archive-nl.com » NL » B » BELASTINGDIENSTPENSIOENSITE.NL

Total: 492

Choose link from "Titles, links and description words view":

Or switch to "Titles and links view".
  • URLB 2001 (tekst 2005, na Wet VPL)
    gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt met 50 c voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt met 30 Artikel 36 Voordeelurenkaart 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van het recht op vermindering tot maximaal 50 van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer hoofdzakelijk buiten de ochtendspits voordeelurenkaart indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon werkverkeer 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van het recht op vermindering tot maximaal 50 van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer hoofdzakelijk buiten de ochtendspits voordeelurenkaart indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon werkverkeer Artikel 37 Fiets voor woon werkverkeer 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf van een fiets voorzover de vergoeding meer bedraagt dan 68 00 en niet meer bedraagt dan 749 mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een fiets voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan 68 00 en niet hoger is dan 749 mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan 3 Tot de vrije verstrekkingen behoort de terbeschikkingstelling van een fiets met een catalogusprijs welke niet hoger is dan 749 inclusief omzetbelasting mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan 4 De voor de toepassing van het eerste tweede en derde lid geldende voorwaarden zijn a de werknemer maakt op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon werkverkeer gebruik van de fiets b in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren is ter zake van de aanschaf van een fiets geen vrije vergoeding betaald en c in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren is als vrije verstrekking geen fiets verstrekt dan wel ter beschikking gesteld 5 In afwijking in zoverre van het tweede lid behoort tot de vrije verstrekkingen de verstrekking van een fiets met een catalogusprijs welke niet hoger is dan 749 00 inclusief omzetbelasting die reeds vijf jaren voor woon werkverkeer aan de werknemer ter beschikking was gesteld mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon werkverkeer gebruik van de fiets blijft maken 6 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon werkverkeer voorzover de waarde van deze zaken in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen niet meer bedraagt dan 250 alsmede de vergoeding ter zake van een fietsverzekering mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon werkverkeer gebruik maakt van de fiets 7 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon werkverkeer voorzover de waarde van deze zaken in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen niet meer bedraagt dan 250 alsmede de verstrekking van een fietsverzekering mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon werkverkeer gebruik maakt van de fiets Artikel 38 Telefoonabonnement met meerdere aansluitingen of nummers 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een telefoonabonnement van de werknemer dat voorziet in meerdere aansluitingen of nummers en waarvan het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is voorzover de vergoeding meer bedraagt dan 20 32 per maand 4 750 per week 0 95 per dag 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een telefoonabonnement van de werknemer dat voorziet in meerdere aansluitingen of nummers en waarvan het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag Artikel 39 Telefoon 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een mede voor de dienstbetrekking gebruikte telefoon voorzover de kosten van de telefoon meer bedragen dan 22 69 per maand 5 22 per week 1 04 per dag 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een mede voor de dienstbetrekking gebruikte telefoon voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan de in het eerste lid genoemde bedragen 3 Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien de waarde in het economische verkeer van het gebruik van de telefoon anders dan ten behoeve van de dienstbetrekking meer bedraagt dan 454 op jaarbasis Artikel 40 Tweede of een volgende telefoon bij geheel of nagenoeg geheel zakelijk gebruik 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een tweede of een volgende telefoon van de werknemer die geheel of nagenoeg geheel ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking wordt gebruikt 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een tweede of een volgende telefoon van de werknemer die geheel of nagenoeg geheel ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking wordt gebruikt Artikel 41 Producten eigen bedrijf 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf bij de inhoudingsplichtige dan wel bij een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van branche eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap tot een bedrag van ten hoogste a 20 van de waarde in het economische verkeer van deze producten en b 475 per kalenderjaar 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van branche eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van ten hoogste a 20 van de waarde in het economische verkeer van deze producten en b een bedrag van 475 per kalenderjaar 3 De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden verhoogd met de voor de twee voorafgaande kalenderjaren geldende bedragen voorzover deze bedragen nog niet zijn benut De vorige volzin is niet van toepassing indien de dienstbetrekking in het desbetreffende kalenderjaar niet bestond 4 De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de dienstbetrekking is beëindigd door pensionering of arbeidsongeschiktheid 5 Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot geldleningen Artikel 42 Personeelsfeesten personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen in redelijkheid ter zake van personeelsreizen personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen waaraan de deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid voorzover de vergoedingen meer bedragen dan de laagste van de waarde in het economische verkeer van de voorzieningen en de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen deze kosten worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het overigens in dit hoofdstuk bepaalde 2 In afwijking in zoverre van het eerste lid behoren vergoedingen tot de vrije vergoedingen voorzover de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen een bedrag van 340 00 per kalenderjaar niet overtreffen Ingeval een personeelsvoorziening betrekking heeft op een jubileum van de inhoudingsplichtige wordt het bedrag van 340 00 verhoogd tot 454 00 3 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in redelijkheid van personeelsreizen personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen waaraan de deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid voorzover de waarde van de verstrekkingen hoger is dan de laagste van de waarde in het economische verkeer van de voorzieningen en de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen deze kosten worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het overigens in dit hoofdstuk bepaalde 4 In afwijking in zoverre van het derde lid behoren verstrekkingen tot de vrije verstrekkingen voorzover de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen een bedrag van 340 00 per kalenderjaar niet overtreffen Ingeval een personeelsvoorziening betrekking heeft op een jubileum van de inhoudingsplichtige wordt het bedrag van 340 00 verhoogd tot 454 00 Artikel 43 ARBO 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen die direct samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 tenzij de werknemer hierdoor een aanmerkelijke privé besparing geniet 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen die direct samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 tenzij de werknemer hierdoor een aanmerkelijke privé besparing geniet Artikel 44 Ongevallenverzekering 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van premies voor een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van een aanspraak op een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking Artikel 45 Outplacement 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van outplacement van de werknemer 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van outplacement van de werknemer Artikel 46 Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd 1 Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd behoren in ieder geval tot de vrije vergoedingen indien zij 2 75 per gewerkte week 0 55 per gewerkte dag als niet op vijf dagen per week wordt gewerkt niet te boven gaan 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien tijdens de werktijd consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd worden verstrekt Artikel 47 Vaste vergoedingen Vaste vergoedingen behoren niet tot het loon voorzover deze per kostencategorie naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd en daaraan voorts op verzoek van de inspecteur een steekproefsgewijs onderzoek van de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt Artikel 48 Buitenlandse regelingen inzake kinderopvang Vervallen per 01 01 2005 Artikel 49 Vrije vergoedingen kinderopvang Voor de toepassing van artikel 16c tweede of derde lid van de wet dient de inhoudingsplichtige een door de werknemer ondertekende gedagtekende verklaring in zijn loonadministratie te bewaren waarin is opgenomen a dat de werknemer geen partner heeft die van een inhoudingsplichtige een vergoeding ter zake van kosten van kinderopvang ontvangt of een verstrekking van kinderopvang geniet of dat hij een partner heeft die van een inhoudingsplichtige een vergoeding ter zake van kosten van kinderopvang ontvangt of een verstrekking van kinderopvang geniet welke minder bedraagt dan een zesde deel van de kosten of een zesde deel van de voor de waardering van de verstrekking in aanmerking genomen waarde van de kinderopvang b indien de partner van de werknemer van een inhoudingsplichtige een vergoeding ter zake van kinderopvang ontvangt de hoogte van de vergoeding c indien de partner van de werknemer van een inhoudingsplichtige een verstrekking van kinderopvang geniet de voor de waardering van de verstrekking in aanmerking genomen waarde van de kinderopvang en de waarde van de verstrekking d dat de werknemer zich verplicht terstond een nieuwe verklaring aan de inhoudingsplichtige te zullen overhandigen indien zich wijzigingen voordoen in de onder a b of c genoemde gegevens Artikel 50 Vrije verstrekkingen kinderopvang Vervallen per 01 01 2005 Artikel 51 Huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten voorzover de waarde in het economische verkeer van die verstrekking hoger is dan het bedrag aangegeven in de volgende tabel Huisvesting per maand per week per dag a aan boord van binnenschepen andere dan vissersschepen en baggermaterieel 1 voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont van een schip van meer dan 2000 ton van een schip van meer dan 500 doch niet meer dan 2000 ton van een ander schip of van baggermaterieel 129 00 96 75 64 50 30 00 22 50 15 00 6 00 4 50 3 00 2 voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft 52 00 12 00 2 40 b aan boord van zeeschepen andere dan vissersschepen en op boorplatforms 1 voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont 9 00 2 voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft voor een kapitein en voor een officier voor een andere werknemer 4 20 2 10 c aan boord van vissersschepen voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft 2 90 d in pakwagens van kermisexploitanten voor de werknemer die in een pakwagen woont en geen gezin heeft 52 00 12 00 2 40 e voor de werknemer die niet is aangeduid in de onderdelen a b c en d nihil nihil nihil Artikel 52 Bedragen bewassing energie en water begrepen in bedrag inwoning en huisvesting Voor de toepassing van artikel 35 en artikel 51 worden in het bedrag van inwoning dan wel in het bedrag van huisvesting geacht te zijn begrepen de bedragen van bewassing energie en water bedoeld in artikel 34 Artikel 53 Kost aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms 1 Tot de vrije verstrekkingen behoren in zoverre in afwijking van het bepaalde in artikel 32 verstrekkingen van kost aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms voorzover de waarde in het economische verkeer van de kost hoger is dan 4 45 per dag 2 Indien de in het eerste lid bedoelde verstrekkingen tevens betrekking hebben op gezinsleden van de werknemer wordt het in het eerste lid genoemde bedrag verhoogd a voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt met 80 b voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt met 50 c voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt met 30 Artikel 54 Therapeutisch meeëten Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van het in werktijd mee eten van werknemers in de geestelijke en lichamelijke gezondheids of welzijnszorg met de hen toevertrouwde patiënten pupillen of bewoners indien zij dit verplicht zijn op basis van de arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling op grond van opvoedkundige of therapeutische overwegingen of overwegingen van resocialiserende aard Artikel 55 Maaltijden in bedrijfskantines Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van maaltijden in bedrijfskantines of andere soortgelijke ruimten op de plaats waar de arbeid wordt verricht voorzover de waarde in het economische verkeer van die maaltijden hoger is dan 2 00 voor een ontbijt 2 00 voor een koffiemaaltijd en 3 85 voor een warme maaltijd Artikel 56 Kleding die blijft op de plaats waar de arbeid wordt verricht Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van tijdens de vervulling van de dienstbetrekking gedragen kleding die blijft op de plaats buiten de woning van de werknemer waar de arbeid wordt verricht Artikel 57 Ziektekostenregeling met een zeer lage waarde Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking in de vorm van een aanspraak ingevolge van een ziektekostenregeling met een waarde van ten hoogste 27 per jaar Artikel 58 Collectieve ziektekostenregeling waarvan de waardering hoger zou zijn dan de kosten van een individuele verzekering Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking in de vorm van een aanspraak ingevolge een collectieve ziektekostenregeling die overeenkomstig de door de ziektekostenverzekeraar in rekening gebrachte premie voor een deel wordt gedekt door een werknemersbijdrage die naar aard en omvang overeenkomt met de nominale premie ingevolge de Ziekenfondswet voorzover deze aanspraak wordt gedekt door andere stortingen dan de hiervoor bedoelde bijdrage en voorzover de op de voet van artikel 18 te bepalen waarde van deze aanspraak hoger is dan 2 676 per jaar Artikel 59 Rentevoordeel personeelsleningen 1 Tot de vrije verstrekkingen behoort het rentevoordeel ter zake van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening voorzover de rente die ter zake van de geldlening in het economische verkeer verschuldigd zou zijn hoger is dan 5 per jaar 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort in zoverre in afwijking van het eerste lid het rentevoordeel ter zake van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening voorzover de werknemer het geleende bedrag op een dusdanige wijze aanwendt dat een in de plaats van de lening voor de desbetreffende aanwending gekomen vergoeding of verstrekking hetzij geheel of nagenoeg geheel tot de vrije vergoedingen of vrije verstrekkingen zou hebben behoord hetzij op grond van artikel 11 eerste lid aanhef en onderdeel q van de wet of artikel XXIV onderdeel A van de Wet van 16 december 2004 Stb 653 Belastingplan 2005 niet tot het loon zou hebben behoord HOOFDSTUK 5 PENSIOENREGELINGEN hoofdstuk IIB van de wet Artikel 60 Splitsing pensioenregeling 1 Bij overschrijding van de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet opgenomen begrenzingen als bedoeld in artikel 18 derde lid van de wet kan de inhoudingsplichtige de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de begrenzingen verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen welk deel van de aanspraak binnen de begrenzingen blijft en welk deel de begrenzingen te boven gaat 2 Met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde beschikking administreert de inhoudingsplichtige bij de loonadministratie afzonderlijk jaarlijks welk deel van de aanspraak tot het loon behoort en welk deel niet alsmede de waarde van het deel dat jaarlijks in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen Tevens administreert de inhoudingsplichtige naar rato van deze verdeling welk deel van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen als loon uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking zal worden genomen en welk deel als voordeel uit sparen en beleggen wordt behandeld 3 Van de ingevolge het tweede lid geadministreerde verdeling van de aanspraak en waarde van het deel dat in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen alsmede de verdeling van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen verstrekt de inhoudingsplichtige jaarlijks een opgave aan de inspecteur Artikel 61 Samenloop verschillende pensioenstelsels 1 Bij samenloop van verschillende pensioenstelsels in een pensioenregeling worden alle elementen van de pensioenregeling tezamen in acht genomen en in onderlinge samenhang bezien voor de vaststelling of de pensioenregeling moet worden aangemerkt als een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel een middelloonstelsel of een beschikbare premiestelsel 2 In afwijking van het eerste lid dient voor elk onderdeel van de pensioenregeling dat niet past binnen het op grond van het eerste lid vastgestelde pensioenstelsel afzonderlijk te worden beoordeeld op welk van de drie aldaar genoemde stelsels dat onderdeel is gebaseerd 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid kan de inhoudingsplichtige de inspecteur verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen op welk stelsel de pensioenregeling of een onderdeel daarvan is gebaseerd 4 Bij wijziging van een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd pensioen in een pensioen dat is gebaseerd op een eindloonstelsel of een middelloonstelsel blijven op de tot het moment van die stelselwijziging opgebouwde pensioenaanspraken de voorwaarden van toepassing die gelden voor een beschikbare premiestelsel Hoofdstuk 5a Treedt in werking per 01 01 2006 Artikel 61a Treedt in werking per 01 01 2006 In te voeren tekst volgens Wijzigingen Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 WDB 2005 197 M 1 Een levensloopregeling moet schriftelijk zijn vastgelegd In de vastlegging moet ten minste zijn opgenomen a dat de regeling ten doel heeft het treffen van een voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van het opnemen van een periode van extra verlof b dat de aanspraken ingevolge de levensloopregeling niet kunnen worden afgekocht vervreemd prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid anders dan ten behoeve van de in artikel 61k bedoelde verpanding kunnen worden c de instelling waarbij de voorziening wordt aangehouden d een bepaling ingevolge welke de werknemer schriftelijk aan de inhoudingsplichtige verklaart dat hij geen aanspraken ingevolge een levensloopregeling heeft bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen of zo hij deze wel heeft jaarlijks schriftelijk aan de inhoudingsplichtige verklaart wat de omvang daarvan op 1 januari van het kalenderjaar van de ondertekening van de verklaring is e een bepaling ingevolge welke de werknemer schriftelijk verklaart dat hij geen voorziening ingevolge een levensloopregeling opbouwt in het kalenderjaar waarin hij bij een inhoudingsplichtige loon spaart ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de wet 2 In afwijking van het eerste lid mag een levensloopregeling voorzien in de mogelijkheid van afkoop van de aanspraken bij beëindiging van de dienstbetrekking 3 In afwijking van het eerste lid mag een levensloopverzekering voorzien in de mogelijkheid van gehele of gedeeltelijke afkoop van de aanspraken voorzover overeenkomstig artikel 19g tweede lid van de wet over de voorziening wordt beschikt Artikel 61b Treedt in werking per 01 01 2006 In te voeren tekst volgens Wijzigingen Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 WDB 2005 197 M 1 Het opbouwen van een voorziening ingevolge een levensloopregeling vindt plaats door inhouding op het loon waarbij het ingehouden loon wordt aangewend voor het treffen van een voorziening voor een periode van extra verlof Daarbij wordt de duur van de verlofperiode bepaald door het ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprekening als bedoeld in artikel 61c onderscheidenlijk de waarde van de polis bij een levensloopverzekering als bedoeld in artikel 61d en verkrijgt de werknemer een aanspraak op het levenslooploon ten behoeve van de betaling van loon gedurende de verlofperiode 2 Onder levenslooploon wordt verstaan het ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprekening als bedoeld in artikel 61c onderscheidenlijk de waarde van de polis bij een levensloopverzekering als bedoeld in artikel 61d Artikel 61c Treedt in werking per 01 01 2006 In te voeren tekst volgens Wijzigingen Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 WDB 2005 197 M 1 Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon moet worden overgemaakt naar een geblokkeerde rekening levenslooprekening bij de in de levensloopregeling aangewezen instelling waar het tegoed voor iedere werknemer afzonderlijk wordt geadministreerd 2 De op de levenslooprekening gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen worden op de levenslooprekening bijgeschreven 3 Het tegoed op een levenslooprekening mag uitsluitend bestaan uit het levenslooploon 4 De instelling waar de levenslooprekening is ondergebracht maakt het levenslooploon over naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voorzover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend 5 In afwijking in zoverre van het vierde lid maakt de instelling het levenslooploon op verzoek van de werknemer over naar de werknemer indien geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6 eerste lid onderdeel a van de wet kan worden aangewezen in dit geval wordt de instelling als inhoudingsplichtige aangemerkt Artikel 61d Treedt in werking per 01 01 2006 In te voeren tekst volgens Wijzigingen Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 WDB 2005 197 M 1 Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon moet worden overgemaakt ten behoeve van een verzekering levensloopverzekering bij de in de levensloopregeling aangewezen instelling waar de waarde van de polis voor iedere werknemer afzonderlijk wordt geadministreerd 2 De bij de levensloopverzekering behaalde rendementen moeten worden aangewend voor een verhoging van het verzekerde kapitaal 3 Het verzekerde kapitaal op grond van een levensloopverzekering mag uitsluitend bestaan uit het levenslooploon 4 De instelling waar de levensloopverzekering is ondergebracht maakt het levenslooploon over naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voorzover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend 5 In afwijking in zoverre van het vierde lid maakt de instelling het levenslooploon op verzoek van de werknemer over naar de werknemer indien geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6 eerste lid onderdeel a van de wet kan worden aangewezen in dit geval wordt de instelling als inhoudingsplichtige aangemerkt 6 Een aanspraak ingevolge een levensloopverzekering mag voorzien in een hogere uitkering bij leven dan de in artikel 19g eerste lid van de wet opgenomen maxima indien deze verhoging met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen is gebaseerd op een verlaging van de ingevolge de levensloopregeling bij overlijden te ontvangen uitkering tot een niveau beneden of gelijk aan 90 van de premievrije waarde op de dag van overlijden Artikel 61e Treedt in werking per 01 01 2006 In te voeren tekst volgens Wijzigingen Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 WDB 2005 197 M 1 De inhouding per kalenderjaar ingevolge een levensloopregeling bedraagt a indien aan het begin van het kalenderjaar het levenslooploon minder bedraagt dan 2 1 maal het loon op jaarbasis gerelateerd aan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon ten hoogste 12 van het loon in het kalenderjaar b indien aan het begin van het kalenderjaar het levenslooploon gelijk is aan of meer bedraagt dan 2 1 maal het loon op jaarbasis gerelateerd aan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon nihil 2 Voor zover het ingevolge de levensloopregeling ingehouden bedrag uitgaat boven hetgeen ingevolge het eerste lid is toegestaan en deze inhouding in hetzelfde kalenderjaar door de instelling waarbij de levensloopregeling is ondergebracht wordt teruggestort naar de inhoudingsplichtige en deze de terugstorting als loon uitkeert aan de werknemer wordt aangenomen dat is gebleven binnen de begrenzingen van het eerste lid 3 Voor de toepassing van het eerste lid mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven voorzover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie dan wel het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum De eerste volzin is bij een loonsverlaging die het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie uitsluitend van toepassing voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50 van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de in de eerste volzin bedoelde periode 4 Indien de aanspraken ingevolge een levensloopregeling die door de werknemer werd gebruikt bij een gewezen inhoudingsplichtige niet zijn ingebracht in een levensloopregeling van de inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienstbetrekking is worden die aanspraken voor de toepassing van de in dit artikel gestelde grenzen mede in aanmerking genomen Artikel 61f Treedt in werking per 01 01 2006 In te voeren tekst volgens Wijzigingen Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 WDB 2005 197 M Ook indien bij het begin van het kalenderjaar de in artikel 61e bedoelde begrenzing op basis waarvan wordt beoordeeld of in het kalenderjaar nog aanspraken ingevolge een levensloopregeling kunnen worden opgebouwd is bereikt leiden nadien op het levenslooptegoed gekweekte inkomsten en daarmee behaalde rendementen niet tot de constatering dat de regeling niet meer voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een levensloopregeling Artikel 61g Treedt in werking per 01 01 2006 In te voeren tekst volgens Wijzigingen Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 WDB 2005 197 M Ook indien bij het begin van het kalenderjaar de in artikel 61e bedoelde begrenzing op basis waarvan wordt beoordeeld of in het kalenderjaar nog aanspraken ingevolge een levensloopregeling kunnen worden opgebouwd is bereikt leiden nadien behaalde rendementen niet tot de constatering dat de regeling niet meer voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een levensloopregeling Artikel 61h Treedt in werking per 01 01 2006 In te voeren tekst volgens Wijzigingen Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 WDB 2005 197 M 1 Over de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening mag worden beschikt ten behoeve van loon tijdens een verlofperiode dat tezamen met het daarnaast van de inhoudingsplichtige genoten loon niet uitgaat boven het laatstgenoten loon 2 In geval van overlijden van de werknemer kan de tegenwaarde van de aanspraak als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van de werknemer ter beschikking van de erfgenamen van de werknemer worden gesteld 3 Bij aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking kunnen de aanspraken ingevolge een levensloopregeling worden ingebracht in een levensloopregeling van de inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienstbetrekking treedt 4 Indien de werknemer uitkeringen ontvangt in overeenstemming met de levensloopregeling worden deze als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in aanmerking genomen In afwijking van de eerste volzin wordt in geval van afkoop bij beëindiging van de dienstbetrekking de uitkering aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking 5 Indien in strijd met de levensloopregeling geheel of gedeeltelijk over het levenslooploon wordt beschikt wordt de gehele aanspraak ingevolge de levensloopregeling aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer 6 Het vijfde lid is niet van toepassing voorzover een aanspraak ingevolge een levensloopregeling wordt omgezet in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling die na de omzetting nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet gestelde begrenzingen Artikel 61i Treedt in werking per 01 01 2006 In te voeren tekst volgens Wijzigingen Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 WDB 2005 197 M Indien het ingevolge artikel 61h eerste lid opgenomen bedrag het op dat moment aanwezige tegoed overtreft kan het negatieve saldo uitgezonderd de daarover verschuldigde rente met inachtneming van de in artikel 61e gestelde begrenzingen via een inhouding op het loon worden aangevuld in welk geval deze aanvulling wordt aangemerkt als het opbouwen van een voorziening als bedoeld in artikel 61b Artikel 61j Treedt in werking per 01 01 2006 In te voeren tekst volgens Wijzigingen Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 WDB 2005 197 M Voor de toepassing van artikel 19g achtste lid van de wet wordt het ouderdomspensioen van een werknemer geacht niet te zijn ingegaan indien het niet meer dan voor een deel is ingegaan Artikel 61k Treedt in werking per 01 01 2006 In te voeren tekst volgens Wijzigingen Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 WDB 2005 197 M 1 Als kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar als bedoeld in artikel 19g vierde lid onderdeel c van de wet kan door de minister van Financiën worden aangewezen een kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar die op grond van de artikelen 111 eerste lid onderdelen a tot en met c of tweede lid 113 eerste of vierde lid 116 eerste lid onderdelen a tot en met c of derde lid of 118 tweede of vijfde lid van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten 2 Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan dient de kredietinstelling onderscheidenlijk verzekeraar zich tegenover de minister van Financiën onder door hem te stellen voorwaarden te verplichten om met betrekking tot de aanspraken ingevolge een door deze kredietinstelling of deze verzekeraar uitgevoerde levensloopregeling bedoeld in artikel 19g van de wet inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van deze levensloopregeling en jegens de ontvanger een in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van artikel 61c vijfde lid onderscheidenlijk artikel 61d vijfde lid In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde kredietinstelling of verzekeraar jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze kredietinstelling of deze verzekeraar onder door de minister van Financiën te stellen voorwaarden ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting 3 De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het tweede lid bedoelde zekerheid niet door de kredietinstelling of de verzekeraar maar door de werknemer of de gewezen werknemer wordt gesteld waarbij deze tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken ingevolge een levensloopregeling aan de ontvanger mits de kredietinstelling of de verzekeraar instemt met deze verpanding 4 De aanwijzing kan door de minister van Financiën worden ingetrokken wanneer de kredietinstelling of de verzekeraar niet meer aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het derde lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt 5 Indien de aanwijzing wordt ingetrokken worden de aanspraken ingevolge een levensloopregeling niet op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemers of gewezen werknemers dan wel indien een werknemer of gewezen werknemer is overleden van de gerechtigden tot de aanspraken indien de aanspraken onder door de minister van Financiën te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een kredietinstelling of een verzekeraar van een levensloopregeling die voldoet aan de in artikel 19g vierde lid van de wet gestelde voorwaarden HOOFDSTUK 6 TARIEF hoofdstuk III van de wet Artikel 62 Afwijkend loontijdvak bij werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is Ten aanzien van de werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaam is wordt in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet als loontijdvak aangemerkt a indien het loon per week wordt uitbetaald de week b indien het loon per vier weken wordt uitbetaald het tijdvak van vier weken c indien het loon per maand wordt uitbetaald de maand Artikel 63 Afwijkend loontijdvak bij werknemer met vakantiebonnen vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken 1 Ten aanzien van de werknemer wiens loon mede omvat de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken wordt in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet als loontijdvak aangemerkt a ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 20 of meer vakantiedagen een door vermenigvuldiging met de factor 260 231 verlengd loontijdvak b ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 19 of minder vakantiedagen een door vermenigvuldiging met de factor 260 245 verlengd loontijdvak 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt het aantal vakantiedagen in aanmerking genomen tot het krachtens de publiekrechtelijke regeling of de collectieve arbeidsovereenkomst voor een volwassen werknemer geldende aantal zonder rekening te houden met feestdagen en met extra vakantiedagen die aan de werknemer worden toegekend in verband met zijn leeftijd of de duur van zijn dienstverband Artikel 64 Afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren 1 Ten aanzien van de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer voor wie bij het begin van het kalenderkwartaal recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet dan wel die bij het begin van een kalenderkwartaal recht heeft op een gift een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dan wel die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming in de studiekosten ingevolge hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten kan in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet voor loonbetalingen waarvan het inhoudingstijdstip in dat kwartaal is gelegen dat kwartaal als loontijdvak worden aangemerkt De vorige volzin wordt niet toegepast ten aanzien van de werknemer die niet te kennen heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak kan worden aangemerkt 2 Indien in het kwartaal meer dan eens loon wordt verstrekt wordt de op een inhoudingstijdstip verschuldigde belasting bepaald op de belasting die is verschuldigd over het in dat kwartaal in totaal verstrekte loon verminderd met de reeds ingehouden belasting 3 Bij toepassing van dit artikel is in geval van twee opeenvolgende dienstbetrekkingen artikel 23 van de wet niet van toepassing HOOFDSTUK 7 WIJZE VAN HEFFING hoofdstuk IV van de wet Artikel 65 Loonbelastingverklaring 1 De inhoudingsplichtige reikt aan de werknemer een loonbelastingverklaring met de daarbij behorende toelichting uit a zodra hij ten aanzien van de werknemer inhoudingsplichtige wordt b op verzoek van de werknemer c zodra hij weet dat zich een wijziging heeft voorgedaan in de gegevens die de werknemer in de laatstelijk ingeleverde loonbelastingverklaring heeft verstrekt en die wijziging tot gevolg heeft dat de werknemer een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd 2 De inhoudingsplichtige mag in plaats van het door de Belastingdienst verstrekte model van de loonbelastingverklaring gebruik maken van een eigen model loonbelastingverklaring mits dat model minimaal de gegevens bevat van het model van de Belastingdienst inclusief de gebruiksaanwijzing en de toelichting op de vragen tenzij deze duidelijk niet betrekking hebben op de werknemer 3 Het eerste lid onderdeel a is niet van toepassing ingeval de inhoudingsplichtige een nieuwe arbeidsverhouding met de werknemer aangaat binnen een jaar

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Uitvoeringsregeling%20LB%202001%20%28tekst%202005,%20na%20Wet%20VPL%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive


  • Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (tekst 2005, na invoeren Wet VPL)
    gehouden met de volgende factoren voorzover relevant a het niveau van de door de werknemer gevolgde opleiding b de voor de functie relevante ervaring van de werknemer c het beloningsniveau van de onderhavige functie in Nederland in verhouding tot het beloningsniveau in het land van herkomst van de werknemer 2 Een werknemer van het middenkader of hoger kader van een internationaal concern met ten minste twee en een half jaar ervaring in dat concern die in het kader van roulatie wordt uitgezonden naar Nederland wordt geacht specifieke deskundigheid te bezitten die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is Artikel 9b 1 Voor ingekomen werknemers bedraagt de looptijd van de bewijsregel maximaal tien jaar ingaande op de eerste dag van de tewerkstelling door de inhoudingsplichtige 2 Voor uitgezonden werknemers is de looptijd van de bewijsregel gelijk aan de duur van de uitzending Artikel 9c 1 Indien een ingekomen werknemer tijdens de looptijd een andere inhoudingsplichtige krijgt blijft op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de nieuwe inhoudingsplichtige de bewijsregel gedurende de resterende looptijd van toepassing mits de periode tussen het einde van de tewerkstelling door de oude inhoudingsplichtige en de aanvang van de tewerkstelling door de nieuwe inhoudingsplichtige niet langer is dan drie maanden 2 Bij een dergelijk verzoek moet door de nieuwe inhoudingsplichtige opnieuw aannemelijk worden gemaakt dat de werknemer behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer Artikel 9d 1 Indien de ingekomen werknemer niet langer specifieke deskundigheid bezit die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is wordt de looptijd verminderd tot op het moment waarop deze situatie zich gaat voordoen maar tot op niet minder dan vijf jaar 2 Met ingang van het zesde jaar van de looptijd kan de inspecteur de inhoudingsplichtige verzoeken aannemelijk te maken dat de werknemer nog steeds behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer 3 Indien de inhoudingsplichtige met ingang van het zesde jaar van de looptijd aannemelijk maakt dat de werknemer op dat moment nog steeds behoort te worden aangemerkt als een ingekomen werknemer is het tweede lid gedurende de resterende looptijd niet meer van toepassing Artikel 9e 1 Indien de ingekomen werknemer voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling als ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige in Nederland is tewerkgesteld of is verbleven wordt de looptijd verminderd met de perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf 2 Perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf die meer dan vijftien jaar voorafgaand aan de tewerkstelling zijn geëindigd worden niet in aanmerking genomen 3 Perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf die meer dan tien jaar maar minder dan vijftien jaar voorafgaand aan de tewerkstelling zijn geëindigd worden niet in aanmerking genomen indien de ingekomen werknemer in de periode van tien jaar niet in Nederland is tewerkgesteld of is verbleven 4 Voor de toepassing van het derde lid is de ingekomen werknemer niet in Nederland tewerkgesteld indien hij in elk kalenderjaar van de periode van tien jaar maximaal 20 dagen hier te lande heeft gewerkt 5 Voor de toepassing van het derde lid is de ingekomen werknemer niet in Nederland verbleven indien hij in elk kalenderjaar van de periode van tien jaar in totaal niet langer dan zes weken in Nederland is verbleven wegens vakantie familiebezoek of andere persoonlijke omstandigheden waarbij in de periode van tien jaar eenmalig een periode van maximaal drie aaneengesloten maanden in Nederland wegens vakantie familiebezoek of andere persoonlijke omstandigheden niet in aanmerking wordt genomen Artikel 9f Indien een verzoek om toepassing van de bewijsregel als bedoeld in artikel 9h niet is gedaan binnen vier maanden na aanvang van de tewerkstelling als ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige wordt de looptijd verminderd met de periode tussen het tijdstip waarop de ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige is tewerkgesteld en het tijdstip waarop de beschikking bedoeld in artikel 9h voor het eerst van toepassing is Artikel 9g Bij vermindering van de looptijd volgens dit hoofdstuk wordt een periode waarmee de looptijd wordt verminderd naar boven afgerond op gehele kalendermaanden Artikel 9h 1 Een verzoek om toepassing of voortgezette toepassing van de bewijsregel ten aanzien van een ingekomen werknemer wordt gedaan aan de inspecteur Deze beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking 2 Indien het verzoek is gedaan binnen vier maanden na aanvang van de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer door de inhoudingsplichtige werkt de beschikking terug tot en met de aanvang van de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer Indien het verzoek later is gedaan is de beschikking van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het verzoek is gedaan Artikel 10 Vervallen per 01 01 2001 HOOFDSTUK 4 PENSIOENREGELINGEN HOOFDSTUK IIB VAN DE WET Artikel 10a 1 Als perioden die meetellen als dienstjaren dan wel als diensttijd als bedoeld in de artikelen 18a 18b 18c 38c 38d en 38f van de wet worden in aanmerking genomen a de periode gedurende welke de dienstbetrekking heeft geduurd daaronder begrepen perioden van al dan niet in deeltijd 1 ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg 2 sabbatsverlof krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van de inhoudingsplichtige gedurende ten hoogste twaalf maanden 3 studieverlof voor cursussen voor opleidingen of studie voor een beroep voor het op peil houden van de vakkennis en voor cursussen opleidingen of studie die door de inhoudingsplichtige worden gefinancierd 4 verlof als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg gedurende ten hoogste achttien maanden met dien verstande dat bij dienstbetrekkingen in deeltijd de aldus in aanmerking te nemen periode wordt verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor b perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een met de inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd voorzover hij bij dat verbonden lichaam niet heeft deelgenomen aan een pensioenregeling c perioden gedurende welke in aansluiting op de in de onderdelen a en b bedoelde perioden na onvrijwillig ontslag loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen of onder door Onze Minister te stellen voorwaarden perioden na ontslag van ten hoogste drie jaar d perioden gedurende welke in aansluiting op de in onderdelen a en b bedoelde perioden uitkeringen worden ontvangen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 38c van de wet e perioden gedurende welke in aansluiting op de in onderdelen a en b bedoelde perioden uitkeringen worden ontvangen ingevolge een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38d van de wet f dienstjaren ten gevolge van waardeoverdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 32 vierde lid 32a of 32b van de Pensioen en spaarfondsenwet naar de huidige inhoudingsplichtige of de pensioenuitvoerder van de huidige inhoudingsplichtige voor zover deze jaren op basis van een adequate diensttijdadministratie kunnen worden vastgesteld g perioden waarin de werknemer een tot zijn huishouden behorend kind heeft verzorgd dat de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt met dien verstande dat de perioden waarin de kinderen die hij heeft verzorgd de leeftijd van zes jaar hebben bereikt meetellen voor de helft Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt de aldus in aanmerking te nemen periode verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor 2 In afwijking van het eerste lid onderdeel a is met betrekking tot perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot vorige inhoudingsplichtigen inkoop van ontbrekende dienstjaren tot 8 juli 1994 toegestaan indien de werknemer aannemelijk kan maken dat er gerelateerd aan de pensioenregeling bij de huidige inhoudingsplichtige als gevolg van het ontbreken van die dienstjaren sprake is van een pensioentekort daaronder begrepen perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke in het buitenland werkzaamheden zijn verricht voor een met een vorige inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd Artikel 10a tekst met ingang van 1 januari 2006 In te voeren wettekst volgens Wijzigingen Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 Staatsblad 2005 178 1 Als perioden die meetellen als dienstjaren dan wel als diensttijd als bedoeld in de artikelen 18a 18b 18c 38c 38d en 38f van de wet worden in aanmerking genomen a de periode gedurende welke de dienstbetrekking heeft geduurd daaronder begrepen perioden van al dan niet in deeltijd 1 ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg 2 sabbatsverlof krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van de inhoudingsplichtige gedurende ten hoogste twaalf maanden 3 studieverlof voor cursussen voor opleidingen of studie voor een beroep voor het op peil houden van de vakkennis en voor cursussen opleidingen of studie die door de inhoudingsplichtige worden gefinancierd 4 verlof als bedoeld in artikel 19g van de wet met dien verstande dat bij dienstbetrekkingen in deeltijd de aldus in aanmerking te nemen periode wordt verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor b perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een met de inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd voorzover hij bij dat verbonden lichaam niet heeft deelgenomen aan een pensioenregeling c perioden gedurende welke in aansluiting op de in de onderdelen a en b bedoelde perioden na onvrijwillig ontslag loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen of onder door Onze Minister te stellen voorwaarden perioden na ontslag van ten hoogste drie jaar d perioden gedurende welke in aansluiting op de in onderdelen a en b bedoelde perioden uitkeringen worden ontvangen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 38c van de wet e perioden gedurende welke in aansluiting op de in onderdelen a en b bedoelde perioden uitkeringen worden ontvangen ingevolge een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38d van de wet f dienstjaren ten gevolge van waardeoverdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 32 vierde lid 32a of 32b van de Pensioen en spaarfondsenwet naar de huidige inhoudingsplichtige of de pensioenuitvoerder van de huidige inhoudingsplichtige voor zover deze jaren op basis van een adequate diensttijdadministratie kunnen worden vastgesteld g perioden waarin de werknemer een tot zijn huishouden behorend kind heeft verzorgd dat de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt met dien verstande dat de perioden waarin de kinderen die hij heeft verzorgd de leeftijd van zes jaar hebben bereikt meetellen voor de helft Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt de aldus in aanmerking te nemen periode verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor 2 In afwijking van het eerste lid onderdeel a is met betrekking tot perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot vorige inhoudingsplichtigen inkoop van ontbrekende dienstjaren tot 8 juli 1994 toegestaan indien de werknemer aannemelijk kan maken dat er gerelateerd aan de pensioenregeling bij de huidige inhoudingsplichtige als gevolg van het ontbreken van die dienstjaren sprake is van een pensioentekort daaronder begrepen perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke in het buitenland werkzaamheden zijn verricht voor een met een vorige inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd Artikel 10aa 1 Indien bij een eindloonloonstelsel bij de toepassing van artikel 18a van de wet een percentage per dienstjaar wordt toegepast van wordt het in artikel 18a achtste lid onderdeel a eerste volzin bedoelde bedrag vervangen door 70 van meer dan maar niet meer dan 1 8 9 391 1 8 1 9 10 390 2 Indien bij een middelloonstelsel bij de toepassing van artikel 18a van de wet een percentage per dienstjaar wordt toegepast van wordt het in artikel 18a achtste lid onderdeel a eerste volzin bedoelde bedrag vervangen door 70 van meer dan maar niet meer dan 2 05 9 391 2 05 2 15 10 390 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 18a derde lid van de wet Artikel 10ab 1 Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren als bedoeld in artikel 18 en 18e van de wet worden in aanmerking genomen a de perioden die ingevolge artikel 10a eerste lid onderdelen a b en g als dienstjaren in aanmerking zijn genomen b de perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige indien ter zake van het in die dienstbetrekking opgebouwde ouderdomspensioen waardeoverdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 32 vierde lid 32a of 32b van de Pensioen en spaarfondsenwet naar de huidige inhoudingsplichtige of de pensioenuitvoerder van de huidige inhoudingsplichtige heeft plaatsgevonden c de perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige indien ter zake van deze perioden met toepassing van artikel 10a tweede lid inkoop van dienstjaren heeft plaatsgevonden voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze perioden bij de opbouw van het ouderdomspensioen in aanmerking zijn genomen 2 Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren kunnen eveneens in aanmerking worden genomen dienstjaren ten gevolge van een voor 1 januari 2005 gedane waardeoverdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 32 vierde lid 32a of 32b van de Pensioen en spaarfondsenwet voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze dienstjaren bij de opbouw van het ouderdomspensioen in aanmerking zijn genomen 3 Als perioden die meetellen als deelnemingsjaren kunnen eveneens in aanmerking worden genomen perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een andere inhoudingsplichtige of een met de inhoudingsplichtige of een andere inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd voor zover met schriftelijke bescheiden kan worden gestaafd dat deze perioden door die andere inhoudingsplichtige of dat lichaam bij de opbouw van het ouderdomspensioen of van een voorziening voor ouderdom ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 7 tweede lid onderdeel c van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking zijn genomen 4 Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt het ingevolge artikel 18e van de wet geldende maximum verlaagd overeenkomstig de per deelnemingsjaar geldende deeltijdfactor met dien verstande dat artikel 10b derde lid van overeenkomstige toepassing is 5 Bij toepassing van het eerste lid onderdeel c of derde lid wordt voor de toepassing van artikel 18e eerste lid onderdeel b en vierde lid van de wet het 40 deelnemingsjarenpensioen opgevat met inbegrip van de uit die andere dienstbetrekking voortvloeiende a uitkeringen ingevolge een ouderdomspensioen b uitkeringen ingevolge een 40 deelnemingsjarenpensioen c uitkeringen ingevolge een overbruggingspensioen als bedoeld in artikel 18e zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde d uitkeringen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde e uitkeringen ingevolge een prepensioen als bedoeld in artikel 38a zoals dit artikel op 31 december 2004 luidde 6 Indien perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een met de inhoudingsplichtige of een andere inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd in aanmerking worden genomen als deelnemingsjaren wordt voor de toepassing van artikel 18e eerste lid onderdeel b en vierde lid van de wet het 40 deelnemingsjarenpensioen opgevat met inbegrip van de uitkeringen ingevolge de bij dat lichaam opgebouwde voorziening voor ouderdom in een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 7 tweede lid onderdeel c van de Wet inkomstenbelasting 2001 Artikel 10b 1 Als loonbestanddelen als bedoeld in artikel 18g tweede lid onderdeel a van de wet komen in aanmerking alle loonbestanddelen met uitzondering van het genot van een ter beschikking gestelde auto Voorzover over loonbestanddelen pensioen wordt opgebouwd volgens een eindloonstelsel komen loonstijgingen gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum in aanmerking tot ten hoogste 2 percent boven de gemiddelde loonindex voor de CAO lonen per maand inclusief bijzondere beloningen zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek met dien verstande dat in elk geval in aanmerking komen loonstijgingen als gevolg van gangbare functiewijzigingen of gangbare leeftijdsperiodieken 2 Voor de toepassing van artikel 18g tweede lid onderdeel b van de wet komen niet tot het regelmatig genoten loon behorende loonbestanddelen slechts in aanmerking voorzover de opbouw van het pensioen volgens een ander stelsel dan het eindloonstelsel plaatsvindt 3 Voor de toepassing van artikel 18g tweede lid onderdeel c van de wet mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven voorzover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie dan wel het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum De eerste volzin is bij een loonsverlaging die het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie uitsluitend van toepassing voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50 van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de in de eerste volzin bedoelde periode Artikel 10c Voor de toepassing van artikel 18h tweede lid van de wet is een regeling een pensioenregeling indien zij voldoet aan hoofdstuk IIB van de wet mits a loonbestanddelen in natura niet tot het pensioengevend loon worden gerekend b de bedragen die op de voet van de regeling op het loon van de werknemer worden ingehouden niet meer bedragen dan hetgeen door de inhoudingsplichtige wordt bijgedragen c de in te bouwen uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet per dienstjaar worden gesteld op ten minste de voor dat jaar geldende uitkeringen voor een ongehuwde persoon als bedoeld in artikel 9 eerste lid onderdeel a en vijfde lid onderdeel a van die wet vermeerderd met de vakantie uitkering d indien de werknemer geen mogelijke nabestaande of wees kan aanwijzen als waarop artikel 18b onderscheidenlijk 18c van de wet betrekking heeft de regeling geen nabestaandenpensioen onderscheidenlijk wezenpensioen omvat e een overbruggingspensioen voorzover dat dient ter overbrugging van een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet is afgestemd op het op grond van artikel 18a achtste lid in de pensioenregeling in aanmerking genomen bedrag Artikel 10d 1 Als een verzekeraar van een pensioen of een voorziening voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel f van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Uitvoeringsbesluit%20LB%201965%20%28tekst%202005,%20na%20Wet%20VPL%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2005)
    aanzien van de werknemer die geen partner heeft of een partner heeft die van een inhoudingsplichtige geen vergoeding ter zake van kosten van kinderopvang ontvangt en geen verstrekking van kinderopvang geniet wordt het in het in het eerste lid eerste volzin bedoelde deel van de aan de werknemer of zijn partner in rekening gebrachte kosten verhoogd tot een derde deel 3 Ten aanzien van de werknemer met een partner die een vergoeding ter zake van kosten van kinderopvang van een inhoudingsplichtige ontvangt welke minder bedraagt dan een zesde deel van de aan de werknemer of zijn partner in rekening gebrachte kosten wordt het in het eerste lid eerste volzin bedoelde deel verhoogd tot een derde deel en verminderd met de vergoeding van de partner Ten aanzien van de werknemer met een partner die een verstrekking van kinderopvang geniet van minder dan een zesde deel van de voor de waardering van de verstrekking in aanmerking genomen waarde van de kinderopvang wordt het in het eerste lid tweede volzin bedoelde deel verhoogd tot een derde deel en de uitkomst vervolgens verminderd met de verstrekking van de partner 4 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder kinderopvang verstaan kinderopvang waarvoor aanspraak op een tegemoetkoming kan ontstaan op de voet van artikel 5 eerste lid van de Wet kinderopvang 5 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder partner verstaan hetgeen daaronder in artikel 2 van de Wet kinderopvang wordt verstaan 6 Voor de toepassing van dit artikel wordt met een vergoeding ter zake van kosten van kinderopvang van een inhoudingsplichtige gelijkgesteld a een tegemoetkoming van een gemeente op grond van artikel 24 van de Wet kinderopvang b een tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 30 van de Wet kinderopvang 7 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de toepassing van dit artikel Artikel 17 1 Vrije verstrekkingen zijn a verstrekkingen voorzover zij geacht kunnen worden te strekken tot voorkoming van kosten lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking b andere verstrekkingen voorzover zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren 2 De artikelen 15a tot en met 16c zijn van overeenkomstige toepassing 3 Bijdragen van de werknemer aan vrije verstrekkingen komen niet in mindering op het loon Artikel 17a Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in redelijkheid ter zake van a woon werkverkeer in de vorm van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige b parkeergelegenheid bij de plaats van werkzaamheden indien er geen sprake is van parkeergelegenheid als bedoeld in artikel 15b eerste lid onderdeel r c algemeen erkende feestdagen en het Sint Nicolaasfeest een jubileum van de inhoudingsplichtige een dienstjubileum en de verjaardag en andere persoonlijke feestdagen van de werknemer alsmede het einde van de dienstbetrekking mits de verstrekkingen een in hoofdzaak ideële waarde hebben 2 Onder vervoer vanwege de inhoudingsplichtige wordt verstaan 1 vanwege de inhoudingsplichtige georganiseerd vervoer 2 het reizen per openbaar vervoer op basis van door de inhoudingsplichtige aangeschafte en door hem aan de werknemer verstrekte plaatsbewijzen HOOFDSTUK IIB PENSIOENREGELINGEN EN REGELINGEN VOOR VERVROEGDE UITTREDING Artikel 18 1 Onder pensioenregeling wordt verstaan een regeling a die uitsluitend of met het oog op uitzonderlijke gevallen van restbegunstiging nagenoeg uitsluitend ten doel heeft het treffen van 1 een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom voor werknemers en gewezen werknemers ouderdomspensioen 2 een inkomensvoorziening na hun overlijden ten behoeve van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten dan wel van degenen met wie zij duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren of hebben gevoerd en met wie geen bloed of aanverwantschap in de eerste graad bestaat nabestaandenpensioen 3 een inkomensvoorziening na hun overlijden ten behoeve van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt wezenpensioen 4 een inkomensvoorziening bij arbeidsongeschiktheid zodra die langer dan een jaar duurt en welke niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet worden geacht arbeidsongeschiktheidspensioen en b waarin is bepaald dat de aanspraken ingevolge de regeling niet kunnen worden afgekocht vervreemd of prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid kunnen worden anders dan in de gevallen voorzien bij of krachtens de Pensioen en spaarfondsenwet c waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam of de natuurlijke persoon bedoeld in artikel 19a eerste lid een en ander voor zover die regeling blijft binnen de in of krachtens dit hoofdstuk vastgestelde begrenzingen 2 Onder pensioenregeling wordt mede verstaan een regeling die a het ouderdomspensioen aanvult in verband met het ontbreken van uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet voor de 65 jarige leeftijd en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het ouderdomspensioen voor en na de 65 jarige leeftijd overbruggingspensioen b het nabestaandenpensioen dan wel het wezenpensioen aanvult in verband met het ontbreken van uitkeringen ingevolge de Algemene nabestaandenwet en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het pensioen voor en na de 65 jarige leeftijd nabestaandenoverbruggingspensioen 3 Ingeval een regeling voldoet aan de in het eerste lid opgenomen voorwaarden doch niet blijft binnen de in of krachtens dit hoofdstuk opgenomen begrenzingen is de regeling een pensioenregeling voorzover blijkt dat zij blijft binnen de in of krachtens dit hoofdstuk opgenomen begrenzingen De inhoudingsplichtige verzoekt de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de bedoelde begrenzingen vast te stellen welk deel van de desbetreffende aanspraak blijft binnen die begrenzingen Bij toepassing van de eerste volzin geeft de inhoudingsplichtige bij elke te zijner tijd op basis van de regeling te verstrekken pensioenuitkering overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels aan welk deel daarvan tot het loon van de werknemer behoort De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking Artikel 18a 1 Een op een eindloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 2 percent van het pensioengevend loon 2 Een op een middelloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 2 25 percent van het pensioengevend loon 3 Een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen wordt tijdsevenredig opgebouwd en is gericht op een pensioen dat na 35 jaren opbouw niet meer bedraagt dan 70 percent van het loon op dat tijdstip De beschikbare premie wordt ten hoogste bepaald met inachtneming van de volgende uitgangspunten a de beschikbare premie wordt actuarieel vastgesteld per leeftijdsklasse van ten hoogste vijf jaren en wordt afgestemd op de gemiddelde leeftijd in de klasse b als loopbaanontwikkeling wordt gerekend met een loonstijging van drie percent per jaar gedurende de jaren voor het bereiken van de 35 jarige leeftijd van twee percent per jaar gedurende de tien daaropvolgende jaren van een percent per jaar gedurende de tien daaropvolgende jaren en van nihil gedurende de overige jaren c bij de berekening wordt een rekenrente in aanmerking genomen van ten minste vier percent en wordt de te verwachten inflatie op nihil gesteld 4 Een ouderdomspensioen gaat niet later in dan bij het vroegste van de volgende tijdstippen 1 ingeval de dienstbetrekking eindigt voor de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum de vastgestelde ingangsdatum dan wel op het vroegste van de tijdstippen bedoeld onder 3 4 en 5 2 ingeval de dienstbetrekking eindigt op of na de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum het tijdstip waarop de dienstbetrekking eindigt 3 ingeval het ouderdomspensioen 100 percent van het pensioengevend loon komt te bedragen voordat de werknemer of gewezen werknemer de 65 jarige leeftijd heeft bereikt het tijdstip waarop hij de 65 jarige leeftijd bereikt 4 ingeval het ouderdomspensioen 100 percent van het pensioengevend loon komt te bedragen op of na het tijdstip waarop de werknemer of gewezen werknemer de 65 jarige leeftijd heeft bereikt het tijdstip waarop dat maximum wordt bereikt 5 het tijdstip waarop de werknemer de 70 jarige leeftijd bereikt 5 Ingeval het ouderdomspensioen later ingaat dan op de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum mag het pensioen na die ingangsdatum worden verhoogd overeenkomstig het tot die datum gevolgde stelsel met inbegrip van herrekening met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen doch niet verder dan tot 100 percent van het pensioengevend loon 6 Indien het ouderdomspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 60 jarige leeftijd wordt het herrekend ten opzichte van die leeftijd of van de in de pensioenregeling vastgestelde latere ingangsdatum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen Hierbij kan zonodig in afwijking van de feitelijke situatie worden uitgegaan van een pensioen dat uiterlijk ingaat bij het bereiken van de 60 jarige leeftijd en dat per dienstjaar niet meer bedraagt dan 2 percent van het pensioengevend loon 7 Een ouderdomspensioen gaat niet uit boven 100 percent van het pensioengevend loon op het tijdstip van ingang 8 a De in dit hoofdstuk met betrekking tot het desbetreffende pensioen opgenomen maxima worden voor het ouderdomspensioen opgevat met inbegrip van een bedrag dat ten minste wordt gesteld op per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar een evenredig gedeelte van de voor dat jaar geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9 eerste lid onderdeel b en vijfde lid van de Algemene Ouderdomswet vermeerderd met de vakantietoeslag b Voor het nabestaandenpensioen kan het in onderdeel a bedoelde bedrag voor 70 in aanmerking worden genomen c Voor het wezenpensioen kan het in onderdeel a bedoelde bedrag voor 14 en voor volle wezen voor 28 in aanmerking worden genomen 9 Met betrekking tot een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen als bedoeld in het derde lid vindt in afwijking van het vierde lid onder 3 en 4 de beoordeling of binnen de in het zevende lid genoemde begrenzingen wordt gebleven plaats op het tijdstip waarop voor het eerst aanspraak op ouderdomspensioen ontstaat en op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen Indien op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen de begrenzing wordt overschreden zal het meerdere worden uitgekeerd in een uitkering ineens De uitkering ineens dan wel indien uitkering niet plaatsvindt het bedrag dat zou moeten worden uitgekeerd wordt aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van de werknemer en wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen Ten aanzien van de werknemer die niet premieplichtig is voor de Algemene Ouderdomswet wordt in afwijking van de artikelen 20a en 26 de verschuldigde belasting over de uitkering onderscheidenlijk het bedrag dat zou moeten worden uitgekeerd gesteld op de som van de belasting en de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet die daarover verschuldigd zou zijn door een persoon die wel premieplichtig is ingevolge die wet en overigens in dezelfde omstandigheden verkeert als de werknemer Ten aanzien van de werknemer die wel premieplichtig is voor de Algemene Ouderdomswet is met betrekking tot de in de vorige volzin genoemde uitkeringen of bedragen artikel 26 niet van toepassing 10 Ingeval de werknemer voor het tijdstip van ingang van het ouderdomspensioen ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn wordt in het negende lid voor het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen steeds gelezen het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de werknemer ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn Artikel 18b 1 Een op een eindloonstelsel gebaseerd nabestaandenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 1 4 percent van het pensioengevend loon of bereikbare pensioengevend loon 2 Een op een middelloonstelsel gebaseerd nabestaandenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 1 58 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 3 Voor een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd nabestaandenpensioen is artikel 18a derde lid van overeenkomstige toepassing 4 Ingeval in de pensioenregeling is rekening gehouden met 1 een bepaalde nabestaande wordt gerekend met de feitelijke gegevens van die nabestaande 2 een onbepaalde nabestaande wordt gerekend met een leeftijdsverschil tussen de werknemer en de nabestaande van ten hoogste drie jaren 5 Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 18c worden voor het geval de werknemer niet in leven is op het tijdstip waarop het ouderdomspensioen zou ingaan ontbrekende dienstjaren en bereikbaar pensioengevend loon in aanmerking genomen Onder ontbrekende dienstjaren worden verstaan de jaren van het tijdstip van overlijden van de werknemer tot de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum Onder bereikbaar pensioengevend loon wordt verstaan het pensioengevend loon dat de gewezen werknemer binnen de vastgestelde loopbaanontwikkeling in zijn functie zou hebben kunnen bereiken 6 Een nabestaandenpensioen gaat in onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel onmiddellijk na beëindiging van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet 7 Een nabestaandenpensioen gaat niet uit boven 70 percent van het pensioengevend loon of het bereikbaar pensioengevend loon op het tijdstip van ingang 8 Voor de toepassing van het zevende lid is artikel 18a negende lid van overeenkomstige toepassing Artikel 18c 1 Een op een eindloonstelsel gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 0 28 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 2 Een op een middelloonstelsel gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 0 32 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 3 Voor een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd wezenpensioen is artikel 18a derde lid van overeenkomstige toepassing 4 Een wezenpensioen gaat in onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel direct na beëindiging van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet 5 Een wezenpensioen gaat op het tijdstip van ingang niet uit boven 14 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 6 Voor volle wezen worden de in de vorige leden genoemde percentages verdubbeld 7 Voor de toepassing van het vijfde en het zesde lid is artikel 18a negende lid van overeenkomstige toepassing Artikel 18d 1 In afwijking in zoverre van de artikelen 18a 18b en 18c kunnen een ouderdomspensioen een nabestaandenpensioen en een wezenpensioen meer bedragen dan de aldaar opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van a aanpassing van het pensioen aan loon of prijsontwikkeling b variatie in de hoogte van de uitkeringen waarbij de laagste uitkering niet minder bedraagt dan 75 percent van de hoogste uitkering en de mate van variatie ten laatste op de ingangsdatum van het pensioen wordt vastgesteld c waardeoverdracht van pensioenaanspraken d gehele of gedeeltelijke onderlinge ruil van nabestaandenpensioen wezenpensioen en ouderdomspensioen mits de ruil uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen plaatsvindt op basis van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen 2 Door ruil als bedoeld in het eerste lid onderdeel d ontstane verlies aan pensioen kan niet worden gecompenseerd en het nabestaandenpensioen en het wezenpensioen kunnen na een zodanige ruil niet meer bedragen dan 70 percent onderscheidenlijk 14 percent of 28 percent van het pensioengevend loon Artikel 18e 1 Een overbruggingspensioen is een pensioen dat a ingaat op hetzelfde tijdstip als het ouderdomspensioen en uiterlijk eindigt bij het bereiken van de 65 jarige leeftijd met dien verstande dat ingeval het overbruggingspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 60 jarige leeftijd dit wordt herrekend ten opzichte van die leeftijd of van de in de pensioenregeling vastgestelde latere ingangsdatum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen waarbij zonodig in afwijking van de feitelijke situatie kan worden uitgegaan van een pensioen dat op de voet van onderdeel b ten hoogste toelaatbaar is b per dienstjaar niet meer bedraagt dan 10 percent van het gezamenlijke bedrag van de uitkering ingevolge artikel 9 eerste lid onderdeel b van de Algemene Ouderdomswet en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het ouderdomspensioen voor en na de 65 jarige leeftijd en in totaal niet meer bedraagt dan 100 percent van dat gezamenlijke bedrag met dien verstande dat de opbouw van het overbruggingspensioen tijdsevenredig direct voorafgaande aan de ingangsdatum van het ouderdomspensioen moet plaatsvinden 2 Ingeval het tijdstip van ingang van het ouderdomspensioen wordt uitgesteld kan het overbruggingspensioen worden omgezet in een hoger overbruggingspensioen tot ten hoogste hetgeen op de voet van het eerste lid onderdeel b toelaatbaar is en voor het overige in ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen met dien verstande dat na de omzetting het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen niet meer kunnen bedragen dan onderscheidenlijk 100 percent en 70 percent van het pensioengevend loon 3 Voor de toepassing van het tweede lid is artikel 18a negende lid van overeenkomstige toepassing Artikel 18f Een nabestaandenoverbruggingspensioen is een pensioen dat a ingaat onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel onmiddellijk na beëindiging van het recht op een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet en uiterlijk eindigt bij het bereiken van de 65 jarige leeftijd b toekomt aan degene voor wie een regeling voor nabestaandenpensioen of wezenpensioen is getroffen of had kunnen worden getroffen c niet meer bedraagt dan het gezamenlijke bedrag van 8 7 maal de nominale uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet vermeerderd met de vakantie uitkering en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het nabestaandenpensioen voor en na de 65 jarige leeftijd Artikel 18g 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de perioden die in aanmerking komen als dienstjaren dan wel diensttijd bedoeld in de artikelen 18a 18b 18c 18e 18i en 38a 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het pensioengevend loon bedoeld in de artikelen 18a 18b 18c 18d 18e en 38a ter zake van a de loonbestanddelen die daarin worden opgenomen b de loonbestanddelen waarover de opbouw van het pensioen volgens een ander stelsel dan het eindloonstelsel dient plaats te vinden c de situatie waarin de werknemer aan het eind van zijn loopbaan in deeltijd gaat werken dan wel terugtreedt naar een lager gekwalificeerde functie met een lager loon dan in zijn daaraan voorafgaande functie Artikel 18h 1 In afwijking in zoverre van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde is een regeling waarvan geheel of gedeeltelijk een lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel d als verzekeraar optreedt een pensioenregeling indien zij voldoet aan de artikelen 18 tot en met 18g en voorts een pensioen inhoudt dat niet uitgaat boven hetgeen in collectieve regelingen gangbaar is 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden vastgesteld wat in collectieve regelingen als bedoeld in het eerste lid gangbaar is In afwijking daarvan kan worden vastgesteld dat de opbouwmogelijkheid aangegeven in artikel 18a eerste lid onverkort van toepassing is Artikel 18i Onder regeling voor vervroegde uittreding wordt verstaan een regeling die a voorziet in periodieke uitkeringen aan werknemers of gewezen werknemers die uiterlijk eindigen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar of bij eerder overlijden b een voorziening voor vervroegde uittreding inhoudt die niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen waaronder die ter zake van diensttijd en genoten beloning redelijk moet worden geacht en c waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam of natuurlijke persoon bedoeld in artikel 19a eerste lid Artikel 19 Met betrekking tot diensttijd waarin het loon nihil is of anderszins aanzienlijk lager is dan hetgeen gebruikelijk is kunnen geen onderscheidenlijk in zoverre geen aanspraken op een pensioenregeling of op een regeling voor vervroegde uittreding ontstaan als bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdeel c onderscheidenlijk onderdeel d Artikel 19a 1 Als verzekeraar van een pensioen of een voorziening voor vervroegde uittreding als bedoeld in de artikelen 18 en 18i kan optreden a een lichaam dat ingevolge artikel 5 onderdeel b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van die belasting b een verzekeraar die bevoegd is het directe verzekeringsbedrijf bedoeld in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 uit te oefenen mits deze de pensioenverplichting of de verplichting ingevolge de regeling voor vervroegde uittreding voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen c een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent mits het pensioen of de voorziening voor vervroegde uittreding de voortzetting is van een pensioen dat of een voorziening die reeds was verzekerd bij die verzekeraar in een periode waarin de werknemer of gewezen werknemer niet in Nederland woonde of niet in Nederland een dienstbetrekking vervulde d een ander lichaam dan bedoeld in de onderdelen a b en c dat in Nederland is gevestigd de pensioenverplichting of de verplichting ingevolge de regeling voor vervroegde uittreding voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen en voldoet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden e de natuurlijke persoon tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of heeft gestaan en die voldoet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden f een pensioenfonds of lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent anders dan bedoeld in de onderdelen a b en c dat door Onze Minister onder door hem te stellen voorwaarden is aangewezen en dat zich tegenover Onze Minister heeft verplicht 1 te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de regeling en 2 zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die is verschuldigd door toepassing van artikel 19b ofwel artikel 3 83 eerste of tweede lid of artikel 7 2 achtste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 dan wel de werknemer of gewezen werknemer zich heeft verplicht deze zekerheid te stellen 2 Het lichaam of de natuurlijke persoon bedoeld in het eerste lid onderdelen d en e kan slechts als verzekeraar van een pensioen optreden ter uitvoering van toezeggingen als bedoeld in artikel 2 derde lid van de Pensioen en spaarfondsenwet Stb 1981 18 of van toezeggingen waarvoor ontheffing is verleend van artikel 2 eerste lid van die wet 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid onderdeel f bedoelde aanwijzing Artikel 19b 1 Ingeval op enig tijdstip a een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding niet langer als zodanig is aan te merken b een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25 vijfde lid van de Invorderingswet 1990 wordt c een aanspraak ingevolge een pensioenregeling waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel d dan wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b wordt prijsgegeven behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is d de zekerheidstelling wordt beëindigd door de werknemer of de gewezen werknemer die zich op grond van artikel 19a eerste lid onderdeel f heeft verplicht deze zekerheid te stellen wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel indien deze is overleden van de gerechtigde tot de aanspraak 2 Ingeval een verplichting ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar wordt de aanspraak ingevolge die regeling geacht te worden afgekocht De eerste volzin is niet van toepassing ingeval de verplichting ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding geheel of gedeeltelijk overgaat naar een verzekeraar bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen a b d e of f mits deze overgang niet in strijd komt met de bepalingen bij of krachtens de artikelen 2 vierde lid 32 32a 32b of 32ba van de Pensioen en spaarfondsenwet Met betrekking tot een verplichting die is verzekerd bij een lichaam of natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen d of e wordt onder een overgang als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan herverzekering bij een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen a b d of f 3 Het eerste lid is niet van toepassing ingeval de werknemer of gewezen werknemer in het kader van scheiding van tafel en bed echtscheiding of beëindiging van samenleving een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding geheel of gedeeltelijk vervreemdt aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner dan wel omzet in een zodanige aanspraak met als gerechtigde die echtgenoot of gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner waarbij die verkregen of omgezette aanspraak voor de toepassing van deze wet wordt geacht de voortzetting te zijn van onderscheidenlijk de aanspraak op een pensioenregeling of de aanspraak op een regeling voor vervroegde uittreding van de werknemer of gewezen werknemer 4 Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een in onderdeel b van dat lid bedoelde uitkering of afkoopsom wordt uitgekeerd met toepassing van artikel 8 achtste lid of artikel 32 vijfde lid van de Pensioen en spaarfondsenwet 5 Onze Minister kan zo nodig onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat het tweede lid eerste volzin niet van toepassing is indien de verplichting ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding overgaat op een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent anders dan bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel f zulks ter verwerving van aanspraken ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking buiten Nederland De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de overgang van de verplichting ingevolge een pensioenregeling naar een pensioenfonds van een internationale organisatie in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking bij die organisatie in Nederland 6 Voor de toepassing van het eerste lid onderdeel a wordt een aanspraak op een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding mede niet langer als zodanig aangemerkt ingeval op enig tijdstip niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld ingevolge het vierde lid of artikel 19d 7 De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot aanspraken op periodieke uitkeringen bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdeel g Artikel 19c 1 Op verzoek van de inhoudingsplichtige beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking of een regeling een pensioenregeling is in de zin van de artikelen 18 tot en met 18h Het verzoek wordt gedaan voordat de regeling dan wel een wijziging van de regeling wordt ingevoerd 2 Indien een zodanig verzoek is gedaan en vervolgens onherroepelijk komt vast te staan dat de regeling niet een zodanige pensioenregeling is en de regeling onverwijld en ingaand op het tijdstip van ingang van de regeling wordt aangepast in dier voege dat de regeling wel een zodanige pensioenregeling is wordt de regeling geacht met terugwerkende kracht tot uiterlijk dat tijdstip een zodanige pensioenregeling te zijn De vorige volzin is niet van toepassing op pensioenregelingen als bedoeld in artikel 18h 3 Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op regelingen voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i Artikel 19d Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid afwijkingen toestaan van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde door regelingen of groepen van regelingen niet zijnde een regeling als bedoeld in artikel 18h eerste lid aan te wijzen als pensioenregeling onderscheidenlijk regeling voor vervroegde uittreding indien het een regeling betreft a die op bepaalde onderdelen niet meer dan in geringe mate afwijkt van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde mits het belang van de afwijkingen niet uitgaat boven het belang van de marges op andere onderdelen b voor gemoedsbezwaarden met een ontheffing als bedoeld in artikel 19 tweede lid van de Wet financiering volksverzekeringen die dient ter vervanging van een pensioenregeling onderscheidenlijk een regeling voor vervroegde uittreding c voor een tijdelijk in Nederland wonende of werkzame werknemer en die regeling voldoet aan artikel 1 7 tweede lid onderdeel c van de Wet inkomstenbelasting 2001 mits de opbouw van het pensioen of de voorziening voor vervroegde uittreding ingevolge die regeling tijdelijk in Nederland wordt voortgezet en het pensioen of de voorziening voor vervroegde uittreding reeds was verzekerd bij een pensioenfonds of lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen c of f in een periode waarin de werknemer niet in Nederland woonde of niet in Nederland een dienstbetrekking vervulde Zo nodig kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld Artikel 19e Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ter zake van de instelling van een Adviescommissie fiscale behandeling pensioenen De commissie adviseert over elementen van pensioenregelingen die weliswaar afwijken van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde maar niettemin van belang zijn voor een verdergaande flexibilisering van pensioenen waarbij acht wordt geslagen op het beginsel van budgettaire neutraliteit Artikel 19f Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van dit hoofdstuk alsmede met betrekking tot samenloop van verschillende pensioenstelsels HOOFDSTUK III TARIEF Artikel 20 1 De over een loontijdvak van een jaar verschuldigde belasting is het bedrag van de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare loon verminderd met het bedrag van de heffingskorting voor de loonbelasting 2 Het bedrag van de heffingskorting voor de loonbelasting bedraagt maximaal het bedrag van de verschuldigde belasting over het loontijdvak van een jaar Artikel 20a 1 De belasting over een loontijdvak van een jaar wordt bepaald aan de hand van de navolgende tabel tarieftabel Bij een belastbaar loon van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV 16 893 1 80 16 893 30 357 304 9 35 30 357 51 762 1 562 42 51 762 10 552 52 2 De in het eerste lid vermelde bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die krachtens artikel 10 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in artikel 2 10 van die wet vermelde bedragen Artikel 20b Vervallen per 30 12 1998 Artikel 21 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder a belastingtarief eerste schijf het in de eerste regel van de vierde kolom van de tabel in artikel 20a opgenomen percentage b gecombineerd heffingspercentage de som van het belastingtarief eerste schijf het volgens artikel 10a tweede lid van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering en de volgens artikel 11 van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentages voor de nabestaandenverzekering en de algemene verzekering bijzondere ziektekosten Artikel 21a De heffingskorting voor de loonbelasting is het deel van de standaardloonheffingskorting dat tot de standaardloonheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het belastingtarief eerste schijf staat tot het gecombineerde heffingspercentage Artikel 21b Bij de toepassing van artikel 21a op het deel van de standaardloonheffingskorting dat op de ouderenkorting of de aanvullende ouderenkorting betrekking heeft wordt het gecombineerde heffingspercentage verminderd met het volgens artikel 10a tweede lid van de Wet financiering volksverzekeringen voor de algemene ouderdomsverzekering vastgestelde premiepercentage Artikel 21c De standaardloonheffingskorting is het gezamenlijke bedrag van a de algemene heffingskorting artikel 22 b de arbeidskorting artikel 22a c de jonggehandicaptenkorting artikel 22aa d de ouderenkorting artikel 22b en e de aanvullende ouderenkorting artikel 22c Artikel 22 1 Voor de werknemer is de algemene heffingskorting van toepassing 2 De algemene heffingskorting bedraagt 1894 Artikel 22a 1 Voor de werknemer die loon uit tegenwoordige arbeid geniet is de arbeidskorting van toepassing 2 De arbeidskorting wordt berekend over het loon uit tegenwoordige arbeid en bedraagt de som van a 1 778 van dat loon met een maximum van 144 en b 11 867 van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer is dan 8101 De arbeidskorting bedraagt maximaal 1287 3 In afwijking van het tweede lid wordt a ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 60 het percentage bedoeld in het tweede lid onderdeel b vervangen door 14 410 en het bedrag bedoeld in het tweede lid tweede volzin vervangen door 1532 b ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 62 het percentage bedoeld in het tweede lid onderdeel b vervangen door 16 933 en het bedrag bedoeld in het tweede lid tweede volzin vervangen door 1775 c ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt het percentage bedoeld in het tweede lid onderdeel b vervangen door 19 466 en het bedrag bedoeld in het tweede lid tweede volzin vervangen door 2019 4 Met loon uit tegenwoordige arbeid worden gelijkgesteld a loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid b uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat 5 Loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn niet uitkeringen op grond van a de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering b de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen c de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten d buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de regelingen die zijn vermeld in de onderdelen a b en c Artikel 22aa 1 Voor de werknemer die een uitkering geniet op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten is de jonggehandicaptenkorting van toepassing 2 De jonggehandicaptenkorting bedraagt 531 Artikel 22b 1 Voor de werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en een tijdvakloon heeft dat op jaarbasis niet meer bedraagt dan 30 728 is de ouderenkorting van toepassing 2 De ouderenkorting bedraagt 454 Artikel 22c 1 Voor de werknemer op wie de ouderenkorting van toepassing is en die een uitkering als bedoeld in artikel 9 eerste lid onderdeel a of onderdeel c van de Algemene Ouderdomswet geniet is de aanvullende ouderenkorting van toepassing 2 De aanvullende ouderenkorting bedraagt 287 Artikel 22d De in de artikelen 22 22a 22aa 22b en 22c vermelde bedragen en de in artikel 22a vermelde percentages worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die en het percentage dat krachtens de artikelen 10 1 en 10 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in artikelen 8 10 8 11 8 16a 8 17 en 8 18 van die wet vermelde bedragen en de in artikel 8 11 van die wet vermelde percentages Artikel 23 1 Indien de werknemer over loontijdvakken die geheel of gedeeltelijk samenvallen loon geniet uit meer dan een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking dan wel van meer dan een inhoudingsplichtige en dit loon voor de berekening van de belasting niet wordt samengevoegd kan de werknemer de heffingskorting voor de loonbelasting slechts in een dienstbetrekking dan wel tegenover een inhoudingsplichtige geldend maken 2 In afwijking van het eerste lid wordt het deel van de heffingskorting dat betrekking heeft op de jonggehandicaptenkorting geldend gemaakt tegenover de inhoudingsplichtige die de uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten uitbetaalt Artikel 24 Voor de toepassing van de artikelen 21 tot en met 22d ter bepaling van de hoogte van de heffingskorting is beslissend de toestand op het tijdstip waarop de belasting moet worden ingehouden met dien verstande dat voor de ouderenkorting en de aanvullende ouderenkorting beslissend is de toestand aan het einde van de kalendermaand waarin de belasting moet worden ingehouden Artikel 25 1 Loontijdvak is het tijdvak waarover het loon wordt genoten Het bedrag van de belasting over een ander loontijdvak dan een jaar wordt door herleiding bepaald Bij de herleiding wordt een jaar op 260 dagen een maand op 65 3 dag een week op 5 dagen en een tijdvak dat korter is dan een dag op een dag gesteld 2 Bij ministeriële regeling kunnen loonbelastingtabellen worden vastgesteld voor loontijdvakken waarvoor Onze Minister dit nodig acht In deze tabellen wordt de heffingskorting voor de loonbelasting op zodanige wijze verwerkt dat naast het bedrag aan loon het belastingbedrag of belastingpercentage is vermeld In deze tabellen kan de verwerking van de heffingskorting geheel of ten dele achterwege worden gelatenen kan bij de verwerking van de heffingskorting rekening worden gehouden met algemeen voorkomende beloningen die worden belast volgens een tabel voor bijzondere beloningen als bedoeld in artikel 26 Bij het opstellen van deze tabellen kunnen loonklassen en afrondingen worden aangebracht 3 De loonbelastingtabellen worden vastgesteld op basis van de daarvoor benodigde gegevens zoals die vermoedelijk zullen luiden op het tijdstip van inwerkingtreding van de tabellen Voorzover de toegepaste gegevens zodanig afwijken van de gegevens zoals die luiden op het tijdstip van inwerkingtreding dat bij toepassing van laatstbedoelde gegevens andere tabellen zouden zijn vastgesteld worden bij ministeriële regeling nieuwe tabellen vastgesteld ingaande ten hoogste zes maanden na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip van inwerkingtreding waarin de in de

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Wet_LB_tekst_vanaf_010305_voor_Wet_VPL.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2005)
    gelden vergoedingen ter zake van kosten van kinderopvang als vrije vergoeding voorzover die vergoedingen niet meer bedragen dan een zesde deel van de voor de waardering van de verstrekking in aanmerking genomen waarde van de kinderopvang 2 Ten aanzien van de werknemer die geen partner heeft of een partner heeft die van een inhoudingsplichtige geen vergoeding ter zake van kosten van kinderopvang ontvangt en geen verstrekking van kinderopvang geniet wordt het in het in het eerste lid eerste volzin bedoelde deel van de aan de werknemer of zijn partner in rekening gebrachte kosten verhoogd tot een derde deel 3 Ten aanzien van de werknemer met een partner die een vergoeding ter zake van kosten van kinderopvang van een inhoudingsplichtige ontvangt welke minder bedraagt dan een zesde deel van de aan de werknemer of zijn partner in rekening gebrachte kosten wordt het in het eerste lid eerste volzin bedoelde deel verhoogd tot een derde deel en verminderd met de vergoeding van de partner Ten aanzien van de werknemer met een partner die een verstrekking van kinderopvang geniet van minder dan een zesde deel van de voor de waardering van de verstrekking in aanmerking genomen waarde van de kinderopvang wordt het in het eerste lid tweede volzin bedoelde deel verhoogd tot een derde deel en de uitkomst vervolgens verminderd met de verstrekking van de partner 4 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder kinderopvang verstaan kinderopvang waarvoor aanspraak op een tegemoetkoming kan ontstaan op de voet van artikel 5 eerste lid van de Wet kinderopvang 5 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder partner verstaan hetgeen daaronder in artikel 2 van de Wet kinderopvang wordt verstaan 6 Voor de toepassing van dit artikel wordt met een vergoeding ter zake van kosten van kinderopvang van een inhoudingsplichtige gelijkgesteld a een tegemoetkoming van een gemeente op grond van artikel 24 van de Wet kinderopvang b een tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 30 van de Wet kinderopvang 7 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de toepassing van dit artikel Artikel 17 1 Vrije verstrekkingen zijn a verstrekkingen voorzover zij geacht kunnen worden te strekken tot voorkoming van kosten lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking b andere verstrekkingen voorzover zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren 2 De artikelen 15a tot en met 16c zijn van overeenkomstige toepassing 3 Bijdragen van de werknemer aan vrije verstrekkingen komen niet in mindering op het loon Artikel 17a Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in redelijkheid ter zake van a woon werkverkeer in de vorm van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige b parkeergelegenheid bij de plaats van werkzaamheden indien er geen sprake is van parkeergelegenheid als bedoeld in artikel 15b eerste lid onderdeel r c algemeen erkende feestdagen en het Sint Nicolaasfeest een jubileum van de inhoudingsplichtige een dienstjubileum en de verjaardag en andere persoonlijke feestdagen van de werknemer alsmede het einde van de dienstbetrekking mits de verstrekkingen een in hoofdzaak ideële waarde hebben 2 Onder vervoer vanwege de inhoudingsplichtige wordt verstaan 1 vanwege de inhoudingsplichtige georganiseerd vervoer 2 het reizen per openbaar vervoer op basis van door de inhoudingsplichtige aangeschafte en door hem aan de werknemer verstrekte plaatsbewijzen HOOFDSTUK IIB PENSIOENREGELINGEN EN REGELINGEN VOOR VERVROEGDE UITTREDING Artikel 18 1 Onder pensioenregeling wordt verstaan een regeling a die uitsluitend of met het oog op uitzonderlijke gevallen van restbegunstiging nagenoeg uitsluitend ten doel heeft het treffen van 1 een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom voor werknemers en gewezen werknemers ouderdomspensioen 2 een inkomensvoorziening na hun overlijden ten behoeve van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten dan wel van degenen met wie zij duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren of hebben gevoerd en met wie geen bloed of aanverwantschap in de eerste graad bestaat nabestaandenpensioen 3 een inkomensvoorziening na hun overlijden ten behoeve van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt wezenpensioen 4 een inkomensvoorziening bij arbeidsongeschiktheid zodra die langer dan een jaar duurt en welke niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet worden geacht arbeidsongeschiktheidspensioen en b waarin is bepaald dat de aanspraken ingevolge de regeling niet kunnen worden afgekocht vervreemd of prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid kunnen worden anders dan in de gevallen voorzien bij of krachtens de Pensioen en spaarfondsenwet c waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam of de natuurlijke persoon bedoeld in artikel 19a eerste lid een en ander voor zover die regeling blijft binnen de in of krachtens dit hoofdstuk vastgestelde begrenzingen 2 Onder pensioenregeling wordt mede verstaan een regeling die a het ouderdomspensioen aanvult in verband met het ontbreken van uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet voor de 65 jarige leeftijd en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het ouderdomspensioen voor en na de 65 jarige leeftijd overbruggingspensioen b het nabestaandenpensioen dan wel het wezenpensioen aanvult in verband met het ontbreken van uitkeringen ingevolge de Algemene nabestaandenwet en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het pensioen voor en na de 65 jarige leeftijd nabestaandenoverbruggingspensioen 3 Ingeval een regeling voldoet aan de in het eerste lid opgenomen voorwaarden doch niet blijft binnen de in of krachtens dit hoofdstuk opgenomen begrenzingen is de regeling een pensioenregeling voorzover blijkt dat zij blijft binnen de in of krachtens dit hoofdstuk opgenomen begrenzingen De inhoudingsplichtige verzoekt de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de bedoelde begrenzingen vast te stellen welk deel van de desbetreffende aanspraak blijft binnen die begrenzingen Bij toepassing van de eerste volzin geeft de inhoudingsplichtige bij elke te zijner tijd op basis van de regeling te verstrekken pensioenuitkering overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels aan welk deel daarvan tot het loon van de werknemer behoort De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking Artikel 18a 1 Een op een eindloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 2 percent van het pensioengevend loon 2 Een op een middelloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 2 25 percent van het pensioengevend loon 3 Een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen wordt tijdsevenredig opgebouwd en is gericht op een pensioen dat na 35 jaren opbouw niet meer bedraagt dan 70 percent van het loon op dat tijdstip De beschikbare premie wordt ten hoogste bepaald met inachtneming van de volgende uitgangspunten a de beschikbare premie wordt actuarieel vastgesteld per leeftijdsklasse van ten hoogste vijf jaren en wordt afgestemd op de gemiddelde leeftijd in de klasse b als loopbaanontwikkeling wordt gerekend met een loonstijging van drie percent per jaar gedurende de jaren voor het bereiken van de 35 jarige leeftijd van twee percent per jaar gedurende de tien daaropvolgende jaren van een percent per jaar gedurende de tien daaropvolgende jaren en van nihil gedurende de overige jaren c bij de berekening wordt een rekenrente in aanmerking genomen van ten minste vier percent en wordt de te verwachten inflatie op nihil gesteld 4 Een ouderdomspensioen gaat niet later in dan bij het vroegste van de volgende tijdstippen 1 ingeval de dienstbetrekking eindigt voor de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum de vastgestelde ingangsdatum dan wel op het vroegste van de tijdstippen bedoeld onder 3 4 en 5 2 ingeval de dienstbetrekking eindigt op of na de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum het tijdstip waarop de dienstbetrekking eindigt 3 ingeval het ouderdomspensioen 100 percent van het pensioengevend loon komt te bedragen voordat de werknemer of gewezen werknemer de 65 jarige leeftijd heeft bereikt het tijdstip waarop hij de 65 jarige leeftijd bereikt 4 ingeval het ouderdomspensioen 100 percent van het pensioengevend loon komt te bedragen op of na het tijdstip waarop de werknemer of gewezen werknemer de 65 jarige leeftijd heeft bereikt het tijdstip waarop dat maximum wordt bereikt 5 het tijdstip waarop de werknemer de 70 jarige leeftijd bereikt 5 Ingeval het ouderdomspensioen later ingaat dan op de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum mag het pensioen na die ingangsdatum worden verhoogd overeenkomstig het tot die datum gevolgde stelsel met inbegrip van herrekening met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen doch niet verder dan tot 100 percent van het pensioengevend loon 6 Indien het ouderdomspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 60 jarige leeftijd wordt het herrekend ten opzichte van die leeftijd of van de in de pensioenregeling vastgestelde latere ingangsdatum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen Hierbij kan zonodig in afwijking van de feitelijke situatie worden uitgegaan van een pensioen dat uiterlijk ingaat bij het bereiken van de 60 jarige leeftijd en dat per dienstjaar niet meer bedraagt dan 2 percent van het pensioengevend loon 7 Een ouderdomspensioen gaat niet uit boven 100 percent van het pensioengevend loon op het tijdstip van ingang 8 a De in dit hoofdstuk met betrekking tot het desbetreffende pensioen opgenomen maxima worden voor het ouderdomspensioen opgevat met inbegrip van een bedrag dat ten minste wordt gesteld op per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar een evenredig gedeelte van de voor dat jaar geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9 eerste lid onderdeel b en vijfde lid van de Algemene Ouderdomswet vermeerderd met de vakantietoeslag b Voor het nabestaandenpensioen kan het in onderdeel a bedoelde bedrag voor 70 in aanmerking worden genomen c Voor het wezenpensioen kan het in onderdeel a bedoelde bedrag voor 14 en voor volle wezen voor 28 in aanmerking worden genomen 9 Met betrekking tot een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen als bedoeld in het derde lid vindt in afwijking van het vierde lid onder 3 en 4 de beoordeling of binnen de in het zevende lid genoemde begrenzingen wordt gebleven plaats op het tijdstip waarop voor het eerst aanspraak op ouderdomspensioen ontstaat en op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen Indien op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen de begrenzing wordt overschreden zal het meerdere worden uitgekeerd in een uitkering ineens De uitkering ineens dan wel indien uitkering niet plaatsvindt het bedrag dat zou moeten worden uitgekeerd wordt aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van de werknemer en wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen Ten aanzien van de werknemer die niet premieplichtig is voor de Algemene Ouderdomswet wordt in afwijking van de artikelen 20a en 26 de verschuldigde belasting over de uitkering onderscheidenlijk het bedrag dat zou moeten worden uitgekeerd gesteld op de som van de belasting en de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet die daarover verschuldigd zou zijn door een persoon die wel premieplichtig is ingevolge die wet en overigens in dezelfde omstandigheden verkeert als de werknemer Ten aanzien van de werknemer die wel premieplichtig is voor de Algemene Ouderdomswet is met betrekking tot de in de vorige volzin genoemde uitkeringen of bedragen artikel 26 niet van toepassing 10 Ingeval de werknemer voor het tijdstip van ingang van het ouderdomspensioen ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn wordt in het negende lid voor het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen steeds gelezen het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de werknemer ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn Artikel 18b 1 Een op een eindloonstelsel gebaseerd nabestaandenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 1 4 percent van het pensioengevend loon of bereikbare pensioengevend loon 2 Een op een middelloonstelsel gebaseerd nabestaandenpensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 1 58 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 3 Voor een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd nabestaandenpensioen is artikel 18a derde lid van overeenkomstige toepassing 4 Ingeval in de pensioenregeling is rekening gehouden met 1 een bepaalde nabestaande wordt gerekend met de feitelijke gegevens van die nabestaande 2 een onbepaalde nabestaande wordt gerekend met een leeftijdsverschil tussen de werknemer en de nabestaande van ten hoogste drie jaren 5 Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 18c worden voor het geval de werknemer niet in leven is op het tijdstip waarop het ouderdomspensioen zou ingaan ontbrekende dienstjaren en bereikbaar pensioengevend loon in aanmerking genomen Onder ontbrekende dienstjaren worden verstaan de jaren van het tijdstip van overlijden van de werknemer tot de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum Onder bereikbaar pensioengevend loon wordt verstaan het pensioengevend loon dat de gewezen werknemer binnen de vastgestelde loopbaanontwikkeling in zijn functie zou hebben kunnen bereiken 6 Een nabestaandenpensioen gaat in onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel onmiddellijk na beëindiging van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet 7 Een nabestaandenpensioen gaat niet uit boven 70 percent van het pensioengevend loon of het bereikbaar pensioengevend loon op het tijdstip van ingang 8 Voor de toepassing van het zevende lid is artikel 18a negende lid van overeenkomstige toepassing Artikel 18c 1 Een op een eindloonstelsel gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 0 28 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 2 Een op een middelloonstelsel gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 0 32 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 3 Voor een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd wezenpensioen is artikel 18a derde lid van overeenkomstige toepassing 4 Een wezenpensioen gaat in onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel direct na beëindiging van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet 5 Een wezenpensioen gaat op het tijdstip van ingang niet uit boven 14 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 6 Voor volle wezen worden de in de vorige leden genoemde percentages verdubbeld 7 Voor de toepassing van het vijfde en het zesde lid is artikel 18a negende lid van overeenkomstige toepassing Artikel 18d 1 In afwijking in zoverre van de artikelen 18a 18b en 18c kunnen een ouderdomspensioen een nabestaandenpensioen en een wezenpensioen meer bedragen dan de aldaar opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van a aanpassing van het pensioen aan loon of prijsontwikkeling b variatie in de hoogte van de uitkeringen waarbij de laagste uitkering niet minder bedraagt dan 75 percent van de hoogste uitkering en de mate van variatie ten laatste op de ingangsdatum van het pensioen wordt vastgesteld c waardeoverdracht van pensioenaanspraken d gehele of gedeeltelijke onderlinge ruil van nabestaandenpensioen wezenpensioen en ouderdomspensioen mits de ruil uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen plaatsvindt op basis van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen 2 Door ruil als bedoeld in het eerste lid onderdeel d ontstane verlies aan pensioen kan niet worden gecompenseerd en het nabestaandenpensioen en het wezenpensioen kunnen na een zodanige ruil niet meer bedragen dan 70 percent onderscheidenlijk 14 percent of 28 percent van het pensioengevend loon Zodanige ruil van nabestaandenpensioen en wezenpensioen kan niet plaatsvinden tot een hoger beloop dan 50 percent onderscheidenlijk 10 percent en 20 percent van het pensioengevend loon Artikel 18e 1 Een overbruggingspensioen is een pensioen dat a ingaat op hetzelfde tijdstip als het ouderdomspensioen en uiterlijk eindigt bij het bereiken van de 65 jarige leeftijd met dien verstande dat ingeval het overbruggingspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 60 jarige leeftijd dit wordt herrekend ten opzichte van die leeftijd of van de in de pensioenregeling vastgestelde latere ingangsdatum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen waarbij zonodig in afwijking van de feitelijke situatie kan worden uitgegaan van een pensioen dat op de voet van onderdeel b ten hoogste toelaatbaar is b per dienstjaar niet meer bedraagt dan 10 percent van het gezamenlijke bedrag van de uitkering ingevolge artikel 9 eerste lid onderdeel b van de Algemene Ouderdomswet en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het ouderdomspensioen voor en na de 65 jarige leeftijd en in totaal niet meer bedraagt dan 100 percent van dat gezamenlijke bedrag met dien verstande dat de opbouw van het overbruggingspensioen tijdsevenredig direct voorafgaande aan de ingangsdatum van het ouderdomspensioen moet plaatsvinden 2 Ingeval het tijdstip van ingang van het ouderdomspensioen wordt uitgesteld kan het overbruggingspensioen worden omgezet in een hoger overbruggingspensioen tot ten hoogste hetgeen op de voet van het eerste lid onderdeel b toelaatbaar is en voor het overige in ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen met dien verstande dat na de omzetting het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen niet meer kunnen bedragen dan onderscheidenlijk 100 percent en 70 percent van het pensioengevend loon 3 Voor de toepassing van het tweede lid is artikel 18a negende lid van overeenkomstige toepassing Artikel 18f Een nabestaandenoverbruggingspensioen is een pensioen dat a ingaat onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel onmiddellijk na beëindiging van het recht op een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet en uiterlijk eindigt bij het bereiken van de 65 jarige leeftijd b toekomt aan degene voor wie een regeling voor nabestaandenpensioen of wezenpensioen is getroffen of had kunnen worden getroffen c niet meer bedraagt dan het gezamenlijke bedrag van 8 7 maal de nominale uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet vermeerderd met de vakantie uitkering en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het nabestaandenpensioen voor en na de 65 jarige leeftijd Artikel 18g 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de perioden die in aanmerking komen als dienstjaren dan wel diensttijd bedoeld in de artikelen 18a 18b 18c 18e 18i en 38a 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het pensioengevend loon bedoeld in de artikelen 18a 18b 18c 18d 18e en 38a ter zake van a de loonbestanddelen die daarin worden opgenomen b de loonbestanddelen waarover de opbouw van het pensioen volgens een ander stelsel dan het eindloonstelsel dient plaats te vinden c de situatie waarin de werknemer aan het eind van zijn loopbaan in deeltijd gaat werken dan wel terugtreedt naar een lager gekwalificeerde functie met een lager loon dan in zijn daaraan voorafgaande functie Artikel 18h 1 In afwijking in zoverre van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde is een regeling waarvan geheel of gedeeltelijk een lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel d als verzekeraar optreedt een pensioenregeling indien zij voldoet aan de artikelen 18 tot en met 18g en voorts een pensioen inhoudt dat niet uitgaat boven hetgeen in collectieve regelingen gangbaar is 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden vastgesteld wat in collectieve regelingen als bedoeld in het eerste lid gangbaar is In afwijking daarvan kan worden vastgesteld dat de opbouwmogelijkheid aangegeven in artikel 18a eerste lid onverkort van toepassing is Artikel 18i Onder regeling voor vervroegde uittreding wordt verstaan een regeling die a voorziet in periodieke uitkeringen aan werknemers of gewezen werknemers die uiterlijk eindigen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar of bij eerder overlijden b een voorziening voor vervroegde uittreding inhoudt die niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen waaronder die ter zake van diensttijd en genoten beloning redelijk moet worden geacht en c waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam of natuurlijke persoon bedoeld in artikel 19a eerste lid Artikel 19 Met betrekking tot diensttijd waarin het loon nihil is of anderszins aanzienlijk lager is dan hetgeen gebruikelijk is kunnen geen onderscheidenlijk in zoverre geen aanspraken op een pensioenregeling of op een regeling voor vervroegde uittreding ontstaan als bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdeel c onderscheidenlijk onderdeel d Artikel 19a 1 Als verzekeraar van een pensioen of een voorziening voor vervroegde uittreding als bedoeld in de artikelen 18 en 18i kan optreden a een lichaam dat ingevolge artikel 5 onderdeel b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van die belasting b een verzekeraar die bevoegd is het directe verzekeringsbedrijf bedoeld in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 uit te oefenen mits deze de pensioenverplichting of de verplichting ingevolge de regeling voor vervroegde uittreding voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen c een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent mits het pensioen of de voorziening voor vervroegde uittreding de voortzetting is van een pensioen dat of een voorziening die reeds was verzekerd bij die verzekeraar in een periode waarin de werknemer of gewezen werknemer niet in Nederland woonde of niet in Nederland een dienstbetrekking vervulde d een ander lichaam dan bedoeld in de onderdelen a b en c dat in Nederland is gevestigd de pensioenverplichting of de verplichting ingevolge de regeling voor vervroegde uittreding voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen en voldoet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden e de natuurlijke persoon tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of heeft gestaan en die voldoet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden f een pensioenfonds of lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent anders dan bedoeld in de onderdelen a b en c dat door Onze Minister onder door hem te stellen voorwaarden is aangewezen en dat zich tegenover Onze Minister heeft verplicht 1 te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de regeling en 2 zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die is verschuldigd door toepassing van artikel 19b ofwel artikel 3 83 eerste of tweede lid of artikel 7 2 achtste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 dan wel de werknemer of gewezen werknemer zich heeft verplicht deze zekerheid te stellen 2 Het lichaam of de natuurlijke persoon bedoeld in het eerste lid onderdelen d en e kan slechts als verzekeraar van een pensioen optreden ter uitvoering van toezeggingen als bedoeld in artikel 2 derde lid van de Pensioen en spaarfondsenwet Stb 1981 18 of van toezeggingen waarvoor ontheffing is verleend van artikel 2 eerste lid van die wet 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid onderdeel f bedoelde aanwijzing Artikel 19b 1 Ingeval op enig tijdstip a een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding niet langer als zodanig is aan te merken b een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25 vijfde lid van de Invorderingswet 1990 wordt c een aanspraak ingevolge een pensioenregeling waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel d dan wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b wordt prijsgegeven behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is d de zekerheidstelling wordt beëindigd door de werknemer of de gewezen werknemer die zich op grond van artikel 19a eerste lid onderdeel f heeft verplicht deze zekerheid te stellen wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel indien deze is overleden van de gerechtigde tot de aanspraak 2 Ingeval een verplichting ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar wordt de aanspraak ingevolge die regeling geacht te worden afgekocht De eerste volzin is niet van toepassing ingeval de verplichting ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding geheel of gedeeltelijk overgaat naar een verzekeraar bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen a b d e of f mits deze overgang niet in strijd komt met de bepalingen bij of krachtens de artikelen 2 vierde lid 32 32a 32b of 32ba van de Pensioen en spaarfondsenwet Met betrekking tot een verplichting die is verzekerd bij een lichaam of natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen d of e wordt onder een overgang als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan herverzekering bij een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen a b d of f 3 Het eerste lid is niet van toepassing ingeval de werknemer of gewezen werknemer in het kader van scheiding van tafel en bed echtscheiding of beëindiging van samenleving een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding geheel of gedeeltelijk vervreemdt aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner dan wel omzet in een zodanige aanspraak met als gerechtigde die echtgenoot of gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner waarbij die verkregen of omgezette aanspraak voor de toepassing van deze wet wordt geacht de voortzetting te zijn van onderscheidenlijk de aanspraak op een pensioenregeling of de aanspraak op een regeling voor vervroegde uittreding van de werknemer of gewezen werknemer 4 Onze Minister kan zo nodig onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat het tweede lid eerste volzin niet van toepassing is indien de verplichting ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding overgaat op een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent anders dan bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel f zulks ter verwerving van aanspraken ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking buiten Nederland 5 Voor de toepassing van het eerste lid onderdeel a wordt een aanspraak op een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding mede niet langer als zodanig aangemerkt ingeval op enig tijdstip niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld ingevolge het vierde lid of artikel 19d 6 De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot aanspraken op periodieke uitkeringen bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdeel g Artikel 19c 1 Op verzoek van de inhoudingsplichtige beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking of een regeling een pensioenregeling is in de zin van de artikelen 18 tot en met 18h Het verzoek wordt gedaan voordat de regeling dan wel een wijziging van de regeling wordt ingevoerd 2 Indien een zodanig verzoek is gedaan en vervolgens onherroepelijk komt vast te staan dat de regeling niet een zodanige pensioenregeling is en de regeling onverwijld en ingaand op het tijdstip van ingang van de regeling wordt aangepast in dier voege dat de regeling wel een zodanige pensioenregeling is wordt de regeling geacht met terugwerkende kracht tot uiterlijk dat tijdstip een zodanige pensioenregeling te zijn De vorige volzin is niet van toepassing op pensioenregelingen als bedoeld in artikel 18h 3 Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op regelingen voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i Artikel 19d Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid afwijkingen toestaan van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde door regelingen of groepen van regelingen niet zijnde een regeling als bedoeld in artikel 18h eerste lid aan te wijzen als pensioenregeling onderscheidenlijk regeling voor vervroegde uittreding indien het een regeling betreft a die op bepaalde onderdelen niet meer dan in geringe mate afwijkt van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde mits het belang van de afwijkingen niet uitgaat boven het belang van de marges op andere onderdelen b voor gemoedsbezwaarden met een ontheffing als bedoeld in artikel 19 tweede lid van de Wet financiering volksverzekeringen die dient ter vervanging van een pensioenregeling onderscheidenlijk een regeling voor vervroegde uittreding c voor een tijdelijk in Nederland wonende of werkzame werknemer en die regeling voldoet aan artikel 1 7 tweede lid onderdeel c van de Wet inkomstenbelasting 2001 mits de opbouw van het pensioen of de voorziening voor vervroegde uittreding ingevolge die regeling tijdelijk in Nederland wordt voortgezet en het pensioen of de voorziening voor vervroegde uittreding reeds was verzekerd bij een pensioenfonds of lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen c of f in een periode waarin de werknemer niet in Nederland woonde of niet in Nederland een dienstbetrekking vervulde Zo nodig kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld Artikel 19e Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ter zake van de instelling van een Adviescommissie fiscale behandeling pensioenen De commissie adviseert over elementen van pensioenregelingen die weliswaar afwijken van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde maar niettemin van belang zijn voor een verdergaande flexibilisering van pensioenen waarbij acht wordt geslagen op het beginsel van budgettaire neutraliteit Artikel 19f Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van dit hoofdstuk alsmede met betrekking tot samenloop van verschillende pensioenstelsels HOOFDSTUK III TARIEF Artikel 20 1 De over een loontijdvak van een jaar verschuldigde belasting is het bedrag van de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare loon verminderd met het bedrag van de heffingskorting voor de loonbelasting 2 Het bedrag van de heffingskorting voor de loonbelasting bedraagt maximaal het bedrag van de verschuldigde belasting over het loontijdvak van een jaar Artikel 20a 1 De belasting over een loontijdvak van een jaar wordt bepaald aan de hand van de navolgende tabel tarieftabel Bij een belastbaar loon van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV 16 893 1 80 16 893 30 357 304 9 35 30 357 51 762 1 562 42 51 762 10 552 52 2 De in het eerste lid vermelde bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die krachtens artikel 10 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in artikel 2 10 van die wet vermelde bedragen Artikel 20b Vervallen per 30 12 1998 Artikel 21 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder a belastingtarief eerste schijf het in de eerste regel van de vierde kolom van de tabel in artikel 20a opgenomen percentage b gecombineerd heffingspercentage de som van het belastingtarief eerste schijf het volgens artikel 10a tweede lid van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering en de volgens artikel 11 van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentages voor de nabestaandenverzekering en de algemene verzekering bijzondere ziektekosten Artikel 21a De heffingskorting voor de loonbelasting is het deel van de standaardloonheffingskorting dat tot de standaardloonheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het belastingtarief eerste schijf staat tot het gecombineerde heffingspercentage Artikel 21b Bij de toepassing van artikel 21a op het deel van de standaardloonheffingskorting dat op de ouderenkorting of de aanvullende ouderenkorting betrekking heeft wordt het gecombineerde heffingspercentage verminderd met het volgens artikel 10a tweede lid van de Wet financiering volksverzekeringen voor de algemene ouderdomsverzekering vastgestelde premiepercentage Artikel 21c De standaardloonheffingskorting is het gezamenlijke bedrag van a de algemene heffingskorting artikel 22 b de arbeidskorting artikel 22a c de jonggehandicaptenkorting artikel 22aa d de ouderenkorting artikel 22b en e de aanvullende ouderenkorting artikel 22c Artikel 22 1 Voor de werknemer is de algemene heffingskorting van toepassing 2 De algemene heffingskorting bedraagt 1894 Artikel 22a 1 Voor de werknemer die loon uit tegenwoordige arbeid geniet is de arbeidskorting van toepassing 2 De arbeidskorting wordt berekend over het loon uit tegenwoordige arbeid en bedraagt de som van a 1 778 van dat loon met een maximum van 144 en b 11 867 van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer is dan 8101 De arbeidskorting bedraagt maximaal 1287 3 In afwijking van het tweede lid wordt a ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 60 het percentage bedoeld in het tweede lid onderdeel b vervangen door 14 410 en het bedrag bedoeld in het tweede lid tweede volzin vervangen door 1532 b ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 62 het percentage bedoeld in het tweede lid onderdeel b vervangen door 16 933 en het bedrag bedoeld in het tweede lid tweede volzin vervangen door 1775 c ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt het percentage bedoeld in het tweede lid onderdeel b vervangen door 19 466 en het bedrag bedoeld in het tweede lid tweede volzin vervangen door 2019 4 Met loon uit tegenwoordige arbeid worden gelijkgesteld a loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid b uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat 5 Loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn niet uitkeringen op grond van a de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering b de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen c de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten d buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de regelingen die zijn vermeld in de onderdelen a b en c Artikel 22aa 1 Voor de werknemer die een uitkering geniet op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten is de jonggehandicaptenkorting van toepassing 2 De jonggehandicaptenkorting bedraagt 531 Artikel 22b 1 Voor de werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en een tijdvakloon heeft dat op jaarbasis niet meer bedraagt dan 30 728 is de ouderenkorting van toepassing 2 De ouderenkorting bedraagt 454 Artikel 22c 1 Voor de werknemer op wie de ouderenkorting van toepassing is en die een uitkering als bedoeld in artikel 9 eerste lid onderdeel a of onderdeel c van de Algemene Ouderdomswet geniet is de aanvullende ouderenkorting van toepassing 2 De aanvullende ouderenkorting bedraagt 287 Artikel 22d De in de artikelen 22 22a 22aa 22b en 22c vermelde bedragen en de in artikel 22a vermelde percentages worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die en het percentage dat krachtens de artikelen 10 1 en 10 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in artikelen 8 10 8 11 8 16a 8 17 en 8 18 van die wet vermelde bedragen en de in artikel 8 11 van die wet vermelde percentages Artikel 23 1 Indien de werknemer over loontijdvakken die geheel of gedeeltelijk samenvallen loon geniet uit meer dan een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking dan wel van meer dan een inhoudingsplichtige en dit loon voor de berekening van de belasting niet wordt samengevoegd kan de werknemer de heffingskorting voor de loonbelasting slechts in een dienstbetrekking dan wel tegenover een inhoudingsplichtige geldend maken 2 In afwijking van het eerste lid wordt het deel van de heffingskorting dat betrekking heeft op de jonggehandicaptenkorting geldend gemaakt tegenover de inhoudingsplichtige die de uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten uitbetaalt Artikel 24 Voor de toepassing van de artikelen 21 tot en met 22d ter bepaling van de hoogte van de heffingskorting is beslissend de toestand op het tijdstip waarop de belasting moet worden ingehouden met dien verstande dat voor de ouderenkorting en de aanvullende ouderenkorting beslissend is de toestand aan het einde van de kalendermaand waarin de belasting moet worden ingehouden Artikel 25 1 Loontijdvak is het tijdvak waarover het loon wordt genoten Het bedrag van de belasting over een ander loontijdvak dan een jaar wordt door herleiding bepaald Bij de herleiding wordt een jaar op 260 dagen een maand op 65 3 dag een week op 5 dagen en een tijdvak dat korter is dan een dag op een dag gesteld 2 Bij ministeriële regeling kunnen loonbelastingtabellen worden vastgesteld voor loontijdvakken waarvoor Onze Minister dit nodig acht In deze tabellen wordt de heffingskorting voor de loonbelasting op zodanige wijze verwerkt dat naast het bedrag aan loon het belastingbedrag of belastingpercentage is vermeld In deze tabellen kan de verwerking van de heffingskorting geheel of ten dele achterwege worden gelatenen kan bij de verwerking van de heffingskorting rekening worden gehouden met algemeen voorkomende beloningen die worden belast volgens een tabel voor bijzondere beloningen als bedoeld in artikel 26 Bij het opstellen van deze tabellen kunnen loonklassen en afrondingen worden aangebracht 3 De loonbelastingtabellen worden vastgesteld op basis van de daarvoor benodigde gegevens zoals die vermoedelijk zullen luiden op het tijdstip van inwerkingtreding van de tabellen Voorzover de toegepaste gegevens zodanig afwijken van de gegevens zoals die luiden op het tijdstip van inwerkingtreding dat bij toepassing van laatstbedoelde gegevens andere tabellen zouden zijn vastgesteld worden bij ministeriële regeling nieuwe tabellen vastgesteld ingaande ten hoogste zes maanden na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip van inwerkingtreding waarin de in de verstreken loontijdvakken ontstane afwijking zoveel mogelijk in de nog niet verstreken loontijdvakken van het kalenderjaar wordt ongedaan gemaakt 4 Bij ministeriële

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Wet%20LB%20%28tekst%202005%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • URLB 2001 (tekst 2005, na Wet VPL)
    gedeelte van de woning vormt en a ingeval de werknemer tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft of b ingeval de werknemer niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren niet verstrekkingen van een werkruimte de inrichting daaronder begrepen in een woning de aanhorigheden daaronder begrepen van de werknemer tenzij de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en a ingeval de werknemer tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft of b ingeval de werknemer niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder woning mede verstaan een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen in de zin van artikel 1 van de Woningwet alsmede de aanhorigheden van een schip of een woonwagen Artikel 31 Normering vrije vergoedingen en verstrekkingen werkruimte 1 Tot de vrije vergoedingen behoren onverlet de toepassing van artikel 30 niet vergoedingen ter zake van werkruimte de inrichting daaronder begrepen in de woning de aanhorigheden daaronder begrepen van de werknemer voorzover deze meer bedragen dan 20 van de huur dan wel van de huurwaarde van de woning met inbegrip van de werkruimte In geval van een werkruimte in een eigen woning als bedoeld in artikel 3 111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt vorenbedoelde huurwaarde bepaald op de voet van artikel 3 19 tweede lid van die wet 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren onverlet de toepassing van artikel 30 niet verstrekkingen van werkruimte de inrichting daaronder begrepen in de woning de aanhorigheden daaronder begrepen van de werknemer voorzover deze meer bedragen dan 20 van de huur dan wel van de huurwaarde van de woning met inbegrip van de werkruimte In geval van een werkruimte in een eigen woning als bedoeld in artikel 3 111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt vorenbedoelde huurwaarde bepaald op de voet van artikel 3 19 tweede lid van die wet Artikel 32 Maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is Normbedragen 1 Tot de vrije vergoedingen behoren in zoverre in afwijking van het bepaalde in artikel 28 vergoedingen ter zake van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is voorzover het aantal maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 bedraagt en voorzover deze vergoedingen meer bedragen dan 1 55 voor een ontbijt 1 55 voor een koffiemaaltijd en 3 10 voor een warme maaltijd 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren in zoverre in afwijking van het bepaalde in artikel 28 verstrekkingen van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is voorzover het aantal maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 bedraagt en voorzover de waarde in het economische verkeer van deze verstrekkingen hoger is dan de in het eerste lid genoemde bedragen 3 Indien de in het eerste lid en tweede lid bedoelde vergoedingen en verstrekkingen mede betrekking hebben op maaltijden van de gezinsleden van de werknemer worden de in het eerste lid genoemde bedragen verhoogd a voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt met 80 b voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt met 50 c voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt met 30 Artikel 33 Genot van een woning 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van het genot van een woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voor zover a de vergoeding op jaarbasis meer bedraagt dan 18 van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bij een overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek of b de vergoeding meer bedraagt dan het op verzoek van de werknemer door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de besparing 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van het genot van de woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voor zover a de waarde in het economische verkeer op jaarbasis meer bedraagt dan 18 van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bij een overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek of b de waarde in het economische verkeer meer bedraagt dan het op verzoek van de werknemer door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de besparing 3 De in het eerste lid en tweede lid bedoelde vaststelling bij beschikking vindt slechts plaats indien de werknemer aannemelijk maakt dat het bedrag van de besparing aanmerkelijk lager is dan de waarde in het economische verkeer van het genot van de woning 4 De beschikking van de inspecteur die te allen tijde bij nadere voor bezwaar vatbare beschikking kan worden herroepen vindt toepassing met betrekking tot loontijdvakken die ten tijde van de beschikking nog niet zijn verstreken 5 Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking beschouwd de vergoeding van het genot van een woning en de verstrekking in de vorm van het genot van de woning terzake van de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking Artikel 34 Genot van bewassing energie en water 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van bewassing energie en water ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voorzover de vergoeding meer bedraagt dan het volgende bedrag a voor bewassing 13 75 per maand 3 25 per week 0 65 per dag b voor energie ten behoeve van verwarmingsdoeleinden 39 25 per maand 9 00 per week 1 80 per dag c voor energie ten behoeve van kookdoeleinden 21 75 per maand 5 00 per week 1 00 per dag d voor energie ten behoeve van andere dan verwarmings en kookdoeleinden 12 75 per maand 3 00 per week 0 60 per dag e voor water 6 00 per maand 1 50 per week 0 30 per dag 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van bewassing energie en water ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag Artikel 35 Inwoning 1 de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van inwoning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voorzover de vergoeding meer bedraagt dan 141 00 per maand 32 50 per week 6 50 per dag 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van inwoning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag 3 Indien de in het eerste lid en tweede lid bedoelde vergoedingen en verstrekkingen mede betrekking hebben op inwoning door de gezinsleden van de werknemer worden de in het eerste lid genoemde bedragen verhoogd a voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt met 80 b voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt met 50 c voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt met 30 Artikel 36 Voordeelurenkaart 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van het recht op vermindering tot maximaal 50 van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer hoofdzakelijk buiten de ochtendspits voordeelurenkaart indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon werkverkeer 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van het recht op vermindering tot maximaal 50 van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer hoofdzakelijk buiten de ochtendspits voordeelurenkaart indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon werkverkeer Artikel 37 Fiets voor woon werkverkeer 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf van een fiets voorzover de vergoeding meer bedraagt dan 68 00 en niet meer bedraagt dan 749 mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een fiets voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan 68 00 en niet hoger is dan 749 mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan 3 Tot de vrije verstrekkingen behoort de terbeschikkingstelling van een fiets met een catalogusprijs welke niet hoger is dan 749 inclusief omzetbelasting mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan 4 De voor de toepassing van het eerste tweede en derde lid geldende voorwaarden zijn a de werknemer maakt op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon werkverkeer gebruik van de fiets b in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren is ter zake van de aanschaf van een fiets geen vrije vergoeding betaald en c in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren is als vrije verstrekking geen fiets verstrekt dan wel ter beschikking gesteld 5 In afwijking in zoverre van het tweede lid behoort tot de vrije verstrekkingen de verstrekking van een fiets met een catalogusprijs welke niet hoger is dan 749 00 inclusief omzetbelasting die reeds vijf jaren voor woon werkverkeer aan de werknemer ter beschikking was gesteld mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon werkverkeer gebruik van de fiets blijft maken 6 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon werkverkeer voorzover de waarde van deze zaken in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen niet meer bedraagt dan 250 alsmede de vergoeding ter zake van een fietsverzekering mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon werkverkeer gebruik maakt van de fiets 7 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon werkverkeer voorzover de waarde van deze zaken in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen niet meer bedraagt dan 250 alsmede de verstrekking van een fietsverzekering mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon werkverkeer gebruik maakt van de fiets Artikel 38 Telefoonabonnement met meerdere aansluitingen of nummers 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een telefoonabonnement van de werknemer dat voorziet in meerdere aansluitingen of nummers en waarvan het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is voorzover de vergoeding meer bedraagt dan 20 32 per maand 4 750 per week 0 95 per dag 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een telefoonabonnement van de werknemer dat voorziet in meerdere aansluitingen of nummers en waarvan het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag Artikel 39 Telefoon 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een mede voor de dienstbetrekking gebruikte telefoon voorzover de kosten van de telefoon meer bedragen dan 22 69 per maand 5 22 per week 1 04 per dag 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een mede voor de dienstbetrekking gebruikte telefoon voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan de in het eerste lid genoemde bedragen 3 Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien de waarde in het economische verkeer van het gebruik van de telefoon anders dan ten behoeve van de dienstbetrekking meer bedraagt dan 454 op jaarbasis Artikel 40 Tweede of een volgende telefoon bij geheel of nagenoeg geheel zakelijk gebruik 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een tweede of een volgende telefoon van de werknemer die geheel of nagenoeg geheel ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking wordt gebruikt 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een tweede of een volgende telefoon van de werknemer die geheel of nagenoeg geheel ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking wordt gebruikt Artikel 41 Producten eigen bedrijf 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf bij de inhoudingsplichtige dan wel bij een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van branche eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap tot een bedrag van ten hoogste a 20 van de waarde in het economische verkeer van deze producten en b 475 per kalenderjaar 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van branche eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van ten hoogste a 20 van de waarde in het economische verkeer van deze producten en b een bedrag van 450 per kalenderjaar 3 De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden verhoogd met de voor de twee voorafgaande kalenderjaren geldende bedragen voorzover deze bedragen nog niet zijn benut De vorige volzin is niet van toepassing indien de dienstbetrekking in het desbetreffende kalenderjaar niet bestond 4 De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de dienstbetrekking is beëindigd door pensionering of arbeidsongeschiktheid 5 Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot geldleningen Artikel 42 Personeelsfeesten personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen in redelijkheid ter zake van personeelsreizen personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen waaraan de deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid voorzover de vergoedingen meer bedragen dan de laagste van de waarde in het economische verkeer van de voorzieningen en de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen deze kosten worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het overigens in dit hoofdstuk bepaalde 2 In afwijking in zoverre van het eerste lid behoren vergoedingen tot de vrije vergoedingen voorzover de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen een bedrag van 340 00 per kalenderjaar niet overtreffen Ingeval een personeelsvoorziening betrekking heeft op een jubileum van de inhoudingsplichtige wordt het bedrag van 340 00 verhoogd tot 454 00 3 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in redelijkheid van personeelsreizen personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen waaraan de deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid voorzover de waarde van de verstrekkingen hoger is dan de laagste van de waarde in het economische verkeer van de voorzieningen en de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen deze kosten worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het overigens in dit hoofdstuk bepaalde 4 In afwijking in zoverre van het derde lid behoren verstrekkingen tot de vrije verstrekkingen voorzover de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen een bedrag van 340 00 per kalenderjaar niet overtreffen Ingeval een personeelsvoorziening betrekking heeft op een jubileum van de inhoudingsplichtige wordt het bedrag van 340 00 verhoogd tot 454 00 Artikel 43 ARBO 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen die direct samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 tenzij de werknemer hierdoor een aanmerkelijke privé besparing geniet 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen die direct samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 tenzij de werknemer hierdoor een aanmerkelijke privé besparing geniet Artikel 44 Ongevallenverzekering 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van premies voor een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van een aanspraak op een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking Artikel 45 Outplacement 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van outplacement van de werknemer 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van outplacement van de werknemer Artikel 46 Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd 1 Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd behoren in ieder geval tot de vrije vergoedingen indien zij 2 75 per gewerkte week 0 55 per gewerkte dag als niet op vijf dagen per week wordt gewerkt niet te boven gaan 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien tijdens de werktijd consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd worden verstrekt Artikel 47 Vaste vergoedingen Vaste vergoedingen behoren niet tot het loon voorzover deze per kostencategorie naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd en daaraan voorts op verzoek van de inspecteur een steekproefsgewijs onderzoek van de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt Artikel 48 Buitenlandse regelingen inzake kinderopvang Vervallen per 01 01 2005 Artikel 49 Vrije vergoedingen kinderopvang Voor de toepassing van artikel 16c tweede of derde lid van de wet dient de inhoudingsplichtige een door de werknemer ondertekende gedagtekende verklaring in zijn loonadministratie te bewaren waarin is opgenomen a dat de werknemer geen partner heeft die van een inhoudingsplichtige een vergoeding ter zake van kosten van kinderopvang ontvangt of een verstrekking van kinderopvang geniet of dat hij een partner heeft die van een inhoudingsplichtige een vergoeding ter zake van kosten van kinderopvang ontvangt of een verstrekking van kinderopvang geniet welke minder bedraagt dan een zesde deel van de kosten of een zesde deel van de voor de waardering van de verstrekking in aanmerking genomen waarde van de kinderopvang b indien de partner van de werknemer van een inhoudingsplichtige een vergoeding ter zake van kinderopvang ontvangt de hoogte van de vergoeding c indien de partner van de werknemer van een inhoudingsplichtige een verstrekking van kinderopvang geniet de voor de waardering van de verstrekking in aanmerking genomen waarde van de kinderopvang en de waarde van de verstrekking d dat de werknemer zich verplicht terstond een nieuwe verklaring aan de inhoudingsplichtige te zullen overhandigen indien zich wijzigingen voordoen in de onder a b of c genoemde gegevens Artikel 50 Vrije verstrekkingen kinderopvang Vervallen per 01 01 2005 Artikel 51 Huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten voorzover de waarde in het economische verkeer van die verstrekking hoger is dan het bedrag aangegeven in de volgende tabel Huisvesting per maand per week per dag a aan boord van binnenschepen andere dan vissersschepen en baggermaterieel 1 voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont van een schip van meer dan 2000 ton van een schip van meer dan 500 doch niet meer dan 2000 ton van een ander schip of van baggermaterieel 129 00 96 75 64 50 30 00 22 50 15 00 6 00 4 50 3 00 2 voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft 52 00 12 00 2 40 b aan boord van zeeschepen andere dan vissersschepen en op boorplatforms 1 voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont 9 00 2 voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft voor een kapitein en voor een officier voor een andere werknemer 4 20 2 10 c aan boord van vissersschepen voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft 2 90 d in pakwagens van kermisexploitanten voor de werknemer die in een pakwagen woont en geen gezin heeft 52 00 12 00 2 40 e voor de werknemer die niet is aangeduid in de onderdelen a b c en d nihil nihil nihil Artikel 52 Bedragen bewassing energie en water begrepen in bedrag inwoning en huisvesting Voor de toepassing van artikel 35 en artikel 51 worden in het bedrag van inwoning dan wel in het bedrag van huisvesting geacht te zijn begrepen de bedragen van bewassing energie en water bedoeld in artikel 34 Artikel 53 Kost aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms 1 Tot de vrije verstrekkingen behoren in zoverre in afwijking van het bepaalde in artikel 32 verstrekkingen van kost aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms voorzover de waarde in het economische verkeer van de kost hoger is dan 4 45 per dag 2 Indien de in het eerste lid bedoelde verstrekkingen tevens betrekking hebben op gezinsleden van de werknemer wordt het in het eerste lid genoemde bedrag verhoogd a voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt met 80 b voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt met 50 c voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt met 30 Artikel 54 Therapeutisch meeëten Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van het in werktijd mee eten van werknemers in de geestelijke en lichamelijke gezondheids of welzijnszorg met de hen toevertrouwde patiënten pupillen of bewoners indien zij dit verplicht zijn op basis van de arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling op grond van opvoedkundige of therapeutische overwegingen of overwegingen van resocialiserende aard Artikel 55 Maaltijden in bedrijfskantines Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van maaltijden in bedrijfskantines of andere soortgelijke ruimten op de plaats waar de arbeid wordt verricht voorzover de waarde in het economische verkeer van die maaltijden hoger is dan 2 00 voor een ontbijt 2 00 voor een koffiemaaltijd en 3 85 voor een warme maaltijd Artikel 56 Kleding die blijft op de plaats waar de arbeid wordt verricht Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van tijdens de vervulling van de dienstbetrekking gedragen kleding die blijft op de plaats buiten de woning van de werknemer waar de arbeid wordt verricht Artikel 57 Ziektekostenregeling met een zeer lage waarde Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking in de vorm van een aanspraak ingevolge van een ziektekostenregeling met een waarde van ten hoogste 27 per jaar Artikel 58 Collectieve ziektekostenregeling waarvan de waardering hoger zou zijn dan de kosten van een individuele verzekering Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking in de vorm van een aanspraak ingevolge een collectieve ziektekostenregeling die overeenkomstig de door de ziektekostenverzekeraar in rekening gebrachte premie voor een deel wordt gedekt door een werknemersbijdrage die naar aard en omvang overeenkomt met de nominale premie ingevolge de Ziekenfondswet voorzover deze aanspraak wordt gedekt door andere stortingen dan de hiervoor bedoelde bijdrage en voorzover de op de voet van artikel 18 te bepalen waarde van deze aanspraak hoger is dan 2 676 per jaar Artikel 59 Rentevoordeel personeelsleningen 1 Tot de vrije verstrekkingen behoort het rentevoordeel ter zake van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening voorzover de rente die ter zake van de geldlening in het economische verkeer verschuldigd zou zijn hoger is dan 5 per jaar 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort in zoverre in afwijking van het eerste lid het rentevoordeel ter zake van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening voorzover de werknemer het geleende bedrag op een dusdanige wijze aanwendt dat een in de plaats van de lening voor de desbetreffende aanwending gekomen vergoeding of verstrekking hetzij geheel of nagenoeg geheel tot de vrije vergoedingen of vrije verstrekkingen zou hebben behoord hetzij op grond van artikel 11 eerste lid aanhef en onderdeel q van de wet of artikel XXIV onderdeel A van de Wet van 16 december 2004 Stb 653 Belastingplan 2005 niet tot het loon zou hebben behoord HOOFDSTUK 5 PENSIOENREGELINGEN EN REGELINGEN VOOR VERVROEGDE UITTREDING hoofdstuk IIB van de wet Artikel 60 Splitsing pensioenregeling 1 Bij overschrijding van de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet opgenomen begrenzingen als bedoeld in artikel 18 derde lid van de wet kan de inhoudingsplichtige de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de begrenzingen verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen welk deel van de aanspraak binnen de begrenzingen blijft en welk deel de begrenzingen te boven gaat 2 Met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde beschikking administreert de inhoudingsplichtige bij de loonadministratie afzonderlijk jaarlijks welk deel van de aanspraak tot het loon behoort en welk deel niet alsmede de waarde van het deel dat jaarlijks in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen Tevens administreert de inhoudingsplichtige naar rato van deze verdeling welk deel van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen als loon uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking zal worden genomen en welk deel als voordeel uit sparen en beleggen wordt behandeld 3 Van de ingevolge het tweede lid geadministreerde verdeling van de aanspraak en waarde van het deel dat in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen alsmede de verdeling van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen verstrekt de inhoudingsplichtige jaarlijks een opgave aan de inspecteur Artikel 61 Samenloop verschillende pensioenstelsels 1 Bij samenloop van verschillende pensioenstelsels in een pensioenregeling worden alle elementen van de pensioenregeling tezamen in acht genomen en in onderlinge samenhang bezien voor de vaststelling of de pensioenregeling moet worden aangemerkt als een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel een middelloonstelsel of een beschikbare premiestelsel 2 In afwijking van het eerste lid dient voor elk onderdeel van de pensioenregeling dat niet past binnen het op grond van het eerste lid vastgestelde pensioenstelsel afzonderlijk te worden beoordeeld op welk van de drie aldaar genoemde stelsels dat onderdeel is gebaseerd 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid kan de inhoudingsplichtige de inspecteur verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen op welk stelsel de pensioenregeling of een onderdeel daarvan is gebaseerd 4 Bij wijziging van een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd pensioen in een pensioen dat is gebaseerd op een eindloonstelsel of een middelloonstelsel blijven op de tot het moment van die stelselwijziging opgebouwde pensioenaanspraken de voorwaarden van toepassing die gelden voor een beschikbare premiestelsel HOOFDSTUK 6 TARIEF hoofdstuk III van de wet Artikel 62 Afwijkend loontijdvak bij werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is Ten aanzien van de werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaam is wordt in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet als loontijdvak aangemerkt a indien het loon per week wordt uitbetaald de week b indien het loon per vier weken wordt uitbetaald het tijdvak van vier weken c indien het loon per maand wordt uitbetaald de maand Artikel 63 Afwijkend loontijdvak bij werknemer met vakantiebonnen vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken 1 Ten aanzien van de werknemer wiens loon mede omvat de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken wordt in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet als loontijdvak aangemerkt a ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 20 of meer vakantiedagen een door vermenigvuldiging met de factor 260 231 verlengd loontijdvak b ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 19 of minder vakantiedagen een door vermenigvuldiging met de factor 260 245 verlengd loontijdvak 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt het aantal vakantiedagen in aanmerking genomen tot het krachtens de publiekrechtelijke regeling of de collectieve arbeidsovereenkomst voor een volwassen werknemer geldende aantal zonder rekening te houden met feestdagen en met extra vakantiedagen die aan de werknemer worden toegekend in verband met zijn leeftijd of de duur van zijn dienstverband Artikel 64 Afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren 1 Ten aanzien van de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer voor wie bij het begin van het kalenderkwartaal recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet dan wel die bij het begin van een kalenderkwartaal recht heeft op een gift een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dan wel die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming in de studiekosten ingevolge hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten kan in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet voor loonbetalingen waarvan het inhoudingstijdstip in dat kwartaal is gelegen dat kwartaal als loontijdvak worden aangemerkt De vorige volzin wordt niet toegepast ten aanzien van de werknemer die niet te kennen heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak kan worden aangemerkt 2 Indien in het kwartaal meer dan eens loon wordt verstrekt wordt de op een inhoudingstijdstip verschuldigde belasting bepaald op de belasting die is verschuldigd over het in dat kwartaal in totaal verstrekte loon verminderd met de reeds ingehouden belasting 3 Bij toepassing van dit artikel is in geval van twee opeenvolgende dienstbetrekkingen artikel 23 van de wet niet van toepassing HOOFDSTUK 7 WIJZE VAN HEFFING hoofdstuk IV van de wet Artikel 65 Loonbelastingverklaring 1 De inhoudingsplichtige reikt aan de werknemer een loonbelastingverklaring met de daarbij behorende toelichting uit a zodra hij ten aanzien van de werknemer inhoudingsplichtige wordt b op verzoek van de werknemer c zodra hij weet dat zich een wijziging heeft voorgedaan in de gegevens die de werknemer in de laatstelijk ingeleverde loonbelastingverklaring heeft verstrekt en die wijziging tot gevolg heeft dat de werknemer een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd 2 De inhoudingsplichtige mag in plaats van het door de Belastingdienst verstrekte model van de loonbelastingverklaring gebruik maken van een eigen model loonbelastingverklaring mits dat model minimaal de gegevens bevat van het model van de Belastingdienst inclusief de gebruiksaanwijzing en de toelichting op de vragen tenzij deze duidelijk niet betrekking hebben op de werknemer 3 Het eerste lid onderdeel a is niet van toepassing ingeval de inhoudingsplichtige een nieuwe arbeidsverhouding met de werknemer aangaat binnen een jaar nadat de vorige arbeidsverhouding is beëindigd 4 De werknemer verzoekt de inhoudingsplichtige om uitreiking van een loonbelastingverklaring indien zich een wijziging voordoet in de eerder door hem verstrekte gegevens en die wijziging tot gevolg heeft dat een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd 5 De werknemer aan wie een loonbelastingverklaring is uitgereikt is gehouden de daarbij gevraagde gegevens te verstrekken door de loonbelastingverklaring duidelijk stellig en zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend in te leveren bij de inhoudingsplichtige De werknemer levert de ingevulde en ondertekende loonbelastingverklaring in voor de eerste loonverstrekking 6 De inhoudingsplichtige tekent na terugontvangst van de loonbelastingverklaring daarop aan of de heffingskorting bij de werknemer wordt toegepast 7 De inhoudingsplichtige bewaart de loonbelastingverklaring bij de loonadministratie tot ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd dan wel waarin de loonbelastingverklaring door een andere is vervangen Desgevorderd doet de inhoudingsplichtige de loonbelastingverklaring aan de inspecteur toekomen binnen een door deze gestelde termijn Artikel 66 Identificatieplicht 1 De inhoudingsplichtige stelt zodra de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt diens identiteit vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor controle beschikbaar bij de loonadministratie 2 Indien uit het afschrift van het in het eerste lid bedoelde document niet de aard en het nummer van dat document blijkt administreert de inhoudingsplichtige de aard en het nummer van dat document bij de loonadministratie 3 De inspecteur kan al dan niet onder door hem te stellen voorwaarden en in overeenstemming met de desbetreffende uitvoeringsorganen van de sociale verzekering bepalen dat de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften op een andere plaats worden bewaard 4 De inhoudingsplichtige bewaart de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften tot ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd Artikel 67 Loonstaat 1 De inhoudingsplichtige legt voor iedere werknemer voor de eerste loonverstrekking in het kalenderjaar een loonstaat aan en houdt deze vervolgens bij De loonstaat wordt opgemaakt overeenkomstig het door de inspecteur verstrekte model De inhoudingsplichtige mag een van het model afwijkende loonstaat gebruiken mits deze ten minste de mogelijkheid biedt op duidelijke wijze dezelfde gegevens te administreren als het model 2 De inhoudingsplichtige wordt geacht aan het eerste lid te voldoen ingeval hij met behulp van elektronische apparatuur alle van belang zijnde gegevens vastlegt en hij die gegevens op elk gewenst tijdstip op schrift in de vorm van een van de in het eerste lid bedoelde loonstaten ter inzage kan verstrekken 3 In overeenstemming met de desbetreffende uitvoeringsorganen van de sociale verzekering kan de inspecteur onder door hem te stellen voorwaarden ermee instemmen dat de inhoudingsplichtige de op de loonstaat te vermelden gegevens op een andere dan de in het eerste of het tweede lid bedoelde wijze administreert De instemming kan te allen tijde worden ingetrokken indien de administratie niet zodanig is ingericht dat een deugdelijke controle gewaarborgd is 4 De inhoudingsplichtige ontleent de in het hoofd van de loonstaat te vermelden gegevens aan a de laatstelijk van de werknemer terugontvangen loonbelastingverklaring b de door de werknemer of de Belastingdienst verstrekte opgave van het sociaal fiscaalnummer 5 In afwijking in zoverre van het vierde lid aanhef en onderdeel a vermeldt de inhoudingsplichtige in het hoofd van de loonstaat de gegevens die hem bekend zijn a indien hij weet dat de laatstelijk van de werknemer terugontvangen loonbelastingverklaring onjuiste gegevens bevat b zolang hij niet de laatstelijk uitgereikte loonbelastingverklaring ingevuld van de werknemer heeft terugontvangen c indien de werknemer is vrijgesteld van de verplichting tot inlevering van de loonbelastingverklaring 6 De inhoudingsplichtige houdt behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 26b van de wet de belasting in aan de hand van de gegevens vermeld in het hoofd van de loonstaat 7 De inhoudingsplichtige houdt de loonadministratie ter plaatse waar hij in Nederland kantoor houdt of indien zodanig kantoor niet wordt gehouden ter plaatse waar hij in Nederland woont of gevestigd is dan wel ter plaatse waar hij in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft Bij gebreke daarvan houdt hij de loonadministratie onder zijn berusting De inspecteur kan in overeenstemming met de desbetreffende uitvoeringsorganen van de sociale verzekering een andere plaats aanwijzen 8 Ingeval de loonberekening door derden wordt uitgevoerd met behulp van mechanische of elektronische apparatuur kan de minister van Financiën onder door hem te stellen voorwaarden en in overeenstemming met de desbetreffende uitvoeringsorganen van de sociale verzekering bepalen dat de loonadministratie op een andere plaats wordt bewaard Artikel 68 Administratie uitkeringen vergoedingen en verstrekkingen 1 De inhoudingsplichtige administreert bij de loonadministratie de gegevens met betrekking tot de volgende uitkeringen vergoedingen en verstrekkingen die door hem niet tot het loon van de werknemer zijn gerekend a vrije vergoedingen met een vast of gelijkmatig karakter b vrije vergoedingen voor zover niet vallend onder onderdeel a van kosten

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Uitvoeringsregeling%20LB%202001%20%28tekst%202005%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (tekst 2005)
    de Nederlandse Antillen of Aruba 3 tewerkstelling als militair buiten het Koninkrijk der Nederlanden 4 tewerkstelling in een bij ministeriële regeling in overeenstemming met Onze Minister van Ontwikkelingssamenwerking aangewezen regio 5 het beoefenen van wetenschap of het geven van onderwijs d looptijd de periode gedurende welke dit hoofdstuk voor een werknemer van toepassing is 3 Een werknemer wordt slechts als uitgezonden aangemerkt indien hij in een periode van twaalf maanden ten minste 45 dagen ten behoeve van zijn werkzaamheden verblijft in een of meer plaatsen waarnaar hij is gezonden Bij de bepaling of aan deze voorwaarde is voldaan worden verblijfsperioden van minder dan 15 dagen niet in aanmerking genomen en worden dagen waarop de werknemer zonder onderbreking naar de desbetreffende plaatsen en terug reist of zou reizen bij gebruikmaking van het voor werknemers in het algemeen meest gebruikelijke vervoermiddel als dagen van verblijf in die plaatsen aangemerkt Indien aan de voorwaarde is voldaan kan de werknemer tevens als uitgezonden worden beschouwd gedurende alle overige dienstreizen van ten minste 10 dagen naar de desbetreffende plaatsen 4 Ambtenaren bij een post zijn a overplaatsbare ambtenaren van de Dienst Buitenlandse Zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken zijnde ambtenaren die zijn aangesteld om waar ook ter wereld werkzaam te zijn b niet overplaatsbare ambtenaren van die Dienst Buitenlandse Zaken die tijdelijk aan een post zijn toegevoegd c ambtenaren van andere ministeries die op een post zijn tewerkgesteld d militairen en burgerpersoneel van het ministerie van Defensie die op een post zijn geplaatst alsmede vlag en opperofficieren die zijn geplaatst op internationale staven in het buitenland e werknemers die op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht na uitzending vanuit Nederland werkzaamheden verrichten bij een post 5 Onder het beoefenen van wetenschap of het geven van onderwijs wordt verstaan a het buiten Nederland verrichten van onderzoek op de financiële basis van 1 een beurs of stipendium van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek of de Stichting voor wetenschappelijk onderzoek van de tropen 2 een NATO fellowship 3 door Onze minister aan te wijzen vergelijkbare beurzen stipendia en fellowships b het als leerkracht of beoefenaar van wetenschap door een instelling op het gebied van onderwijs of wetenschap worden uitgezonden dan wel op uitnodiging van een dergelijke in het buitenland gevestigde instelling zich naar het buitenland begeven met het doel aldaar onderwijs te geven aan een instelling op het gebied van onderwijs of wetenschap of wetenschappelijk onderzoek te verrichten voor een dergelijke instelling 6 Schoolgelden zijn uitgaven voor het door kinderen van de extraterritoriale werknemer volgen van basisonderwijs of voortgezet onderwijs aan internationale scholen en internationale afdelingen van niet internationale scholen tot de bedragen die door de school overeenkomstig haar tarieven voor onderwijs in rekening worden gebracht met uitzondering van kosten van kost en inwoning maar met inbegrip van vervoerskosten Artikel 9 1 Vergoedingen en verstrekkingen aan extraterritoriale werknemers van kosten respectievelijk ter voorkoming van kosten van verblijf buiten het land van herkomst worden ten aanzien van ingekomen werknemers op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de inhoudingsplichtige in elk geval beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot bewijsregel a 30 van de grondslag waarbij de grondslag is de som van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ter zake van het verblijf buiten het land van herkomst voorzover de ingekomen of uitgezonden werknemer ter zake geen recht heeft op voorkoming van dubbele belasting en de vergoeding voor extraterritoriale kosten b het bedrag van de schoolgelden 2 In geval van verstrekkingen zijn de waarderingsregels krachtens artikel 13 van de wet van toepassing Artikel 9a 1 Bij de beoordeling of een ingekomen werknemer specifieke deskundigheid bezit die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is wordt in onderlinge samenhang rekening gehouden met de volgende factoren voorzover relevant a het niveau van de door de werknemer gevolgde opleiding b de voor de functie relevante ervaring van de werknemer c het beloningsniveau van de onderhavige functie in Nederland in verhouding tot het beloningsniveau in het land van herkomst van de werknemer 2 Een werknemer van het middenkader of hoger kader van een internationaal concern met ten minste twee en een half jaar ervaring in dat concern die in het kader van roulatie wordt uitgezonden naar Nederland wordt geacht specifieke deskundigheid te bezitten die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is Artikel 9b 1 Voor ingekomen werknemers bedraagt de looptijd van de bewijsregel maximaal tien jaar ingaande op de eerste dag van de tewerkstelling door de inhoudingsplichtige 2 Voor uitgezonden werknemers is de looptijd van de bewijsregel gelijk aan de duur van de uitzending Artikel 9c 1 Indien een ingekomen werknemer tijdens de looptijd een andere inhoudingsplichtige krijgt blijft op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de nieuwe inhoudingsplichtige de bewijsregel gedurende de resterende looptijd van toepassing mits de periode tussen het einde van de tewerkstelling door de oude inhoudingsplichtige en de aanvang van de tewerkstelling door de nieuwe inhoudingsplichtige niet langer is dan drie maanden 2 Bij een dergelijk verzoek moet door de nieuwe inhoudingsplichtige opnieuw aannemelijk worden gemaakt dat de werknemer behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer Artikel 9d 1 Indien de ingekomen werknemer niet langer specifieke deskundigheid bezit die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is wordt de looptijd verminderd tot op het moment waarop deze situatie zich gaat voordoen maar tot op niet minder dan vijf jaar 2 Met ingang van het zesde jaar van de looptijd kan de inspecteur de inhoudingsplichtige verzoeken aannemelijk te maken dat de werknemer nog steeds behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer 3 Indien de inhoudingsplichtige met ingang van het zesde jaar van de looptijd aannemelijk maakt dat de werknemer op dat moment nog steeds behoort te worden aangemerkt als een ingekomen werknemer is het tweede lid gedurende de resterende looptijd niet meer van toepassing Artikel 9e 1 Indien de ingekomen werknemer voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling als ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige in Nederland is tewerkgesteld of is verbleven wordt de looptijd verminderd met de perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf 2 Perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf die meer dan vijftien jaar voorafgaand aan de tewerkstelling zijn geëindigd worden niet in aanmerking genomen 3 Perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf die meer dan tien jaar maar minder dan vijftien jaar voorafgaand aan de tewerkstelling zijn geëindigd worden niet in aanmerking genomen indien de ingekomen werknemer in de periode van tien jaar niet in Nederland is tewerkgesteld of is verbleven 4 Voor de toepassing van het derde lid is de ingekomen werknemer niet in Nederland tewerkgesteld indien hij in elk kalenderjaar van de periode van tien jaar maximaal 20 dagen hier te lande heeft gewerkt 5 Voor de toepassing van het derde lid is de ingekomen werknemer niet in Nederland verbleven indien hij in elk kalenderjaar van de periode van tien jaar in totaal niet langer dan zes weken in Nederland is verbleven wegens vakantie familiebezoek of andere persoonlijke omstandigheden waarbij in de periode van tien jaar eenmalig een periode van maximaal drie aaneengesloten maanden in Nederland wegens vakantie familiebezoek of andere persoonlijke omstandigheden niet in aanmerking wordt genomen Artikel 9f Indien een verzoek om toepassing van de bewijsregel als bedoeld in artikel 9h niet is gedaan binnen vier maanden na aanvang van de tewerkstelling als ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige wordt de looptijd verminderd met de periode tussen het tijdstip waarop de ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige is tewerkgesteld en het tijdstip waarop de beschikking bedoeld in artikel 9h voor het eerst van toepassing is Artikel 9g Bij vermindering van de looptijd volgens dit hoofdstuk wordt een periode waarmee de looptijd wordt verminderd naar boven afgerond op gehele kalendermaanden Artikel 9h 1 Een verzoek om toepassing of voortgezette toepassing van de bewijsregel ten aanzien van een ingekomen werknemer wordt gedaan aan de inspecteur Deze beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking 2 Indien het verzoek is gedaan binnen vier maanden na aanvang van de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer door de inhoudingsplichtige werkt de beschikking terug tot en met de aanvang van de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer Indien het verzoek later is gedaan is de beschikking van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het verzoek is gedaan Artikel 10 Vervallen per 01 01 2001 HOOFDSTUK 4 PENSIOENREGELINGEN EN REGELINGEN VOOR VERVROEGDE UITTREDING HOOFDSTUK IIB VAN DE WET Artikel 10a 1 Als perioden die meetellen als dienstjaren dan wel als diensttijd als bedoeld in de artikelen 18a 18b 18c 18e 18i en 38a van de wet worden in aanmerking genomen a de periode gedurende welke de dienstbetrekking heeft geduurd daaronder begrepen perioden van al dan niet in deeltijd 1 ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg 2 sabbatsverlof krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van de inhoudingsplichtige gedurende ten hoogste twaalf maanden 3 studieverlof voor cursussen voor opleidingen of studie voor een beroep voor het op peil houden van de vakkennis en voor cursussen opleidingen of studie die door de inhoudingsplichtige worden gefinancierd 4 verlof als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg gedurende ten hoogste achttien maanden met dien verstande dat bij dienstbetrekkingen in deeltijd de aldus in aanmerking te nemen periode wordt verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor b perioden gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een met de inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd voorzover hij bij dat verbonden lichaam niet heeft deelgenomen aan een pensioenregeling c perioden gedurende welke in aansluiting op de in de onderdelen a en b bedoelde perioden na onvrijwillig ontslag loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen of onder door Onze Minister te stellen voorwaarden perioden na ontslag van ten hoogste drie jaar d perioden gedurende welke in aansluiting op de in onderdelen a en b bedoelde perioden uitkeringen worden ontvangen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i van de wet e perioden gedurende welke in aansluiting op de in onderdelen a en b bedoelde perioden uitkeringen worden ontvangen ingevolge een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a van de wet f dienstjaren ten gevolge van waardeoverdracht van pensioenkapitaal als bedoeld in de artikelen 32 vierde lid 32a of 32b van de Pensioen en spaarfondsenwet naar de huidige inhoudingsplichtige of de pensioenuitvoerder van de huidige inhoudingsplichtige voor zover deze jaren op basis van een adequate diensttijdadministratie kunnen worden vastgesteld g perioden waarin de werknemer een tot zijn huishouden behorend kind heeft verzorgd dat de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt met dien verstande dat de perioden waarin de kinderen die hij heeft verzorgd de leeftijd van zes jaar hebben bereikt meetellen voor de helft Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt de aldus in aanmerking te nemen periode verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor 2 In afwijking van het eerste lid onderdeel a is met betrekking tot perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke de werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot vorige inhoudingsplichtigen inkoop van ontbrekende dienstjaren tot 8 juli 1994 toegestaan indien de werknemer aannemelijk kan maken dat er gerelateerd aan de pensioenregeling bij de huidige inhoudingsplichtige als gevolg van het ontbreken van die dienstjaren sprake is van een pensioentekort daaronder begrepen perioden vóór 8 juli 1994 gedurende welke in het buitenland werkzaamheden zijn verricht voor een met een vorige inhoudingsplichtige verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat niet in Nederland is gevestigd Artikel 10b 1 Als loonbestanddelen als bedoeld in artikel 18g tweede lid onderdeel a van de wet komen in aanmerking alle loonbestanddelen met uitzondering van het genot van een ter beschikking gestelde auto Voorzover over loonbestanddelen pensioen wordt opgebouwd volgens een eindloonstelsel komen loonstijgingen gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum in aanmerking tot ten hoogste 2 percent boven de gemiddelde loonindex voor de CAO lonen per maand inclusief bijzondere beloningen zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek met dien verstande dat in elk geval in aanmerking komen loonstijgingen als gevolg van gangbare functiewijzigingen of gangbare leeftijdsperiodieken 2 Voor de toepassing van artikel 18g tweede lid onderdeel b van de wet komen niet tot het regelmatig genoten loon behorende loonbestanddelen slechts in aanmerking voorzover de opbouw van het pensioen volgens een ander stelsel dan het eindloonstelsel plaatsvindt 3 Voor de toepassing van artikel 18g tweede lid onderdeel c van de wet mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven voorzover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie dan wel het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum De eerste volzin is bij een loonsverlaging die het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie uitsluitend van toepassing voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50 van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de in de eerste volzin bedoelde periode Artikel 10c Voor de toepassing van artikel 18h tweede lid van de wet is een regeling een pensioenregeling indien zij voldoet aan hoofdstuk IIB van de wet mits a loonbestanddelen in natura niet tot het pensioengevend loon worden gerekend b de bedragen die op de voet van de regeling op het loon van de werknemer worden ingehouden niet meer bedragen dan hetgeen door de inhoudingsplichtige wordt bijgedragen c de in te bouwen uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet per dienstjaar worden gesteld op ten minste de voor dat jaar geldende uitkeringen voor een ongehuwde persoon als bedoeld in artikel 9 eerste lid onderdeel a en vijfde lid onderdeel a van die wet vermeerderd met de vakantie uitkering d indien de werknemer geen mogelijke nabestaande of wees kan aanwijzen als waarop artikel 18b onderscheidenlijk 18c van de wet betrekking heeft de regeling geen nabestaandenpensioen onderscheidenlijk wezenpensioen omvat e een overbruggingspensioen voorzover dat dient ter overbrugging van een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet is afgestemd op het op grond van artikel 18a achtste lid in de pensioenregeling in aanmerking genomen bedrag Artikel 10d 1 Als een verzekeraar van een pensioen of een voorziening voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel f van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een verzekeraar die op grond van de artikelen 111 eerste lid onderdelen a tot en met c of tweede lid 113 eerste of vierde lid 116 eerste lid onderdelen a tot en met c of derde lid of 118 tweede of vijfde lid van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten 2 Als een pensioenfonds als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel f van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een lichaam dat naar het recht van de staat van diens zetel bevoegd gelden beheert strekkende tot verzekering van aanspraken ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding van tenminste 100 werknemers of gewezen werknemers en dat met betrekking tot deze aanspraken vanuit een vestiging buiten Nederland overeenkomsten sluit 3 Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan dient de verzekeraar onderscheidenlijk het pensioenfonds zich tegenover Onze Minister onder door hem te stellen voorwaarden te verplichten om met betrekking tot de bij deze verzekeraar of dit fonds verzekerde of nog te verzekeren aanspraken ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding bedoeld in de artikelen 18 en 18i van de wet inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de pensioenregelingen en de regelingen voor vervroegde uittreding en een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van artikel 19b van de wet In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie gevestigde verzekeraar of gevestigd pensioenfonds jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze verzekeraar of dit pensioenfonds onder door Onze Minister te stellen voorwaarden ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting 4 De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het derde lid bedoelde zekerheid niet door de verzekeraar of het pensioenfonds maar door de werknemer of de gewezen werknemer wordt gesteld waarbij deze tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken ingevolge een pensioenregeling of de regeling voor vervroegde uittreding aan de ontvanger mits de verzekeraar of het pensioenfonds instemt met deze verpanding 5 De aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken wanneer de verzekeraar of het pensioenfonds niet meer aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het derde lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt 6 Indien de aanwijzing wordt ingetrokken worden de aanspraken ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding niet op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemers of gewezen werknemers dan wel indien een werknemer of gewezen werknemer is overleden van de gerechtigden tot de aanspraken indien de aanspraken onder door Onze Minister te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een verzekeraar van een pensioen of een voorziening voor vervroegde uittreding die voldoet aan de in artikel 19a van de wet gestelde voorwaarden Artikel 10e 1 Er is een Adviescommissie fiscale behandeling pensioenen hierna te noemen de commissie 2 De commissie bestaat uit een voorzitter tevens lid en zes andere leden 3 De leden van de commissie zijn ten minste afkomstig uit kringen van a werkgevers b werknemers c pensioenfondsen d levensverzekeringsmaatschappijen e de wetenschap 4 De voorzitter en de andere leden van de commissie worden in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid benoemd door Onze Minister Zij worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaren Zij zijn te allen tijde herbenoembaar 5 De commissie stelt haar eigen werkwijze vast In het secretariaat wordt voorzien door Onze Minister 6 De kosten van de

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Uitvoeringsbesluit%20LB%201965%20%28tekst%202005%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2004)
    van toepassing indien de vergoeding niet als vrije vergoeding in de zin van artikel 15b eerste lid onderdeel a in aanmerking wordt genomen Artikel 16b Vervallen per 01 01 2004 Artikel 16c 1 Vergoedingen ter zake van op de werknemer drukkende kosten van kinderopvang gelden als vrije vergoeding a voorzover zij hoger zijn dan de bij ministeriële regeling vast te stellen bedragen en b mits wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen administratieve voorwaarden 2 Indien de kinderopvang bij de werknemer thuis plaatsvindt worden de in het eerste lid bedoelde kosten geacht niet meer te bedragen dan 9626 per kind per kalenderjaar 3 Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in het tweede lid vermelde bedrag van rechtswege vervangen door het bedrag dat krachtens artikel 10 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt vastgesteld ter vervanging van het in artikel 3 143 eerste lid van die wet vermelde bedrag 4 In dit artikel wordt verstaan onder kinderopvang opvang van kinderen en pleegkinderen die jonger zijn dan 13 jaar die voldoet aan de regels die krachtens artikel 20 van de Welzijnswet 1994 bij gemeentelijke verordening zijn gesteld met betrekking tot de kwaliteit van de opvang of die voldoet aan bij ministeriële regeling aan te wijzen buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met de krachtens artikel 20 van de Welzijnswet 1994 bij gemeentelijke verordening gestelde regels Artikel 17 1 Vrije verstrekkingen zijn a verstrekkingen voorzover zij geacht kunnen worden te strekken tot voorkoming van kosten lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking b andere verstrekkingen voorzover zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren 2 De artikelen 15a tot en met 16c zijn van overeenkomstige toepassing 3 Bijdragen van de werknemer aan vrije verstrekkingen komen niet in mindering op het loon Artikel 17a Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in redelijkheid ter zake van a woon werkverkeer in de vorm van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige b parkeergelegenheid bij de plaats van werkzaamheden indien er geen sprake is van parkeergelegenheid als bedoeld in artikel 15b eerste lid onderdeel r c algemeen erkende feestdagen en het Sint Nicolaasfeest een jubileum van de inhoudingsplichtige een dienstjubileum en de verjaardag en andere persoonlijke feestdagen van de werknemer alsmede het einde van de dienstbetrekking mits de verstrekkingen een in hoofdzaak ideële waarde hebben 2 Onder vervoer vanwege de inhoudingsplichtige wordt verstaan 1 vanwege de inhoudingsplichtige georganiseerd vervoer 2 het reizen per openbaar vervoer op basis van door de inhoudingsplichtige aangeschafte en door hem aan de werknemer verstrekte plaatsbewijzen HOOFDSTUK IIB PENSIOENREGELINGEN EN REGELINGEN VOOR VERVROEGDE UITTREDING Artikel 18 1 Onder pensioenregeling wordt verstaan een regeling a die uitsluitend of met het oog op uitzonderlijke gevallen van restbegunstiging nagenoeg uitsluitend ten doel heeft het treffen van 1 een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom voor werknemers en gewezen werknemers ouderdomspensioen 2 een inkomensvoorziening na hun overlijden ten behoeve van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten dan wel van degenen met wie zij duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren of hebben gevoerd en met wie geen bloed of aanverwantschap in de eerste graad bestaat nabestaandenpensioen 3 een inkomensvoorziening na hun overlijden ten behoeve van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt wezenpensioen 4 een inkomensvoorziening bij arbeidsongeschiktheid zodra die langer dan een jaar duurt en welke niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet worden geacht arbeidsongeschiktheidspensioen en b waarin is bepaald dat de aanspraken ingevolge de regeling niet kunnen worden afgekocht vervreemd of prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid kunnen worden anders dan in de gevallen voorzien bij of krachtens de Pensioen en spaarfondsenwet c waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam of de natuurlijke persoon bedoeld in artikel 19a eerste lid een en ander voor zover die regeling blijft binnen de in of krachtens dit hoofdstuk vastgestelde begrenzingen 2 Onder pensioenregeling wordt mede verstaan een regeling die a het ouderdomspensioen aanvult in verband met het ontbreken van uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet voor de 65 jarige leeftijd en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het ouderdomspensioen voor en na de 65 jarige leeftijd overbruggingspensioen b het nabestaandenpensioen dan wel het wezenpensioen aanvult in verband met het ontbreken van uitkeringen ingevolge de Algemene nabestaandenwet en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het pensioen voor en na de 65 jarige leeftijd nabestaandenoverbruggingspensioen 3 Ingeval een regeling voldoet aan de in het eerste lid opgenomen voorwaarden doch niet blijft binnen de in of krachtens dit hoofdstuk opgenomen begrenzingen is de regeling een pensioenregeling voorzover blijkt dat zij blijft binnen de in of krachtens dit hoofdstuk opgenomen begrenzingen De inhoudingsplichtige verzoekt de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de bedoelde begrenzingen vast te stellen welk deel van de desbetreffende aanspraak blijft binnen die begrenzingen Bij toepassing van de eerste volzin geeft de inhoudingsplichtige bij elke te zijner tijd op basis van de regeling te verstrekken pensioenuitkering overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels aan welk deel daarvan tot het loon van de werknemer behoort De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking Artikel 18a 1 Een op een eindloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 2 percent van het pensioengevend loon 2 Een op een middelloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 2 25 percent van het pensioengevend loon 3 Een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen wordt tijdsevenredig opgebouwd en is gericht op een pensioen dat na 35 jaren opbouw niet meer bedraagt dan 70 percent van het loon op dat tijdstip De beschikbare premie wordt ten hoogste bepaald met inachtneming van de volgende uitgangspunten a de beschikbare premie wordt actuarieel vastgesteld per leeftijdsklasse van ten hoogste vijf jaren en wordt afgestemd op de gemiddelde leeftijd in de klasse b als loopbaanontwikkeling wordt gerekend met een loonstijging van drie percent per jaar gedurende de jaren voor het bereiken van de 35 jarige leeftijd van twee percent per jaar gedurende de tien daaropvolgende jaren van een percent per jaar gedurende de tien daaropvolgende jaren en van nihil gedurende de overige jaren c bij de berekening wordt een rekenrente in aanmerking genomen van ten minste vier percent en wordt de te verwachten inflatie op nihil gesteld 4 Een ouderdomspensioen gaat niet later in dan bij het vroegste van de volgende tijdstippen 1 ingeval de dienstbetrekking eindigt voor de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum de vastgestelde ingangsdatum dan wel op het vroegste van de tijdstippen bedoeld onder 3 4 en 5 2 ingeval de dienstbetrekking eindigt op of na de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum het tijdstip waarop de dienstbetrekking eindigt 3 ingeval het ouderdomspensioen 100 percent van het pensioengevend loon komt te bedragen voordat de werknemer of gewezen werknemer de 65 jarige leeftijd heeft bereikt het tijdstip waarop hij de 65 jarige leeftijd bereikt 4 ingeval het ouderdomspensioen 100 percent van het pensioengevend loon komt te bedragen op of na het tijdstip waarop de werknemer of gewezen werknemer de 65 jarige leeftijd heeft bereikt het tijdstip waarop dat maximum wordt bereikt 5 het tijdstip waarop de werknemer de 70 jarige leeftijd bereikt 5 Ingeval het ouderdomspensioen later ingaat dan op de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum mag het pensioen na die ingangsdatum worden verhoogd overeenkomstig het tot die datum gevolgde stelsel met inbegrip van herrekening met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen doch niet verder dan tot 100 percent van het pensioengevend loon 6 Indien het ouderdomspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 60 jarige leeftijd wordt het herrekend ten opzichte van die leeftijd of van de in de pensioenregeling vastgestelde latere ingangsdatum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen Hierbij kan zonodig in afwijking van de feitelijke situatie worden uitgegaan van een pensioen dat uiterlijk ingaat bij het bereiken van de 60 jarige leeftijd en dat per dienstjaar niet meer bedraagt dan 2 percent van het pensioengevend loon 7 Een ouderdomspensioen gaat niet uit boven 100 percent van het pensioengevend loon op het tijdstip van ingang 8 a De in dit hoofdstuk met betrekking tot het desbetreffende pensioen opgenomen maxima worden voor het ouderdomspensioen opgevat met inbegrip van een bedrag dat ten minste wordt gesteld op per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar een evenredig gedeelte van de voor dat jaar geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9 eerste lid onderdeel b en vijfde lid van de Algemene Ouderdomswet vermeerderd met de vakantietoeslag b Voor het nabestaandenpensioen kan het in onderdeel a bedoelde bedrag voor 70 in aanmerking worden genomen c Voor het wezenpensioen kan het in onderdeel a bedoelde bedrag voor 14 en voor volle wezen voor 28 in aanmerking worden genomen 9 Met betrekking tot een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen als bedoeld in het derde lid vindt in afwijking van het vierde lid onder 3 en 4 de beoordeling of binnen de in het zevende lid genoemde begrenzingen wordt gebleven plaats op het tijdstip waarop voor het eerst aanspraak op ouderdomspensioen ontstaat en op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen Indien op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen de begrenzing wordt overschreden zal het meerdere worden uitgekeerd in een uitkering ineens De uitkering ineens dan wel indien uitkering niet plaatsvindt het bedrag dat zou moeten worden uitgekeerd wordt aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van de werknemer en wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen Ten aanzien van de werknemer die niet premieplichtig is voor de Algemene Ouderdomswet wordt in afwijking van de artikelen 20a en 26 de verschuldigde belasting over de uitkering onderscheidenlijk het bedrag dat zou moeten worden uitgekeerd gesteld op de som van de belasting en de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet die daarover verschuldigd zou zijn door een persoon die wel premieplichtig is ingevolge die wet en overigens in dezelfde omstandigheden verkeert als de werknemer Ten aanzien van de werknemer die wel premieplichtig is voor de Algemene Ouderdomswet is met betrekking tot de in de vorige volzin genoemde uitkeringen of bedragen artikel 26 niet van toepassing 10 Ingeval de werknemer voor het tijdstip van ingang van het ouderdomspensioen ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn wordt in het negende lid voor het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen steeds gelezen het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de werknemer ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn Artikel 18b 1 Een op een eindloonstelsel gebaseerd nabestaandenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 1 4 percent van het pensioengevend loon of bereikbare pensioengevend loon 2 Een op een middelloonstelsel gebaseerd nabestaandenpensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 1 58 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 3 Voor een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd nabestaandenpensioen is artikel 18a derde lid van overeenkomstige toepassing 4 Ingeval in de pensioenregeling is rekening gehouden met 1 een bepaalde nabestaande wordt gerekend met de feitelijke gegevens van die nabestaande 2 een onbepaalde nabestaande wordt gerekend met een leeftijdsverschil tussen de werknemer en de nabestaande van ten hoogste drie jaren 5 Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 18c worden voor het geval de werknemer niet in leven is op het tijdstip waarop het ouderdomspensioen zou ingaan ontbrekende dienstjaren en bereikbaar pensioengevend loon in aanmerking genomen Onder ontbrekende dienstjaren worden verstaan de jaren van het tijdstip van overlijden van de werknemer tot de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum Onder bereikbaar pensioengevend loon wordt verstaan het pensioengevend loon dat de gewezen werknemer binnen de vastgestelde loopbaanontwikkeling in zijn functie zou hebben kunnen bereiken 6 Een nabestaandenpensioen gaat in onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel onmiddellijk na beëindiging van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet 7 Een nabestaandenpensioen gaat niet uit boven 70 percent van het pensioengevend loon of het bereikbaar pensioengevend loon op het tijdstip van ingang 8 Voor de toepassing van het zevende lid is artikel 18a negende lid van overeenkomstige toepassing Artikel 18c 1 Een op een eindloonstelsel gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar of ontbrekend dienstjaar niet meer dan 0 28 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 2 Een op een middelloonstelsel gebaseerd wezenpensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 0 32 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 3 Voor een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd wezenpensioen is artikel 18a derde lid van overeenkomstige toepassing 4 Een wezenpensioen gaat in onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel direct na beëindiging van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet 5 Een wezenpensioen gaat op het tijdstip van ingang niet uit boven 14 percent van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon 6 Voor volle wezen worden de in de vorige leden genoemde percentages verdubbeld 7 Voor de toepassing van het vijfde en het zesde lid is artikel 18a negende lid van overeenkomstige toepassing Artikel 18d 1 In afwijking in zoverre van de artikelen 18a 18b en 18c kunnen een ouderdomspensioen een nabestaandenpensioen en een wezenpensioen meer bedragen dan de aldaar opgenomen maxima voor zover zulks het gevolg is van a aanpassing van het pensioen aan loon of prijsontwikkeling b variatie in de hoogte van de uitkeringen waarbij de laagste uitkering niet minder bedraagt dan 75 percent van de hoogste uitkering en de mate van variatie ten laatste op de ingangsdatum van het pensioen wordt vastgesteld c waardeoverdracht van pensioenaanspraken d gehele of gedeeltelijke onderlinge ruil van nabestaandenpensioen wezenpensioen en ouderdomspensioen mits de ruil uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen plaatsvindt op basis van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen 2 Door ruil als bedoeld in het eerste lid onderdeel d ontstane verlies aan pensioen kan niet worden gecompenseerd en het nabestaandenpensioen en het wezenpensioen kunnen na een zodanige ruil niet meer bedragen dan 70 percent onderscheidenlijk 14 percent of 28 percent van het pensioengevend loon Zodanige ruil van nabestaandenpensioen en wezenpensioen kan niet plaatsvinden tot een hoger beloop dan 50 percent onderscheidenlijk 10 percent en 20 percent van het pensioengevend loon Artikel 18e 1 Een overbruggingspensioen is een pensioen dat a ingaat op hetzelfde tijdstip als het ouderdomspensioen en uiterlijk eindigt bij het bereiken van de 65 jarige leeftijd met dien verstande dat ingeval het overbruggingspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 60 jarige leeftijd dit wordt herrekend ten opzichte van die leeftijd of van de in de pensioenregeling vastgestelde latere ingangsdatum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen waarbij zonodig in afwijking van de feitelijke situatie kan worden uitgegaan van een pensioen dat op de voet van onderdeel b ten hoogste toelaatbaar is b per dienstjaar niet meer bedraagt dan 10 percent van het gezamenlijke bedrag van de uitkering ingevolge artikel 9 eerste lid onderdeel b van de Algemene Ouderdomswet en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het ouderdomspensioen voor en na de 65 jarige leeftijd en in totaal niet meer bedraagt dan 100 percent van dat gezamenlijke bedrag met dien verstande dat de opbouw van het overbruggingspensioen tijdsevenredig direct voorafgaande aan de ingangsdatum van het ouderdomspensioen moet plaatsvinden 2 Ingeval het tijdstip van ingang van het ouderdomspensioen wordt uitgesteld kan het overbruggingspensioen worden omgezet in een hoger overbruggingspensioen tot ten hoogste hetgeen op de voet van het eerste lid onderdeel b toelaatbaar is en voor het overige in ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen met dien verstande dat na de omzetting het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen niet meer kunnen bedragen dan onderscheidenlijk 100 percent en 70 percent van het pensioengevend loon 3 Voor de toepassing van het tweede lid is artikel 18a negende lid van overeenkomstige toepassing Artikel 18f Een nabestaandenoverbruggingspensioen is een pensioen dat a ingaat onmiddellijk na het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer dan wel onmiddellijk na beëindiging van het recht op een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet en uiterlijk eindigt bij het bereiken van de 65 jarige leeftijd b toekomt aan degene voor wie een regeling voor nabestaandenpensioen of wezenpensioen is getroffen of had kunnen worden getroffen c niet meer bedraagt dan het gezamenlijke bedrag van 8 7 maal de nominale uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet vermeerderd met de vakantie uitkering en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het nabestaandenpensioen voor en na de 65 jarige leeftijd Artikel 18g 1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de perioden die in aanmerking komen als dienstjaren dan wel diensttijd bedoeld in de artikelen 18a 18b 18c 18e 18i en 38a 2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het pensioengevend loon bedoeld in de artikelen 18a 18b 18c 18d 18e en 38a ter zake van a de loonbestanddelen die daarin worden opgenomen b de loonbestanddelen waarover de opbouw van het pensioen volgens een ander stelsel dan het eindloonstelsel dient plaats te vinden c de situatie waarin de werknemer aan het eind van zijn loopbaan in deeltijd gaat werken dan wel terugtreedt naar een lager gekwalificeerde functie met een lager loon dan in zijn daaraan voorafgaande functie Artikel 18h 1 In afwijking in zoverre van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde is een regeling waarvan geheel of gedeeltelijk een lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel d als verzekeraar optreedt een pensioenregeling indien zij voldoet aan de artikelen 18 tot en met 18g en voorts een pensioen inhoudt dat niet uitgaat boven hetgeen in collectieve regelingen gangbaar is 2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden vastgesteld wat in collectieve regelingen als bedoeld in het eerste lid gangbaar is In afwijking daarvan kan worden vastgesteld dat de opbouwmogelijkheid aangegeven in artikel 18a eerste lid onverkort van toepassing is Artikel 18i Onder regeling voor vervroegde uittreding wordt verstaan een regeling die a voorziet in periodieke uitkeringen aan werknemers of gewezen werknemers die uiterlijk eindigen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar of bij eerder overlijden b een voorziening voor vervroegde uittreding inhoudt die niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen waaronder die ter zake van diensttijd en genoten beloning redelijk moet worden geacht en c waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam of natuurlijke persoon bedoeld in artikel 19a eerste lid Artikel 19 Met betrekking tot diensttijd waarin het loon nihil is of anderszins aanzienlijk lager is dan hetgeen gebruikelijk is kunnen geen onderscheidenlijk in zoverre geen aanspraken op een pensioenregeling of op een regeling voor vervroegde uittreding ontstaan als bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdeel c onderscheidenlijk onderdeel d Artikel 19a 1 Als verzekeraar van een pensioen of een voorziening voor vervroegde uittreding als bedoeld in de artikelen 18 en 18i kan optreden a een lichaam dat ingevolge artikel 5 onderdeel b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van die belasting b een verzekeraar die bevoegd is het directe verzekeringsbedrijf bedoeld in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 uit te oefenen mits deze de pensioenverplichting of de verplichting ingevolge de regeling voor vervroegde uittreding voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen c een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het levensverzekeringsbedrijf uitoefent mits het pensioen of de voorziening voor vervroegde uittreding de voortzetting is van een pensioen dat of een voorziening die reeds was verzekerd bij die verzekeraar in een periode waarin de werknemer of gewezen werknemer niet in Nederland woonde of niet in Nederland een dienstbetrekking vervulde d een ander lichaam dan bedoeld in de onderdelen a b en c dat in Nederland is gevestigd de pensioenverplichting of de verplichting ingevolge de regeling voor vervroegde uittreding voor de heffing van de vennootschapsbelasting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen en voldoet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden e de natuurlijke persoon tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of heeft gestaan en die voldoet aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden f een pensioenfonds of lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent anders dan bedoeld in de onderdelen a b en c dat door Onze Minister onder door hem te stellen voorwaarden is aangewezen en dat zich tegenover Onze Minister heeft verplicht 1 te voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de regeling en 2 zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die is verschuldigd door toepassing van artikel 19b ofwel artikel 3 83 eerste of tweede lid of artikel 7 2 achtste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 dan wel de werknemer of gewezen werknemer zich heeft verplicht deze zekerheid te stellen 2 Het lichaam of de natuurlijke persoon bedoeld in het eerste lid onderdelen d en e kan slechts als verzekeraar van een pensioen optreden ter uitvoering van toezeggingen als bedoeld in artikel 2 derde lid van de Pensioen en spaarfondsenwet Stb 1981 18 of van toezeggingen waarvoor ontheffing is verleend van artikel 2 eerste lid van die wet 3 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid onderdeel f bedoelde aanwijzing Artikel 19b 1 Ingeval op enig tijdstip a een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding niet langer als zodanig is aan te merken b een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25 vijfde lid van de Invorderingswet 1990 wordt c een aanspraak ingevolge een pensioenregeling waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel d dan wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b wordt prijsgegeven behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is d de zekerheidstelling wordt beëindigd door de werknemer of de gewezen werknemer die zich op grond van artikel 19a eerste lid onderdeel f heeft verplicht deze zekerheid te stellen wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel indien deze is overleden van de gerechtigde tot de aanspraak 2 Ingeval een verplichting ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar wordt de aanspraak ingevolge die regeling geacht te worden afgekocht De eerste volzin is niet van toepassing ingeval de verplichting ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding geheel of gedeeltelijk overgaat naar een verzekeraar bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen a b d e of f mits deze overgang niet in strijd komt met de bepalingen bij of krachtens de artikelen 2 vierde lid 32 32a 32b of 32ba van de Pensioen en spaarfondsenwet Met betrekking tot een verplichting die is verzekerd bij een lichaam of natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen d of e wordt onder een overgang als bedoeld in de eerste volzin mede verstaan herverzekering bij een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen a b d of f 3 Het eerste lid is niet van toepassing ingeval de werknemer of gewezen werknemer in het kader van scheiding van tafel en bed echtscheiding of beëindiging van samenleving een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding geheel of gedeeltelijk vervreemdt aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner dan wel omzet in een zodanige aanspraak met als gerechtigde die echtgenoot of gewezen echtgenoot onderscheidenlijk zijn partner of gewezen partner waarbij die verkregen of omgezette aanspraak voor de toepassing van deze wet wordt geacht de voortzetting te zijn van onderscheidenlijk de aanspraak op een pensioenregeling of de aanspraak op een regeling voor vervroegde uittreding van de werknemer of gewezen werknemer 4 Onze Minister kan zo nodig onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat het tweede lid eerste volzin niet van toepassing is indien de verplichting ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding overgaat op een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent anders dan bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdeel f zulks ter verwerving van aanspraken ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking buiten Nederland 5 Voor de toepassing van het eerste lid onderdeel a wordt een aanspraak op een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding mede niet langer als zodanig aangemerkt ingeval op enig tijdstip niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld ingevolge het vierde lid of artikel 19d 6 De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot aanspraken op periodieke uitkeringen bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdeel g Artikel 19c 1 Op verzoek van de inhoudingsplichtige beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking of een regeling een pensioenregeling is in de zin van de artikelen 18 tot en met 18h Het verzoek wordt gedaan voordat de regeling dan wel een wijziging van de regeling wordt ingevoerd 2 Indien een zodanig verzoek is gedaan en vervolgens onherroepelijk komt vast te staan dat de regeling niet een zodanige pensioenregeling is en de regeling onverwijld en ingaand op het tijdstip van ingang van de regeling wordt aangepast in dier voege dat de regeling wel een zodanige pensioenregeling is wordt de regeling geacht met terugwerkende kracht tot uiterlijk dat tijdstip een zodanige pensioenregeling te zijn De vorige volzin is niet van toepassing op pensioenregelingen als bedoeld in artikel 18h 3 Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op regelingen voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 18i Artikel 19d Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid afwijkingen toestaan van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde door regelingen of groepen van regelingen niet zijnde een regeling als bedoeld in artikel 18h eerste lid aan te wijzen als pensioenregeling onderscheidenlijk regeling voor vervroegde uittreding indien het een regeling betreft a die op bepaalde onderdelen niet meer dan in geringe mate afwijkt van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde mits het belang van de afwijkingen niet uitgaat boven het belang van de marges op andere onderdelen b voor gemoedsbezwaarden met een ontheffing als bedoeld in artikel 19 tweede lid van de Wet financiering volksverzekeringen die dient ter vervanging van een pensioenregeling onderscheidenlijk een regeling voor vervroegde uittreding c voor een tijdelijk in Nederland wonende of werkzame werknemer en die regeling voldoet aan artikel 1 7 tweede lid onderdeel c van de Wet inkomstenbelasting 2001 mits de opbouw van het pensioen of de voorziening voor vervroegde uittreding ingevolge die regeling tijdelijk in Nederland wordt voortgezet en het pensioen of de voorziening voor vervroegde uittreding reeds was verzekerd bij een pensioenfonds of lichaam als bedoeld in artikel 19a eerste lid onderdelen c of f in een periode waarin de werknemer niet in Nederland woonde of niet in Nederland een dienstbetrekking vervulde Zo nodig kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld Artikel 19e Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ter zake van de instelling van een Adviescommissie fiscale behandeling pensioenen De commissie adviseert over elementen van pensioenregelingen die weliswaar afwijken van het overigens in of krachtens dit hoofdstuk bepaalde maar niettemin van belang zijn voor een verdergaande flexibilisering van pensioenen waarbij acht wordt geslagen op het beginsel van budgettaire neutraliteit Artikel 19f Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van dit hoofdstuk alsmede met betrekking tot samenloop van verschillende pensioenstelsels HOOFDSTUK III TARIEF Artikel 20 1 De over een loontijdvak van een jaar verschuldigde belasting is het bedrag van de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare loon verminderd met het bedrag van de heffingskorting voor de loonbelasting 2 Het bedrag van de heffingskorting voor de loonbelasting bedraagt maximaal het bedrag van de verschuldigde belasting over het loontijdvak van een jaar Artikel 20a 1 De belasting over een loontijdvak van een jaar wordt bepaald aan de hand van de navolgende tabel tarieftabel Bij een belastbaar loon van meer dan maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat I II III IV 16 265 1 16 265 29 543 162 7 95 29 543 50 652 1 217 42 50 652 10 082 52 2 De in het eerste lid vermelde bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die krachtens artikel 10 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in artikel 2 10 van die wet vermelde bedragen Artikel 20b Vervallen per 30 12 1998 Artikel 21 In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder a belastingtarief eerste schijf het in de eerste regel van de vierde kolom van de tabel in artikel 20a opgenomen percentage b gecombineerd heffingspercentage de som van het belastingtarief eerste schijf het volgens artikel 10a tweede lid van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering en de volgens artikel 11 van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentages voor de nabestaandenverzekering en de algemene verzekering bijzondere ziektekosten Artikel 21a De heffingskorting voor de loonbelasting is het deel van de standaardloonheffingskorting dat tot de standaardloonheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het belastingtarief eerste schijf staat tot het gecombineerde heffingspercentage Artikel 21b Bij de toepassing van artikel 21a op het deel van de standaardloonheffingskorting dat op de ouderenkorting of de aanvullende ouderenkorting betrekking heeft wordt het gecombineerde heffingspercentage verminderd met het volgens artikel 10a tweede lid van de Wet financiering volksverzekeringen voor de algemene ouderdomsverzekering vastgestelde premiepercentage Artikel 21c De standaardloonheffingskorting is het gezamenlijke bedrag van a de algemene heffingskorting artikel 22 b de arbeidskorting artikel 22a c de jonggehandicaptenkorting artikel 22aa d de ouderenkorting artikel 22b en e de aanvullende ouderenkorting artikel 22c Artikel 22 1 Voor de werknemer is de algemene heffingskorting van toepassing 2 De algemene heffingskorting bedraagt 1825 Artikel 22a 1 Voor de werknemer die loon uit tegenwoordige arbeid geniet is de arbeidskorting van toepassing 2 De arbeidskorting wordt berekend over het loon uit tegenwoordige arbeid en bedraagt de som van a 1 753 van dat loon met een maximum van 142 en b 11 213 van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer is dan 8101 De arbeidskorting bedraagt maximaal 1213 3 In afwijking van het tweede lid wordt a ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 60 het percentage bedoeld in het tweede lid onderdeel b vervangen door 13 737 en het bedrag bedoeld in het tweede lid tweede volzin vervangen door 1454 b ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 62 het percentage bedoeld in het tweede lid onderdeel b vervangen door 16 250 en het bedrag bedoeld in het tweede lid tweede volzin vervangen door 1694 c ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt het percentage bedoeld in het tweede lid onderdeel b vervangen door 18 773 en het bedrag bedoeld in het tweede lid tweede volzin vervangen door 1935 4 Met loon uit tegenwoordige arbeid worden gelijkgesteld a loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid b uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat 5 Loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn niet uitkeringen op grond van a de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering b de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen c de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten d buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de regelingen die zijn vermeld in de onderdelen a b en c Artikel 22aa 1 Voor de werknemer die een uitkering geniet op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten is de jonggehandicaptenkorting van toepassing 2 De jonggehandicaptenkorting bedraagt 531 Artikel 22b 1 Voor de werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en een tijdvakloon heeft dat op jaarbasis niet meer bedraagt dan 30 303 is de ouderenkorting van toepassing 2 De ouderenkorting bedraagt 418 Artikel 22c 1 Voor de werknemer op wie de ouderenkorting van toepassing is en die een uitkering als bedoeld in artikel 9 eerste lid onderdeel a of onderdeel c van de Algemene Ouderdomswet geniet is de aanvullende ouderenkorting van toepassing 2 De aanvullende ouderenkorting bedraagt 248 Artikel 22d De in de artikelen 22 22a 22aa 22b en 22c vermelde bedragen en de in artikel 22a vermelde percentages worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die en het percentage dat krachtens de artikelen 10 1 en 10 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in artikelen 8 10 8 11 8 16a 8 17 en 8 18 van die wet vermelde bedragen en de in artikel 8 11 van die wet vermelde percentages Artikel 23 1 Indien de werknemer over loontijdvakken die geheel of gedeeltelijk samenvallen loon geniet uit meer dan een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking dan wel van meer dan een inhoudingsplichtige en dit loon voor de berekening van de belasting niet wordt samengevoegd kan de werknemer de heffingskorting voor de loonbelasting slechts in een dienstbetrekking dan wel tegenover een inhoudingsplichtige geldend maken 2 In afwijking van het eerste lid wordt het deel van de heffingskorting dat betrekking heeft op de jonggehandicaptenkorting geldend gemaakt tegenover de inhoudingsplichtige die de uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten uitbetaalt Artikel 24 Voor de toepassing van de artikelen 21 tot en met 22d ter bepaling van de hoogte van de heffingskorting is beslissend de toestand op het tijdstip waarop de belasting moet worden ingehouden met dien verstande dat voor de ouderenkorting en de aanvullende ouderenkorting beslissend is de toestand aan het einde van de kalendermaand waarin de belasting moet worden ingehouden Artikel 25 1 Loontijdvak is het tijdvak waarover het loon wordt genoten Het bedrag van de belasting over een ander loontijdvak dan een jaar wordt door herleiding bepaald Bij de herleiding wordt een jaar op 260 dagen een maand op 65 3 dag een week op 5 dagen en een tijdvak dat korter is dan een dag op een dag gesteld 2 Bij ministeriële regeling kunnen loonbelastingtabellen worden vastgesteld voor loontijdvakken waarvoor Onze Minister dit nodig acht In deze tabellen wordt de heffingskorting voor de loonbelasting op zodanige wijze verwerkt dat naast het bedrag aan loon het belastingbedrag of belastingpercentage is vermeld In deze tabellen kan de verwerking van de heffingskorting geheel of ten dele achterwege worden gelatenen kan bij de verwerking van de heffingskorting rekening worden gehouden met algemeen voorkomende beloningen die worden belast volgens een tabel voor bijzondere beloningen als bedoeld in artikel 26 Bij het opstellen van deze tabellen kunnen loonklassen en afrondingen worden aangebracht 3 De loonbelastingtabellen worden vastgesteld op basis van de daarvoor benodigde gegevens zoals die vermoedelijk zullen luiden op het tijdstip van inwerkingtreding van de tabellen Voorzover de toegepaste gegevens zodanig afwijken van de gegevens zoals die luiden op het tijdstip van inwerkingtreding dat bij toepassing van laatstbedoelde gegevens andere tabellen zouden zijn vastgesteld worden bij ministeriële regeling nieuwe tabellen vastgesteld ingaande ten hoogste zes maanden na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip van inwerkingtreding waarin de in de verstreken loontijdvakken ontstane afwijking zoveel mogelijk in de nog niet verstreken loontijdvakken van het kalenderjaar wordt ongedaan gemaakt 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld volgens welke in afwijking van het eerste lid als loontijdvak wordt aangemerkt een tijdvak waarvan het tijdvak waarover het loon wordt genoten deel uitmaakt Artikel 26 1 Tantièmes gratificaties en andere beloningen die in de regel slechts eenmaal of eenmaal per jaar worden toegekend worden belast volgens loonbelastingtabellen voor bijzondere beloningen die bij ministeriële regeling worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 25 tweede en derde lid met dien verstande dat in deze tabellen jaarlonen en belastingpercentages worden opgenomen en geen rekening wordt gehouden met de arbeidskorting 2 Indien dit niet tot een hoger belastingbedrag leidt mogen de in het eerste lid bedoelde beloningen worden beschouwd als een toevoeging aan

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Wet%20LB%20%28tekst%202004%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive

  • URLB 2001 (tekst 2004)
    is voorzover het aantal maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 bedraagt en voorzover de waarde in het economische verkeer van deze verstrekkingen hoger is dan de in het eerste lid genoemde bedragen 3 Indien de in het eerste lid en tweede lid bedoelde vergoedingen en verstrekkingen mede betrekking hebben op maaltijden van de gezinsleden van de werknemer worden de in het eerste lid genoemde bedragen verhoogd a voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt met 80 b voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt met 50 c voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt met 30 Artikel 33 Genot van een woning 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van het genot van een woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voor zover a de vergoeding op jaarbasis meer bedraagt dan 18 van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bij een overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek of b de vergoeding meer bedraagt dan het op verzoek van de werknemer door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de besparing 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van het genot van de woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voor zover a de waarde in het economische verkeer op jaarbasis meer bedraagt dan 18 van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bij een overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek of b de waarde in het economische verkeer meer bedraagt dan het op verzoek van de werknemer door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de besparing 3 De in het eerste lid en tweede lid bedoelde vaststelling bij beschikking vindt slechts plaats indien de werknemer aannemelijk maakt dat het bedrag van de besparing aanmerkelijk lager is dan de waarde in het economische verkeer van het genot van de woning 4 De beschikking van de inspecteur die te allen tijde bij nadere voor bezwaar vatbare beschikking kan worden herroepen vindt toepassing met betrekking tot loontijdvakken die ten tijde van de beschikking nog niet zijn verstreken 5 Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking beschouwd de vergoeding van het genot van een woning en de verstrekking in de vorm van het genot van de woning terzake van de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking Artikel 34 Genot van bewassing energie en water 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van bewassing energie en water ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voorzover de vergoeding meer bedraagt dan het volgende bedrag a voor bewassing 14 50 per maand 3 25 per week 0 65 per dag b voor energie ten behoeve van verwarmingsdoeleinden 36 25 per maand 8 25 per week 1 65 per dag c voor energie ten behoeve van kookdoeleinden 20 00 per maand 4 50 per week 0 90 per dag d voor energie ten behoeve van andere dan verwarmings en kookdoeleinden 12 50 per maand 3 00 per week 0 60 per dag e voor water 6 00 per maand 1 50 per week 0 30 per dag 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van bewassing energie en water ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag Artikel 35 Inwoning 1 de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van inwoning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voorzover de vergoeding meer bedraagt dan 136 50 per maand 31 50 per week 6 30 per dag 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van inwoning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag 3 Indien de in het eerste lid en tweede lid bedoelde vergoedingen en verstrekkingen mede betrekking hebben op inwoning door de gezinsleden van de werknemer worden de in het eerste lid genoemde bedragen verhoogd a voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt met 80 b voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt met 50 c voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt met 30 Artikel 36 Voordeelurenkaart 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van het recht op vermindering tot maximaal 50 van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer hoofdzakelijk buiten de ochtendspits voordeelurenkaart indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon werkverkeer 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van het recht op vermindering tot maximaal 50 van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer hoofdzakelijk buiten de ochtendspits voordeelurenkaart indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon werkverkeer Artikel 37 Fiets voor woon werkverkeer 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf van een fiets voorzover de vergoeding meer bedraagt dan 68 00 en niet meer bedraagt dan 749 mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een fiets voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan 68 00 en niet hoger is dan 749 mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan 3 Tot de vrije verstrekkingen behoort de terbeschikkingstelling van een fiets met een catalogusprijs welke niet hoger is dan 749 inclusief omzetbelasting mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan 4 De voor de toepassing van het eerste tweede en derde lid geldende voorwaarden zijn a de werknemer maakt op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon werkverkeer gebruik van de fiets b in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren is ter zake van de aanschaf van een fiets geen vrije vergoeding betaald en c in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren is als vrije verstrekking geen fiets verstrekt dan wel ter beschikking gesteld 5 In afwijking in zoverre van het tweede lid behoort tot de vrije verstrekkingen de verstrekking van een fiets met een catalogusprijs welke niet hoger is dan 749 00 inclusief omzetbelasting die reeds vijf jaren voor woon werkverkeer aan de werknemer ter beschikking was gesteld mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon werkverkeer gebruik van de fiets blijft maken 6 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon werkverkeer voorzover de waarde van deze zaken in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen niet meer bedraagt dan 250 alsmede de vergoeding ter zake van een fietsverzekering mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon werkverkeer gebruik maakt van de fiets 7 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon werkverkeer voorzover de waarde van deze zaken in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen niet meer bedraagt dan 250 alsmede de verstrekking van een fietsverzekering mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon werkverkeer gebruik maakt van de fiets Artikel 38 Telefoonabonnement met meerdere aansluitingen of nummers 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een telefoonabonnement van de werknemer dat voorziet in meerdere aansluitingen of nummers en waarvan het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is voorzover de vergoeding meer bedraagt dan 19 95 per maand 4 50 per week 0 90 per dag 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een telefoonabonnement van de werknemer dat voorziet in meerdere aansluitingen of nummers en waarvan het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag Artikel 39 Telefoon 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een mede voor de dienstbetrekking gebruikte telefoon voorzover de kosten van de telefoon meer bedragen dan 22 69 per maand 5 22 per week 1 04 per dag 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een mede voor de dienstbetrekking gebruikte telefoon voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan de in het eerste lid genoemde bedragen 3 Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien de waarde in het economische verkeer van het gebruik van de telefoon anders dan ten behoeve van de dienstbetrekking meer bedraagt dan 454 op jaarbasis Artikel 40 Tweede of een volgende telefoon bij geheel of nagenoeg geheel zakelijk gebruik 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een tweede of een volgende telefoon van de werknemer die geheel of nagenoeg geheel ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking wordt gebruikt 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een tweede of een volgende telefoon van de werknemer die geheel of nagenoeg geheel ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking wordt gebruikt Artikel 41 Producten eigen bedrijf 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf bij de inhoudingsplichtige dan wel bij een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van branche eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap tot een bedrag van ten hoogste a 20 van de waarde in het economische verkeer van deze producten en b 450 per kalenderjaar 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van branche eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van ten hoogste a 20 van de waarde in het economische verkeer van deze producten en b een bedrag van 450 per kalenderjaar 3 De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden verhoogd met de voor de twee voorafgaande kalenderjaren geldende bedragen voorzover deze bedragen nog niet zijn benut De vorige volzin is niet van toepassing indien de dienstbetrekking in het desbetreffende kalenderjaar niet bestond 4 Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot geldleningen Artikel 42 Personeelsfeesten personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen in redelijkheid ter zake van personeelsreizen personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen waaraan de deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid voorzover de vergoedingen meer bedragen dan de laagste van de waarde in het economische verkeer van de voorzieningen en de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen deze kosten worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het overigens in dit hoofdstuk bepaalde 2 In afwijking in zoverre van het eerste lid behoren vergoedingen tot de vrije vergoedingen voorzover de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen een bedrag van 340 00 per kalenderjaar niet overtreffen Ingeval een personeelsvoorziening betrekking heeft op een jubileum van de inhoudingsplichtige wordt het bedrag van 340 00 verhoogd tot 454 00 3 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in redelijkheid van personeelsreizen personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen waaraan de deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid voorzover de waarde van de verstrekkingen hoger is dan de laagste van de waarde in het economische verkeer van de voorzieningen en de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen deze kosten worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het overigens in dit hoofdstuk bepaalde 4 In afwijking in zoverre van het derde lid behoren verstrekkingen tot de vrije verstrekkingen voorzover de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen een bedrag van 340 00 per kalenderjaar niet overtreffen Ingeval een personeelsvoorziening betrekking heeft op een jubileum van de inhoudingsplichtige wordt het bedrag van 340 00 verhoogd tot 454 00 Artikel 43 ARBO 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen die direct samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 tenzij de werknemer hierdoor een aanmerkelijke privé besparing geniet 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen die direct samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 tenzij de werknemer hierdoor een aanmerkelijke privé besparing geniet Artikel 44 Ongevallenverzekering 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van premies voor een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van een aanspraak op een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking Artikel 45 Outplacement 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van outplacement van de werknemer 2 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van outplacement van de werknemer Artikel 46 Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd 1 Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd behoren in ieder geval tot de vrije vergoedingen indien zij 3 00 per gewerkte week 0 60 per gewerkte dag als niet op vijf dagen per week wordt gewerkt niet te boven gaan 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien tijdens de werktijd consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd worden verstrekt Artikel 47 Vaste vergoedingen Vaste vergoedingen behoren niet tot het loon voorzover deze per kostencategorie naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd en daaraan voorts op verzoek van de inspecteur een steekproefsgewijs onderzoek van de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt Artikel 48 Buitenlandse regelingen inzake kinderopvang De in artikel 16c vierde lid van de wet bedoelde buitenlandse regelingen zijn de regelingen die voldoen aan overeenkomstige eisen als gesteld in het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang Artikel 49 Vrije vergoedingen kinderopvang 1 Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van kosten van kinderopvang voor de werknemer die op vijf of meer dagen per week beroepsmatige kinderopvang voor een of meer kinderen pleegt te genieten voorzover zij meer bedragen dan het bedrag aangegeven in de desbetreffende volgende tabel Loon in geld voor niet genoemde bedragen treedt het naast lagere in de plaats Niet voor belastingvrije vergoeding in aanmerking komend bedrag terzake van kinderopvang gedurende meer dan vijf uur per dag niet zijnde buitenschoolse of naschoolse opvang Voor het eerste kind Voor elk volgend kind Per maand Per week Per dag Per maand Per week Per dag Per maand Per week Per dag 40 00 9 25 1 85 40 00 9 25 1 85 1 395 00 322 00 64 40 78 10 18 00 3 60 46 50 10 75 2 15 1 667 50 384 75 76 95 113 15 26 00 5 20 46 50 10 75 2 15 2 212 50 510 50 102 10 183 15 42 25 8 45 54 35 12 50 2 50 2 757 50 636 25 127 25 247 00 57 00 11 40 73 85 17 00 3 40 3 302 50 762 00 152 40 307 65 71 00 14 20 92 15 21 25 4 25 3 847 50 888 00 177 60 371 50 85 75 17 15 111 60 25 75 5 15 4 392 50 1 013 75 202 75 434 75 100 25 20 05 130 90 30 25 6 05 4 937 50 1 139 50 227 90 478 75 110 50 22 10 143 90 33 25 6 65 Loon in geld voor niet genoemde bedragen treedt het naast lagere in de plaats Niet voor belastingvrije vergoeding in aanmerking komend bedrag terzake van kinderopvang gedurende vijf uur per dag of minder niet zijnde buitenschoolse of naschoolse opvang Voor het eerste kind Voor elk volgend kind Per maand Per week Per dag Per maand Per week Per dag Per maand Per week Per dag 23 20 5 25 1 05 23 20 5 25 1 05 1 395 00 322 00 64 40 45 30 10 50 2 10 26 95 6 25 1 25 1 667 50 384 75 76 95 65 65 15 25 3 05 26 95 6 25 1 25 2 212 50 510 50 102 10 106 25 24 50 4 90 31 50 7 25 1 45 2 757 50 636 25 127 25 143 25 33 00 6 60 42 80 10 00 2 00 3 302 50 762 00 152 40 178 45 41 25 8 25 53 45 12 25 2 45 3 847 50 888 00 177 60 215 45 49 75 9 95 64 70 15 00 3 00 4 392 50 1 013 75 202 75 252 15 58 25 11 65 75 95 17 50 3 50 4 937 50 1 139 50 227 90 277 65 64 00 12 80 83 45 19 25 3 85 Loon in geld voor niet genoemde bedragen treedt het naast lagere in de plaats Niet voor belastingvrije vergoeding in aanmerking komend bedrag ter zake van buitenschoolse opvang Voor het eerste kind Voor elk volgend kind Per maand Per week Per dag Per maand Per week Per dag Per maand Per week Per dag 27 60 6 25 1 25 27 60 6 25 1 25 1 395 00 322 00 64 40 53 90 12 50 2 50 32 10 7 50 1 50 1 667 50 384 75 76 95 78 10 18 00 3 60 32 10 7 50 1 50 2 212 50 510 50 102 10 126 40 29 25 5 85 37 50 8 75 1 75 2 757 50 636 25 127 25 170 45 39 25 7 85 50 95 11 75 2 35 3 302 50 762 00 152 40 212 30 49 00 9 80 63 60 14 75 2 95 3 847 50 888 00 177 60 256 35 59 25 11 85 77 00 17 75 3 55 4 392 50 1 013 75 202 75 300 00 69 25 13 85 90 35 20 75 4 15 4 937 50 1 139 50 227 90 330 35 76 25 15 25 99 30 23 00 4 60 Loon in geld voor niet genoemde bedragen treedt het naast lagere in de plaats Niet voor belastingvrije vergoeding in aanmerking komend bedrag ter zake van naschoolse opvang Voor het eerste kind Voor elk volgend kind Per maand Per week Per dag Per maand Per week Per dag Per maand Per week Per dag 22 00 5 00 1 00 22 00 5 00 1 00 1 395 00 322 00 64 40 42 95 10 00 2 00 25 60 6 00 1 20 1 667 50 384 75 76 95 62 25 14 25 2 85 25 60 6 00 1 20 2 212 50 510 50 102 10 100 75 23 25 4 65 29 90 7 00 1 40 2 757 50 636 25 127 25 135 85 31 25 6 25 40 60 9 25 1 85 3 302 50 762 00 152 40 169 20 39 00 7 80 50 70 11 75 2 35 3 847 50 888 00 177 60 204 35 47 25 9 45 61 35 14 25 2 85 4 392 50 1 013 75 202 75 239 10 55 25 11 05 72 00 16 50 3 30 4 937 50 1 139 50 227 90 263 30 60 75 12 15 79 15 18 25 3 65 Onder buitenschoolse opvang wordt verstaan kinderopvang die zowel voor als na schooltijd en tijdens de schoolvakanties plaatsvindt Onder naschoolse opvang wordt verstaan kinderopvang die zowel na schooltijd als tijdens de schoolvakanties plaatsvindt 2 Ingeval de werknemer voor meer dan een kind beroepsmatige kinderopvang pleegt te genieten wordt als het in het eerste lid bedoelde eerste kind aangemerkt het kind voor wie het grootste aantal uren kinderopvang pleegt te worden genoten 3 Voor de werknemer die op vier dagen op drie dagen op twee dagen of op een dag per week beroepsmatige kinderopvang pleegt te genieten worden de in het eerste lid opgenomen niet als vrije vergoeding in aanmerking komende bedragen gesteld op onderscheidenlijk viervijfde drievijfde tweevijfde en eenvijfde van het in de tabel aangegeven bedrag 4 Voor het geval de kinderopvang bij de werknemer thuis plaatsvindt wordt het in artikel 16c tweede lid van de wet opgenomen bedrag van 9 626 per kind per kalenderjaar gesteld op 802 25 per maand 185 00 per week en 37 00 per dag 5 Voor de toepassing van het eerste lid dient de werknemer gedagtekende facturen aan de inhoudingsplichtige te overhandigen waarbij een afschrift is gevoegd van de vergunning of de verklaring die door de gemeente aan de instelling of de natuurlijke persoon die de kinderopvang verricht is afgegeven inhoudende dat de instelling of de natuurlijke persoon voldoet aan door de gemeente gestelde regels met betrekking tot de kwaliteit en in welke facturen op duidelijke en overzichtelijke wijze zijn vermeld a de instelling jegens welke of de natuurlijke persoon jegens wie de uitgaven worden gedaan b de instelling of de natuurlijke persoon die de kinderopvang verricht indien deze een andere is dan bedoeld in onderdeel a c naam en leeftijd van de kinderen voor wie kinderopvang pleegt te worden genoten d de perioden waarin en het aantal uren gedurende welke of het aantal dagen waarop gedurende meer dan vijf uur onderscheidenlijk vijf uur of minder dan wel in de vorm van buitenschoolse opvang onderscheidenlijk naschoolse opvang per kind kinderopvang pleegt te worden genoten en e het adres waar de kinderopvang pleegt plaats te vinden Voorts dient de werknemer een afschrift van de overeenkomst met de instelling of de natuurlijke persoon die de kinderopvang verzorgt aan de inhoudingsplichtige te overhandigen in welke overeenkomst is opgenomen het adres waar de kinderopvang pleegt plaats te vinden 6 De inhoudingsplichtige bewaart de in het vijfde lid bedoelde facturen en afschriften bij de loonadministratie 7 Voor de toepassing van dit artikel wordt het loon in geld vermeerderd met de bedragen bedoeld in artikel 11 eerste lid onderdeel j onder 2 3 en 4 van de wet Artikel 50 Vrije verstrekkingen kinderopvang 1 Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van beroepsmatige kinderopvang voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het met overeenkomstige toepassing van artikel 49 eerste tweede derde en vierde lid te berekenen bedrag 2 Ingeval de inhoudingsplichtige niet zelf de kinderopvang verricht is het eerste lid slechts van toepassing indien hij beschikt over de in artikel 49 vijfde lid vermelde bescheiden 3 Artikel 49 zesde lid en zevende lid is van overeenkomstige toepassing Artikel 51 Huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten voorzover de waarde in het economische verkeer van die verstrekking hoger is dan het bedrag aangegeven in de volgende tabel Huisvesting per maand per week per dag a aan boord van binnenschepen andere dan vissersschepen en baggermaterieel 1 voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont van een schip van meer dan 2000 ton van een schip van meer dan 500 doch niet meer dan 2000 ton van een ander schip of van baggermaterieel 125 00 93 75 62 50 29 00 21 75 14 50 5 80 4 35 2 90 2 voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft 51 00 11 75 2 35 b aan boord van zeeschepen andere dan vissersschepen en op boorplatforms 1 voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont 8 70 2 voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft voor een kapitein en voor een officier voor een andere werknemer 4 10 2 05 c aan boord van vissersschepen voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft 2 80 d in pakwagens van kermisexploitanten voor de werknemer die in een pakwagen woont en geen gezin heeft 51 00 11 75 2 35 e voor de werknemer die niet is aangeduid in de onderdelen a b c en d nihil nihil nihil Artikel 52 Bedragen bewassing energie en water begrepen in bedrag inwoning en huisvesting Voor de toepassing van artikel 35 en artikel 51 worden in het bedrag van inwoning dan wel in het bedrag van huisvesting geacht te zijn begrepen de bedragen van bewassing energie en water bedoeld in artikel 34 Artikel 53 Kost aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms 1 Tot de vrije verstrekkingen behoren in zoverre in afwijking van het bepaalde in artikel 32 verstrekkingen van kost aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms voorzover de waarde in het economische verkeer van de kost hoger is dan 4 45 per dag 2 Indien de in het eerste lid bedoelde verstrekkingen tevens betrekking hebben op gezinsleden van de werknemer wordt het in het eerste lid genoemde bedrag verhoogd a voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt met 80 b voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt met 50 c voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt met 30 Artikel 54 Therapeutisch meeëten Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van het in werktijd mee eten van werknemers in de geestelijke en lichamelijke gezondheids of welzijnszorg met de hen toevertrouwde patiënten pupillen of bewoners indien zij dit verplicht zijn op basis van de arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling op grond van opvoedkundige of therapeutische overwegingen of overwegingen van resocialiserende aard Artikel 55 Maaltijden in bedrijfskantines Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van maaltijden in bedrijfskantines of andere soortgelijke ruimten op de plaats waar de arbeid wordt verricht voorzover de waarde in het economische verkeer van die maaltijden hoger is dan 2 00 voor een ontbijt 2 00 voor een koffiemaaltijd en 3 80 voor een warme maaltijd Artikel 56 Kleding die blijft op de plaats waar de arbeid wordt verricht Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van tijdens de vervulling van de dienstbetrekking gedragen kleding die blijft op de plaats buiten de woning van de werknemer waar de arbeid wordt verricht Artikel 57 Ziektekostenregeling met een zeer lage waarde Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking in de vorm van een aanspraak ingevolge van een ziektekostenregeling met een waarde van ten hoogste 27 per jaar Artikel 58 Collectieve ziektekostenregeling waarvan de waardering hoger zou zijn dan de kosten van een individuele verzekering Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking in de vorm van een aanspraak ingevolge een collectieve ziektekostenregeling die overeenkomstig de door de ziektekostenverzekeraar in rekening gebrachte premie voor een deel wordt gedekt door een werknemersbijdrage die naar aard en omvang overeenkomt met de nominale premie ingevolge de Ziekenfondswet voorzover deze aanspraak wordt gedekt door andere stortingen dan de hiervoor bedoelde bijdrage en voorzover de op de voet van artikel 18 te bepalen waarde van deze aanspraak hoger is dan 2 580 per jaar Artikel 59 Rentevoordeel personeelsleningen 1 Tot de vrije verstrekkingen behoort het rentevoordeel ter zake van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening voorzover de rente die ter zake van de geldlening in het economische verkeer verschuldigd zou zijn hoger is dan 3 5 per jaar 2 Tot de vrije verstrekkingen behoort in zoverre in afwijking van het eerste lid het rentevoordeel ter zake van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening voorzover de werknemer het geleende bedrag op een dusdanige wijze aanwendt dat een in de plaats van de lening voor de desbetreffende aanwending gekomen vergoeding of verstrekking hetzij geheel of nagenoeg geheel tot de vrije vergoedingen of vrije verstrekkingen zou hebben behoord hetzij op grond van artikel 11 eerste lid aanhef en onderdeel p of onderdeel q van de wet niet tot het loon zou hebben behoord HOOFDSTUK 5 PENSIOENREGELINGEN EN REGELINGEN VOOR VERVROEGDE UITTREDING hoofdstuk IIB van de wet Artikel 60 Splitsing pensioenregeling 1 Bij overschrijding van de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet opgenomen begrenzingen als bedoeld in artikel 18 derde lid van de wet kan de inhoudingsplichtige de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de begrenzingen verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen welk deel van de aanspraak binnen de begrenzingen blijft en welk deel de begrenzingen te boven gaat 2 Met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde beschikking administreert de inhoudingsplichtige bij de loonadministratie afzonderlijk jaarlijks welk deel van de aanspraak tot het loon behoort en welk deel niet alsmede de waarde van het deel dat jaarlijks in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen Tevens administreert de inhoudingsplichtige naar rato van deze verdeling welk deel van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen als loon uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking zal worden genomen en welk deel als voordeel uit sparen en beleggen wordt behandeld 3 Van de ingevolge het tweede lid geadministreerde verdeling van de aanspraak en waarde van het deel dat in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen alsmede de verdeling van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen verstrekt de inhoudingsplichtige jaarlijks een opgave aan de inspecteur Artikel 61 Samenloop verschillende pensioenstelsels 1 Bij samenloop van verschillende pensioenstelsels in een pensioenregeling worden alle elementen van de pensioenregeling tezamen in acht genomen en in onderlinge samenhang bezien voor de vaststelling of de pensioenregeling moet worden aangemerkt als een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel een middelloonstelsel of een beschikbare premiestelsel 2 In afwijking van het eerste lid dient voor elk onderdeel van de pensioenregeling dat niet past binnen het op grond van het eerste lid vastgestelde pensioenstelsel afzonderlijk te worden beoordeeld op welk van de drie aldaar genoemde stelsels dat onderdeel is gebaseerd 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid kan de inhoudingsplichtige de inspecteur verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen op welk stelsel de pensioenregeling of een onderdeel daarvan is gebaseerd 4 Bij wijziging van een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd pensioen in een pensioen dat is gebaseerd op een eindloonstelsel of een middelloonstelsel blijven op de tot het moment van die stelselwijziging opgebouwde pensioenaanspraken de voorwaarden van toepassing die gelden voor een beschikbare premiestelsel HOOFDSTUK 6 TARIEF hoofdstuk III van de wet Artikel 62 Afwijkend loontijdvak bij werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is Ten aanzien van de werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaam is wordt in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet als loontijdvak aangemerkt a indien het loon per week wordt uitbetaald de week b indien het loon per vier weken wordt uitbetaald het tijdvak van vier weken c indien het loon per maand wordt uitbetaald de maand Artikel 63 Afwijkend loontijdvak bij werknemer met vakantiebonnen vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken 1 Ten aanzien van de werknemer wiens loon mede omvat de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken wordt in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet als loontijdvak aangemerkt a ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 20 of meer vakantiedagen een door vermenigvuldiging met de factor 260 231 verlengd loontijdvak b ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 19 of minder vakantiedagen een door vermenigvuldiging met de factor 260 245 verlengd loontijdvak 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt het aantal vakantiedagen in aanmerking genomen tot het krachtens de publiekrechtelijke regeling of de collectieve arbeidsovereenkomst voor een volwassen werknemer geldende aantal zonder rekening te houden met feestdagen en met extra vakantiedagen die aan de werknemer worden toegekend in verband met zijn leeftijd of de duur van zijn dienstverband Artikel 64 Afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren 1 Ten aanzien van de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer voor wie bij het begin van het kalenderkwartaal recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet dan wel die bij het begin van een kalenderkwartaal recht heeft op een gift een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dan wel die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming in de studiekosten ingevolge hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten kan in afwijking in zoverre van artikel 25 eerste lid van de wet voor loonbetalingen waarvan het inhoudingstijdstip in dat kwartaal is gelegen dat kwartaal als loontijdvak worden aangemerkt De vorige volzin wordt niet toegepast ten aanzien van de werknemer die niet te kennen heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak kan worden aangemerkt 2 Indien in het kwartaal meer dan eens loon wordt verstrekt wordt de op een inhoudingstijdstip verschuldigde belasting bepaald op de belasting die is verschuldigd over het in dat kwartaal in totaal verstrekte loon verminderd met de reeds ingehouden belasting 3 Bij toepassing van dit artikel is in geval van twee opeenvolgende dienstbetrekkingen artikel 23 van de wet niet van toepassing HOOFDSTUK 7 WIJZE VAN HEFFING hoofdstuk IV van de wet Artikel 65 Loonbelastingverklaring 1 De inhoudingsplichtige reikt aan de werknemer een loonbelastingverklaring met de daarbij behorende toelichting uit a zodra hij ten aanzien van de werknemer inhoudingsplichtige wordt b op verzoek van de werknemer c zodra hij weet dat zich een wijziging heeft voorgedaan in de gegevens die de werknemer in de laatstelijk ingeleverde loonbelastingverklaring heeft verstrekt en die wijziging tot gevolg heeft dat de werknemer een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd 2 De inhoudingsplichtige mag in plaats van het door de Belastingdienst verstrekte model van de loonbelastingverklaring gebruik maken van een eigen model loonbelastingverklaring mits dat model minimaal de gegevens bevat van het model van de Belastingdienst inclusief de gebruiksaanwijzing en de toelichting op de vragen tenzij deze duidelijk niet betrekking hebben op de werknemer 3 Het eerste lid onderdeel a is niet van toepassing ingeval de inhoudingsplichtige een nieuwe arbeidsverhouding met de werknemer aangaat binnen een jaar nadat de vorige arbeidsverhouding is beëindigd 4 De werknemer verzoekt de inhoudingsplichtige om uitreiking van een loonbelastingverklaring indien zich een wijziging voordoet in de eerder door hem verstrekte gegevens en die wijziging tot gevolg heeft dat een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd 5 De werknemer aan wie een loonbelastingverklaring is uitgereikt is gehouden de daarbij gevraagde gegevens te verstrekken door de loonbelastingverklaring duidelijk stellig en zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend in te leveren bij de inhoudingsplichtige De werknemer levert de ingevulde en ondertekende loonbelastingverklaring in voor de eerste loonverstrekking 6 De inhoudingsplichtige tekent na terugontvangst van de loonbelastingverklaring daarop aan of de heffingskorting bij de werknemer wordt toegepast 7 De inhoudingsplichtige bewaart de loonbelastingverklaring bij de loonadministratie tot ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd dan wel waarin de loonbelastingverklaring door een andere is vervangen Desgevorderd doet de inhoudingsplichtige de loonbelastingverklaring aan de inspecteur toekomen binnen een door deze gestelde termijn Artikel 66 Identificatieplicht 1 De inhoudingsplichtige stelt zodra de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt diens identiteit vast

    Original URL path: http://www.belastingdienstpensioensite.nl/Uitvoeringsregeling%20LB%202001%20%28tekst%202004%29.htm (2015-09-07)
    Open archived version from archive



  •