Wet op de loonbelasting 1964 De in het zesde lid van artikel 19b opgenomen bepaling wordt in aangepaste vorm opgenomen in artikel 37 Artikel VI onderdeel G artikel 37 Wet op de loonbelasting 1964 In artikel 37 eerste lid wordt bepaald dat artikel 19b van overeenkomstige toepassing is voor een op 31 december 2004 bestaande aanspraak welke naar of krachtens de tekst van artikel 11 zoals dat op 31 december 2004 luidde is aan te merken als een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter vervanging van gederfd of te derven loon Een soortgelijke bepaling is thans nog opgenomen in het huidige zesde lid van artikel 19b Na de aanpassing van artikel 11 zou deze in artikel 19b opgenomen bepaling niet meer kunnen worden toegepast als gevolg van de daarin opgenomen verwijzing naar een onderdeel van artikel 11 dat op grond van dit wetsvoorstel komt te vervallen Om dit te voorkomen wordt voorgesteld deze bepaling voor op 31 december 2004 bestaande aanspraken zodanig aan te passen dat wordt verwezen naar de op 31 december 2004 geldende tekst van artikel 11 Aangezien dit daarmee feitelijk een onderdeel van het overgangsrecht wordt wordt voorgesteld deze bepaling op te nemen in artikel 37 In artikel 37 tweede lid Wet op de loonbelasting 1964 wordt bij het overgangsrecht voor op 31 december 1994 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon bepaald dat deze aanspraken niet hoeven te voldoen aan de voorwaarden die waren opgenomen in de tekst van artikel 11 eerste lid onderdeel f onder 1 en 2 Wet op de loonbelasting 1964 zoals dit artikel luidde op 31 december 2004 Deze wijziging hangt samen met het vervallen van dit onderdeel f per 1 januari 2005 Voor de in het tweede lid genoemde aanspraken blijft artikel 19b eveneens van overeenkomstige toepassing Artikel XI Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Artikel XI onderdeel A Artikel 5 Wet op vennootschapsbelasting 1969 Met de voorgestelde wijziging van artikel 5 onderdeel b wordt bewerkstelligd dat de commerciële activiteiten van pensioenfondsen voortaan in de belastingheffing worden betrokken De vrijstelling voor pensioenfondsen blijft gehandhaafd voor de kernactiviteiten van lichamen die zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bezighouden met de uitvoering van pensioen of VUT regelingen Wel wordt thans voorgesteld om resultaten die worden behaald met werkzaamheden die buiten deze kerntaak vallen in de heffing te betrekken Hiertoe wordt een werkzaamhedentoets voorgesteld Dit betekent dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen vrijgestelde en belaste werkzaamheden Zoals in het algemene deel van de toelichting is aangegeven zal dit onderscheid nog worden geconcretiseerd aan de hand van de conclusies van de Commissie conglomeraatvorming pensioenfondsen Indien deze conclusies onverhoopt te laat beschikbaar komen of onvoldoende helder zijn dan zal het kabinet zelfstandig bij nota van wijziging invullen welke activiteiten van pensioenfondsen per 1 januari 2004 aan vennootschapsbelasting onderworpen zullen worden Het voorgestelde tweede en derde lid van artikel 5 beogen geen inhoudelijke wijziging aan te brengen ten opzichte van het bestaande artikel 5 onderdeel b maar beogen een redactionele vereenvoudiging tot stand te brengen De wijzigingen in het eerste tweede en vierde lid vloeien voort uit het feit dat de vrijstelling voor pensioenfondsen wordt aangepast De wijziging in het derde lid heeft betrekking op het volgende Artikel 5 onderdeel d van de Wet opent de mogelijkheid lichamen die zijn toegelaten om op de voet van de Woningwet werkzaam te zijn in het belang van de volkshuisvesting alsmede daarmee gelijkgestelde lichamen vrij te stellen van vennootschapsbelasting Het voorstel is dit onderdeel zodanig aan te passen dat deze lichamen slechts zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting voorzover hun werkzaamheid bestaat uit de verkrijging het bezit het beheer en de vervreemding van anders dan tijdelijk door hen verhuurde woningen Dit betekent bijvoorbeeld dat de vrijstelling geldt voor het zelf ontwikkelen van een project dat bestaat uit woningen bestemd voor duurzame verhuur Onder de vrijstelling valt niet de verwerving van woningen die bestemd zijn om te worden verhuurd in afwachting van een geschikt moment van verkoop Ook strekt de vrijstelling zich niet uit tot de bouw van koopwoningen of het beheer van bedrijfspanden Artikel XI onderdeel B artikel 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Tot 1995 kon pensioen in eigen beheer wat met name voorkomt bij pensioenen van directeuren grootaandeelhouders worden gewaardeerd volgens de lineaire methode dat wil zeggen zonder rekening te houden met sterftekansen noch met oprenting van het opgebouwde pensioenvermogen Dit leidt tot een hogere waardering dan bij toepassing van een actuariële methode die gebruikelijk en zakelijk is in situaties waarin het pensioen niet in eigen beheer wordt gehouden In 1995 is aan dit verschil een eind gemaakt Toen werd in artikel 9b van de toenmalige wet IB voorgeschreven dat waardering moet plaatsvinden met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen Aan dit wettelijke vereiste is hierbij echter geen nadere invulling gegeven Nadien is er in de praktijk discussie ontstaan over de vraag welke methoden naast de zogenoemde koopsommenmethode voor de waardering van pensioenverplichtingen van een directeur grootaandeelhouder concreet nog zouden zijn toegestaan Over de toelaatbaarheid van twee methodes namelijk de zogenoemde premie koopsom methode en de premie bij indiensttreding methode zijn procedures gevoerd In september 2001 heeft de Hoge Raad beslist dat bij de waardering van pensioenverplichtingen in eigen beheer tegenover slechts enkele uitkeringsgerechtigden de zogenoemde premie koopsom methode aanvaardbaar is HR 28 september 2001 nr 36 206 BNB 2002 54c In augustus 2002 heeft de Hoge Raad beslist dat ook de zogenoemde premie bij indiensttreding methode in zo n situatie is toegestaan HR 9 augustus 2002 nr 36 578 BNB 2003 25c en HR 9 augustus 2002 nr 36 930 BNB 2003 26c Gebruikmaking van de premie koopsommethode leidt ertoe dat pensioenlasten in eigen beheer situaties naar voren gehaald kunnen worden Ditzelfde geldt in versterkte mate voor de ook door de Hoge Raad toegelaten premie bij indiensttreding methode Zonder nadere maatregelen zal dit naar schatting in 2003 2004 tot eenmalig 350 mln aan gederfde belastingopbrengsten leiden De hierboven geschetste ontwikkelingen vormden aanleiding tot een nadere beschouwing omtrent de pensioenregeling van de directeur grootaandeelhouder in eigen beheer Uitgangspunt hierbij is de gedachte dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij hetgeen tussen onafhankelijke partijen hierover zou zijn overeengekomen Er is geen reden om het pensioen van de directeur grootaandeelhouder hierna ook wel aangeduid met DGA pensioen gunstiger te behandelen dan het pensioen van een gewone werknemer Hierbij zij bedacht dat in de eigen beheersituatie de pensioenpremies niet afgestort hoeven te worden In de situatie waarin het pensioen is ondergebracht bij een verzekeraar is de zuivere premie methode niet ongebruikelijk Ook de premie koopsom methode komt voor Bezien vanuit de hierboven omschreven optiek zijn deze methoden bij eigen beheer thans dan ook aanvaardbaar Dit geldt evenwel duidelijk niet voor de premie bij indiensttreding methode Het typische van deze methode is namelijk dat deze waarderingsmethode in de praktijk in relatie met derden vrijwel niet voorkomt Dat betekent dat deze voor de belastingplichtige zeer gunstige methode uitsluitend zal worden toegepast in situaties waarin het pensioen in eigen beheer wordt gehouden Zoals gezegd zien wij geen reden om het DGA pensioen gunstiger te behandelen dan van een gewone werknemer Dit geldt in het bijzonder wanneer zoals hier een omvangrijke budgettaire derving dreigt op te treden Het voorstel strekt er daarom toe om de waarderingsstelsels die in eigen beheersituaties mogen worden toegepast beter in de pas te laten lopen met wat in de praktijk in relatie met professionele verzekeringsmaatschappijen als gangbaar kan worden beschouwd Zoals gezegd is in de situatie waarin het pensioen is ondergebracht bij een onafhankelijke verzekeraar de premie koopsom methode niet ongebruikelijk Dit geldt evenwel niet voor de premie bij indiensttreding methode Het niet langer toestaan van deze methode levert naar verwachting een eenmalige opbrengst op van 50 mln in 2005 2007 Om het resterende budgettaire probleem zoveel mogelijk op te lossen houdt het voorstel in om in de sfeer van de waardering van het DGA pensioen in eigen beheer een aanvullende maatregel te treffen De aanvullende maatregel houdt in het beperken van de zogenoemde leeftijdsterugstelling en zal in de jaren 2005 2007 naar schatting 300 mln opleveren In de praktijk is het gebruikelijk dat levensverzekeringsmaatschappijen een leeftijdsterugstelling toepassen bij de tariefstelling van lijfrenten De terugstelling houdt verband met de ervaring dat personen die een lijfrente bij een verzekeringsmaatschappij verzekeren langer leven dan op grond van de overlevingstafel kan worden verwacht Deze ervaring wordt wel aangeduid met de term autoselectie De Hoge Raad heeft onder andere in HR 13 maart 1996 nr 30 705 BNB 1996 217 in eigen beheersituaties van pensioen eenzelfde leeftijdsterugstelling aanvaardbaar geacht als in lijfrente situaties bij professionele verzekeraars wordt toegepast In de situatie waarin het pensioen echter in eigen beheer wordt opgebouwd wordt ofschoon dit wel tot de mogelijkheden behoort nu juist geen lijfrente pensioen bij een onafhankelijke derde gekocht zodat het verschijnsel van autoselectie zich daar niet voor kán doen Het voorstel houdt dan ook in de beperking van de mogelijkheid om in de eigen beheersituatie een correctie wegens leeftijdsterugstelling toe te passen Het voorschrift beperkt deze mogelijkheid in de eigen beheersituatie tot het toepassen van een leeftijdsterugstelling wegens technische correctie omdat de gehanteerde overlevingstafel niet de meest actuele is Leeftijdsterugstellingen uit anderen hoofde zijn niet langer toegestaan Zowel ten aanzien van het aanvullend kader voor de waardering van een pensioenverplichting als met betrekking tot de beperking van de leeftijdsterugstelling in de eigen beheersituatie geldt er een eerbiedigende werking voor een in eigen beheer gehouden pensioenverplichting die voor inwerkingtreding van de nieuwe bepaling is opgebouwd Dit wordt bereikt aan de hand van de zogenoemde bevriezingsmethode die inhoudt dat de nieuwe wettelijke waarderingsvoorschriften alleen effect hebben voorzover pensioenverplichtingen na het doorvoeren van de wetswijziging worden opgebouwd Het bedrag van de verplichting dat tot die tijd is opgebouwd wordt bevroren zolang de op nieuwe wijze berekende waarde van die verplichtingen lager is dan de bevroren waarde Tot dit moment kan dus niet worden gedoteerd Het nieuwe zevende lid van artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 hangt samen met het afschaffen van de fiscale faciliëring van VUT en prepensioenregelingen De verwachting is dat als gevolg van de nieuwe systematiek regelingen gericht op vervroegde uittreding in veel geringer mate zullen voorkomen Dit kan evenwel anders zijn bij een directeur grootaandeelhouder Voor directeuren grootaandeelhouders kan het zelfs aantrekkelijk zijn om naar wegen te zoeken om in hun BV voor een VUT regeling te reserveren Een dergelijke VUT reservering zou namelijk kunnen fungeren als een soort RUS Reserve Uitgesteld Salaris In de loonbelastingsfeer vindt bij een niet toegestane VUT namelijk pas heffing plaats vlak voordat de uitkeringen gaan vloeien terwijl de BV in de vennootschapsbelastingsfeer gedurende de aanloopfase naar de VUT regeling al direct de tegenwaarde in de vorm van een voorziening of egalisatiereserve kan passiveren ten laste van de winst Tegen de tijd dat de VUT uitkeringen zouden moeten gaan vloeien kan de directeur grootaandeelhouder afzien van de VUT regeling waardoor de gepassiveerde middelen vrijvallen Deze mogelijke vorm van belastinguitstel die zich normaliter alleen in de verhouding tussen een directeur grootaandeelhouder en zijn BV zal voordoen is ongewenst Daarom wordt voorgesteld om het ten aanzien van werknemers die een aanmerkelijk belang hebben niet mogelijk te maken om een voorziening of egalisatiereserve ten laste van de winst te vormen die samenhangt met een regeling voor vervroegde uittreding Wat betreft huidige eventuele VUT voorzieningen of VUT egalisatiereserves ten behoeve van directeuren grootaandeelhouders kan worden opgemerkt dat deze bij de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel vrijvallen behalve voorzover deze zien op VUT regelingen die onder het overgangsrecht in de loonbelastingsfeer vallen Wat betreft VUT reserves en VUT voorzieningen ter zake van overige werknemers kan worden opgemerkt dat deze in beginsel in stand kunnen blijven Wel wordt als gevolg van de aanpassingen in de loonbelastingsfeer bezien of het besluit van 28 december 1998 BNB 1999 84 bijvoorbeeld op het punt van de deelnamekans nog moet worden bijgesteld Artikel XI onderdeel C artikel 18 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Deze aanpassing hangt samen met het invoegen van een nieuw zesde en zevende lid in artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Artikel XI onderdeel D artikel 23a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Deze wijzingen vloeien voort uit de in dit wetsvoorstel opgenomen aanpassing in de Wet op de loonbelasting 1964 op het punt van de fiscale behandeling van aanspraken ingevolge regelingen voor vervroegde uittreding en de daarmee samenhangende aanpassing van de fiscale behandeling van aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter vervanging van gederfd of te derven loon Artikel XI onderdeel E artikel 31d Wet op de vennootschapsbelasting 1969 De waardering van bestaande pensioenverplichtingen in eigen beheer dient met ingang van 1 januari 2004 op de voet van het nieuwe artikel 8 zesde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in de pas te lopen met een methode die bij een belangrijk deel van bij professionele verzekeraars ondergebrachte pensioenovereenkomsten als uitgangspunt dient voor de bepaling van de premies ingevolge die overeenkomsten Voorts zijn leeftijdsterugstellingen anders dan ter correctie van de overlevingstafel sterftetafel vanwege veroudering van die tafel niet meer mogelijk In het nieuwe artikel 31d is met het oog hierop overgangsrecht opgenomen Dit overgangsrecht heeft tot doel te voorkomen dat de belastingplichtige winst moet nemen als de waarde van de pensioenverplichtingen volgens het nieuwe artikel 8 zesde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 uitkomt op een bedrag dat lager is dan de in aanmerking genomen waarde aan het einde van 2003 Dit wordt bereikt door voor die situatie een zogenoemde bevriezingsmethode voor te schrijven Deze houdt in dat in plaats van die lagere nieuwe waarde in aanmerking wordt genomen de waarde volgens het oude waarderingsstelsel of de eerder toegepaste leeftijdsterugstelling aan het einde van 2003 Zolang van deze laatste bevroren waarde dient te worden uitgegaan kunnen ten laste van de fiscale winst ter zake van de verplichtingen waarop deze waardering betrekking heeft geen bedragen meer ten laste van de winst worden gebracht Pas in het jaar dat de waarde van de verplichtingen volgens het nieuwe artikel 8 zesde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 uitkomt op een hoger bedrag dan het bevroren bedrag kunnen bij de fiscale winstbepaling pensioenlasten in aanmerking worden genomen en wel ten belope van het verschil tussen de hogere voorziening bepaald volgens het nieuwe artikel 8 zesde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de bevroren voorziening In de jaren daarna wordt voor de winstbepaling vervolgens uitgegaan van de voorziening gewaardeerd met inachtneming van artikel 8 zesde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Artikel XXII Coördinatiewet Sociale Verzekering Artikel XXII onderdelen A en B artikel a5 en 6 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering In de huidige tekst van de Coördinatiewet Sociale Verzekering CSV behoren de aanspraken op grond van een VUT regeling niet tot het loon Afschaffing van de fiscale faciliëring voor de VUT betekent in het kader van de CSV dat de aanspraken op grond van deze regeling tot het loon gaan behoren en niet langer vrijgesteld zijn van premieheffing voor de werknemersverzekeringen Evenals voor de belastingheffing wordt bepaald dat de aanspraak op grond van een VUT regeling geacht wordt pas te worden genoten bij het ingaan van de uitkeringen In lijn met het vervallen van artikel 11 eerste lid onderdeel g van de Wet op de loonbelasting 1964 vervalt per 1 januari 2005 eveneens de vrijstelling van de aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon Artikel XXII onderdelen C en D artikelen 18e en 19 Coördinatiewet Sociale Verzekering Artikel 6 derde lid CSV regelt wat voor de toepassing van die wet wordt verstaan onder een pensioenregeling respectievelijk een VUT regeling Op grond van het in de voorgestelde artikelen 38a 38c en 38f van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen overgangsrecht zijn de daarin genoemde regelingen voor die wet gedefinieerd als VUT regelingen respectievelijk pensioenregelingen Dat betekent dat ze op grond van artikel 6 derde lid CSV voor de CSV ook zijn gedefinieerd als VUT respectievelijk pensioenregelingen Aangezien in de CSV niets wordt gewijzigd inzake de aftrekbaarheid van bijdragen ingevolge pensioenregelingen en het niet tot het loon behoren van de aanspraken op grond van pensioenregelingen is het niet noodzakelijk om met betrekking tot prepensioen en overbruggingspensioen specifiek overgangsrecht te regelen Voorzover prepensioenregelingen en overbruggingspensioenregelingen in het kader van de Wet op de loonbelasting 1964 als pensioenregeling worden behandeld zijn de aanspraken op grond daarvan en de op grond van die regelingen ingehouden bijdragen vrijgesteld van de premieheffing werknemersverzekeringen Voor de VUT regelingen dient evenwel een specifieke overgangsregeling te worden gemaakt in verband met het vervallen van artikel 6 eerste lid onderdeel b CSV Op grond van het in onderdeel D voorgestelde overgangsartikel aanhef en onderdeel a blijft het huidige artikel 6 eerste lid onderdeel b CSV met betrekking tot op 31 december 2003 bestaande VUT regelingen tot en met 31 december 2004 ongewijzigd van kracht Dit betekent dat tot 1 januari 2005 de aanspraken op grond van een VUT regeling niet onderworpen worden aan premieheffing voor de verplichte werknemersverzekeringen Op grond van dit voorgestelde artikel aanhef en onderdeel b blijft artikel 6 eerste lid onderdeel b CSV ook na 31 december 2004 nog van kracht voor de regelingen die uiterlijk op 31 december 2004 zodanig zijn aangepast dat daar met ingang van 1 januari 2005 uitsluitend uitkeringen uit kunnen voortvloeien aan werknemers die op dat moment reeds een uitkering op grond van die regeling genoten Indien op grond van de regeling na 31 december 2004 ook nog uitkeringen kunnen worden gedaan aan werknemers die op dat moment nog niet een dergelijke uitkering ontvingen valt die regeling met ingang van 1 januari 2005 niet meer onder het overgangsrecht Dat betekent dat de aanspraak niet meer onder de vrijstelling valt In onderdeel C wordt artikel 18e CSV aangepast in verband met het vervallen van artikel 6 eerste lid onderdeel e van die wet Op 31 december 2004 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon blijven vrijgesteld van premieheffing werknemersverzekeringen mits ze voldoen aan de voorwaarden zoals die op 31 december 2004 zijn opgenomen in artikel 6 eerste lid onderdeel e CSV Een wetswijziging kan immers geen gevolgen hebben voor situaties waarin het heffingsmoment ligt voor de datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel Met betrekking tot op 31 december 1994 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon blijft het reeds bestaande overgangsrecht te weten dat niet hoeft te worden voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 6 eerste lid onderdeel e CSV gehandhaafd Artikel XXIII Belastingplan 2003 Artikel XXIII artikel VI Belastingplan 2003 deel I Artikel VI onderdelen B C en D van het Belastingplan 2003 deel I bevatten de inperkingen van de opbouwpercentages binnen het Witteveenkader Deze wijziging zal niet inwerkingtreden en wordt derhalve verwijderd uit het Belastingplan 2003 deel I De inperking van de opbouwpercentages binnen het Witteveenkader wordt vervangen door een aanpassing van het maximale pensioen zie artikel V onderdeel N van dit wetsvoorstel Artikel VI onderdeel N van het Belastingplan 2003 deel I bevat het overgangsrecht voor de inperking van de opbouwpercentages binnen het Witteveenkader Omdat de inperking van de opbouwpercentages uit het Belastingplan 2003 deel I vervalt is het bijbehorende overgangsrecht niet meer nodig Artikel XXVI Overgangsrecht Artikel XXVI onderdeel C overgangsrecht Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Als gevolg van deze overgangsbepaling geldt het zevende lid van artikel 8 van de Wet Vpb niet voor voorzieningen of egalisatiereserves voor VUT regelingen voorzover daarop het overgangsrecht in de loonbelastingsfeer van toepassing is Artikel XXVIII Samenloop Artikel XXVIII samenloopbepaling Technische herstelwet 2003 Het wetsvoorstel tot wijziging van belastingwetten c a Technische herstelwet 2003 Kamerstukken II 2002 03 29 026 bevat een wijziging van artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen waarbij een verwijzing wordt opgenomen naar artikel 11 eerste lid onderdeel g en 19b zesde lid van de Wet op de loonbelasting 1964 Met het onderhavige wetsvoorstel vervalt artikel 11 eerste lid onderdeel g van de Wet op de loonbelasting 1964 Hetzelfde geldt voor het zesde lid van artikel 19b van die wet dat in aangepaste vorm wordt opgenomen in artikel 37 De onderhavige samenloopbepaling beoogt artikel 30i eerste lid onderdeel a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan deze wijzigingen aan te passen Daarmee wordt geen inhoudelijke wijziging beoogt De Staatssecretaris van Financiën De Minister van Financiën Antwoorden openstaande vragen Technische Briefing Belastingplan 2004 c a Antwoorden

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Wetsvoorstel%20Belastingplan%202004%20pensioen.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Vraag & Antwoord 13-009 Toepassing artikel 19b, negende lid, Wet LB indien sprake is van op 1 januari 2013 al ingegane pensioenuitkeringen
    december 2015 in een eenzelfde eenmalige mogelijkheid tot vermindering van de door een eigenbeheerlichaam verzekerde pensioenaanspraken Moet er in het geval van reeds ingegane pensioenuitkeringen voor het bepalen van de vermogenspositie van het eigenbeheerlichaam ook worden uitgegaan van de pensioeningangsdatum Antwoord Nee voor de toepassing van het Besluit van 18 maart 2013 BLKB 2013 27M in gevallen waarin de pensioenuitkeringen op 1 januari 2013 al zijn ingegaan moet worden uitgegaan

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/VA_13-009.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Vraag & Antwoord 13-008 Reorganisaties; objectief criterium voor ontslag; oudere werknemers hogere ontslaguitkering
    hoger gunstiger naarmate het aantal dienstjaren hoger is en of naarmate de werknemer ouder is Is deze regeling aan te merken als een regeling voor vervroegde uittreding in de zin van artikel 32ba zesde lid van de Wet op de loonbelasting 1964 Wet LB Antwoord Nee Een dergelijke regeling is geen regeling voor vervroegde uittreding in de zin van artikel 32ba zesde lid van de Wet LB Het feit dat

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/VA_13-008.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Handreiking pensioenknip in verband met lage rentestand (versie 6 juni 2007)
    mogelijk Bij vervulling van die voorwaarden mag de pensioengerechtigde ervan uitgaan dat sprake is van één reeks van uitkeringen waarvan de hoogte op de pensioendatum bekend is Het doel van de voorwaarden is ervoor te zorgen dat de hoogte van de uitkeringen in de periode na de pensioenknip is onttrokken aan de invloed van de pensioengerechtigde zelf De knip is namelijk niet bestemd voor variaties in de hoogte van de uitkeringen die voortvloeien uit de wens van de pensioengerechtigde om het inkomen te sturen met het oog op het patroon van de consumptieve uitgaven zie artikel 18d eerste lid onderdeel b en derde lid van de Wet LB Bij voldoening aan de in onderdeel 3 beschreven voorwaarden valt een variatie die een gevolg is van de pensioenknip niet onder de genoemde bepalingen 3 Voorwaarden pensioenknip Het pensioen is verzekerd door middel van een kapitaalverzekering met pensioenclausule Met het kapitaal moet de verzekeringnemer een levenslange pensioenuitkering aankopen Het levenslange pensioen wordt gesplitst in een direct ingaand tijdelijk pensioen en een uitgesteld levenslang pensioen Het uitgestelde levenslange pensioen wordt wederom op kapitaalbasis verzekerd De hoogte van de tijdelijke uitkering stelt men vast alsof sprake is van één reeks van levenslange uitkeringen De uitkeringen in de eerste tijdelijke periode dient men te stellen op het bedrag dat men zonder de knip met het gehele pensioenkapitaal bij de verzekeraar had kunnen verkrijgen Het moet dan gaan om een direct ingaand levenslang ouderdompensioen eventueel in combinatie met een direct ingaand levenslang partnerpensioen De uitkeringen volgen de normale indexatie die in de pensioenregeling is opgenomen De hoogte van de uitkeringen in de periode na de pensioenknip mag uitsluitend invloed ondervinden van afwijkingen in de tariefstelling van de verzekeraar van afwijkende beleggingsrendementen of van de toe te passen sterftetafels en kostenfactoren Het overlijden van de pensioengerechtigde of zijn partner na de pensioendatum mag geen invloed hebben op de hoogte van de uitkeringen aan de langstlevende Ook mag de pensioenverzekering niet de mogelijkheid bieden dat daaruit uitkeringen voortvloeien ten gunste van andere gerechtigden dan die zijn genoemd in artikel 18 eerste lid onderdeel a 1º tot en met 3º van de Wet LB De door de verzekeraar voor de overledene getroffen voorziening dient op het moment van overlijden vrij te vallen Voor de te hanteren verzekeringsvormen gelden de volgende voorwaarden a Als alleen een ouderdomspensioen is verzekerd heeft de kapitaalverzekering de vorm van een verzekering van een kapitaal bij leven met als verzekerd lijf de pensioengerechtigde b Als een combinatie van een ouderdoms en een partnerpensioen is verzekerd maakt de polis een keuze voor de uitkeringsduur van het partnerpensioen dat als gevolg van het eventuele overlijden van de pensioengerechtigde in de tijdelijke periode ingaat Er zijn twee keuzemogelijkheden I Bij overlijden van de gerechtigde tot het ouderdomspensioen in de periode van de tijdelijke uitkering gaat uit de tijdelijke verzekering een direct ingaand tijdelijk partnerpensioen in dat loopt tot aan de beoogde aanvangsdatum van de levenslange uitkering De uitgestelde rechten zullen in dit geval verzekerd moeten worden op basis

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Handreiking%20pensioenknip%20in%20verband%20met%20lage%20rentestand%20%28versie%20060607%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive



  •