archive-nl.com » NL » B » BELASTINGDIENSTPENSIOENSITE.NL

Total: 492

Choose link from "Titles, links and description words view":

Or switch to "Titles and links view".
  • Brief van 12 juni 1996, WDB96/184M
    worden bereikt aan te merken als de feitelijke pensioenrichtleeftijd Opbouw van een TOP is daarmee mogelijk De opbouw per jaar mag uiteraard voor het ouderdomspensioen niet boven 2 uitkomen en voor het TOP vanwege de mogelijkheid van versnelde opbouw niet boven 8 5 Diensttijd in relatie met uitzending naar het buitenland Bij uitzending van werknemers naar het buitenland wordt er soms voor gekozen de pensioenregeling in stand te laten op basis van een schaduwsalaris met doorberekening aan de werkmaatschappij waar de werknemer werkzaam is en zonder dat de premie ten laste van de Nederlandse fiscus komt Het ontmoet geen bezwaar voor de binnenlandse belastingplichtige in dat geval deze periode in het buitenland als diensttijd aan te merken Aanvullend nabestaandenpensioen Wat betreft het ambitieniveau van het aanvullend nabestaandenpensioen hebben wij onze opvatting neergelegd in de brief van 16 januari Wij hebben het advies van de Werkgroep overgenomen dat de huidige ruimte voor het nabestaandenpensioen niet substantieel behoeft te worden verhoogd Dat houdt in dat het nabestaandenpensioen niet meer beloopt dan 50 van het eindloon dat wil zeggen 50 van het door de gewezen werknemer binnen het vastgestelde loopbaanperspectief te bereiken pensioengevend loon ter zake van de functie die door hem werd uitgeoefend Daarbij speelt met name een rol dat zou dat niet zo worden geregeld door de mogelijkheid van ruil van nabestaandenpensioen in ouderdomspensioen pensioenen meer boven 100 van het eindloon uit zouden kunnen gaan dan thans het geval is AOW inbouw bij nabestaandenpensioen AOW inbouw in het nabestaandenpensioen is niet uitsluitend vereist vanaf 65 jaar Thans wordt de AOW ook vóór 65 jaar ingebouwd omdat dit overeenkomt met een uitkering op basis van de AWW Wij staan voor het aanvullende levenslange nabestaandenpensioen geen verruiming voor Wel zal zoals aangegeven in de bijlage bij de brief van 16 januari de mogelijkheid worden geboden het zogenoemde ANW gat fiscaal te dichten Afzonderlijke regeling voor de directeur grootaandeelhouder De Stichting van de Arbeid heeft gevraagd of het instellen van een apart regime voor de directeur grootaandeelhouder behulpzaam kan wezen om voor collectieve regelingen meer flexibiliteit te bieden Inmiddels is duidelijk geworden dat een aparte regeling voor deze groep in de loonbelasting aanbeveling verdient Daarnaast zal ook een regeling in de vennootschapsbelasting nodig blijven om te voorkomen dat backservice mogelijk zou worden voor nieuwe elementen van het pensioengevend salaris Naast de elementen die in het advies van de Stichting van de Arbeid zijn terug te vinden is nog een aantal andere onderwerpen aan de orde gesteld Maximaal of gemiddeld 2 Gevraagd is de vaste pensioenopbouw van 2 per jaar los te laten en toe te staan dat gedurende de looptijd van de regeling gemiddeld 2 per jaar wordt opgebouwd Wij menen dat het mogelijk is de gewenste flexibiliteit op dit punt op andere wijze tot stand te brengen Hier zal de voorziene koppeling met het lijfrenteregime de nodige extra ruimte kunnen bieden In de voorgelegde concrete situaties lijkt deze ruimte voldoende te zijn Nader overleg zal worden gevoerd om te bezien of dat inderdaad

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Brief%20120696%20WDB96-184M.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive


  • Besluit Vragen en antwoorden inzake de Wet IB 2001 en de Invoeringswet Wet IB 2001 (het nieuwe belastingstelsel)25 augustus 2000
    dan worden afgerekend over de stille reserves Antwoord Nee er behoeft niet afgerekend te worden over stille reserves bij de overgang van resultaat uit een werkzaamheid naar winst uit onderneming Dit is geregeld in artikel 3 99 Deze bepaling voorziet in een geruisloze overgang en is automatisch van toepassing na de constatering dat de werkzaamheden uitgegroeid zijn tot een onderneming Afdeling 3 5 Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen Afdeling 3 6 Belastbare inkomsten uit eigen woning incl hypotheekrente en kapitaalverzekering eigen woning B 3 6 a Gevolgen van in het verleden aan de kinderen overgedragen bloot eigendom van de woning Vraag In 1990 hebben ouders de bloot eigendom van hun woning overgedragen aan hun kinderen De ouders wonen nog steeds in die woning De kinderen wonen elders Hoe verloopt de heffing bij de ouders en bij de kinderen na 1 januari 2001 Antwoord De eigenwoningregeling is alleen van toepassing indien men de eigendom heeft van de eigen woning Het recht van vruchtgebruik wordt niet als eigendom aangemerkt De eigenwoningregeling is voor de ouders dus niet van toepassing De blote eigenaren de kinderen hebben de woning niet als hoofdverblijf ter beschikking De eigenwoningregeling is ook voor hen niet van toepassing De inkomsten uit de woning worden zowel bij de ouders als bij de kinderen in box 3 belast De ouders worden in box 3 in de heffing betrokken over de waarde van het recht van vruchtgebruik en de kinderen over de waarde van het bloot eigendom Een eventuele hypotheek schuld komt hierdoor ook in box 3 terecht Ingeval een vruchtgebruik op een woning krachtens erfrecht wordt verkregen kan in afwijking hiervan de eigenwoningregeling voor de ouders wel van toepassing zijn Voorwaarde is daarbij wel dat de ouders die woning als hoofdverblijf gebruiken artikel 3 111 eerste lid onderdeel b De kinderen nemen in dat geval de waarde van het bloot eigendom in aanmerking in box 3 Voor de gevallen die op 1 januari 2001 al bestaan en waarin de eigenwoningregeling in het nieuwe belastingstelsel niet meer van toepassing is is geen overgangsrecht getroffen Gelet op het feit dat de beschreven situatie tijdens de parlementaire behandeling uitvoerig aan de orde is geweest is geen plaats voor de toepassing van de hardheidsclausule B 3 6 b Hypotheekrenteaftrek na echtscheiding indien ex echtgenoot in voormalige eigen woning blijft wonen positie woningverlater Vraag Een echtpaar dat in gemeenschap van goederen is gehuwd heeft een eigen woning Op 1 juli 2001 gaan zij duurzaam gescheiden leven en verlaat de man de woning Zij betalen ieder de helft van de hypotheekrente ook nadat ze duurzaam gescheiden zijn gaan leven De scheiding wordt op 1 september 2004 uitgesproken De woning en de hypotheekschuld worden per die datum toegedeeld aan de vrouw Kan de man de hypotheekrente die hij betaalt in aftrek brengen Antwoord Vanaf 1 juli 2001 is de woning voor de man geen eigen woning meer artikel 3 111 eerste lid Op grond van artikel 3 111 vierde lid Wet IB 2001 wordt de woning echter gedurende ten hoogste twee jaren na het tijdstip waarop de woning de man niet langer als eigen woning ter beschikking staat nog aangemerkt als eigen woning De 2 jaarstermijn is gaan lopen op 1 juli 2001 De rente die betrekking heeft op de periode tot 1 juli 2003 kan dus als eigenwoningrente in aftrek worden gebracht De man geeft over de periode tot 1 juli 2003 het eigenwoningforfait aan over zijn deel Dit deel kan hij vervolgens als onderhoudsverplichting aftrekken artikel 6 3 tweede lid Vanaf 1 juli 2003 wordt zowel het aandeel in de eigen woning als het aandeel van de hypotheekschuld van de man in aanmerking genomen in box 3 en is de rente dus niet meer aftrekbaar B 3 6 c Hypotheekrenteaftrek na echtscheiding indien ex echtgenoot in voormalige eigen woning blijft wonen positie bewoner Vraag Wat zijn in casus B 3 6 b de fiscale gevolgen voor de vrouw Antwoord In de periode vanaf 1 juli 2001 geeft de vrouw over haar onverdeelde helft het eigenwoningforfait aan en trekt de hypotheekrente van haar onverdeelde aandeel in de schuld af Per 1 september 2004 wordt de woning volledig aangemerkt als een eigen woning van de vrouw Zij kan de hypotheekrente voor haar gedeelte van de schuld maar ook voor de schuld van de man die in het kader van de scheiding aan haar is toebedeeld in aftrek brengen en dient het volledige eigenwoningforfait aan te geven In de periode vanaf 1 juli 2001 tot 1 september 2004 geeft zij op grond van artikel 3 101 tweede lid het deel van het eigenwoningforfait dat betrekking heeft op het aandeel van de echtgenoot als een ontvangen verstrekking aan B 3 6 d Tweejaarstermijn eigenwoningregeling na echtscheiding Vraag Gaat de termijn van twee jaren als bedoeld in artikel 3 111 vierde lid voor alle echtscheidingsgevallen op 1 januari 2001 lopen Antwoord Nee De termijn van twee jaren vangt aan op het tijdstip zoals is aangegeven in de wet namelijk op het tijdstip waarop de woning de belastingplichtige niet langer als hoofdverblijf ter beschikking staat Indien men bijvoorbeeld vanaf 1 augustus 2000 duurzaam gescheiden gaat leven vangt de termijn op dat moment aan en loopt de termijn af per 31 juli 2002 Er is voor deze situaties niet voorzien in overgangsrecht B 3 6 e Heffing over opbrengst verkoop woning indien bedrag wordt gestort op bank giro in afwachting van aankoop nieuwe woning Vraag Belastingplichtige verkoopt zijn eigen woning in oktober 2001 In afwachting van het vinden van nieuwe koopwoning huurt hij een woning Wordt de verkoopopbrengst van zijn eigen woning in 2001 en 2002 in de vermogensrendementsheffing van box 3 betrokken indien deze in december op zijn bank giro rekening is gestort in afwachting van de aankoop van een nieuwe woning in het begin van het volgende jaar Antwoord Ja De verkoopopbrengst van de eigen woning welke in afwachting voor de aanschaf van een andere woning tijdelijk per 1 januari op een bankrekening staat valt inderdaad in de vermogensrendementsheffing B 3 6 f Verhuur eigen woning tijdens vakantie Vraag De eigenwoningregeling geldt alleen voor de eigen woning die het hoofdverblijf is van de belastingplichtige of de personen die tot zijn huishouden behoren Wat is het gevolg van het verhuren van de eigen woning tijdens de vakantie Antwoord De eigenwoningregeling ziet in beginsel ook op verhuur tijdens een kort verblijf in het buitenland bijvoorbeeld wegens vakantie De eigen woning verliest hierdoor niet het karakter van hoofdverblijf Op grond van artikel 3 111 zesde lid Wet IB 2001 wordt de woning ook gedurende de tijdelijke terbeschikkingstelling aangemerkt als hoofdverblijf Bij tijdelijke verhuur blijft de eigenwoningregeling gelden In de periode van tijdelijke verhuur wordt de huuropbrengst voor ¾ belast als inkomsten uit eigen woning in box 1 Ter voorkoming van misverstand wordt opgemerkt dat het eigenwoningforfait over het ter beschikking gestelde deel in die periode niet geldt De hypotheekrente blijft aftrekbaar B 3 6 g Gevolg leegstand woning tijdens verblijf elders Vraag Wat is het gevolg bij leegstand van een woning tijdens een verblijf elders Antwoord Als de woning tijdens de afwezigheid leegstaat dient aan de hand van artikel 3 111 tweede en derde lid te worden beoordeeld of nog sprake is van een eigen woning Van een eigen woning kan dan gedurende maximaal twee jaar sprake zijn als de woning leegstaat in afwachting van verkoop of in afwachting van het opnieuw betrekken als hoofdverblijf B 3 6 h Langdurige onmogelijkheid de woning als hoofdverblijf te gebruiken woning in aanbouw Vraag De periode vanaf de aankoop in 2001 van een woning en het als eigen woning gebruiken van de woning duurt vier jaar 2005 omdat er zeer ingrijpend moet worden verbouwd Kan de hypotheekrente worden afgetrokken in de periode 2001 tot 2005 Antwoord De eigenwoningregeling geldt vanaf het tijdstip waarop de woning aan de belastingplichtige ter beschikking staat als hoofdverblijf Een uitzondering hierop is gemaakt in artikel 3 111 derde lid De belastingplichtige moet dan wel aannemelijk maken dat de woning hem in het kalenderjaar of in een van de twee volgende jaren als hoofdverblijf ter beschikking komt te staan In deze casus heeft de belastingplichtige in het eerste jaar 2001 geen hypotheekrenteaftrek omdat hij niet aannemelijk kan maken dat de woning hem in dat kalenderjaar of in een van de twee volgende jaren als hoofdverblijf ter beschikking komt te staan Gedurende die periode valt de woning in box 3 Eerst vanaf het jaar 2003 kan hij aannemelijk maken dat de woning hem als hoofdverblijf ter beschikking komt te staan binnen de hiervóór vermelde periode Vanaf dat moment geldt de eigenwoningregeling en kan de hypotheekrente dus worden afgetrokken Zolang hij niet in de woning woont is het eigenwoningforfait overigens nihil B 3 6 i Wijziging voornemen om woning als eigen woning te gaan gebruiken Vraag Twee partners kopen een huis in aanbouw in januari 2001 Ze willen gelet op de bouwplannen in januari 2002 in dit huis gaan wonen Tijdens de bouwfase loopt in augustus 2001 de relatie echter stuk Ze besluiten de woning in aanbouw te verkopen Hoe verloopt de toepassing van de eigenwoningregeling Antwoord Vanaf januari 2001 hebben de partners een eigen woning op grond van artikel 3 111 derde lid Ze hoeven tijdens de bouwperiode geen eigenwoningforfait aan te geven artikel 3 112 vierde lid Omdat ze in augustus 2001 besluiten de woning niet als eigen woning te gebruiken geldt vanaf dat tijdstip de eigenwoningregeling niet meer De woning in aanbouw en de hypotheekschuld verschuiven nu naar box 3 B 3 6 j Aftrekbare kosten eigen woning aangaan schulden in de zin van artikel 3 120 Wet IB 2001 Vraag Wat wordt verstaan onder aangegaan in artikel 3 120 eerste en vierde lid Wet IB 2001 Antwoord Onder aangegaan wordt niet alleen het aangaan van nieuwe verplichtingen verstaan maar bijvoorbeeld ook het verhogen van een bestaande schuld door extra opnames en het rood staan op een bank of girorekening B 3 6 k Rente over financiering van afsluitprovisies en boeterente Vraag Is de rente over de financiering van afsluitprovisie en boeterente aftrekbaar Antwoord Nee Gelet op artikel 3 120 eerste lid onderdeel a behoren deze rentekosten tot de niet aftrekbare rente als bedoeld in artikel 3 120 vierde lid onderdeel a De desbetreffende schuld komt in mindering op de rendementsgrondslag van box 3 B 3 6 l Grondrente en bouwrente Vraag Zijn grondrente en bouwrente aftrekbaar als eigenwoningrente Antwoord Grondrente en bouwrente die zijn berekend over de periode die ligt vóór de totstandkoming van de koop aanneemovereenkomst behoren tot de koopsom van de woning en zijn dus niet aftrekbaar Grondrente en bouwrente die betrekking heeft op de periode na het tijdstip van de totstandkoming van de koop aanneemovereenkomst komen wel voor aftrek in aanmerking indien het een woning betreft die uitsluitend bestemd is om in het kalenderjaar of binnen de daaropvolgende twee jaren als eigen woning te gaan dienen B 3 6 m Erfpacht of ondererfpacht woning en grond Vraag Een belastingplichtige koopt een woning in de vorm van een tijdelijk recht van erfpacht of ondererfpacht op een appartementsrecht De grond wordt ook in erfpacht uitgegeven Geldt de eigenwoningregeling dan Antwoord Een woning die de belastingplichtige toebehoort maar die is gebouwd op grond die in erfpacht is uitgegeven valt onder de eigenwoningregeling Een woning die krachtens een recht van opstal het eigendom van de belastingplichtige is komt eveneens in aanmerking voor de eigenwoningregeling Wanneer niet op de grond maar op het pand een recht van erfpacht is gevestigd is er in wezen sprake van een gehuurde woning In dat geval kan de eigenwoningregeling niet toegepast worden Indien materieel sprake is van een opstalrecht kan in bepaalde gevallen de eigenwoningregeling overigens toch gelden Dit is het geval indien voor het recht van opstal geen erfpachtcanon wordt betaald omdat de erfpachtcanon eeuwigdurend is afgekocht De eigenwoningregeling geldt dan mits wordt voldaan aan de overige vereisten Zo dient de waardeverandering van de woning de erfpachter grotendeels aan te gaan B 3 6 n Schuld aangegaan voor woning die aanvankelijk geen eigen woning is rente aftrek vanaf moment van wijziging kwalificatie woning Vraag Kan een schuld die wordt aangegaan ter verwerving van een woning die op dat moment niet kwalificeert als eigen woning bijvoorbeeld omdat het een tweede woning is op het moment dat de woning alsnog als eigen woning kwalificeert worden aangemerkt als een schuld aangegaan ter verwerving van de eigen woning Antwoord Het fiscale karakter van de geldlening is afhankelijk van het fiscale karakter van de woning In het gegeven voorbeeld valt de woning aanvankelijk in box 3 en de schuld dus ook Op het moment dat de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf en dus als een eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 wordt gebruikt verandert het karakter van de schuld en wordt deze alsnog aangemerkt als een schuld ter verwerving van de eigen woning De rente kan vanaf dat moment als eigenwoningrente in aftrek komen in box 1 B 3 6 o Leningen tussen ouders en kinderen ter zake van eigen woning kinderen Vraag Hoe vindt belastingheffing plaats als de ouders geld lenen aan hun kind in verband met de aankoop van een eigen woning Antwoord De vordering van de ouders behoort bij hen tot de grondslag van box 3 Het kind kan de betaalde rente op de geldlening aftrekken als rente eigen woning en dient het eigenwoningforfait aan te geven Als de ouders echter een gemeenschappelijke huishouding voeren met het kind is de rente voor het kind niet aftrekbaar artikel 3 120 negende lid De schuld van het kind behoort dan tot de grondslag van box 3 Het eigenwoningforfait blijft voor het kind van toepassing B 3 6 p Beleggingshypotheek Vraag Wat is de fiscale behandeling van een zogenoemde beleggingshypotheek op een eigen woning Antwoord Er zijn twee verschillende hypotheekvormen die als beleggingshypotheek worden aangeduid De vorm waarbij met de hypothecaire lening aandelen worden gekocht die te zijner tijd gebruikt worden om de hypotheekschuld af te lossen heeft de volgende fiscale gevolgen De rente op het gedeelte van de hypotheekschuld dat is aangewend voor de aankoop van de eigen woning is aftrekbaar in box 1 Het gedeelte van de hypotheekschuld dat gebruikt is voor de aankoop van de aandelen komt in mindering op de grondslag van box 3 De waarde van de aandelen zelf behoort eveneens tot de grondslag van box 3 De vorm waarbij met het oog op de aflossing van de lening een kapitaalverzekering wordt afgesloten waarbij de ingelegde premies in aandelen worden belegd heeft andere fiscale gevolgen In dat geval is de rente op de hypotheekschuld die is aangegaan voor de aankoop van de eigen woning aftrekbaar Daarnaast wordt de kapitaalverzekering afhankelijk van de omstandigheden aangemerkt als een kapitaalverzekering eigen woning die in box 1 valt of als een kapitaalverzekering die in box 3 valt B 3 6 q Kapitaalverzekering eigen woning eisen aan de polis Vraag Aan welke minimumeisen moet de polisredactie van een kapitaalverzekering voldoen om te kunnen worden aangemerkt als een kapitaalverzekering eigen woning Antwoord De formele eisen voor de polisredactie voor de kapitaalverzekering eigen woning zijn opgenomen in artikel 3 116 tweede lid Wet IB 2001 Aan alle aldaar opgenomen voorwaarden dient te zijn voldaan Op enkele eisen wordt in de vragen hierna ingegaan B 3 6 r Kapitaalverzekering eigen woning eis van het aanwenden van de uitkering voor het aflossen van schulden eigen woning Vraag Op welke wijzen kan worden voldaan aan de formele eis van artikel 3 116 tweede lid onderdeel a Wet IB 2001 dat de begunstigde de uitkering zal aanwenden ter aflossing van schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning Antwoord In de eerste plaats kan uiteraard aan deze eis worden voldaan door de wettelijke zinsnede met zoveel woorden in de polis op te nemen Aan deze eis wordt ook voldaan indien er een opdracht tot betaling van de kapitaalsuitkering aan de crediteur van de schuld ter zake van de eigen woning in de polis of een aanhangsel daarvan is opgenomen Hierbij geldt overigens als voorwaarde dat op zowel de uitkering bij leven als de uitkering ten gevolge van overlijden ten minste één van beide situaties opnemen wettelijke zinsnede of betalingsopdracht van toepassing is op grond van de aanhangsels van de polis B 3 6 s Kapitaalverzekering eigen woning eis van de eenmalige kapitaalsuitkering bij leven of overlijden Vraag In artikel 3 116 tweede lid onderdeel c Wet IB 2001 is bepaald dat in de polis tot uitdrukking moet zijn gebracht dat er recht bestaat op een eenmalige uitkering bij leven of ten gevolge van overlijden Betekent deze eis dat het niet mogelijk is op één polis zowel één uitkering na ten minste 15 jaar premiebetaling gelet op de lage vrijstelling van artikel 3 118 eerste lid laatste volzin Wet IB 2001 te verzekeren als één uitkering na ten minste 20 jaar premiebetaling Antwoord De systematiek van de kapitaalverzekering eigen woning houdt onder meer in dat de verzekering slechts eenmalig en in zijn geheel tot uitkering dient te komen Bij een gedeeltelijke uitkering wordt de verzekering immers geacht fictief in zijn geheel tot uitkering te zijn gekomen Dit uitgangspunt geldt niet voor gemengde verzekeringen waarbij een uitkering bij leven én een uitkering bij overlijden is verzekerd Het ontmoet bij mij geen bezwaar dat dit uitgangspunt ook niet geldt voor polissen waarbij een uitkering bij in leven zijn na tenminste 15 jaren en een uitkering bij in leven zijn na tenminste 20 jaren eventueel aangevuld met een uitkering bij vooroverlijden van hetzelfde verzekerde lijf is verzekerd B 3 6 t Kapitaalverzekering eigen woning eis van de professionele verzekeraar Vraag Moet in de polis zijn bepaald dat de premies zijn verschuldigd aan een professionele verzekeraar Antwoord Neen Met de in artikel 3 116 tweede lid onderdeel d Wet IB 2001 opgenomen voorwaarde wordt bedoeld dat de overeenkomst moet zijn afgesloten bij een professionele verzekeraar De premies moeten dus wel verschuldigd zijn aan een professionele verzekeraar maar dit hoeft niet uitdrukkelijk in de afgegeven polis te zijn bepaald B 3 6 u Kapitaalverzekering eigen woning eis van de in de overeenkomst genoemde woning Vraag In artikel 3 116 tweede lid onderdeel e Wet IB 2001 is als eis opgenomen dat de in de overeenkomst genoemde woning een eigen woning is Op welke wijze dient deze zinsnede tot uitdrukking te komen in de polis Antwoord Het begrip eigen woning heeft betrekking op de eigen woning als bedoeld in artikel 3 111 dit is de duurzaam tot hoofdverblijf dienende woning Die woning dient derhalve in de polis te worden vermeld Daarbij kan worden volstaan met de adresgegevens of bij gebreke daarvan de kadastrale gegevens Bij wijziging van de eigen woning is het noodzakelijk de desbetreffende gegevens op de polis te wijzigen B 3 6 v Kapitaalverzekering eigen woning dient de eigen woning te zijn gefinancierd met geleend geld Vraag Is op grond van artikel 3 116 Wet IB 2001 vereist dat ten tijde van het sluiten van de kapitaalverzekering eigen woning een schuld bestaat die in de toekomst zal worden afgelost met de kapitaalsuitkering uit de verzekering Antwoord Op zichzelf is niet vereist dat de eigen woning is gefinancierd door middel van een hypothecaire geldlening Uiteraard is het wel van belang dat voor een vrijstelling van de kapitaalsuitkering eigen woning het noodzakelijk is dat op het tijdstip van de uitkering een schuld bestaat die als schuld ter verwerving van de eigen woning kan worden aangemerkt schulden ter zake van onderhoud en verbetering van de eigen woning daaronder begrepen Dit vanwege het feit dat de vrijstelling nooit hoger kan zijn dan het nog niet afgeloste bedrag van de hypothecaire lening ten tijde van de uitkering Afdeling 3 7 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen B 3 7 a Premies voor lijfrenten ter compensatie pensioentekort Opnemen in de polis Vraag In artikel 3 124 onderdeel a Wet IB 2001 is bepaald dat als uitgaven voor inkomensvoorzieningen worden aangemerkt premies voor lijfrenten die dienen ter compensatie voor een pensioentekort Is het noodzakelijk die zinsnede op te nemen in de polis om voor premie aftrek in aanmerking te komen Vergelijk in dit verband het in de polis op te nemen afkoopverbod en dergelijke Antwoord In de polis behoeft niet te worden opgenomen dat de premies zijn betaald voor lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort Of sprake is van dergelijke lijfrenten wordt uitsluitend getoetst aan de lijfrentevormen die zijn genoemd in artikel 3 125 Wet IB 2001 B 3 7 b Basisruimte niet overdraagbaar Vraag Is de niet gebruikte basisruimte van artikel 3 127 eerste lid Wet IB 2001 overdraagbaar tussen partners Antwoord Anders dan onder de Wet IB 1964 is het onder de Wet IB 2001 niet mogelijk om de niet gebruikte basisruimte voor lijfrentepremieaftrek over te dragen aan de partner B 3 7 c Samenloop basisruimte en jaarruimte Vraag Hoe verhoudt zich de lijfrentepremieaftrek in verband met een pensioentekort in het kalenderjaar jaarruimte tot de basisruimte van 1000 per persoon Antwoord De basisruimte regelt dat lijfrentepremies tot een bedrag van 1000 in ieder geval zijn aan te merken als lijfrentepremies in verband met een pensioentekort in het kalenderjaar De ruimte voor aftrek van premies voor lijfrenten bedraagt maximaal het bedrag van de lijfrentepremies in verband met het pensioentekort in het kalenderjaar jaarruimte Beide bedragen worden dus niet bij elkaar opgeteld B 3 7 d Samenloop basisruimte en reserveringsruimte Vraag Hoe verhoudt zich de lijfrentepremieaftrek in verband met een pensioentekort in voorgaande jaren reserveringsruimte tot de basisruimte van 1000 per persoon Antwoord De aftrek van lijfrentepremies in verband met een pensioentekort in voorgaande jaren reserveringsruimte wordt niet beïnvloed door de in hetzelfde jaar benutte basisruimte Aftrek van lijfrentepremies op basis van de reserveringsruimte en aftrek van lijfrentepremies op basis van de basisruimte kunnen dus cumuleren Wel dient bij de bepaling van de jaarruimte van de zeven voorafgaande jaren de basisruimte van die jaren in mindering gebracht te worden voor zover deze in die jaren is benut Afdeling 3 8 Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen B 3 8 a Gevolgen verbetering pensioenvoorziening door werkgever Vraag Moeten op grond van artikel 3 133 tweede lid onderdeel k van de Wet IB 2001 negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen als een werkgever collectief een pensioenvoorziening verbetert Antwoord Tijdens de parlementaire behandeling is uitdrukkelijk aangegeven dat artikel 3 133 tweede lid onderdeel k van de Wet IB 2001 louter is bedoeld om oneigenlijk gebruik van de fiscaal begeleide oudedagsvoorzieningen en dergelijke te voorkomen Daarvan is in het geval van een pensioenverbetering in de collectieve sfeer er vanuit gaande dat dit een reële situatie betreft geen sprake Afdeling 3 9 Negatieve persoonsgebonden aftrek Afdeling 3 10 Uitgaven voor kinderopvang Afdeling 3 11 Waardering niet in geld genoten inkomen B 3 11 a Andere auto in de loop van het jaar Vraag Hoe wordt voor een auto van de zaak de bijtelling van artikel 3 145 en artikel 3 20 Wet IB 2001 berekend als de werknemer respectievelijk de ondernemer in de loop van het jaar een andere auto van de zaak krijgt Antwoord Voor het antwoord op de vraag hoeveel privé kilometers per jaar worden gereden moet het totaal aantal privé kilometers van beide auto s bij elkaar worden geteld Als dan de kilometerklasse bekend is 0 tot 500 500 tot 4 000 4 000 tot 7 000 meer dan 7 000 kan de bijtelling via het bijbehorende percentage van de catalogusprijs voor iedere auto apart naar tijdgelang worden berekend B 3 11 b Bewijs dat auto niet voor privé doeleinden is gebruikt Vraag Hoe kan een belastingplichtige die in een auto van de zaak rijdt bewerkstelligen dat hij geen bijtelling voor privé gebruik krijgt Antwoord De Wet IB 2001 gaat er van uit dat de auto van de zaak ook voor privé doeleinden wordt gebruikt Om de bijtelling te voorkomen dient de belastingplichtige zelf het bewijs te leveren waarmee hij overtuigend aantoont dat de auto voor minder dan 500 kilometer voor privé doeleinden is gebruikt Het staat hem in beginsel vrij om de vorm van het bewijs te kiezen maar het bewijs dient wel overtuigend en sluitend te zijn Zo is het bijvoorbeeld mogelijk een adequate en sluitende kilometeradministratie bij te houden waaruit een privé gebruik blijkt van minder dan 500 kilometer Een verklaring van de werkgever is als enig bewijs in ieder geval onvoldoende Afdeling 3 12 Tijdstip genieten en aftrek Afdeling 3 13 Verliesverrekening Afdeling 3 14 Middeling Hoofdstuk 4 Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang Afdeling 4 1 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang Afdeling 4 2 Gelijkstellingen Afdeling 4 3 Aanmerkelijk belang Afdeling 4 4 Inkomen uit aanmerkelijk belang Afdeling 4 5 Reguliere voordelen Afdeling 4 6 Vervreemdingsvoordelen Afdeling 4 7 Vaststellen verkrijgingsprijs Afdeling 4 8 Doorschuifregelingen Afdeling 4 9 Genietingstijdstip Afdeling 4 10 Verliesverrekening Hoofdstuk 5 Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen Afdeling 5 1 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen B 5 1 a Roerende zaken in eigen gebruik Vraag Op welke wijze wordt bepaald of een roerende zaak in eigen gebruik is Antwoord Of een roerende zaak al of niet in eigen gebruik is is afhankelijk van de wijze waarop de belastingplichtige de desbetreffende zaken aanwendt Dit dient beoordeeld te worden op de peildata van box 3 aan de hand van het beoogde feitelijke gebruik Voor de vaststelling van dit gebruik is een belangrijke aanwijzing op welke wijze in de periode voorafgaand aan de peildata en of daarna de roerende zaak wordt aangewend B 5 1 b Beperking schulden in de grondslag per schuld of per belastingplichtige Vraag Schulden worden in aanmerking genomen voorzover de gezamenlijke waarde daarvan meer bedraagt dan 2 500 f 5 509 Geldt dit bedrag per schuldvordering of voor het totaal van de schulden van de belastingplichtige Antwoord Dit bedrag geldt voor het totaal van de schulden van de belastingplichtige dat in box 3 in aanmerking wordt genomen Als een belastingplichtige bijvoorbeeld 3 schulden heeft van elk 5 000 wordt van het totaal van de schulden van 15 000 een bedrag van 12 500 in aanmerking genomen B 5 1 c Overdracht heffingvrij vermogen Vraag Kan het heffingvrij vermogen tussen partners worden overgedragen Antwoord Het heffingvrije vermogen bestaat uit een standaardbedrag Dit bedrag kan indien wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden worden verhoogd in verband met minderjarige kinderen en met een ouderentoeslag Elke afzonderlijke component van het heffingvrije vermogen kan men op gezamenlijk verzoek overdragen aan de partner Van belang daarbij is nog wel dat de verhoging van het heffingvrije vermogen met 2 269 f 5 000 per minderjarig kind slechts bij één van beide partners kan worden toegepast B 5 1 d Verhuur woning ouders aan kinderen Vraag Hoe vindt de belastingheffing plaats in de situatie dat ouders een woning verhuren aan hun kind voor een zakelijke huurprijs die wekelijks twee maandelijks per kwartaal of per half jaar wordt voldaan Antwoord De ouders dienen in deze situatie voor de rendementsgrondslag een bedrag aan te geven dat overeenkomt met de waarde van de woning in verhuurde staat De kinderen hoeven niets aan te geven artikel 5 19 vierde lid Wet IB 2001 Afdeling 5 2 Vrijstellingen B 5 2 a Spaarloonsaldo en saldo premiespaarregeling Vraag Valt het saldo op een spaarloonrekening en of het saldo van een premiespaarloonrekening in de grondslag van box 3 Antwoord In de Wet IB 1964 is een vrijstelling opgenomen voor de renteinkomsten uit spaarloon en premiespaargelden In de Wet IB 2001 zijn de inkomsten uit dergelijke gelden op een andere wijze vrijgesteld De vrijstelling is vormgegeven door de geblokkeerde spaartegoeden tot een gezamenlijk bedrag van maximaal 17 025 f 37 518 niet tot de grondslag van box 3 te rekenen Afdeling 5 3 Maatschappelijk beleggen Afdeling 5 4 Waardering Hoofdstuk 6 Persoonsgebonden aftrek Afdeling 6 1 Persoonsgebonden aftrek Afdeling 6 2 Onderhoudsverplichtingen Afdeling 6 3 Verliezen op geldleningen aan beginnende ondernemers Afdeling 6 4 Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen Afdeling 6 5 Buitengewone uitgaven B 6 5 a Ondersteuning verwanten van 27 jaar en ouder Vraag Een belastingplichtige heeft al jaren een aftrekpost buitengewone lasten levensonderhoud omdat hij zijn behoeftige ouders ondersteunt met aanzienlijke bedragen Zijn deze uitgaven vanaf 2001 nog aftrekbaar Antwoord Vanaf 2001 zijn de uitgaven voor ondersteuning van verwanten nog slechts onder bepaalde voorwaarden aftrekbaar voor ondersteuning aan kinderen jonger dan 27 jaar Voor ondersteuning door kinderen aan ouders is in de Wet IB 2001 geen aftrekmogelijkheid opgenomen B 6 5 b Betaling premie ziektekostenverzekering voor verwanten Vraag Een belastingplichtige betaalt al jaren de premie van de ziektekostenverzekering van zijn behoeftige broer en diens gezin en trekt die kosten af als buitengewone lasten levensonderhoud Vanaf 2001 kan dat niet meer Kan hij deze kosten dan bij zijn eigen ziektekosten tellen en op die manier aftrekken als buitengewone uitgaven Antwoord Onder het systeem van de Wet IB 1964 was dit wel mogelijk en kon in een dergelijk geval worden gekozen óf aftrek als levensonderhoud óf aftrek als ziektekosten Vanaf 2001 is de mogelijkheid van aftrek voor kosten levensonderhoud voor dergelijke gevallen komen te vervallen Daarnaast is voor de ziektekosten de kring van verwanten beperkt Alleen uitgaven voor ziektekosten van de belastingplichtige zijn partner en zijn kinderen jonger dan 27 jaar kunnen in aanmerking komen voor aftrek De voor de broer betaalde premies zijn dus ook niet als ziektekosten aftrekbaar B 6 5 c Kosten begrafenis verwanten Vraag Belastingplichtige heeft de kosten betaald van de begrafenis van zijn vader Kan de belastingplichtige als enig erfgenaam die kosten aftrekken als buitengewone uitgaven Antwoord Vanaf 2001 is de aftrek van begrafeniskosten van kinderen van 27 jaar en ouder en van overige verwanten niet meer mogelijk Alleen uitgaven in verband met het overlijden van de belastingplichtige zijn partner en zijn kinderen jonger dan 27 jaar komen met ingang van 2001 in aanmerking voor aftrek In de situatie dat de belastingplichtige en diens vader hebben gekozen voor het partnerschap kunnen de kosten dus wel in aftrek worden gebracht De keuze voor het partnerschap is uiteraard slechts mogelijk indien is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 1 2 Afdeling 6 6 Weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen B 6 6 a Aftrek voor extra uitgaven in verband met verzorging van gehandicapte kinderen Vraag Blijft er een aftrekmogelijkheid bestaan voor de kosten van weekendbezoek van gehandicapte kinderen Antwoord In het nieuwe stelsel blijft er een mogelijkheid bestaan om de kosten van weekendbezoeken van gehandicapte kinderen van 27 jaar of ouder in aftrek te brengen Het moet dan gaan om kinderen die verpleegd worden ingevolge de AWBZ of een daarop berustende regeling in intramurale instellingen Voor de extra kosten van het verblijf thuis mag een vast bedrag per dag in aftrek worden gebracht volgens de onder de Wet IB 1964 geldende regeling f 18 De dagen waarop het kind wordt gehaald en gebracht tellen mee als dagen waarop het kind thuis verblijft Voor de kosten van het halen en brengen van de kinderen per auto geldt een vast bedrag per kilometer volgens de onder de Wet IB 1964 geldende regeling f 0 35 In tegenstelling tot de regeling van de Wet IB 1964 zijn de kosten als zelfstandige kostenpost aftrekbaar Er geldt geen drempel voor de aftrek van de kosten In de regeling van de Wet IB 1964 vielen de kosten voor het weekendbezoek van gehandicapte kinderen onder de regeling voor de aftrek van kosten voor levensonderhoud van overige verwanten Voor die kosten gold een drempel van maximaal f 800 Afdeling 6 7 Scholingsuitgaven B 6 7 a Aftrekbaarheid scholingsuitgaven Vraag Zijn de uitgaven voor een studie of opleiding met ingang van 2001 nog aftrekbaar Antwoord Vanaf 2001 zijn de uitgaven voor een studie of opleiding aftrekbaar als sprake is van scholingsuitgaven Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor een studie of opleiding die wordt gevolgd met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning Bepaalde uitgaven komen niet in aanmerking voor aftrek Onder de aftrekbare scholingsuitgaven vallen bijvoorbeeld niet de kosten van een studeerruimte en de reiskosten in verband met de studie Voor de aftrek van scholingsuitgaven geldt een vaste drempel van 500 f 1102 per persoon Daarnaast geldt een maximum voor de aftrek van scholingsuitgaven B 6 7 b Aftrekbaarheid scholingsuitgaven toepassing drempel Vraag Belastingplichtige betaalt een gedeelte van het inschrijfgeld van de opleiding van zijn partner Daarnaast betaalt hij het collegegeld voor zijn eigen studie Zijn de uitgaven aftrekbaar Antwoord Als in beide gevallen sprake is van een studie of opleiding die wordt gevolgd met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning geldt het volgende De uitgaven die belastingplichtige doet voor de opleiding van zijn partner worden aangemerkt als scholingsuitgaven van de partner zelf De uitgaven die belastingplichtige doet voor zijn eigen opleiding zijn voor hem aan te merken als scholingsuitgaven Op zowel de scholingsuitgaven van belastingplichtige als die van zijn partner moet vervolgens de drempel in mindering worden gebracht De drempel moet dus twee maal worden toegepast Indien de belastingplichtige en zijn partner het gehele kalenderjaar partner zijn geweest kunnen de aldus voor beiden berekende aftrekbare scholingsuitgaven worden samengeteld Dit totaalbedrag kan naar keuze over de partners worden verdeeld Afdeling 6 8 Uitgaven voor monumentenpanden Afdeling 6 9 Aftrekbare giften Afdeling 6 10 Tijdstip aftrek Hoofdstuk 7 Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen Afdeling 7 1 Nederlands inkomen B 7 1 a Heffingskorting keuzerecht België Suriname Aruba Nederlandse Antillen Vraag Heeft een inwoner van België die buitenlands belastingplichtige is en geen gebruik maakt van de keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen recht op de heffingskorting in de inkomstenbelasting Antwoord Ja inwoners van België Suriname Aruba en de Nederlandse Antillen hebben op basis van de non discriminatiebepaling in het belastingverdrag respectievelijk de Belastingregeling voor het koninkrijk recht op de heffingskorting voor de inkomstenbelasting B 7 1 b Keuzerecht en aftrekposten Vraag Heeft een buitenlandse belastingplichtige die geen gebruik maakt van de keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen geen enkel recht op aftrekposten Antwoord Een buitenlandse belastingplichtige heeft ook als hij geen gebruik maakt van de keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen recht op aftrek van de uitgaven voor inkomensvoorzieningen bijvoorbeeld lijfrenten en van de uitgaven voor kinderopvang B 7 1 c Keuzerecht en 90 regeling Vraag Kan iedere buitenlandse belastingplichtige die voor 1 januari 2001 gebruik maakte van de 90 regeling Besluit van 14 april 2000 nr DB2000 00288M Infobulletin 2000 332 gebruik maken van het keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen Antwoord Van het keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen kan alleen gebruik worden gemaakt als de belastingplichtige als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een bij ministeriële regeling aangewezen andere mogendheid waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen in de belastingheffing van die lidstaat of mogendheid wordt betrokken Deze eis geldt niet als een belastingplichtige een deel van het kalenderjaar binnenlands belastingplichtig is Afdeling 7 2 Belastbaar inkomen uit werk en woning Afdeling 7 3 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang Afdeling 7 4 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen Hoofdstuk 8 Heffingskorting Afdeling 8 1 Aansluiting belasting en premieheffing Afdeling 8 2 Elementen van de standaardheffingskorting B 8 2 a Aanvullende kinderkorting al of niet per kind Vraag Wordt de aanvullende kinderkorting per kind verleend Antwoord Nee het bedrag van de aanvullende kinderkorting geldt ongeacht het aantal kinderen De aanvullende kinderkorting geldt voor de partner met het hoogste verzamelinkomen maar kan op gezamenlijk verzoek aan de andere partner worden overgedragen Het bedrag van de combinatiekorting geldt eveneens ongeacht het aantal kinderen Voor deze korting kunnen beide partners in aanmerking komen mits ieder van hen aan de voorwaarden voldoet De verhoging van het heffingvrije vermogen voor de berekening van de grondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen in verband met het gezag over minderjarige kinderen geldt wel per kind Partners kunnen kiezen bij wie deze verhoging in aanmerking wordt genomen Hoofdstuk 9 Wijze van heffing B 9 a Verrekening dividendbelasting Vraag Is de ingehouden dividendbelasting volledig verrekenbaar Antwoord De ingehouden dividendbelasting is net als onder de Wet IB 1964 volledig als voorheffing verrekenbaar Daarbij is niet van belang of de inkomsten van die aandelen vallen in box 1 2 of 3 Indien de ingehouden dividendbelasting meer bedraagt dan de verschuldigde belasting kan het verschil worden teruggegeven

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Vragen%20en%20antwoorden%20Wet%20IB%202001%20250800.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • 28170 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID 071204
    niet als apart onderwerp opgenomen is in de routeplanner Overigens kan het onderwerp wel zijdelings aan de orde komen Over de motie Bussemaker e a 29 760 nr 45 zal uw Kamer een separate brief ontvangen De discussie zal niet alleen met de Tweede kamer worden gevoerd Ook de standpunten en adviezen van andere relevante actoren zullen worden betrokken zoals de sociale partners verenigd in de Stichting van de Arbeid en de SER de ouderenbonden en de regiegroep Grijswerkt Inhoud van de routeplanner A Adviesaanvraag aan de SER en de Stichting van de Arbeid In het voorjaar van 2005 zal adviesgevraagd worden aan de SER en aan relevante belangenorganisaties zoals de ouderenbonden over het wegnemen van belemmeringen voor het doorwerken na 65 jaar Tevens wordt in het voorjaar van 2005 aan de Stichting van de Arbeid de vraag voorgelegd welke acties zij heeft ondernomen dan wel zal ondernemen ten aanzien van de motie leeftijdsafhankelijke beloning en het doorlichten van CAO sen pensioenregelingen op bepalingen die betaald werken na het 65e jaar belemmeren B Project van het Expertisecentrum leeftijd en maatschappij In januari 2005 geeft het Expertisecentrum leeftijd en maatschappij LBL een boek uit over regelingen waarin de leeftijdsgrens van 65 jaar voorkomt Niet alleen op het gebied van de arbeid verandert er veel als men 65 jaar wordt Ook allerlei sociale verzekeringen kennen de leeftijdsgrens van 65 uitkeringen stoppen of beginnen op die leeftijd Het boek zoekt antwoord op de vraag naar de rechtvaardiging van de 65 jaargrenzen en relateert die grenzen aan het levensloopperspectief Nagegaan wordt wat het effect is van de 65 jaargrensop het uitoefenen en combineren van verschillende activiteiten zoals betaalde arbeid onderwijs zorgverlening en sociaal leven C Kabinetsstandpunt Wegnemen van belemmeringen voor doorwerken na 65 jaar In het najaar van 2005 komt het kabinet met een

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Wetsvoorstel%20Gelijke%20Behandeling%20Brief%20SOZAWE%20071204.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Vragen en antwoorden verzekeringen; inkomensvoorzieningen
    van verzekeraars Onderdeel B 36 is opgenomen in het Besluit van 8 december 2000 nr CPP2000 2846M inzake premies voor lijfrenten invalide kinderen De onderdelen B 38 en B 40 zijn opgenomen in het besluit van 8 december 2000 nr CPP2000 2848M inzake lijfrente uitkeringen en ANW Onderdeel B 59 wordt opgenomen in een separaat besluit inzake stamrechten en lijftrenten bedongen door een stakende ondernemer Verder zijn enkele onderdelen onder meer in verband met de wijzigingen in het nieuwe belastingstelsel niet meer opgenomen Dit betreft de volgende onderdelen B 5 B 6 B 7 B11 B 13 B 14 B 15 B 16 B 17 B 26 B 27 B 35 B39 B 41 tot en met B 50 B 52 B 54 B 55 B 60 B 61 B 62 B 65 t m B 68 B 72 B 76 Achter iedere vraag is tussen haakjes het oude onderdeelnummer aangegeven Inleiding In de besluitenserie Vragen en antwoorden Brede herwaardering is in de rubriek Lijfrenten regime Brede herwaardering een groot aantal beleidsstandpunten opgenomen die ook onder het regime van de Wet IB 2001 van belang blijven Deze standpunten zijn ten dele zie ook hetgeen hiervoor is opgemerkt opgenomen in dit besluit Er is voor gekozen om de vragen en antwoorden op het gebied van verzekeringen niet langer op te nemen in één groot besluit maar om per onderwerp een apart besluit uit te brengen 18 Ingangsdatum 1 juli terugwenteling premie Vraag Veel verzekeringsmaatschappijen kennen in hun administratief systeem alleen de mogelijkheid de ingangsdatum van een polis te stellen op de eerste dag van de maand Polissen die worden afgesloten in de maand juni kennen als ingangsdatum 1 juli In artikel 3 130 tweede lid van de Wet IB 2001 is evenwel bepaald dat premies voor lijfrenten als bedoeld in de

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Besluit%20Vragen%20en%20antwoorden%20verzekeringen;%20inkomensvoorzieningen%20291101%20%28vraag%2018%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive