archive-nl.com » NL » B » BELASTINGDIENSTPENSIOENSITE.NL

Total: 492

Choose link from "Titles, links and description words view":

Or switch to "Titles and links view".
  • HANDREIKING INHAAL EN INKOOP VAN PENSIOEN (versie 29 mei 2007)
    3 7 2 Beschikbare premieregeling en overrendement In artikel 18a derde lid onderdeel c Wet LB is aangegeven dat bij de berekening van beschikbare premies een rekenrente in aanmerking moet worden genomen van ten minste 4 en dat de te verwachten inflatie op nihil wordt gesteld Het met de ingelegde beschikbare premies behaalde rendement boven de 4 is bedoeld voor de aanpassing aan de loon of prijsontwikkeling van de in de beschikbare premieregeling opgebouwde aanspraken Om deze reden mag een eventueel overrendement buiten beschouwing blijven bij de berekening van de inhaalruimte Voor het vaststellen van het overrendement kunnen partijen de praktische werkwijze uit paragraaf 3 7 1 waarbij de inflatie voor alle jaren wordt gesteld op 2 ook hier hanteren Van overrendement is dan sprake als de werkelijk opgebouwde waarde van de ingelegde premies hoger is dan de waarde die zou zijn bereikt bij een forfaitaire beleggingsopbrengst van 4 2 6 per jaar Deze forfaitaire beleggingsopbrengst van 6 op de ingelegde premies moet dan net als in paragraaf 3 7 1 als volgt worden berekend alleen gehele kalenderjaren gelegen tussen het jaar van inleg en het jaar van inhaal tellen mee voordat daarop de 6 oprenting per jaar plaatsvindt moet men de ingelegde premies verlagen met de eventueel daarin opgenomen kostenopslagen opslagen voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid en risicopremies Het op bovenstaande wijze berekende eventuele bedrag aan overrendement mag buiten beschouwing blijven bij de berekening van de omvang van de inhaalruimte Zie bijlage IV voor de uitwerking van de goedkeuring in een voorbeeld 3 8 Stappenplan voor de berekening van de inhaalruimte Bepaal alle tot het moment van inhaal in de pensioenregeling en van de huidige werkgever opgebouwde pensioenaanspraken Deze aanspraken moeten worden vastgesteld inclusief reeds toegekende indexaties of toeslagen uit waardeoverdracht verkregen pensioenaanspraken eerder op basis van individuele modules verkregen pensioenaanspraken bij scheiding toegekende rechten op bijzonder PP bij conversie aan een ex partner toebedeelde aanspraken onvoorwaardelijk toegekende aanspraken die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 Bepaal eventuele voorwaardelijk toegekende of uiterlijk op 31 december 2007 voorwaardelijk toe te kennen pensioenrechten die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 Bepaal de maximaal op te bouwen pensioenaanspraken over de in aanmerking te nemen verstreken pensioengevende diensttijd bij de huidige werkgever als de huidige pensioenregeling over die diensttijd van toepassing was geweest Hierbij mogen partijen voor middelloonregelingen en beschikbare premieregelingen gebruik maken van de in paragraaf 3 3 uitgewerkte overgangsregeling Als de huidige pensioenregeling een beschikbare premieregeling is moet men uitgaan van netto premies De eventueel in de leeftijdsafhankelijke beschikbare premie van de pensioenregeling opgenomen kostenopslagen opslagen voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid en risicopremies moeten worden geëlimineerd Bereken met inachtneming van paragraaf 3 6 de actuariële contante waarden van de onder stappen 1 2 en 3 vastgestelde pensioenrechten en aanspraken naar het moment van inhaal Hierbij is het volgende van belang in geval van inhaal in een beschikbare premieregeling De berekende waarde van stap 1 dient te worden verhoogd met het eventuele bedrag aan onderrendement dat forfaitair mag worden berekend op de voet van paragraaf 3 7 1 Bij een situatie van overrendement mag de berekende waarde van stap 1 worden verlaagd met het volgens paragraaf 3 7 2 berekende bedrag daarvan Bij de waardering van de voorwaardelijke pensioenrechten uit stap 2 mag geen rekening worden gehouden met de kans dat het voorwaardelijke recht in verband met ontslag niet wordt gerealiseerd Verminder de bij stap 4 berekende waarde van stap 3 met de bij stap 4 berekende waarden van de stappen 1 en 2 Als de uitkomst negatief is wordt deze op NIHIL gesteld Indien de inhaal plaatsvindt in een beschikbare premieregeling ga naar stap 6 Indien de inhaal plaatsvindt in een middelloonregeling ga naar stap 7 Verhoog de uitkomst van stap 5 met de kostenopslag zoals die is verwerkt in de leeftijdsafhankelijke beschikbare premie van de pensioenregeling Dit is de inhaalruimte Ga naar stap 9 Bepaal met inachtneming van paragraaf 3 6 de waarde van 100 OP indien van toepassing inclusief PP en of WzP naar het moment van inhaal Bepaal de inhaalruimte door de uitkomst van stap 5 te delen door de uitkomst van stap 7 en vermenigvuldig deze met 100 Het resultaat geeft het in te halen OP weer eventueel gecombineerd met PP en of WzP Binnen de aldus berekende inhaalruimte kan de werknemer beslissen welk deel hij daarvan gaat inhalen 4 Inkoop van in het verleden niet opgebouwd pensioen na een waardeoverdracht als bedoeld in artikel 10a eerste lid onderdeel f UBLB Artikel 10a eerste lid onderdeel f UBLB biedt blijkens de nota van toelichting op dit artikel de mogelijkheid in plaats van de fictieve dienstjaren de werkelijk bij de overdragende werkgever doorgebrachte diensttijd in aanmerking te nemen Deze werkelijke dienstjaren dienen op basis van een adequate diensttijdadministratie te kunnen worden vastgesteld Een verschil tussen de werkelijke diensttijd en de fictieve diensttijd kan zich alleen voordoen als de pensioenregeling van de huidige werkgever is gebaseerd op een eindloonstelsel De werkgever kan de werknemer in dat geval in een aanvullende module in staat stellen het verschil tussen de werkelijke dienstjaren en de fictieve dienstjaren in te kopen Omdat een inkoop op basis van artikel 10a eerste lid onderdeel f UBLB niet is beperkt tot eindloonregelingen kan ook inkoop plaatsvinden als de pensioenregeling van de huidige werkgever is gebaseerd op een middelloonstelsel of op een beschikbare premiestelsel 4 1 Uitgangspunten voor de berekening van inkoop van pensioen na een waardeoverdracht als bedoeld in artikel 10a eerste lid onderdeel f UBLB De fiscaal toegestane opbouwruimte voor pensioen moeten partijen bepalen op basis van hoofdstuk IIB Wet LB zoals de tekst luidt met ingang van 1 januari 2005 Na invoering van de Wet VPL kan men in een pensioenregeling slechts pensioenaanspraken opbouwen uitgaande van een pensioenleeftijd van tenminste 65 jaar Als de pensioenregeling uitgaat van een lagere pensioenleeftijd dan 65 jaar dient het opbouwpercentage ten opzichte van die leeftijd te worden herrekend Dit heeft tot gevolg dat partijen de eerder opgebouwde pensioenaanspraken moeten herrekenen naar pensioenaanspraken op basis van de pensioenleeftijd zoals die geldt nadat de pensioenregeling is aangepast aan de Wet VPL Werkgever en werknemer moeten bij het bepalen van de inkoopruimte rekening houden met de aan de werknemer toegekende voorwaardelijke pensioenaanspraken die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 Om de inkoopruimte te berekenen dient men de opgebouwde aanspraken en de aanspraken op basis van de pensioenregeling van de huidige werkgever met elkaar te vergelijken op basis van de respectievelijke actuariële contante waarden De werknemer mag de inkoopruimte benutten door middel van inkoop van aanvullende diensttijd in een eindloonregeling inkoop van een aanvullend pensioen in een middelloonregeling of betaling van aanvullende beschikbare premies in een beschikbare premieregeling Bij de berekening van de inkoopruimte op basis van het middelloonstelsel of het beschikbare premiestelsel moet men uitgaan van de gegevens en omstandigheden die hebben gegolden in de jaren waarop de inkoop betrekking heeft Wel is ook hier de in paragraaf 3 3 uitgewerkte overgangsregeling op overeenkomstige wijze van toepassing Omdat de inkoop als bedoeld in artikel 10a eerste lid onderdeel f UBLB om verschillende uitwerkingen vraagt voor eindloon middelloon of beschikbare premieregelingen zijn in de paragrafen 4 2 4 4 en 4 5 afzonderlijke stappenplannen uitgewerkt 4 2 Stappenplan bij inkoop na een waardeoverdracht als bedoeld in artikel 10a eerste lid onderdeel f UBLB in een eindloonregeling Bepaal de som van de dienstjaren bij de huidige werkgever en de werkelijke dienstjaren bij vorige werkgever s waarvoor waardeoverdracht naar de huidige werkgever heeft plaatsgehad De diensttijd bij een vorige werkgever moet kunnen worden vastgesteld op basis van een adequate diensttijdadministratie Diensttijd waarvoor dat niet kan mag niet worden meegeteld Houd bij de bepaling van het aantal dienstjaren rekening met het volgende diensttijd waarvoor als gevolg van de toepassing van artikel 19 Wet LB een korting op de pensioengevende diensttijd geldt telt niet mee deze diensttijd mag immers niet worden ingekocht deeltijdfactoren die in het verleden van toepassing zijn geweest moeten in aanmerking worden genomen Bepaal alle tot het moment van inkoop in de pensioenregeling en van de huidige werkgever opgebouwde pensioenaanspraken Deze aanspraken moeten worden vastgesteld inclusief reeds toegekende indexaties of toeslagen uit waardeoverdracht verkregen pensioenaanspraken eerder op basis van individuele modules verkregen pensioenaanspraken bij scheiding toegekende rechten op bijzonder PP bij conversie aan een ex partner toebedeelde aanspraken onvoorwaardelijk toegekende aanspraken die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 Onderrendementen uit een eerdere beschikbare premieregeling dienen bij de waarde van de aanspraken te worden geteld overrendementen mogen daarvan worden afgetrokken beide desgewenst te berekenen op de forfaitaire wijze als aangegeven in paragraaf 3 7 Bepaal de voorwaardelijk toegekende of uiterlijk op 31 december 2007 voorwaardelijk toe te kennen pensioenrechten die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 Bepaal de op basis van de pensioenregeling van de huidige werkgever op te bouwen pensioenaanspraken over de diensttijd volgens stap 1 Bereken met overeenkomstige toepassing van de paragrafen 3 6 en 3 7 de actuariële contante waarden van de onder stappen 2 3 en 4 vastgestelde pensioenrechten en aanspraken naar het moment van inkoop Bij de waardering van de voorwaardelijke pensioenrechten uit stap 3 mag geen rekening worden gehouden met de kans dat het voorwaardelijke recht in verband met ontslag niet wordt gerealiseerd Verminder de bij stap 5 berekende waarde van stap 4 met de bij stap 5 berekende waarden van de stappen 2 en 3 Als de uitkomst negatief is wordt deze op NIHIL gesteld Bepaal met overeenkomstige toepassing van paragraaf 3 6 de actuariële contante waarde van de opbouw van het OP PP en WzP over 1 dienstjaar naar het moment van inkoop De inkoopruimte uitgedrukt in diensttijd is gelijk aan de uitkomst van stap 6 gedeeld door de uitkomst van stap 7 Binnen de aldus berekende inkoopruimte kan de werknemer beslissen welk deel hij daarvan gaat inkopen 4 3 Overgangsregeling bij inkoop na een waardeoverdracht als bedoeld in artikel 10a eerste lid onderdeel f UBLB in een middelloonregeling of een beschikbare premieregeling 4 3 1 Forfaitair bepaald loon als uitgangspunt bij ontbreken van historische gegevens Voor de berekening van de inkoopruimte binnen een middelloonregeling of beschikbare premieregeling moet men uitgaan van de gegevens en omstandigheden die hebben gegolden in de jaren waarop de inkoop betrekking heeft Als het werkelijke loonsverloop over de verstreken dienstjaren niet bekend is is het fiscaal bij inkoop niet toegestaan om voor de pensioengrondslag uit te gaan van het feitelijke loon op het moment van de inkoop Zie voor een nadere motivering paragraaf 3 2 tweede alinea Overeenkomstige toepassing van de overgangsregeling voor de jaren tot 2001 De overgangsregeling zoals die in de paragrafen 3 2 en 3 3 is beschreven voor een inhaal in een middelloonregeling of een beschikbare premieregeling kan overeenkomstig worden toegepast bij een inkoop in een dergelijke regeling Bij keuze voor de overeenkomstige toepassing van de overgangsregeling zijn ook de bijbehorende voorwaarden op vergelijkbare wijze van kracht Voorts gelden nog de volgende bijzonderheden Als de werknemer op of na 1 januari 2001 in dienst is getreden bij de nieuwe werkgever mag men uitgaan van het op jaarbasis herrekende loon bij indiensttreding In dat geval dient voor jaren tot 2001 te worden gelezen jaren tot het jaar van indiensttreding De forfaitaire berekening van de lonen mag plaatsvinden over alle dienstjaren doorgebracht bij de vorige werkgever s als het bij die werkgever s opgebouwde pensioen door middel van waardeoverdracht is ingebracht in de pensioenregeling van de werkgever Voor de toepassing van de terugrekenfactor moet men uitgaan van het loon 2001 respectievelijk het op jaarbasis herrekende loon uit het jaar van indiensttreding Ook hier geldt dat bij de toepassing van de overgangsregeling het loon uitsluitend mag bestaan uit tot het regelmatig genoten loon behorende structurele loonbestanddelen die in de basisregeling tot de pensioengrondslag worden gerekend Voor het vaststellen van de pensioengrondslag moet men de forfaitair berekende lonen verminderen met de voor 2001 respectievelijk in het jaar van indiensttreding in de basisregeling gehanteerde AOW franchise Als niet wordt gekozen voor toepassing van de overgangsregeling geldt de eerste alinea van deze paragraaf onverkort 4 3 2 Aanpassing aan de loon of prijsontwikkeling of oprenting bij inkoop vanaf 1 januari 2001 respectievelijk na de latere datum van indiensttreding Partijen kunnen de bij inkoop in een middelloonregeling berekende pensioenruimte bij een inkoop na 1 januari 2001 of na de latere datum van indiensttreding aanpassen aan de loon of de prijsontwikkeling over de periode vanaf 1 januari 2001 of vanaf de latere datum van indiensttreding Hetzelfde geldt voor de oprenting met 4 van de bij een inkoop in een beschikbare premieregeling berekende premieruimte Voor inkoop over de jaren vanaf 1 januari 2001 respectievelijk de latere datum van indiensttreding dient men uit te gaan van het feitelijk genoten pensioengevend loon van het desbetreffende jaar Op grond van paragraaf 3 9 van het staffelbesluit moeten de relevante gegevens voor de berekening van de inhaalruimte beschikbaar blijven Uiteraard kan bij een inkoop over deze jaren ook aanpassing aan de loon of prijsontwikkeling of oprenting plaatsvinden 4 4 Stappenplan bij inkoop na een waardeoverdracht als bedoeld in artikel 10a eerste lid onderdeel f UBLB in een middelloonregeling Bepaal de som van de dienstjaren bij de huidige werkgever en de werkelijke dienstjaren bij vorige werkgever s waarvoor waardeoverdracht naar de huidige werkgever heeft plaatsgehad De diensttijd bij een vorige werkgever moet kunnen worden vastgesteld op basis van een adequate diensttijdadministratie Diensttijd waarvoor dat niet kan mag niet worden meegeteld Houd bij de bepaling van het aantal dienstjaren rekening met het volgende diensttijd waarvoor als gevolg van de toepassing van artikel 19 Wet LB een korting op de pensioengevende diensttijd geldt telt niet mee deze diensttijd mag immers niet worden ingekocht deeltijdfactoren die in het verleden van toepassing zijn geweest moeten in aanmerking worden genomen Bepaal alle tot het moment van inkoop in de pensioenregeling en van de huidige werkgever opgebouwde pensioenaanspraken Deze aanspraken moeten worden vastgesteld inclusief reeds toegekende indexaties of toeslagen uit waardeoverdracht verkregen pensioenaanspraken eerder op basis van individuele modules verkregen pensioenaanspraken bij scheiding toegekende rechten op bijzonder PP bij conversie aan een ex partner toebedeelde aanspraken onvoorwaardelijk toegekende aanspraken die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 Onderrendementen uit een eerdere beschikbare premieregeling dienen bij de waarde van de aanspraken te worden geteld overrendementen mogen daarvan worden afgetrokken beide desgewenst te berekenen op de forfaitaire wijze als aangegeven in paragraaf 3 7 Bepaal de voorwaardelijk toegekende of uiterlijk op 31 december 2007 voorwaardelijk toe te kennen pensioenrechten die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 Bepaal de op basis van de pensioenregeling van de huidige werkgever op te bouwen pensioenaanspraken over de diensttijd volgens stap 1 Hierbij kan men gebruik maken van de overgangsregeling uit paragraaf 4 3 Bereken met overeenkomstige toepassing van de paragrafen 3 6 en 3 7 de actuariële contante waarden van de onder stappen 2 3 en 4 vastgestelde pensioenrechten en pensioenaanspraken naar het moment van inkoop Bij de waardering van de voorwaardelijke pensioenrechten uit stap 3 mag geen rekening worden gehouden met de kans dat het voorwaardelijke recht in verband met ontslag niet wordt gerealiseerd Verminder de bij stap 5 berekende waarde van stap 4 met de in stap 5 berekende waarden van de stappen 2 en 3 Als de uitkomst negatief is wordt deze op NIHIL gesteld Bepaal met overeenkomstige toepassing van paragraaf 3 6 de actuariële contante waarde van 100 OP indien van toepassing inclusief PP en of WzP naar het moment van inkoop De inkoopruimte uitgedrukt in een pensioenbedrag is gelijk aan de uitkomst van stap 6 gedeeld door de uitkomst van stap 7 en vermenigvuldigd met 100 Binnen de aldus berekende inkoopruimte kan de werknemer beslissen welk deel hij daarvan gaat inkopen 4 5 Stappenplan bij inkoop na een waardeoverdracht als bedoeld in artikel 10a eerste lid onderdeel f UBLB in een beschikbare premieregeling Bepaal de som van de dienstjaren bij de huidige werkgever en de werkelijke dienstjaren bij vorige werkgever s waarvoor waardeoverdracht naar de huidige werkgever heeft plaatsgehad De diensttijd bij een vorige werkgever moet kunnen worden vastgesteld op basis van een adequate diensttijdadministratie Diensttijd waarvoor dat niet kan mag niet worden meegeteld Houd bij de bepaling van het aantal dienstjaren rekening met het volgende diensttijd waarvoor als gevolg van de toepassing van artikel 19 Wet LB een korting op de pensioengevende diensttijd geldt telt niet mee deze diensttijd mag immers niet worden ingekocht deeltijdfactoren die in het verleden van toepassing zijn geweest moeten in aanmerking worden genomen Bepaal alle tot het moment van inkoop in de pensioenregeling en van de huidige werkgever opgebouwde pensioenaanspraken Deze aanspraken moeten worden vastgesteld inclusief reeds toegekende indexaties of toeslagen uit waardeoverdracht verkregen pensioenaanspraken eerder op basis van individuele modules verkregen pensioenaanspraken bij scheiding toegekende rechten op bijzonder PP bij conversie aan een ex partner toebedeelde aanspraken onvoorwaardelijk toegekende aanspraken die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 Onderrendementen uit een eerdere beschikbare premieregeling dienen bij de waarde van de aanspraken te worden geteld overrendementen mogen daarvan worden afgetrokken beide desgewenst te berekenen op de forfaitaire wijze als aangegeven in paragraaf 3 7 Bepaal de voorwaardelijk toegekende of uiterlijk op 31 december 2007 voorwaardelijk toe te kennen pensioenrechten die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 Bepaal de op basis van de pensioenregeling van de huidige werkgever op te bouwen pensioenaanspraken over de diensttijd volgens stap 1 Hierbij kan men gebruik maken van de overgangsregeling uit paragraaf 4 3 Voor het bepalen van de op basis van de pensioenregeling van de huidige werkgever op te bouwen pensioenaanspraken moet men uitgaan van netto beschikbare premies De eventueel in de leeftijdsafhankelijke beschikbare premie van de pensioenregeling opgenomen kostenopslagen opslagen voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid en risicopremies moeten worden geëlimineerd Bereken met overeenkomstige toepassing van de paragrafen 3 6 en 3 7 de actuariële contante waarden van de onder stappen 2 3 en 4 vastgestelde pensioenrechten en pensioenaanspraken naar het moment van inkoop Bij de waardering van de voorwaardelijke pensioenrechten uit stap 3 mag geen rekening worden gehouden met de kans dat het voorwaardelijke recht in verband met ontslag niet wordt gerealiseerd Verminder de bij stap 5 berekende waarde van stap 4 met de in stap 5 berekende waarden van de stappen 2 en 3 Als de uitkomst negatief is wordt deze op NIHIL gesteld De inkoopruimte is gelijk aan de uitkomst van stap 6 verhoogd met de kostenopslag zoals die is verwerkt in de leeftijdsafhankelijke beschikbare premie van de pensioenregeling Binnen de aldus berekende inkoopruimte kan de werknemer beslissen welk deel hij daarvan gaat inkopen 5 Inkoop van een pensioentekort als bedoeld in artikel 10a tweede lid UBLB Deze paragraaf behandelt de inkoop van een pensioentekort over ontbrekende diensttijd vóór 8 juli 1994 die de werknemer heeft doorgebracht bij vorige werkgevers of daarmee verbonden buitenlandse lichamen De werkgever kan de werknemer in zo n geval in staat stellen een pensioentekort aan te vullen door middel van een aanvullende module De aanwezigheid van een tekort moet men relateren aan de pensioenregeling bij de huidige werkgever De aanvullende module kan zijn gebaseerd op het eindloonstelsel het middelloonstelsel of het beschikbare premiestelsel 5 1 Uitgangspunten voor de berekening van inkoop van een pensioentekort als bedoeld in artikel 10a tweede lid UBLB Een werknemer kan na invoering van de Wet VPL in een pensioenregeling slechts pensioenaanspraken opbouwen op basis van een pensioenleeftijd van ten minste 65 jaar Als de pensioenregeling uitgaat van een lagere pensioenleeftijd dan 65 jaar dient men het opbouwpercentage ten opzichte van die leeftijd te herrekenen Voor de bepaling van de inkoopruimte uitgedrukt in diensttijd geldt de tekst van artikel 18a Wet LB zoals deze luidt met ingang van 1 januari 2005 Dit heeft tot gevolg dat de eerder opgebouwde pensioenaanspraken moeten worden herrekend naar pensioenaanspraken op basis van de pensioenleeftijd zoals die geldt nadat de pensioenregeling is aangepast aan de Wet VPL Werkgever en werknemer moeten bij het bepalen van de inkoopruimte rekening houden met de aan de werknemer toegekende voorwaardelijke pensioenaanspraken die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 Om de inkoopruimte te berekenen dient men de opgebouwde aanspraken en de aanspraken op basis van de pensioenregeling van de huidige werkgever met elkaar te vergelijken op basis van de respectievelijke actuariële contante waarden De werknemer mag de inkoopruimte benutten door middel van inkoop van aanvullende diensttijd in een eindloonregeling inkoop van aanvullend pensioen in een middelloonregeling of betaling van aanvullende beschikbare premies in een beschikbare premieregeling Bij de berekening van de inkoopruimte op basis van het middelloonstelsel of het beschikbare premiestelsel moet men uitgaan van de gegevens en omstandigheden die hebben gegolden in de jaren waarop de inkoop betrekking heeft Omdat de inkoop als bedoeld in artikel 10a tweede lid UBLB om verschillende uitwerkingen vraagt voor eindloon middelloon of beschikbare premieregelingen zijn in de paragrafen 5 3 5 4 en 5 5 afzonderlijke stappenplannen uitgewerkt Allereerst is echter van belang te weten wanneer sprake is van een pensioentekort 5 2 Wanneer is sprake van een pensioentekort als bedoeld in artikel 10a tweede lid UBLB Een pensioentekort als bedoeld in artikel 10a tweede lid UBLB kan zich voordoen als de werknemer vóór 8 juli 1994 bij vorige werkgever s heeft gewerkt en er geen waardeoverdracht van de in die periode n opgebouwde pensioenaanspraken naar de pensioenregeling van de huidige werkgever heeft plaatsgevonden Een periode vóór 8 juli 1994 waarin in het buitenland is gewerkt voor een met een vorige werkgever verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid Wet Vpb dat niet in Nederland is gevestigd wordt ook aangemerkt als een bij een vorige werkgever gewerkte periode Van een pensioentekort als bedoeld in artikel 10a tweede lid UBLB is sprake als op het moment van de inkoop de waarde van de opgebouwde pensioenaanspraken door het ontbreken van de door de werknemer vóór 8 juli 1994 bij vorige werkgevers gewerkte periode n lager is dan de waarde van het totaal van de aanspraken die op dat moment zouden zijn opgebouwd als de regeling van de huidige werkgever van kracht zou zijn geweest De opgebouwde pensioenaanspraken moeten worden opgevat inclusief de daarop toegekende indexeringen en inclusief de toegekende rechten uit een voorwaardelijke inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 Voorts is paragraaf 3 7 hierbij van overeenkomstige toepassing als de pensioenaanspraken mede zijn opgebouwd in een beschikbare premieregeling Het is niet toegestaan om vóór 8 juli 1994 gelegen dienstjaren die betrokken zijn geweest in een waardeoverdracht naar de pensioenregeling voor de inkoop op grond van artikel 10a tweede lid UBLB nog eens als dienstjaren mee te nemen Deze dienstjaren zijn immers al pensioengevend geworden bij de nieuwe werkgever door toepassing van artikel 10a eerste lid onderdeel f UBLB Daarnaast kan de inkoop niet leiden tot een hoger aantal in te kopen dienstjaren dan het aantal dienstjaren dat in de periode vóór 8 juli 1994 werkelijk bij vorige werkgevers is doorgebracht Bij de bepaling van de doorgebrachte diensttijd moet men rekening gehouden met eventuele kortingen op de pensioengevende diensttijd als gevolg van toepassing van artikel 19 Wet LB Ook deeltijdfactoren moeten in aanmerking worden genomen 5 3 Stappenplan bij inkoop van een pensioentekort als bedoeld in artikel 10a tweede lid UBLB in een eindloonregeling Bepaal de vóór 8 juli 1994 doorgebrachte diensttijd bij vorige werkgevers en daarmee verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a tweede lid UBLB De diensttijd bij vorige werkgevers moet kunnen worden vastgesteld op basis van een adequate diensttijdadministratie Diensttijd waarvoor dat niet kan mag niet worden meegeteld Houd bij de bepaling van de diensttijd rekening met het volgende vóór 8 juli 1994 bij vorige werkgevers doorgebrachte diensttijd die is betrokken in een waardeoverdracht naar de pensioenregeling telt niet mee deze diensttijd is al pensioengevend geworden door toepassing van artikel 10a eerste lid onderdeel f UBLB diensttijd waarvoor als gevolg van de toepassing van artikel 19 Wet LB een korting op de pensioengevende diensttijd geldt telt niet mee deze diensttijd mag immers niet worden ingekocht deeltijdfactoren die in het verleden van toepassing zijn geweest moeten in aanmerking worden genomen Bepaal alle tot het moment van inkoop over de in stap 1 vastgestelde perioden opgebouwde pensioenaanspraken bij vorige werkgevers Deze aanspraken moeten worden vastgesteld inclusief op de inkoopdatum reeds toegekende indexaties of toeslagen in de periode vóór 8 juli 1994 uit waardeoverdracht verkregen pensioenaanspraken eerder op basis van individuele modules verkregen pensioenaanspraken de bij vorige werkgevers reeds ingekochte of toegekende pensioenaanspraken die betrekking hebben op de periode vóór 8 juli 1994 bij scheiding toegekende rechten op bijzonder PP bij conversie aan een ex partner toebedeelde aanspraken onvoorwaardelijk toegekende aanspraken die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 Onderrendementen uit een eventuele beschikbare premieregeling dienen bij de waarde van de aanspraken te worden geteld overrendementen mogen daarvan worden afgetrokken beide desgewenst te berekenen op de forfaitaire wijze als aangegeven in paragraaf 3 7 Bepaal de eventuele bij de huidige werkgever reeds eerder ingekochte of toegekende pensioenaanspraken die betrekking hebben op de diensttijd vóór 8 juli 1994 Hierbij is paragraaf 3 7 weer van overeenkomstige toepassing in geval van een beschikbare premieregeling Bepaal de tot het moment van inkoop in de pensioenregeling van de huidige werkgever opgebouwde pensioenaanspraken Deze aanspraken moeten worden vastgesteld inclusief op de inkoopdatum reeds toegekende indexaties of toeslagen uit waardeoverdracht verkregen pensioenaanspraken eerder op basis van individuele modules verkregen pensioenaanspraken bij scheiding toegekende rechten op bijzonder PP bij conversie aan een ex partner toebedeelde aanspraken onvoorwaardelijk toegekende aanspraken die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 Onderrendementen uit een eerdere beschikbare premieregeling dienen bij de waarde van de aanspraken te worden geteld overrendementen mogen daarvan worden afgetrokken beide desgewenst te berekenen op de forfaitaire wijze als aangegeven in paragraaf 3 7 Bepaal de voorwaardelijk toegekende of uiterlijk op 31 december 2007 voorwaardelijk toe te kennen pensioenrechten die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 De op basis van dat besluit onvoorwaardelijk toegekende aanspraken zijn opgenomen in de opgebouwde pensioenaanspraken van stap 2 en 4 Bepaal de tot het moment van inkoop op basis van de pensioenregeling van de huidige werkgever op te bouwen pensioenaanspraken als rekening wordt gehouden met de in stap 1 bepaalde diensttijd vóór 8 juli 1994 bij vorige werkgevers en daarmee verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a tweede lid UBLB en de diensttijd tot het moment van inkoop bij de huidige werkgever Bereken met overeenkomstige toepassing van de paragrafen 3 6 en 3 7 de actuariële contante waarden van de onder stappen 2 3 4 5 en 6 vastgestelde pensioenrechten en aanspraken naar het moment van inkoop Bij de waardering van de voorwaardelijke pensioenrechten uit stap 5 mag geen rekening worden gehouden met de kans dat het voorwaardelijke recht in verband met ontslag niet wordt gerealiseerd Verminder de in stap 7 berekende waarde van stap 6 met de som van de in stap 7 berekende waarden van de stappen 2 3 4 en 5 Als de uitkomst negatief is wordt deze op NIHIL gesteld Bepaal met overeenkomstige toepassing van paragraaf 3 6 de actuariële contante waarde van de opbouw van het OP indien van toepassing inclusief PP en of WzP over één dienstjaar naar het moment van inkoop De inkoopruimte uitgedrukt in diensttijd is gelijk aan de uitkomst van stap 8 gedeeld door de uitkomst van stap 9 Binnen de aldus berekende inkoopruimte kan de werknemer beslissen welk deel hij daarvan gaat inkopen 5 4 Stappenplan bij inkoop van een pensioentekort als bedoeld in artikel 10a tweede lid UBLB in een middelloonregeling Bepaal de vóór 8 juli 1994 doorgebrachte diensttijd bij vorige werkgevers en daarmee verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a tweede lid UBLB De diensttijd bij vorige werkgevers moet kunnen worden vastgesteld op basis van een adequate diensttijdadministratie Diensttijd waarvoor dat niet kan mag niet worden meegeteld Houd bij de bepaling van de diensttijd rekening met het volgende vóór 8 juli 1994 bij vorige werkgevers doorgebrachte diensttijd die is betrokken in een waardeoverdracht naar de pensioenregeling telt niet mee deze diensttijd is al pensioengevend geworden door toepassing van artikel 10a eerste lid onderdeel f UBLB diensttijd waarvoor als gevolg van de toepassing van artikel 19 Wet LB een korting op de pensioengevende diensttijd geldt telt niet mee deze diensttijd mag immers niet worden ingekocht deeltijdfactoren die in het verleden van toepassing zijn geweest moeten in aanmerking worden genomen Bepaal alle tot het moment van inkoop over de in stap 1 vastgestelde perioden opgebouwde pensioenaanspraken bij vorige werkgevers Deze aanspraken moeten worden vastgesteld inclusief op de inkoopdatum reeds toegekende indexaties of toeslagen in de periode vóór 8 juli 1994 uit waardeoverdracht verkregen pensioenaanspraken eerder op basis van individuele modules verkregen pensioenaanspraken de bij vorige werkgevers reeds ingekochte of toegekende pensioenaanspraken die betrekking hebben op de periode vóór 8 juli 1994 bij scheiding toegekende rechten op bijzonder PP bij conversie aan een ex partner toebedeelde aanspraken onvoorwaardelijk toegekende aanspraken die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 Onderrendementen uit een eventuele beschikbare premieregeling dienen bij de waarde van de aanspraken te worden geteld overrendementen mogen daarvan worden afgetrokken beide desgewenst te berekenen op de forfaitaire wijze als aangegeven in paragraaf 3 7 Bepaal de eventuele bij de huidige werkgever reeds eerder ingekochte of toegekende pensioenaanspraken die betrekking hebben op de diensttijd vóór 8 juli 1994 Hierbij is paragraaf 3 7 weer van overeenkomstige toepassing in geval van aanspraken uit een beschikbare premieregeling Bepaal de tot het moment van inkoop in de pensioenregeling van de huidige werkgever opgebouwde pensioenaanspraken De aanspraken moeten worden vastgesteld inclusief op de inkoopdatum reeds toegekende indexaties of toeslagen uit waardeoverdracht verkregen pensioenaanspraken eerder op basis van individuele modules verkregen pensioenaanspraken bij scheiding toegekende rechten op bijzonder PP bij conversie aan een ex partner toebedeelde aanspraken onvoorwaardelijk toegekende aanspraken die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 Onderrendementen uit een eerdere beschikbare premieregeling dienen bij de waarde van de aanspraken te worden geteld overrendementen mogen daarvan worden afgetrokken beide desgewenst te berekenen op de forfaitaire wijze als aangegeven in paragraaf 3 7 Bepaal de voorwaardelijk toegekende of uiterlijk op 31 december 2007 voorwaardelijk toe te kennen pensioenrechten die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 De op basis van dat besluit onvoorwaardelijk toegekende aanspraken zijn opgenomen in de opgebouwde pensioenaanspraken van stap 2 en 4 Bepaal de tot het moment van inkoop op basis van de pensioenregeling van de huidige werkgever op te bouwen pensioenaanspraken als rekening wordt gehouden met de in stap 1 bepaalde diensttijd van vóór 8 juli 1994 bij vorige werkgevers en daarmee verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a tweede lid UBLB en de diensttijd tot het moment van inkoop bij de huidige werkgever Hierbij kan men gebruik maken van de overgangsregeling uit paragraaf 4 3 Bereken met overeenkomstige toepassing van de paragrafen 3 6 en 3 7 de actuariële contante waarden van de onder stappen 2 3 4 5 en 6 vastgestelde pensioenrechten en pensioenaanspraken naar het moment van inkoop Bij de waardering van de voorwaardelijke pensioenrechten uit stap 5 mag geen rekening worden gehouden met de kans dat het voorwaardelijke recht in verband met ontslag niet wordt gerealiseerd Verminder de in stap 7 berekende waarde van stap 6 met de som van de in stap 7 berekende waarden van de stappen 2 3 4 en 5 Als de uitkomst negatief is wordt deze op NIHIL gesteld Bepaal met overeenkomstige toepassing van paragraaf 3 6 de actuariële contante waarde van 100 OP indien van toepassing inclusief PP en of WzP naar het moment van inkoop De inkoopruimte uitgedrukt in een pensioenbedrag is gelijk aan de uitkomst van stap 8 gedeeld door de uitkomst van stap 9 en vermenigvuldigd met 100 Binnen de aldus berekende inkoopruimte kan de werknemer beslissen welk deel hij daarvan gaat inkopen 5 5 Stappenplan bij inkoop van een pensioentekort als bedoeld in artikel 10a tweede lid UBLB in een beschikbare premieregeling Bepaal de vóór 8 juli 1994 doorgebrachte diensttijd bij vorige werkgevers en daarmee verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a tweede lid UBLB De diensttijd bij vorige werkgevers moet kunnen worden vastgesteld op basis van een adequate diensttijdadministratie Diensttijd waarvoor dat niet kan mag niet worden meegeteld Houd bij de bepaling van de diensttijd rekening met het volgende vóór 8 juli 1994 bij vorige werkgevers doorgebrachte diensttijd die is betrokken in een waardeoverdracht naar de pensioenregeling telt niet mee deze diensttijd is al pensioengevend geworden door toepassing van artikel 10a eerste lid onderdeel f UBLB diensttijd waarvoor als gevolg van de toepassing van artikel 19 Wet LB een korting op de pensioengevende diensttijd geldt telt niet mee deze diensttijd mag immers niet worden ingekocht deeltijdfactoren die in het verleden van toepassing zijn geweest moeten in aanmerking worden genomen Bepaal alle tot het moment van inkoop over de in stap 1 vastgestelde perioden opgebouwde pensioenaanspraken bij vorige werkgevers Deze aanspraken moeten worden vastgesteld inclusief op de inkoopdatum reeds toegekende indexaties of toeslagen in de periode vóór 8 juli 1994 uit waardeoverdracht verkregen pensioenaanspraken eerder op basis van individuele modules verkregen pensioenaanspraken de bij vorige werkgevers reeds ingekochte of toegekende pensioenaanspraken die betrekking hebben op de periode vóór 8 juli 1994 bij scheiding toegekende rechten op bijzonder PP bij conversie aan een ex partner toebedeelde aanspraken onvoorwaardelijk toegekende aanspraken die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 Onderrendementen uit een eventuele beschikbare premieregeling dienen bij de waarde van de aanspraken te worden geteld overrendementen mogen daarvan worden afgetrokken beide desgewenst te berekenen op de forfaitaire wijze als aangegeven in paragraaf 3 7 Bepaal de eventuele bij de huidige werkgever reeds eerder ingekochte of toegekende pensioenaanspraken die betrekking hebben op de diensttijd vóór 8 juli 1994 Hierbij is paragraaf 3 7 weer van overeenkomstige toepassing in geval van aanspraken uit een beschikbare premieregeling Bepaal de tot het moment van inkoop in de pensioenregeling van de huidige werkgever opgebouwde pensioenaanspraken Hierbij kan men gebruik maken van de overgangsregeling uit paragraaf 4 3 De aanspraken moeten worden vastgesteld inclusief op de inkoopdatum reeds toegekende indexaties of toeslagen uit waardeoverdracht verkregen pensioenaanspraken eerder op basis van individuele modules verkregen pensioenaanspraken bij scheiding toegekende rechten op bijzonder PP bij conversie aan een ex partner toebedeelde aanspraken onvoorwaardelijk toegekende aanspraken die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 Onderrendementen uit een eerdere beschikbare premieregeling dienen bij de waarde van de aanspraken te worden geteld overrendementen mogen daarvan worden afgetrokken beide desgewenst te berekenen op de forfaitaire wijze als aangegeven in paragraaf 3 7 Bepaal de voorwaardelijk toegekende of uiterlijk op 31 december 2007 voorwaardelijk toe te kennen pensioenrechten die voortvloeien uit een inkoop van pensioen als bedoeld in paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 De op basis van dat besluit onvoorwaardelijk toegekende aanspraken zijn opgenomen in de opgebouwde pensioenaanspraken van stap 2 en 4 Bepaal de tot het moment van inkoop op basis van de pensioenregeling van de huidige werkgever op te bouwen pensioenaanspraken als ook rekening wordt gehouden met de in stap 1 bepaalde diensttijd van vóór 8 juli 1994 bij vorige werkgevers en daarmee verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a tweede lid UBLB en de diensttijd tot

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Handreiking%20inhaal%20en%20inkoop%20pensioenen%20versie%2029%20mei%202007.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive


  • Besluit Vragen en antwoorden extraterritoriale werknemers 24 augustus 2005
    aangemerkt indien de werknemer daar geworteld zou zijn geweest Dit houdt in dat de werknemer na het vertrek uit Nederland de banden met Nederland moet hebben losgelaten Voor de beoordeling of iemand nog banden met Nederland heeft wordt de kortingsregeling als bedoeld in artikel 9e van het Uitv besl LB 1965 gehanteerd Als op basis van deze regeling nog looptijd voor de bewijsregel zou resteren dan kan het verblijf in Nederland worden aangemerkt als een tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst In de hiervoor genoemde casus resteert geen looptijd meer In artikel 9e eerste lid is immers bepaald dat de looptijd van 10 jaar wordt verminderd met de perioden van eerdere tewerkstelling of eerder verblijf in Nederland Dit is de periode van 1965 tot 1 januari 1995 Deze periode beslaat meer dan 10 jaar Er blijft derhalve geen looptijd over Het tweede en derde lid van artikel 9e die de werking van het eerste lid verzachten zijn niet van toepassing In het tweede lid worden bepaalde perioden uitgezonderd namelijk de perioden die geëindigd zijn meer dan vijftien jaar voorafgaande aan de tewerkstelling in Nederland in dit geval 1 januari 2004 De termijn van 15 jaar start dus op 1 januari 1989 De genoemde periode 1965 tot 1 januari 1995 voldoet niet aan deze omschrijving aangezien zij is geëindigd binnen de termijn van vijftien jaar namelijk op 1 januari 1995 Het tweede lid is dus niet van toepassing Het derde lid geeft een verzachting van het tweede lid in die zin dat perioden die meer dan tien jaar maar minder dan vijftien jaar voorafgaande aan de tewerkstelling zijn geëindigd niet in aanmerking worden genomen indien de werknemer in de periode van tien jaar niet in Nederland is tewerkgesteld of is verbleven Het derde lid is evenmin van toepassing nu de eerdere periode van verblijf in Nederland 1965 tot 1 januari 1995 eindigt na 1 januari 1994 en derhalve gelegen is binnen de periode van tien jaar voorafgaande aan de tewerkstelling in Nederland in dit geval 1 januari 2004 Na een voorafgaand langdurig verblijf in Nederland zal een werknemer bij terugkeer binnen een periode van 10 jaar derhalve veelal niet aangemerkt kunnen worden als een werknemer die in Nederland verblijf houdt buiten het land van herkomst De werknemer heeft dan geen extraterritoriale kosten welke vrij kunnen worden vergoed Vraag 10 De looptijd van de bewijsregel voor ingekomen werknemers bedraagt maximaal 10 jaar Een werknemer blijft na deze periode tewerkgesteld door een inhoudingsplichtige Kan de werkgever de in redelijkheid gemaakte extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst vrij vergoeden Antwoord Nee Op grond van artikel 15a eerste lid onderdeel j van de Wet LB 1964 behoren tot de vrije vergoedingen de vergoedingen van extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst In hoeverre voor een werknemer sprake is van tijdelijk verblijf is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval Het is echter in het algemeen niet aannemelijk dat na verloop van 10 jaar nog sprake is van tijdelijk verblijf of van extra kosten die met een dergelijk verblijf verband houden Artikel 8 van het Uitv besl LB 1965 Definities Vraag 11 Volgens artikel 8 tweede lid onderdeel b van het Uitv besl LB 1965 is een ingekomen werknemer een door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven of naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin van artikel 2 van de Wet LB 1964 met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is Is voor een naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer vereist dat deze uit een ander land is gezonden Antwoord Ja de regeling geldt niet voor werknemers die uit Nederland naar een inhoudingsplichtige worden gezonden Vraag 12 Wanneer is bij ingekomen werknemers sprake van een internationale school of een internationale afdeling van een niet internationale school Antwoord Van een internationale school of een internationale afdeling van een niet internationale school is sprake als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan 1 De opleiding is gebaseerd op een buitenlands stelsel 2 De school of afdeling is in principe alleen toegankelijk voor kinderen van buiten het land van herkomst tewerkgestelde werknemers Artikel 9 van het Uitv besl LB 1965 Grondslag voor de bewijsregel Vraag 13 Een werkgever zendt een werknemer die kwalificeert als ingekomen werknemer in de zin van artikel 8 tweede lid onderdeel b van het Uitv besl LB 1965 uit naar het buitenland De werknemer kwalificeert daarmee tevens als uitgezonden werknemer in de zin van artikel 8 tweede lid onderdeel c van het Uitv besl LB 1965 Kan de werkgever de bewijsregel voor de werknemer twee keer toepassen als ingekomen werknemer en als uitgezonden werknemer Antwoord Nee de werkgever kan de bewijsregel voor deze werknemer slechts eenmaal toepassen Artikel 9 van het Uitv besl LB 1965 bepaalt dat de bewijsregel geldt voor extraterritoriale werknemers Blijkens artikel 8 tweede lid onderdeel a van het Uitv besl LB 1965 wordt onder extraterritoriale werknemers verstaan zowel de ingekomen als ook de uitgezonden werknemer Als een persoon tegelijkertijd aangemerkt kan worden als ingekomen en als uitgezonden werknemer blijft sprake van een extraterritoriale werknemer waarvoor slechts een keer de bewijsregel kan worden toegepast Vraag 14 Moet schriftelijk zijn vastgelegd dat werkgever en werknemer een vergoeding als bedoeld in de bewijsregel zijn overeengekomen Antwoord Volgens de Nota van toelichting bij het Besluit van 20 december 2000 tot aanpassing van enige uitvoeringsbesluiten Stb 2000 640 moet de vergoeding afzonderlijk van het loon zijn overeengekomen Dit kan schriftelijk zijn vastgelegd wat gebruikelijk is bij arbeidsvoorwaarden maar de overeenkomst kan natuurlijk ook op andere manier worden aangetoond Zie ook bij vraag 18 Vraag 15 Moet de vergoeding als bedoeld in de bewijsregel op het moment van het gezamenlijke verzoek bedoeld in artikel 9 eerste lid van het Uitv besl LB 1965 worden overeengekomen Antwoord Nee dit kan ook later gebeuren bijvoorbeeld na ontvangst van de beschikking als bedoeld in artikel 9h van het Uitv besl LB 1965 Het toekennen van een vergoeding als bedoeld in de bewijsregel kan onder omstandigheden met terugwerkende kracht geschieden Zie vraag 18 Vraag 16 Is het mogelijk om het loon te splitsen in een deel loon en een deel vrije vergoeding voor extraterritoriale kosten Antwoord Nee een administratieve splitsing van het loon alleen is niet mogelijk Een splitsing in die zin dat het loon arbeidsrechtelijk wordt verlaagd onder gelijktijdige toekenning van een vrije vergoeding is wel mogelijk vgl het besluit inzake Wijzigingen beloningen van 21 december 2000 nr CPP2000 2942M De vrije vergoeding moet worden toegekend naast het overeengekomen salaris Vraag 17 Moet de vrije vergoeding bij iedere salarisbetaling worden uitbetaald of kan binnen het kalenderjaar of voor de afsluiting van de loonboekhouding een zogenoemde extra salarisrun worden gedraaid om exact te kunnen bepalen hoe hoog de onbelaste vergoeding maximaal kan zijn Antwoord Het is mogelijk binnen het kalenderjaar exact de maximale hoogte van de vrije vergoeding te bepalen Deze vergoeding kan vervolgens als vrije vergoeding worden uitbetaald Vindt de betaling na het einde van het desbetreffende kalenderjaar plaats dan kan de vergoeding als vrije vergoeding worden uitbetaald indien hierop al aan het eind van het kalenderjaar een onvoorwaardelijk recht bestond Vraag 18 Op welke wijze kan een beloning worden vastgesteld of gewijzigd zodat naast het loon een vergoeding voor extraterritoriale kosten wordt genoten Antwoord Een en ander moet arbeidsrechtelijk zijn overeengekomen Dit kan bijvoorbeeld door de volgende tekst in de arbeidsovereenkomst op te nemen a Indien en voorzover de werknemer op grond van artikel 9 van het Uitv besl LB 1965 een vrije vergoeding voor extraterritoriale kosten kan ontvangen wordt het met de werknemer overeengekomen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking op zodanige wijze arbeidsrechtelijk verminderd dat 100 70 van het aldus nader overeengekomen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking gelijk is aan het oorspronkelijk overeengekomen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking b Indien en voorzover onderdeel a toepassing vindt ontvangt de werknemer van de werkgever een vergoeding voor extraterritoriale kosten gelijk aan 30 70 van het aldus nader overeengekomen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking c De werknemer is zich bewust van het feit dat een aanpassing van de overeengekomen beloning conform onderdeel a gelet op de terzake geldende regelingen gevolgen kan hebben voor alle aan het loon gerelateerde beloningen en uitkeringen zoals het pensioen en sociale verzekeringsuitkeringen Toelichting Het onder a bedoelde overeengekomen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking betreft al het feitelijk te betalen of te verstrekken loon uit tegenwoordige dienstbetrekking als bedoeld in de Wet LB 1964 en de daarop berustende bepalingen Vraag 19 Een extraterritoriale werknemer ontvangt van zijn inhoudingsplichtige naast zijn loon in geld loon in natura Behoort dit loon in natura tot de grondslag van de bewijsregel Antwoord Ja loon in natura behoort tot de grondslag van de bewijsregel indien het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking is Het loon in natura kan ook zelf geheel of gedeeltelijk een vrije vergoeding zijn Dit is bijvoorbeeld het geval als een inhoudingsplichtige een boekenbon geeft om de kosten van een dienstreis of van extraterritoriale kosten te dekken Voor een dergelijke vergoeding in natura geldt net als voor een vergoeding in geld dat de vergoeding afzonderlijk van het loon moet zijn overeengekomen Mede gelet op het karakter van de bewijsregel gaat de Belastingdienst ervan uit dat aan deze voorwaarde is voldaan als een tekst zoals bij vraag antwoord 18 in de arbeidsovereenkomst is opgenomen Vraag 20 Een inhoudingsplichtige heeft voor een werknemer gebruik gemaakt van de bewijsregel In het desbetreffende jaar heeft hij zijn werknemer bovendien een vergoeding of verstrekking ter zake van bepaalde extraterritoriale kosten gegeven Hij heeft deze abusievelijk niet tot het loon gerekend Hierdoor bedraagt de onbelast gebleven vergoeding inclusief verstrekking voor extraterritoriale kosten in het kalenderjaar meer dan 30 van de grondslag De inspecteur legt hierom een naheffingsaanslag loonbelasting op Kan op het loon waarover wordt nageheven de bewijsregel worden toegepast Antwoord Ja het loon waarover wordt nageheven behoort tot de grondslag voor de bewijsregel mits dit in de arbeidsovereenkomst specifiek is overeengekomen Daarvan is in ieder geval sprake indien gedurende het jaar waarover wordt nageheven een tekst zoals bij vraag antwoord 18 in de arbeidsovereenkomst is opgenomen Indien een tekst zoals bij vraag 18 in de arbeidsovereenkomst is opgenomen brengt dit in beginsel mee dat elk loonbestanddeel uit tegenwoordige dienstbetrekking overeenkomstig die tekst arbeidsrechtelijk wordt gewijzigd in een lager loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en een vergoeding voor extraterritoriale kosten Dit ligt evenwel anders als de inhoudingsplichtige opzettelijk een beloningsbestanddeel waarvan hij wist of in redelijkheid moest weten dat het geheel of gedeeltelijk tot het loon behoorde niet tot het loon van de werknemer heeft gerekend Dan heeft hij immers kennelijk een ander loonbestanddeel toegekend dan onder meer een vergoeding voor extraterritoriale kosten volgens de genoemde tekst Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake Vraag 21 De inspecteur legt een naheffingsaanslag loonbelasting op omdat een loonbestanddeel ten onrechte niet in de loonheffing is betrokken Het betreft een loonbestanddeel dat niet kwalificeert als een vrije vergoeding voor of een vrije verstrekking ter voorkoming van extraterritoriale kosten Kan op het loon waarover wordt nageheven de bewijsregel worden toegepast Antwoord Ja op het loon waarover wordt nageheven kan de bewijsregel worden toegepast mits dit in de arbeidsovereenkomst specifiek is overeengekomen Daarvan is in ieder geval sprake indien gedurende het jaar waarover wordt nageheven een tekst zoals bij vraag antwoord 18 in de arbeidsovereenkomst is opgenomen Zie evenwel ook het antwoord op vraag 20 Vraag 22 De belasting over een bestanddeel van het loon van een werknemer wordt volgens artikel 31 van de Wet LB 1964 geheven van de inhoudingsplichtige eindheffingsbestanddeel Behoort dit eindheffingsbestanddeel tot de in artikel 9 van het Uitv besl LB 1965 bedoelde grondslag voor de bewijsregel Antwoord Ja indien het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking is Op grond van artikel 9 van het Uitv besl LB 1965 bestaat de grondslag voor de bewijsregel onder meer uit het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking Ook eindheffingsbestanddelen kunnen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking zijn Als de inhoudingsplichtige echter de eindheffingsbestanddelen niet per individuele werknemer vaststelt kan hij die eindheffingsbestanddelen feitelijk niet in aanmerking nemen als grondslag voor de bewijsregel Vraag 23 Een ingekomen werknemer ontvangt door tussenkomst van de inhoudingsplichtige een WAO uitkering na de wachttijd van twee jaar De inhoudingsplichtige verstrekt tevens een aanvulling op de WAO uitkering Behoren de WAO uitkering en de aanvulling tot de grondslag van de bewijsregel Antwoord Neen de WAO uitkering en de aanvulling hierop behoren niet tot de grondslag van de bewijsregel De grondslag voor de bewijsregel is het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking Een WAO uitkering en de aanvulling daarop vormen geen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking Dit is anders bij een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer Het loon dat hij ontvangt voor het nog vervulde deel van de dienstbetrekking behoort wel tot het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking In die situatie wordt ook de WAO uitkering die de inhoudingsplichtige doorbetaalt aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking De bewijsregel kan dan worden toegepast over het totaal van loon en WAO uitkering Vraag 24 Een extraterritoriale werknemer en zijn inhoudingsplichtige hebben de bewijsregel toegepast Na het verstrijken van de looptijd van de bewijsregel ontvangt de werknemer een bonus welke betrekking heeft op het jaar waarin de bewijsregel nog van toepassing was Kan de bewijsregel op de bonus worden toegepast Antwoord Ja de bewijsregel kan op de bonus worden toegepast mits aan het einde van de looptijd van de bewijsregel als bedoeld in artikel 9b van het Uitv besl LB 1965 een onvoorwaardelijk recht op zowel de vrije vergoeding als de bonus bestaat In de situatie dat een werknemer bijvoorbeeld per 1 december 2004 uit dienst treedt en in maart 2005 een bonus ontvangt over de periode januari tot en met november 2004 kan de bewijsregel op de bonus worden toegepast indien op 30 november 2004 een onvoorwaardelijk recht op zowel de vrije vergoeding als de bonus bestaat Bij een jaarbonus wordt dikwijls de voorwaarde gesteld dat de werknemer het gehele jaar in dienst moet zijn geweest Zou dat in bovenstaand voorbeeld ook het geval zijn geweest dan is er op 30 november geen onvoorwaardelijk recht Ligt het tijdstip waarop het recht op de bonus onvoorwaardelijk wordt buiten de looptijd dan kan de bewijsregel niet op de bonus worden toegepast De spiegelbeeldsituatie waarin de werknemer tijdens de looptijd van de bewijsregel een bonus ontvangt die betrekking heeft op een periode waarin de bewijsregel nog niet van toepassing was zal in de praktijk niet vaak voor komen In de periode waarin de bewijsregel niet van toepassing was zal de werknemer in het buitenland voor een buitenlandse werkgever hebben gewerkt en een eventuele bonus uit die periode zal niet door de nieuwe Nederlandse werkgever worden uitbetaald Wellicht ligt dat anders als de werknemer binnen een concern naar Nederland is gezonden en de Nederlandse inhoudingsplichtige de bonus betrekking hebbend op de buitenlandse periode heeft uitbetaald In deze situatie zal op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en het desbetreffende land in het algemeen het heffingsrecht over de nabetaling aan dat land zijn toegewezen en zal de betreffende werknemer in Nederland recht hebben op voorkoming van dubbele belasting Volgens artikel 9 eerste lid onderdeel a van het Uitv besl LB 1965 behoort loon waarover de werknemer recht heeft op voorkoming van dubbele belasting niet tot de grondslag voor de bewijsregel Vraag 25 Een ingekomen werknemer in de zin van artikel 8 tweede lid onderdeel b van het Uitv besl LB 1965 ontvangt van zijn inhoudingsplichtige een vrije vergoeding voor de extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst vergoeding voor extraterritoriale kosten Is het mogelijk mede pensioen op te bouwen over deze vrije vergoeding Antwoord Nee pensioen opbouwen over een vergoeding voor extraterritoriale kosten is niet mogelijk omdat deze vergoeding net als andere vrije vergoedingen en verstrekkingen niet onder de fiscale definitie van pensioengevend loon valt Hierop is een uitzondering mogelijk bij toepassing van het hieronder genoemde besluit van 22 februari 2002 nr CPP2001 3047M Onder de werking van het besluit van 29 mei 1995 nr DB95 119M was pensioenopbouw over de 35 vergoeding wel mogelijk Voor bestaande gevallen acht ik het hierom redelijk een overgangstermijn in acht te nemen Ik keur goed dat de pensioentoezegging ongewijzigd kan blijven voor de resterende duur van beschikkingen en een eventuele verlenging daarvan met een ingangsdatum vóór 1 juli 2002 Indien de desbetreffende ingekomen werknemer tijdens de looptijd van de bewijsregel een andere inhoudingsplichtige krijgt terwijl hij ingekomen werknemer blijft geldt deze overgangsregeling niet meer In andere situaties kunnen de gevolgen van de vervanging van de 35 regeling door de bewijsregel voor de pensioengrondslag worden beperkt door een of meer van de volgende mogelijkheden te benutten volledige benutting van de ruimte die het Witteveenkader biedt w o percentage franchise en grondslag benutting van de ruimte die het besluit van 22 februari 2002 nr CPP2001 3047M biedt het benutten van de in het besluit van 24 september 2002 nr CPP2002 1640M opgenomen mogelijkheid om gedurende uitzendingen van maximaal 5 jaar ongewijzigd pensioen op te bouwen volgens de buitenlandse pensioenregeling waaraan ook vóór de uitzending werd deelgenomen Vraag 26 Kan een afzonderlijke vrije vergoeding worden gegeven voor dubbele huisvestingskosten terwijl al maximaal gebruik wordt gemaakt van de 30 regeling Antwoord Nee Zoals in de Nota van toelichting bij het Besluit van 20 december 2000 tot aanpassing van enige uitvoeringsbesluiten Stb 2000 640 is uiteengezet hebben de kosten van dubbele huisvesting een overwegend extraterritoriaal karakter Deze kosten worden om die reden onder de meest specifieke post extraterritoriale kosten geschaard De desbetreffende kosten vallen dus binnen de bewijsregel van 30 Dat wil nog niet zeggen dat zo n vergoeding belast is Ingeval immers aannemelijk wordt gemaakt dat de totale extraterritoriale kosten meer belopen dan 30 zodat geen gebruik hoeft te worden gemaakt van de bewijsregel kunnen de werkelijk gemaakte kosten van dubbele huisvesting wel worden vergoed overigens zonder een beperking tot een termijn van twee jaar Vraag 27 Volgens de Nota van toelichting bij het Besluit van 20 december 2000 tot aanpassing van enige uitvoeringsbesluiten Stb 2000 640 worden niet alleen kosten van dubbele huisvesting als extraterritoriale kosten aangemerkt maar ook de eventuele extra kosten van eerste huisvesting Hoe moet

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Vragen%20en%20antwoorden%20extraterritoriale%20werknemers%20240805.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Besluit gebruikelijkloonregeling (besluit van 22 mei 2001, nr. CPP2000/3172M)
    met dien verstande dat het loon tenminste wordt gesteld op het loon van de meestverdienende werknemer In uitzonderingsgevallen kan het loon van de AB werknemer worden gesteld op een lager bedrag dan het loon van de meestverdienende werknemer namelijk voorzover de belanghebbende aannemelijk maakt dat het loon van de meestverdienende werknemer hoger is dan een gebruikelijk loon van de AB werknemer Hiervan kan sprake zijn ingeval de meestverdienende werknemer beschikt over een uiterst schaarse hoogwaardige deskundigheid d Waar hiervoor gesproken wordt over soortgelijke dienstbetrekkingen worden bedoeld de dienstbetrekkingen waarvan de werkzaamheden voor wat betreft de aard en omvang in redelijkheid vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden van de AB werknemer De als vergelijkingsmateriaal gebruikte andere dienstbetrekkingen behoeven niet met een lichaam van de AB werknemer of met een verbonden lichaam te zijn aangegaan e Bij de gebruikelijkloonregeling wordt aangesloten bij het loonbegrip dat voor de heffing van de loonbelasting wordt gehanteerd Onder dit loonbegrip vallen bijvoorbeeld niet de bijtelling met betrekking tot de auto van de zaak vrije vergoedingen en verstrekkingen en onbelaste pensioenaanspraken f Indien het loon in enig jaar wordt verlaagd vormt dit voor de belastingdienst aanleiding tot nader onderzoek naar de hoogte van het gebruikelijke loon De belastingdienst geeft overeenkomstig hetgeen hiervoor onder 1 is vermeld bij een voorgenomen loonsverlaging slechts dan vooraf een standpuntbepaling over de toepassing van de gebruikelijkloonregeling indien belanghebbende de zakelijke redenen voor de verlaging van het loon afdoende aannemelijk maakt Van een loonsverlaging op zakelijke gronden kan sprake zijn indien belanghebbende aantoont dat de verlaging van het loon direct voortvloeit uit het waarborgen van de continuïteit van het bedrijf Bij de beoordeling van een dergelijke situatie dient in beginsel geen acht te worden geslagen op een min of meer incidentele verliessituatie en moet onder meer worden bezien of op andere wijzen gelden aan een lichaam worden onttrokken bijvoorbeeld in de vorm van een oplopende rekening courantschuld aan een lichaam Overigens dient met betrekking tot een verlaging van het loon te worden bedacht dat dit in het algemeen gevolgen heeft voor onder meer de pensioenopbouw en de winstvaststelling van een lichaam 3 Een lager loon dan de WAZ maxgrondslag Ligt het tussen een lichaam en de AB werknemer overeengekomen salaris lager dan de WAZ maxgrondslag dan zal de AB werknemer of de inhoudingsplichtige aannemelijk moeten maken dat dit salaris ook in normale zakelijke verhoudingen zou zijn overeengekomen Hierna worden enkele gevallen nader toegelicht 3 1 Deeltijdfuncties meerdere dienstbetrekkingen e d Van een lagere beloning dan de WAZ maxgrondslag kan sprake zijn bij een deeltijdfunctie of een functie die niet het gehele jaar heeft geduurd In zulk een geval moet de belanghebbende aannemelijk maken dat een evenredig gedeelte van een gebruikelijk loon op voltijdsbasis gelet op de aard en omvang van de verrichte werkzaamheden onder de WAZ maxgrondslag ligt 3 2 Dienstbetrekking van kinderen van de AB werknemer Het is mogelijk dat een schoolgaand of studerend kind van een AB houder zelfstandig of op grond van de zogenoemde meetrekregeling van artikel 4 10 van de

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Gebruikelijkloonregeling%20220501.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Vragen en antwoorden verzekeringen; inkomensvoorzieningen 2
    vóór de relevante datum 1 bestaande lijfrenteovereenkomst Dit antwoord brengt mee dat de lijfrenteovereenkomst in beginsel juridisch perfect dient te zijn voor de fiscaal relevante datum teneinde een betaling ter zake te kunnen aanmerken als een uitgave voor een inkomensvoorziening Zie over het totstandkomen van verzekeringsovereenkomsten overigens ook de antwoorden op de vragen 1 tot en met 4 van het Besluit van 29 november 2001 nr CPP2001 1680M 1 In dit verband moet daaronder worden begrepen 31 december van het desbetreffende jaar Bij terugwenteling 30 juni van het daaropvolgende jaar met betrekking tot de jaren 2001 en 2002 31 december van het daaropvolgende jaar Met deze antwoorden is tot uitdrukking gebracht dat om een betaling te kunnen aanmerken als een betaling voor een inkomensvoorziening op het fiscaal relevante tijdstip voldoende duidelijk moet zijn dat de betaling betrekking heeft op een kwalificerende lijfrenteovereenkomst Voor gevallen waarin daarover twijfel zou kunnen bestaan merk ik in aanvulling op voormeld standpunt op dat in de volgende twee situaties kan worden uitgegaan van betaling ter zake van een kwalificerende lijfrenteovereenkomst Ten eerste in die gevallen waarin vóór het fiscaal relevante tijdstip door de belanghebbende een specifiek op hem betrekking hebbende offerte van de verzekeraar is ontvangen en de betaling in overeenstemming is met die offerte Ten tweede in die gevallen waarin de aanvraag voor de lijfrente vóór het fiscaal relevante tijdstip door de verzekeringsmaatschappij is ontvangen of geacht kan worden ontvangen te zijn Van dat laatste kan in ieder geval worden uitgegaan indien de aanvraag ten minste twee werkdagen vóór het fiscaal relevante tijdstip aan de verzekeringsmaatschappij is verzonden In beide laatste gevallen zal de betaling steeds in overeenstemming moeten zijn met die aanvraag Deze vaststellingen gelden uitsluitend in de situatie waarin de lijfrente uiteindelijk juridisch tot stand komt in overeenstemming met de offerte onderscheidenlijk

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Vragen%20en%20antwoorden%20verzekeringen;%20inkomensvoorzieningen%202%20280803%20%28vraag%2011%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Vragen en antwoorden verzekeringen; algemeen
    van verzekeringen niet langer op te nemen in één groot besluit maar om per onderwerp een apart besluit uit te brengen 1 Medische acceptatie ontbindende voorwaarde tijdstip totstandkomen overeenkomst Vraag Op welk moment komt in fiscale zin een levensverzekering tot stand die onder voorwaarde van medische acceptatie is gesloten als de medische keuring pas na het sluiten van de overeenkomst heeft plaatsgevonden maar de verzekeraar van aanvang af volledige dekking heeft verleend Antwoord Wanneer een overeenkomst van levensverzekering onder voorwaarde van medische acceptatie is gesloten waarbij de verzekeraar van aanvang af volledige dekking heeft verleend komt deze in fiscale zin tot stand op het moment van sluiten van de overeenkomst Opgemerkt zij dat van volledige dekking slechts sprake is indien de verzekeraar bij overlijden van de verzekerde vóór de medische acceptatie inclusief bij overlijden gedurende de periode vóór medische keuring hetzelfde bedrag uitkeert als ná de medische acceptatie is verzekerd Indien tot het moment van medische acceptatie geen of een lager bedrag is verzekerd in geval van overlijden is er fiscaal sprake van een voorovereenkomst die na acceptatie gevolgd wordt door een nieuwe overeenkomst In dat geval komt de overeenkomst pas tot stand op het moment van acceptatie door de verzekeraar 2 Tijdstip totstandkomen premiebetaling zonder offerte Vraag Is er al een overeenkomst van verzekering tot stand gekomen in situaties waarin de verzekeraar uitsluitend een premie heeft ontvangen zonder dat daaraan een offerte ten grondslag lag Is daarbij relevant of de premiebetaler heeft verwezen naar een eerder afgesloten polis of in algemene zin naar een productnaam Antwoord Neen In geen enkele van de beschreven situaties is er al een overeenkomst van verzekering tot stand gekomen Aanbod en acceptatie hebben niet plaats gevonden zodat de elementen van verzekering niet aanwezig zijn Uit niets blijkt ook welke prestatie de verzekeraar tegenover de

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Vragen%20en%20antwoorden%20verzekeringen%20291101%20%28vraag%201%20-%204%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Hoge Raad 11 april 2003, nr. R01/105HR (NJ 2003/492)
    1 toe te staan Waar het hof echter in rov 4 van de thans bestreden beschikking heeft geoordeeld dat de WVP wel van toepassing is op de eerste echtscheiding van partijen heeft het hof zulks derhalve miskend Het oordeel van het hof in rov 4 is bovendien in strijd met het doel van de WVP De door de WVP voorgeschreven verevening van pensioenrechten vloeit volgens de wetgever voort uit het gegeven dat de opbouw van de pensioenrechten een gevolg is van de gemeenschappelijke inspanning van de beide echtgenoten Deze inspanning heeft tot doel om na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd samen te kunnen beschikken over een aanvullend ouderdoms pensioen Daaruit vloeit voort dat iedere echtgenoot aanspraak moet hebben op de helft van het vanaf het moment van de voltrekking van het huwelijk tot op het moment van de echtscheiding opgebouwde ouderdomspensioen Zie Tweede kamer vergaderjaar 1990 1991 21 893 nr 3 blz 3 en 7 Een van de belangrijkste consequenties van voormeld uitgangspunt is de omstandigheid dat de vóórhuwelijkse jaren tijdens welke ook een deel van het ouderdomspensioen kan zijn opgebouwd bij de verevening volgens de WVP buiten beschouwing blijven hetgeen een duidelijke afwijking vormt van het systeem volgens het arrest Boon Van Loon De consequentie van het oordeel van het hof in rov 4 is echter dat in het onderhavige geval ook het door R opgebouwde ouderdomspensioen in de periode van 1994 tot 17 februari 1997 waarin partijen niet gehuwd waren op de voet van de WVP verevend dient te worden Waar de wetgever nu juist door de invoering van de WVP het tegengestelde heeft beoogd is het oordeel van het hof in rov 4 ook in zoverre onjuist Het hof meent kennelijk aan het voorgaande voorbij te kunnen gaan doordat het zijn oordeel heeft gegrond op art 1 166 BW Aldus oordelend heeft het hof echter een onjuist criterium gehanteerd Art 1 166 BW luidt Indien de gescheiden echtgenoten met elkander hertrouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan herleven alle gevolgen van het huwelijk van rechtswege alsof er geen echtscheiding had plaatsgehad Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen die tussen de ontbinding van het huwelijk en het nieuwe huwelijk of het geregistreerd partnerschap zijn verricht beoordeeld naar het tijdstip der handeling Op het maken of wijzigen van de voorwaarden bedoelt in titel VIII voor het aangaan van het nieuwe huwelijk of de registratie vindt art 119 overeenkomstige toepassing Genoemd artikel strekt er slechts toe te voorkomen dat partijen in een situatie waarin de rechter aan het maken van wijzigingen van huwelijkse voorwaarden staande huwelijk zijn in art 1 119 BW bedoelde goedkeuring had behoren te onthouden omdat schuldeisers benadeeld kunnen worden de goedkeuringseis zouden kunnen omzeilen door van echt te scheiden en vervolgens na de huwelijkse voorwaarden van hun keuze te hebben aangegaan te hertrouwen Vergelijk HR 15 mei 1992 NJ 1993 486 EAAL Zie tevens Hof s Hertogenbosch 11 april 1989 NJ 1989 847 Dat tegengaan is de betekenis van art 1 166 BW Anders dan het hof in rov 4 heeft geoordeeld strekt art 1 166 BW er derhalve niet toe te bewerkstelligen dat de WVP in afwijking van art 12 lid 1 van toepassing wordt op scheidingen die voor 1 mei 1995 hebben plaatsgevonden Daarnaast heeft te gelden dat art 1 166 BW weliswaar alle gevolgen van het huwelijk van rechtswege doet herleven alsof er geen echtscheiding had plaatsgehad doch daarmee de periode tussen de ontbinding van het eerste huwelijk en de aanvang van het tweede huwelijk nog niet maakt tot een periode waarin partijen eveneens geacht moeten worden met elkaar gehuwd te zijn geweest Met andere woorden art 1 166 BW ziet alleen op de periode dat partijen ook inderdaad met elkaar getrouwd zijn geweest niet op de periode die ligt tussen twee huwelijken Zie in dit verband E Lutjens Pensioenverevening bij scheiding een juridische slangenkuil NJB 18 april 1997 blz 714 punt 7 In dezelfde zin Rb s Gravenhage 20 december 1996 PJ 1997 17 m nt Thijssen Rb Alkmaar 15 mei 1996 PJ 1997 35 m nt Kalkman Anders dan het Hof in rov 4 heeft geoordeeld kan art 1 166 BW er dan ook nimmer toe leiden dat het door R in de periode van 1994 tot 17 februari 1997 zijnde de periode dat partijen niet gehuwd waren opgebouwde ouderdomspensioen voor verevening op de voet van de WVP in aanmerking komt Dit is niet alleen in strijd met de ratio van de WVP zoals hiervoor reeds uiteengezet is doch ook met de betekenis van art 1 166 BW enz Hoge Raad 1 Het geding in feitelijke instanties Met een op 5 januari 1998 ter griffie van de Rechtbank te s Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie verder te noemen de vrouw zich gewend tot die Rechtbank en verzocht scheiding van tafel en bed tussen haar en verzoeker tot cassatie verder de man uit te spreken Voorzover in cassatie nog van belang heeft zij verzocht een uitkering tot haar levensonderhoud ten laste van de man vast te stellen op f 2500 per maand De man heeft het verzoek tot vaststelling van de alimentatie voor de vrouw bestreden ook van zijn kant verzocht echtscheiding tussen hem en de vrouw uit te spreken en voorzover in cassatie van belang verzocht de alimentatie voor de vrouw vast te stellen op nihil De Rechtbank heeft bij beschikking van 20 maart 2000 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de alimentatie voor de vrouw vastgesteld op f 900 per maand Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te s Gravenhage en wederom verzocht de alimentatie vast te stellen op f 2500 per maand althans op een zodanig bedrag als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren Voorts heeft zij verzocht voor recht te verklaren dat zij recht heeft op pensioenverevening ingevolge de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding per de datum van het eerste huwelijk De man heeft het alimentatieverzoek van de vrouw bestreden en tevens verzocht de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek om een verklaring voor recht dat zij recht heeft op pensioenverevening Bij beschikking van 27 juni 2001 heeft het Hof de bestreden beschikking voorzover aan zijn oordeel onderworpen vernietigd en in zoverre opnieuw rechtdoende aan de vrouw ten laste van de man met ingang van de datum waarop de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en tot de datum waarop de vrouw uit de voormalige echtelijke woning is getrokken een alimentatie toegekend van f 1650 per maand en vanaf laatstbedoelde datum een alimentatie van f 2500 per maand voor recht verklaard dat de vrouw recht heeft op pensioenverevening ingevolge de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding over de gehele periode vanaf de datum van het eerste huwelijk van de partijen tot aan de datum van inschrijving van de tweede echtscheiding 2 Het geding in cassatie De conclusie van de Advocaat Generaal C L de Vries Lentsch Kostense strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voorzover in cassatie bestreden en tot afdoening van de zaak in voege als onder 14 van deze conclusie vermeld 3 Beoordeling van het middel 3 1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan De man en de vrouw zijn op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd in 1976 Dit huwelijk is in 1994 ontbonden door inschrijving van een daartoe strekkende rechterlijke beschikking in de registers van de burgerlijke stand De man en de vrouw zijn in 1997 andermaal op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd 3 2 In de onderhavige zaak heeft de vrouw gevorderd dat de Rechtbank ten tweeden male de echtscheiding tussen partijen zou uitspreken met nevenvorderingen De man heeft verweer gevoerd Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak heeft de vrouw tevens aanspraak gemaakt op de helft van de door de man tijdens het eerste huwelijk van partijen opgebouwde pensioenrechten Bij beschikking van 20 maart 2000 heeft de Rechtbank echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts onder meer een bedrag bepaald dat de man maandelijks diende bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw De Rechtbank wees het verzoek van de vrouw af voorzover dat strekte tot verevening van de door de man opgebouwde pensioenrechten Deze beschikking is op 7 november 2000 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand 3 3 De vrouw is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan wat betreft de hoogte van de door de Rechtbank vastgestelde maandelijkse uitkering voor levensonderhoud en de beslissing over de verevening van de door de man opgebouwde pensioenrechten De man voerde op beide punten verweer Bij beschikking van 27 juni 2001 heeft het Hof de bestreden beschikking vernietigd voorzover aan zijn oordeel onderworpen en opnieuw beschikkende aan de vrouw ten laste van de man een hogere bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud toegekend dan de Rechtbank had gedaan en bovendien wat de door de man opgebouwde pensioenrechten betreft voor recht verklaard dat de vrouw recht heeft op pensioenverevening over de gehele periode vanaf de datum van het eerste huwelijk van partijen tot aan de datum van inschrijving van de tweede echtscheiding alles zoals onder 1 breder omschreven Het Hof heeft deze laatste beslissing in rov 4 van zijn beschikking als volgt gemotiveerd Voor de vraag of en op welke wijze het pensioen van de man dient te worden verevend zijn slechts de datum van het sluiten van het eerste huwelijk en de datum van de tweede scheiding van belang De wet bepaalt immers in art 1 166 BW dat bij hertrouwen alle gevolgen van het huwelijk van rechtswege herleven alsof er geen echtscheiding had plaatsgehad Aangezien de tweede scheidingdatum ligt na de datum van inwerkingtreding van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding en de partijen de werking van deze Wet niet bij huwelijkse voorwaarden hebben uitgesloten dient het door de man opgebouwde pensioen te worden verevend over de gehele periode vanaf de datum van de sluiting van het eerste huwelijk tot de ontbinding van het tweede huwelijk 3 4 In het onderhavige cassatieberoep is de man met één middel houdende een aantal rechtsklachten opgekomen tegen de beslissing van het Hof over de verevening van de pensioenrechten Hij voerde daartoe in de eerste plaats aan dat deze beslissing in strijd is met de overgangsrechtelijke regel van art 12 lid 1 van de Wet houdende vaststelling van regels met betrekking tot de verevening van pensioenrechten bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed Wet van 28 april 1994 Stb 342 hierna WVP Weliswaar wordt in art 12 lid 2 WVP een uitzondering op deze regel gemaakt maar die is in het onderhavige geval niet van toepassing In de tweede plaats is s Hofs beslissing in strijd met het doel van de WVP voorzover daarin aan de vrouw ook een recht op verevening van de door de man opgebouwde pensioenrechten is toegekend over de periode van 1994 tot 1997 waarin partijen niet met elkaar waren getrouwd In de derde plaats heeft het Hof miskend dat art 1 166 BW in het vorenstaande geen wijziging kan brengen aangezien dit artikel een veel beperktere strekking heeft dan het Hof daaraan heeft toegekend aldus nog steeds het samengevat weergegeven middel 3 5 Art 12 lid 1 WVP bepaalt Deze wet is niet van toepassing op een scheiding die heeft plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van deze wet Deze bepaling strookt met het overgangsrechtelijke grondbeginsel dat een nieuwe wet geen terugwerkende kracht heeft In uitzondering op deze hoofdregel wordt in art 12 lid 2 WVP bepaald dat die wet niettemin van toepassing is op echtscheidingen of scheidingen van tafel en bed die vóór 27 november 1981 hebben plaatsgevonden zodat de WVP in zoverre wél terugwerkt Dit is echter slechts het geval onder een viertal nauwkeurig in die regeling gespecificeerde voorwaarden Nu is gesteld noch gebleken dat deze voorwaarden in het onderhavige geval alle zijn vervuld dient tot uitgangspunt dat de WVP niet van toepassing is op de eerste echtscheiding die tussen partijen is uitgesproken 3 6 Het antwoord op de vraag of na de eerste echtscheiding pensioenverrekening diende plaats te vinden wordt dus in beginsel vooralsnog afgezien van de invloed daarop van art 1 166 BW beheerst door het Boon Van Loon arrest HR 27 november 1981 nr 11708 NJ 1982 503 Dit arrest schept een recht op pensioenverrekening echter onder voorwaarden zoals daarin uitgewerkt slechts ten aanzien van echtelieden die in algehele gemeenschap waren gehuwd Aangezien de man en de vrouw tijdens hun eerste huwelijk onder huwelijkse voorwaarden waren getrouwd volgt ook uit dat arrest geen recht op pensioenverrekening over de periode van het eerste huwelijk van partijen 3 7 Uit het vorenoverwogene volgt dat de vrouw slechts als gevolg van het bepaalde in art 1 166 BW mogelijk een recht op pensioenverevening ook over de periode van het eerste huwelijk toekomt Het Hof dat zijn beslissing heeft gegrond op art 1 166 BW heeft dit niet miskend en heeft met name anders dan het middel veronderstelt niet enige uitbreiding gegeven aan de uitzonderingen op de overgangsrechtelijke hoofdregel van art 12 lid 1 WVP Daarbij verdient opmerking dat de beslissing van het Hof niet ertoe leidt dat de afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van het eerste huwelijk opnieuw aan de orde wordt gesteld Het Hof heeft immers terecht slechts onderzocht of op het tijdstip van de tweede echtscheiding op grond van de toen geldende WVP een aanspraak op pensioenverevening ontstond en of bij de vaststelling van het te verevenen pensioen op de voet van art 3 WVP als gevolg van de werking van art 1 166 BW niet slechts met de periode van het eerste huwelijk maar ook met die van het tweede huwelijk en de daartussen liggende periode rekening moet worden gehouden 3 8 Bij de beantwoording van de vraag of art 1 166 BW een recht op pensioenverevening schept over de periode van het eerste huwelijk tussen partijen en dus bij de uitleg van deze bepaling voor een geval als het onderhavige staat voorop dat dit artikel geheel in het algemeen voorschrijft dat indien voorzover thans van belang de gescheiden echtgenoten met elkander hertrouwen alle gevolgen van het huwelijk van rechtswege herleven alsof er geen echtscheiding had plaatsgehad Uit hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat Generaal onder 11 blijkt dat de achtergrond van deze bepaling van huwelijksgoederenrechtelijke aard is en dat deze bepaling ten doel had te voorkomen dat echtgenoten door echtscheiding en het aangaan van een nieuw huwelijk de regeling van thans art 1 119 lid 1 BW ontduiken Dit betekent echter niet dat het toepassingsgebied van de bepaling daartoe beperkt is Dat blijkt onder meer hieruit dat nadat bij de Wet van 14 juni 1956 Stb 343 Lex Van Oven het onveranderlijkheidsbeginsel ten aanzien van de vermogensrechtelijke verhouding tussen echtgenoten was opgeheven de bepaling toen art 287a lid 1 niettemin is gehandhaafd waarbij als motivering onder meer werd gegeven dat het inderdaad nog altijd zin heeft te bepalen dat bij hertrouwen en bij verzoening na scheiding van tafel en bed alle gevolgen van het huwelijk herleven Anders zou allerlei rechtsonzekerheid kunnen ontstaan Kamerstukken II 1954 55 1430 nr 8 blz 10 Dat het toepassingsgebied van de bepaling niet tot het huwelijksgoederenrecht beperkt is blijkt hieruit dat in de leden 2 en 3 van art 1 166 BW van 1 oktober 1971 tot 1 november 1995 een regeling betreffende het herleven van het ouderlijk gezag was opgenomen die overeenstemt met hetgeen thans is bepaald in art 1 253 BW Ten slotte is wat de WVP betreft van belang dat in de memorie van toelichting op art 2 lid 4 WVP is opgemerkt dat indien partijen na een echtscheiding opnieuw met elkaar huwen of na scheiding van tafel en bed zich met elkaar verzoenen er geen grond meer is voor verevening van pensioenaanspraken tussen hen in welk verband wordt verwezen naar de artikelen 1 166 en 1 176 BW Kamerstukken II 1990 91 21 893 nr 3 blz 25 De wetgever was dan ook kennelijk van oordeel dat art 1 166 BW bij de toepassing van de WVP aan de orde kan komen 3 9 Uit een en ander volgt dat art 1 166 BW overeenkomstig zijn bewoordingen ook voor de toepassing van de WVP aldus moet worden uitgelegd dat indien de gescheiden echtgenoten met elkander hertrouwen alle gevolgen van het eerdere huwelijk van rechtswege herleven hetgeen dan meebrengt dat bij de vaststelling van het voor pensioenverevening in aanmerking komende pensioen rekening behoort te worden gehouden met de periode van het eerste huwelijk Zulks is anders dan het middel betoogt ook in overeenstemming met de strekking van de WVP die immers erop is gericht recht te doen aan de gedachte dat opbouw van pensioenrechten tijdens de huwelijksperiode de vrucht is van een inspanning van beide huwelijkspartners welke erop gericht is te bereiken dat zij beiden kunnen genieten van een redelijke oudedagsvoorziening Hieraan staat niet in de weg dat tijdens de duur van het eerste huwelijk in verband met de door partijen gekozen huwelijkse voorwaarden voor de vrouw niet het vooruitzicht bestond dat zij aanspraak zou kunnen maken op een deel van de door de man opgebouwde oudedagsvoorziening De wetgever heeft immers met de WVP gekozen voor een op de verzorgingsplicht van de echtgenoten jegens elkaar berustende regeling die de verdeling van pensioenrechten losmaakt van het tussen partijen geldende huwelijksvermogensregime waarmee tevens tegemoet is gekomen aan de bezwaren die aan de koude uitsluiting zijn verbonden met het oog op de behoefte aan een oudedagsvoorziening van de gescheiden echtgenoot Er is geen reden gevallen als het onderhavige waarin partijen zijn hertrouwd na een eerder huwelijk waarin de echtgenoten zich de hiervoor bedoelde gezamenlijke inspanning hebben getroost in dit opzicht anders te behandelen dan gevallen waarin het huwelijk ononderbroken heeft voortgeduurd en waarin tot de inwerkingtreding van de WVP voor buiten gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten evenmin de verwachting bestond dat de oudedagsvoorziening voor verrekening of verevening in aanmerking zou komen 3 10 De klachten die uitgaan van een andere opvatting dan hiervóór is uiteengezet falen Dat geldt echter gelet op de hiervóór uiteengezette strekking van de WVP niet voorzover de klachten betrekking hebben op de periode van de eerste echtscheiding in 1994 tot in 1997 de datum van het tweede huwelijk In die periode waren partijen immers niet met elkaar gehuwd en was van een gezamenlijke inspanning als hiervóór bedoeld geen sprake Evenmin kan worden gezegd dat het herleven van de gevolgen van het eerste huwelijk mede betrekking heeft op de na het einde van dat eerste huwelijk liggende periode Bij dit laatste moet worden bedacht dat anders overigens dan in het onderhavige geval zich het geval kan voordoen dat in de tussenliggende periode een huwelijk heeft bestaan met een derde die in verband daarmee evenzeer een recht op pensioenverevening aan de WVP kan ontlenen 3 11 Op grond van het vooroverwogene treft het middel ten dele doel De bestreden beschikking kan in zoverre niet in stand blijven De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door de gevraagde verklaring voor recht als in zoverre op de WVP gebaseerd uit te spreken voorzover zij betrekking heeft op de periode van het eerste en die van het tweede huwelijk van partijen maar deze voor het overige voor de daartussen liggende periode te weigeren 4 Beslissing De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te s Gravenhage van 27 juni 2001 voorzover aan zijn oordeel onderworpen en in zoverre opnieuw rechtdoende verklaart voor recht dat de vrouw recht heeft op pensioenverevening ingevolge de WVP over de perioden gedurende welke het eerste huwelijk en het tweede huwelijk tussen partijen hebben bestaan weigert de gevraagde verklaring voor recht voor het overige Conclusie A G mr De Vries Lentsch Kostense Inleiding 1 In deze zaak gaat het in cassatie om de vraag hoe de door de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding WVP voorgeschreven pensioenverevening dient plaats te vinden ingeval partijen eerder met elkaar gehuwd zijn geweest en dat eerdere huwelijk anders dan het tweede huwelijk vóór de inwerkingtreding van deze Wet doch ná 27 november 1981 door echtscheiding is ontbonden Het Hof heeft het standpunt verworpen dat in een dergelijk geval uitsluitend voor verevening in aanmerking komt het ouderdomspensioen dat is opgebouwd in de tweede huwelijksperiode het heeft geoordeeld dat art 1 166 BW meebrengt dat moet worden verevend het ouderdomspensioen dat is opgebouwd over de periode vanaf de sluiting van het eerste huwelijk tot de ontbinding van het tweede huwelijk zodat ook moet worden verevend het pensioen dat tijdens de eerste huwelijksperiode is opgebouwd en zelfs het pensioen dat is opgebouwd gedurende de tussen de twee huwelijken liggende periode waarin partijen niet met elkaar waren gehuwd Daartegen richt zich het middel dat naar mijn oordeel doel treft Voordat ik hierop inga geef ik een kort overzicht van de feiten en het verloop van het geding 2 Partijen verder de man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest van 1976 tot 1994 in 1997 zijn zij opnieuw met elkaar gehuwd Tussen partijen is in confesso dat het eerste huwelijk en het tweede huwelijk onder huwelijkse voorwaarden zijn gesloten zie het inleidend verzoekschrift van de vrouw onder 1 en het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek van de man onder 3 zie voorts het beroepschrift van de vrouw onder 6 en het verweerschrift hoger beroep van de man onder 11 In het onderhavige geding is door de Rechtbank tussen partijen bij beschikking van 20 maart 2000 de echtscheiding uitgesproken deze beschikking is op 7 november 2000 ingeschreven in de registers 3 Partijen hebben in eerste aanleg met name gestreden over de hoogte van de alimentatie voor de vrouw en voor de minderjarige kinderen van partijen In hoger beroep heeft de vrouw bovendien verzocht voor recht te verklaren dat zij recht heeft op pensioenverevening ingevolge de WVP Zij heeft daarbij verwezen naar het door haar bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg ingenomen standpunt dat zij aanspraak kan maken op de helft van de door de man tijdens het eerste huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken Zij heeft in dat verband betoogd dat de Rechtbank in het kader van de beoordeling van het verzoek van de man tot limitering van de alimentatie ten onrechte in rechtsoverweging 6 lees 8 heeft overwogen dat de vrouw geen aanspraak kan maken op pensioenverevening De man heeft verklaard zich te kunnen verenigen met verevening van de pensioenaanspraken opgebouwd in de tweede huwelijksperiode Hij heeft zich evenwel verzet tegen de stelling van de vrouw dat art 1 166 BW tot gevolg heeft dat de pensioenopbouw van de man tijdens de eerste huwelijksperiode van 1976 tot 1994 verevend moet worden hij heeft betoogd dat zulks in strijd is met de strekking van deze bepaling Hij heeft voorts betoogd dat in het geheel geen rechtsgrond bestaat voor verevening van het pensioen opgebouwd gedurende de periode tussen de twee huwelijken in Onder verwijzing naar een tweetal door hem in het geding gebrachte brieven heeft hij aangevoerd dat hij in zijn standpunt wordt gesteund door de Rijksvoorlichtingsdienst Postbus 51 en door zijn pensioenverzekeraar ABP Pensioenen 4 Het Hof heeft bij beschikking van 27 juni 2001 voor recht verklaard dat de vrouw recht heeft op pensioenverevening ingevolge de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding over de gehele periode vanaf de datum van het eerste huwelijk van partijen tot aan de datum van inschrijving van de tweede echtscheiding Het Hof baseerde deze beslissing op de volgende overweging 4 De partijen zijn in 1997 opnieuw met elkaar gehuwd na in 1994 te zijn gescheiden In 2000 zijn zij voor de tweede maal gescheiden Voor de vraag of en op welke wijze het pensioen van de man dient te worden verevend zijn slechts de datum van het sluiten van het eerste huwelijk en de datum van de tweede scheiding van belang De wet bepaalt immers in art 1 166 BW dat bij hertrouwen alle gevolgen van het huwelijk van rechtswege herleven alsof er geen echtscheiding had plaatsgehad Aangezien de tweede scheidingsdatum ligt na de datum van inwerkingtreding van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding en de partijen de werking van deze Wet niet bij huwelijkse voorwaarden hebben uitgesloten dient het door de man opgebouwde pensioen te worden verevend over de gehele periode vanaf de datum van de sluiting van het eerste huwelijk tot de ontbinding van het tweede huwelijk 5 De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld De vrouw heeft een verweerschrift ingediend met het verzoek het cassatieberoep te verwerpen Het cassatiemiddel 6 Het middel strekt kort samengevat ten betoge dat het Hof heeft miskend dat de WVP krachtens de overgangsbepaling van art 12 WPV behoudens een zich hier niet voordoende uitzondering geen terugwerkende kracht toekomt doch uitsluitend van toepassing is op een scheiding die heeft plaatsgevonden na de inwerkingtreding van deze wet dat het Hof bovendien heeft miskend dat verevening over de periode tussen de ontbinding van het eerste huwelijk en de aanvang van het tweede huwelijk in strijd is met de ratio van de WVP en dat het Hof aan art 1 166 BW een betekenis heeft toegekend die niet aan deze bepaling toekomt nu deze bepaling uitsluitend ertoe strekt om te voorkomen dat partijen art 1 119 BW dat voor het wijzigen van het huwelijksgoederenregime staande huwelijk met het oog op de belangen van schuldeisers goedkeuring van de rechter vereist zouden kunnen omzeilen door eerst te scheiden om vervolgens te hertrouwen na buiten de rechter om te hebben gekozen voor een ander huwelijksgoederenregime 7 Bij de beoordeling van de klacht dat het Hof heeft miskend dat de WVP krachtens de overgangsbepaling van art 12 WPV behoudens een zich hier niet voordoende uitzondering geen terugwerkende kracht toekomt moet het volgende worden vooropgesteld De situatie die ontstond door het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981 NJ 1982 503 m nt EAAL en WHH Boon Van Loon vormde de aanleiding tot wetsvoorstel 21 893 tot regeling van de verevening van pensioenrechten bij scheiding dat heeft geresulteerd in de op 1 mei 1995 in werking getreden Wet verevening pensioenrechten bij scheiding Wet van 28 april 1994 Stb 342 aldus de MvT bij dit wetsvoorstel Tweede Kamer vergaderjaar 1990 1991 21 893 nr 3 p 2 In genoemd arrest oordeelde de Hoge Raad in een geval waarin het ging om de verdeling van een algehele gemeenschap van goederen dat pensioenrechten die als voorwaardelijke vorderingsrechten op het tijdstip van de ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding reeds bestaan in het algemeen voor het gedeelte dat op het tijdstip van de ontbinding van de gemeenschap reeds was opgebouwd bij de verdeling van de gemeenschap door middel van verrekening in aanmerking moeten worden genomen Omdat de Raad daarmee terugkwam van zijn eerdere arrest van 7 oktober 1959 BNB 1959 355 m nt Schuttevâer waarin hij zich op het standpunt had gesteld dat pensioenaanspraken zodanig verknocht zijn met de persoon van de rechthebbende dat zij bij de verdeling van de gemeenschap zelfs niet voor verrekening in aanmerking komen oordeelde de Hoge Raad dat de eisen van de redelijkheid en billijkheid in verband met het belang van de rechtszekerheid in de regel meebrengen dat ten aanzien van reeds verdeelde huwelijksgemeenschappen waarbij conform de uitspraak van 7 oktober 1959 geen rekening is gehouden met pensioenrechten als de onderhavige niet alsnog verrekening kan worden gevorderd op grond van art 1158 lid 2 oud BW de thans vervallen bepaling over nadere scheiding wegens het overslaan van een of meer tot de boedel behorende goederen Daarmee was de stand van zaken aldus dat voor verrekening van pensioenen behoudens andersluidende partijafspraak geen plaats was ingeval partijen met uitsluiting van gemeenschap van goederen waren gehuwd HR 5 oktober 1990 NJ 1991 576 m nt EAAL en dat voor wél in gemeenschap van goederen gehuwde partijen gold dat de ten tijde van de ontbinding van de gemeenschap opgebouwde pensioenrechten ook voorzover de opbouw de voorhuwelijkse jaren betrof voor verrekening in aanmerking kwamen in dier voege dat als hoofdregel van overgangsrecht als vereiste gold dat de verdeling van de gemeenschap niet reeds had plaatsgevonden vóór november 1981 De WVP geeft ongeacht het huwelijksgoederenregime van partijen aan de ene echtgenoot recht op de helft van het pensioen dat de andere echtgenoot tijdens het huwelijk heeft opgebouwd art 3 WVP Partijen kunnen bij huwelijkse voorwaarden of bij echtscheidingsconvenant anders overeenkomen art 4 In de wetsgeschiedenis is overigens benadrukt dat art 6 2 en 6 248 BW toepassing kunnen vinden ook ingeval partijen geen nadere regeling hebben getroffen zie MvA II Tweede Kamer vergaderjaar 1991 1992 21 893 nr 5 p 7 8 Nota n a v eindverslag II Tweede Kamer vergaderjaar 1992 1993 21 893 nr 8 p 12 13 en de MvA I Eerste Kamer vergaderjaar 1993 1994 21 893 nr 111b p 5 De WVP verschaft de vereveningsgerechtigde een eigen recht jegens het uitvoeringsorgaan het pensioenfonds Aan art 1 94 BW is een nieuw vierde lid toegevoegd inhoudende dat onverminderd het bepaalde in art 1 155 BW niet in de gemeenschap vallen pensioenrechten waarop de WVP van toepassing is alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen De ratio van de wettelijke regeling is het recht doen aan de gedachte dat opbouw van pensioenrechten tijdens de huwelijksperiode een inspanning is van beide huwelijkspartners welke erop is gericht te bereiken dat zij beiden kunnen genieten van een redelijke oudedagsvoorziening met de wettelijke regeling wordt tevens bereikt dat bij gebreke van onderlinge overeenstemming ten aanzien van de tijdens de huwelijkse jaren opgebouwde pensioenrechten daarover niet meer behoeft te worden geprocedeerd Zie de MvT Tweede Kamer vergaderjaar 1990 1991 21 893 nr 3 p 7 Zie over de wettelijke regeling Pitlo Van der Burght Rood de Boer Personen en Familierecht 1998 p 262 275 Asser De Boer 2002 nrs 615a 615d 320a en 666 K Teich Verevening pensioenrechten bij scheiding serie pensioenwijzers 1995 E Lutjens Pensioenverevening bij scheiding een juridische slangenkuil NJB 1997 afl 16 p 711 717 8 De WVP bevat een expliciete regel van overgangsrecht in art 12 In het eerste lid wordt bepaald dat de wet niet van toepassing is op een scheiding die heeft plaatsgevonden vóór de datum van zijn inwerkingtreding Het tweede lid bepaalt dat de wet niettemin van overeenkomstige toepassing is op een scheiding die heeft plaatsgevonden vóór 27 november 1981 en wel in dier voege dat recht bestaat op een kwart van het opgebouwde pensioen mits het huwelijk ten minste 18 jaren heeft geduurd en er tijdens het huwelijk minderjarige kinderen waren en voorts uitsluitend voorzover niet reeds aantoonbaar rekening is gehouden met de omstandigheid dat de tot verevening gerechtigde echtgenoot geen of onvoldoende pensioen had opgebouwd terwijl ingevolge het derde lid binnen twee jaar na inwerkingtreding aanspraak op verevening dient te worden gemaakt Deze bijzondere regel van terugwerkende kracht moet op het conto worden geschreven van de Tweede Kamer die het door de leden Kalsbeek Jasperse en Soutendijk Van Appeldoorn ingediende amendement aanvaardde waarin bedoelde regel van terugwerkende kracht werd voorgesteld zie amendement nr 30 dat diende ter vervanging van amendement 24 dat nog een algemene hardheidsclausule voorstelde De regering heeft zich bij monde van de Staatssecretaris van Justitie Kosto steeds tegen deze terugwerkende kracht voor oude gevallen verzet In het aan de Tweede Kamer aangeboden wetsvoorstel was gekozen voor uitsluiting van terugwerkende kracht over de gehele linie in verband met de eisen van de rechtszekerheid Ter verdediging van deze keuze is erop gewezen dat in de gevallen waarin de echtscheiding reeds vóór de inwerkingtreding van de WPV heeft plaatsgevonden veelal regelingen zijn getroffen of situaties zijn ontstaan of in stand gelaten die niet meer zijn terug te draaien daarbij valt ook te denken aan gevallen waarin alimentatie wordt betaald en de hoogte van de alimentatie beïnvloed is door het feit dat de tot alimentatie verplichte echtgenoot een ouderdomspensioen geniet en de andere niet of in mindere mate Zie de MvA II Tweede Kamer vergaderjaar 1991 1992 21 893 nr 5 p 31 32 de Nota n a v het Eindverslag II Tweede Kamer vergaderjaar 1992 1993 21 893 nr 8 p 2 4 De Staatssecretaris heeft amendement nr 24 ontraden bij de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel op 1 en 2 juni 1993 hij heeft met name nogmaals gewezen op de bezwaren uit een oogpunt van rechtszekerheid beginselen van overgangsrecht en de Aanwijzingen voor de regelgeving alsmede op bezwaren van uitvoeringstechnische aard voor de pensioenfondsen en op de belasting voor de rechtshulp en de rechterlijke macht Handelingen TK 73 5301 5302 en Handelingen TK 74 5353 5357 De Staatssecretaris heeft zijn bezwaren herhaald in zijn brief van 21 juni 1993 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer Tweede Kamer vergaderjaar 1992 1993 21 893 nr 29 hij is het amendement blijven ontraden Daarop hebben de leden Kalsbeek Jasperse en Soutendijk Van Appeldoorn ter vervanging van amendement nr 24 amendement nr 30 ingediend Bij de mondelinge behandeling op 30 juni 1993 heeft de Staatssecretaris volhard in zijn bezwaren tegen een regeling van terugwerkende kracht voor oude gevallen Handelingen TK 85 6298 6300 Het amendement is zoals gezegd door de Tweede Kamer aangenomen Bij de behandeling in de Eerste Kamer is nog de vraag gesteld of gedeeltelijke terugwerking van de wet als voorzien in art 12 leden 2 en 3 wel aanvaardbaar is De regering heeft geantwoord dat ook in het onderhavige wetsvoorstel de overgangsrechtelijke hoofdregel van de onmiddellijke werking vooropstaat conform Aanwijzing voor de regelgeving 166 en dat aan deze overgangsrechtelijke hoofdregel slechts in bijzondere gevallen wordt getornd na een belangenafweging waarbij de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid en de redelijkheid en billijkheid tegen elkaar worden afgewogen terwijl ook praktische argumenten een rol spelen Geconcludeerd werd dat met de regeling van het tweede en derde lid van art 12 een acceptabele afweging van genoemde belangen is totstandgebracht In dat verband is erop gewezen dat de onmiddellijke werking vervat in art 11 in die zin is aangescherpt dat met het oog op art 4 dat partijen de mogelijkheid geeft van de wettelijke regeling af te wijken is bepaald dat indien echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden vóór de inwerkingtreding van de WVP algehele gemeenschap van goederen hebben uitgesloten of beperkt ingeval van scheiding na de inwerkingtreding van de WVP pensioenverevening plaatsvindt tenzij de echtgenoten uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen Zie de MvA I Eerste Kamer vergaderjaar 1993 1994 21 893 nr 111b p 1 4 en voorts de nadere MvA I Eerste Kamer vergaderjaar 1993 1994 21 893 nr 111d p 4 5 9 Uit de hiervoor beschreven wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever expliciet ervoor heeft gekozen conform de overgangsrechtelijke hoofdregel van onmiddellijke werking aan de WVP geen terugwerkende kracht toe te kennen behoudens onder stringente nadere voorwaarden voorzover het gaat om scheidingen die hebben plaatsgevonden vóór 27 november 1981 Vergelijk HR 23 mei 1997 NJ 1998 222 m nt WMK Van een scheiding die heeft plaatsgevonden vóór deze datum is in casu geen sprake ook de eerste echtscheiding van partijen vond na die datum plaats De eerste echtscheiding van partijen vond bovendien plaats vóór de inwerkingtreding van de WVP met het middel moet dan ook worden geconstateerd dat de WVP ingevolge zijn bepaling van overgangsrecht art 12 niet op de eerste scheiding van toepassing is zodat de WVP zelf geen rechtsgrond biedt voor verevening van pensioenrechten die zijn opgebouwd tijdens het eerste huwelijk Het behoeft geen betoog dat de WVP evenmin grond kan bieden voor verevening van pensioenrechten opgebouwd gedurende de periode gelegen tussen het eerste en het tweede huwelijk verevening van deze pensioenrechten is bovendien in strijd met de ratio van de WVP die beoogt recht te doen aan de gedachte dat de opbouw van pensioen tijdens de huwelijksperiode een inspanning is van beide huwelijkspartners Voor scheidingen die zoals in casu de eerste scheiding hebben plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van de WVP blijft het Boon Van Loon regime gelden ingeval partijen in gemeenschap waren gehuwd dan wel enige vorm van pensioenverrekening was overeengekomen zal pensioenverrekening hebben plaatsgevonden terwijl in andere gevallen pensioenverrekening zal zijn uitgebleven Conform de ook voor de WVP aanvaarde overgangsrechtelijke hoofdregel van onmiddellijke werking kan de inwerkingtreding van de WVP daarin geen wijziging brengen het tijdens de eerste huwelijksperiode opgebouwde pensioen kan dan ook niet alsnog voor verevening in aanmerking komen Dat moet ook gelden ingeval partijen

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/NJ%202003-492.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Hof Amsterdam 27 november 2000, nr. 99/2650
    NV Y hield 15 aandelen van nominaal f 1000 in eigendom over Volgens de akte staat Y ervoor in dat hij afstand heeft gedaan van zijn pensioenrechten met instemming van zijn echtgenote zodat de pensioenreserve is vrijgevallen Het eigen vermogen van belanghebbende bedroeg per 29 november 1996 f o De post liquide middelen vermeldt dan f p Y is per 25 december 1996 als directeur van belanghebbende afgetreden Belanghebbende heeft dan geen werknemers meer 2 6 Belanghebbende heeft bij brief van 19 december 1996 de inspecteur verzocht te bevestigen dat de pensioenaanspraak van Y onder de aan de orde zijnde omstandigheden de facto niet voor verwezenlijking vatbaar is in de zin van artikel 11c eerste lid onderdeel c van de Wet op de loonbelasting 1964 hierna de Wet De inspecteur heeft het verzoek niet gehonoreerd en in zijn brieven van 4 februari en 4 april 1997 aan belanghebbende te kennen gegeven dat indien Y afziet van zijn pensioenaanspraak deze aanspraak als loon uit een vroegere dienstbetrekking moet worden aangemerkt Belanghebbende heeft echter geen loonbelasting premie aangegeven en afgedragen ter zake van dit loon De inspecteur heeft aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd toen hem uit de ingediende aangifte vennootschapsbelasting 1996 1997 duidelijk was geworden dat de pensioenverplichting jegens Y was vrijgevallen Het bedrag van de nageheven enkelvoudige belasting premie bedraagt 60 van f m is afgerond f d De boete van 50 is berekend over f m n dat is het verschil tussen voornoemd bedrag van f m en f n het bedrag van de vennootschapsbelasting verschuldigd over de vrijval van de pensioenverplichting Geschil Partijen worden verdeeld gehouden ten eerste door het antwoord op de vraag of de pensioenaanspraak van Y door het afzien ervan is aan te merken als loon uit een vroegere dienstbetrekking op grond van artikel 11c eerste lid aanhef en onderdeel c van de Wet tekst 1996 Voorts verschillen partijen van opvatting over het antwoord op de vraag of het aan voorwaardelijke opzet dan wel grove schuld van belanghebbende te wijten is geweest dat te weinig loonbelasting premie is of zou zijn ingehouden Overwegingen van het hof 5 1 Vaststaat dat Y in verband met de verkoop van een deel van zijn aandelen in belanghebbende in 1996 heeft afgezien van zijn pensioenaanspraak jegens belanghebbende Daaruit volgt op grond van artikel 11c eerste lid aanhef en onderdeel c van de Wet dat de pensioenaanspraak wordt aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking tenzij de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar was Belanghebbende stelt dat deze uitzondering aan de orde is De inspecteur heeft dit ontkend Het Hof oordeelt als volgt Uit de wetshistorie van artikel 11c eerste lid onderdeel c van de Wet volgt dat bij aanwezigheid van dwingende maatschappelijke redenen zoals schuldsanering faillissement of surseance van betaling sprake kan zijn van niet voor verwezenlijking vatbare pensioenaanspraken Tussen partijen is naar het Hof verstaat niet in geschil dat gezien de solvabiliteit en de liquiditeit van belanghebbende een schuldsanering surseance van betaling of faillissement van haar niet was te

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Hof%20Amsterdam%2099-2650.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Besluit overdracht van pensioenkapitaal aan een pensioenfonds van een internationale organisatie
    dat Nederland hecht aan samenwerking in internationale organisaties en het opheffen van de discrepantie ten opzichte van de mogelijkheid van waardeoverdracht naar de pensioenregelingen van de Europese Gemeenschappen ligt het in de rede een aantal van deze organisaties bij ministeriële regeling aan te wijzen Het gevolg hiervan is dat belanghebbenden veelal Nederlandse ambtenaren die bij deze organisaties in dienst treden hun pensioenrechten kunnen meenemen naar de nieuwe pensioenuitvoerder Voor de volledigheid wordt hier nog opgemerkt dat gelet op artikel 16a eerste lid van de Regelen verzekeringsovereenkomsten PSW deze regeling tevens van toepassing is op waardeoverdracht van bij een verzekeraar ondergebrachte pensioenaanspraken De bevoegdheid van de Verzekeringskamer VK om op grond van artikel 29 van de PSW ontheffing te verlenen voor waardeoverdracht naar een in het buitenland gevestigde instelling die niet in de bijlage bij deze regeling is genoemd blijft overigens gehandhaafd Bij het opstellen van de in de bijlage opgenomen lijst van instellingen is voor zover deze instellingen een pensioenregeling kennen zo veel mogelijk aangesloten bij de lijst van volkenrechtelijke organisaties genoemd in de op grond van artikel 3 eerste lid onderdeel d van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 gebaseerde regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Staatssecretaris van Welzijn Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 juni 1989 Stcrt 121 Op grond van het genoemde artikelonderdeel zijn niet in Nederland woonachtige Nederlandse ambtenaren niet verzekerd voor de volksverzekeringen indien zij werkzaam zijn bij een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen volkenrechtelijke organisaties indien op hen een volwaardige regeling inzake sociale zekerheid van die organisatie van toepassing is Met de in deze regeling opgenomen aanwijzing wordt beoogd belanghebbenden die in dienst treden bij een van de genoemde internationale organisaties tevens in de gelegenheid te stellen hun in Nederland opgebouwde pensioenrechten onder te brengen bij de betreffende organisatie c q het aan die organisatie verbonden pensioenfonds Bijlage 1 het Europees Centrum voor Kernonderzoek CERN bedoeld in het op 1 juli 1953 te Parijs tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van een Europese Organisatie voor Kernonderzoek 2 het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn bedoeld in het te Brussel op 11 oktober 1973 tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn 3 het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie bedoeld in het op 10 mei 1973 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst tot oprichting van het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie 4 het Europees Observatorium voor de Zuidelijke Sterrenhemel bedoeld in het op 5 oktober 1962 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond 5 het Europees Ruimtevaart Agentschap ESA bedoeld in het op 30 mei 1975 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte Agentschap 6 de Europese Centrale Bank bedoeld in artikel 4 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20SZW%20Overdracht%20pensioenkapitaal%20naar%20internationale%20organisaties%20210499.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive



  •