archive-nl.com » NL » D » DOMMEL.NL

Total: 815

Choose link from "Titles, links and description words view":

Or switch to "Titles and links view".
  • Waterschap De Dommel - Regelgeving zoeken
    een schets van het juridisch kader alsmede de regeling uit 2003 Hierna wordt beschreven op welke onderdelen die regeling aanpassing behoeft en op welke wijze die aanpassingen in het onderhavige verkeersbesluit zijn verwerkt Deze nota wordt afgesloten met een beschrijving van de voorbereidings procedure en een overzicht van de bevaarbare trajecten 2 Wettelijk kader Ingevolge de Scheepvaartverkeerswet geschiedt regulering van het scheepvaartverkeer in de vorm van verkeersbesluiten waarmee met inachtneming van hetgeen het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer alsmede het Binnenvaartpolitiereglement bepalen verkeerstekens kunnen worden aangebracht in of langs vaarwegen Deze verkeerstekens kunnen de instelling dan wel opheffing van een gebod of verbod inhouden Daarnaast is het mogelijk om bekendmakingen te doen met dezelfde strekking als een verkeersteken Op die manier kunnen voor het gehele beheergebied de geboden en verboden worden vastgesteld In de motivering van een verkeersbesluit wordt vermeld welke doelstelling of doelstellingen met het besluit worden beoogd Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 3 van de Scheepvaartverkeerswet genoemde belangen aan het besluit ten grondslag liggen Blijkens de Memorie van toelichting bij de Scheepvaartverkeerswet is met het stelsel van deze wet niet beoogd verkeersreglementering vast te stellen met als primaire doel bescherming van milieubelangen Daarvoor zijn de Wet milieubeheer en de Natuurbeschermingswet 1998 het aangewezen instrument De vraag of kanovaart past binnen de speciale natuurregelingen zoals de Flora en faunawet en de Natuurbeschermingswet dient uitsluitend binnen de bevoegdheid van het ministerie van EL I en provincie Noord Brabant beantwoord te worden 3 Verkeersbesluit vaarwegen 2003 Ingevolge het Verkeersbesluit vaarwegen 2003 geldt er voor het gehele beheersgebied van het waterschap een verbod om te varen en ligplaats te nemen Van dit verbod kan ontheffing worden verleend In enkele gevallen geldt voorts een vrijstellingsregeling Bij de ontheffingplichtige activiteiten is de beleidsnota nautisch beheer van belang Het Verkeersbesluit bepaalt immers alleen dát er een verbod behoudens ontheffing geldt Het geeft niet aan wanneer en onder welke condities ontheffing kan worden verleend In de beleidsnota zijn alle watergangen waarvoor een ontheffingplicht geldt gezoneerd Dat houdt in dat per watergang een weging van belangen heeft plaatsgevonden aan de hand waarvan ontheffingen worden verleend De regeling uit 2003 heeft op een goede manier bijgedragen aan met name het aspect veiligheid op het water Het waterschap heeft de afgelopen jaren op grote schaal voorzieningen in en uitstapplaatsen en andere vormen aangelegd in de watergangen die in de toenmalige beleidsnota als klasse 2 of hoger waren aangeduid Voor een aantal situaties moeten nog voorzieningen worden aangelegd Meestal zijn deze gekoppeld aan uitvoeringsprojecten In de herinrichtingsprojecten is er specifiek aandacht voor de veiligheid van de recreatievaart Daarmee is bijna op alle watergangen de kans op ongevallen en schade geminimaliseerd De regeling uit 2003 voldoet echter op enkele punten niet meer Het ontheffingenstelsel waarbij vaarbewegingen vergund worden is in strijd met het doel en de strekking van de naderhand uitgevaardigde Europese Dienstenrichtlijn Als het maximale aantal vaarbewegingen op een waterloop vergund is bestaat er voor derden geen mogelijkheden om te varen en of toegang te krijgen tot de

    Original URL path: http://www.dommel.nl/cvdr/272372_3/Verkeersbesluit+Vaarwegen+Waterschap+de+Dommel.html (2015-12-02)
    Open archived version from archive


  • Waterschap De Dommel - Regelgeving zoeken
    daarmee een bijdrage aan de droogtebestrijding en aan de afvlakking van afvoerpieken naar het watersysteem Daarnaast is uitbreiding van zuiveringsinrichtingen minder snel nodig Bovendien leidt afkoppelen tot een verlaging van de overstortingsfrequentie van riooloverstorten Aanleiding formuleren nieuwe bijdrageregeling In de vorige bijdrageregeling Stimuleringsregeling afkoppelen verhard oppervlak 2006 werd onderscheid gemaakt op basis van de aard van het ontvangende oppervlaktewater waarbij een maximale subsidie van 20 m2 ter beschikking werd gesteld bij lozing op een prioritaire watergang klasse eerste prioriteit en overig ontvangend oppervlaktewater waarvoor een maximale subsidie van 10 m2 ter beschikking werd gesteld In beide gevallen werd de subsidie gemaximeerd op 50 van de meerkosten van afkoppelen De Stimuleringsregeling afkoppelen verhard oppervlak 2006 bleek te weinig relatie met de te bereiken voordelen van afkoppelen in relatie tot de specifieke doelen van het waterschap te hebben Daarnaast leidt de bepaling dat de subsidie was gemaximeerd op 50 van de meerkosten van afkoppelen tot veel discussie over de toerekening van kosten aan afkoppelen aangezien het in de praktijk bijzonder lastig is dit onderscheid zeker waar afkoppelen wordt gecombineerd met rioolvervanging te maken Doelstelling De Wet van 28 juni 2007 verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken geeft aan dat gemeenten een zorgplicht hebben voor de volgende doelen 1 zorgdragen voor inzameling van stedelijk afvalwater 2 zorgdragen voor transport van stedelijk afvalwater 3 zorgdragen voor inzameling van hemelwater 4 zorgdragen voor verwerking van hemelwater 5 zorgdragen voor een grondwaterregime dat de bestemming van een gebied niet belemmert De gemeenten zijn hierbij in principe vrij om een keuze te maken van de manier waarop het hemelwater wordt verwerkt waarbij de kostenfactor vaak een drempel is om tot afkoppelen over te gaan Een van de mogelijkheden die het waterschap heeft om de gemeenten te stimuleren een afweging te maken met betrekking tot de verwerking van hemelwater die het best past op de doelen van het waterschap is het ter beschikking stellen van een subsidie voor afkoppelen Deze regeling heeft als doel met name gemeenten te stimuleren schone verharde oppervlakken die nu nog via gemengde rioolstelsels lozen op rwzi s af te koppelen Dit kan door het rechtstreeks of via schoonwaterriolen lozen op oppervlaktewater maar bij voorkeur via infiltratie als grondslag en grondwaterstand dit toestaan Het waterschap wil door deze regeling de drempel verlagen met name in die situaties waarbij relatief grote voordelen in watersysteem of keten kunnen worden behaald Praktisch gezien kan een gemeente jaarlijks slechts 0 5 1 van het areaal verhard oppervlak kosteneffectief afkoppelen Afkoppelen is hiermee een zaak van de lange adem Om hieraan recht te doen wordt voorgesteld om de regeling ook een langer lopend karakter te geven zoals overigens bij diverse waterschappen gangbaar is en de regeling te laten gelden voor de periode van 1 januari 2008 t m 31 december 2012 Dit langer lopende karakter sluit ook beter aan op de gangbare periode van 5 jaar voor het gemeentelijk rioleringsplan GRP De subsidievaststelling verloopt in 2 stappen eerst wordt de subsidie aangevraagd en toegewezen op basis van plannen Na uitvoering stelt het waterschap het uiteindelijk te betalen bedrag vast op basis van het daadwerkelijk afgekoppelde oppervlak Voorwaarden De regeling is bedoeld voor afkoppelen in bestaande situaties Niet aankoppelen bijvoorbeeld bij nieuwbouw ziet het waterschap als een maatschappelijke verplichting waar alleen bij hoge uitzondering bijvoorbeeld infiltratie of lozing op oppervlaktewater is onmogelijk of onevenredig duur van mag worden afgeweken Afkoppelen heeft alleen zin als het om schoon regenwater gaat Per situatie moet dit beoordeeld worden Het waterschap heeft als hulpmiddel bij deze beoordeling een voorlopige handreiking afkoppelen en niet aankoppelen hier als bijlage vastgesteld Subsidie kan worden aangevraagd en wordt verleend voor het afkoppelen binnen een projectgebied d w z een aaneengesloten gebied met duidelijk afgebakende logische grenzen Het waterschap stelt per rioleringsgebied voor de duur van de regeling een maximum bedrag beschikbaar Een eventueel niet uitgekeerd bedrag vervalt na afloop van de regeling Bij overtekening van dat bedrag worden subsidies niet toegewezen Het DB kan te allen tijde besluiten om aanvullende middelen beschikbaar te stellen voor deze regeling Na 2 jaar en na 4 jaar evalueert het dagelijks bestuur het effect van de regeling Het project moet voldoen aan de voorwaarden gesteld in de handreiking afkoppelen en niet aankoppelen van waterschap de Dommel In gevallen waarin blijkt dat vaststelling en uitbetaling van subsidie onterecht zijn gebleken stelt het dagelijks bestuur de aanvrager daarvan op de hoogte als de aanvrager dit niet kan weerleggen is deze verplicht het te veel ontvangen bedrag terug te betalen Procedure 1 Indiening van een aanvraagformulier met de daarbij behorende bijlagen o a afkoppelingsplan In behandeling nemen van de aanvraag zodra deze volledig is 2 Goedkeuring afkoppelingsplan 3 Het afgeven van een beschikking tot het verlenen weigeren van een stimuleringsbijdrage 4 Indiening aanvraag formulier door gemeente bij waterschap voor vaststelling van de subsidie binnen 2 maanden na de eerste oplevering van het werk 5 Beschikking tot vaststelling van een subsidie schept betalingsplicht 6 Uitbetaling subsidie binnen 6 weken na vaststelling van de stimuleringsbijdrage Start uitvoering werkzaamheden Het waterschap wil de uitvoerings planning van gemeenten zo weinig mogelijk doorkruisen Dit betekent dat de stimuleringsregeling er van uit gaat dat na indiening van de aanvraag al gestart mag worden met de uitvoeringswerkzaamheden Het waterschap dient een week voor de aanvang van uitvoeringswerkzaamheden daarvan schriftelijk op de hoogte te worden gesteld Indien de gemeente direct na de aanvraag start met de werkzaamheden dient de gemeente snel met het waterschap contact op te nemen om goedkeuring van het afkoppelingsplan te krijgen Goedkeuring van dat plan is immers een voorwaarde voor verlening van een subsidie Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 1 In dit artikel is de definitie van een aantal begrippen opgenomen Artikel 1 2 De stimuleringsregeling geldt uitsluitend voor afkoppelprojecten die door gemeenten worden aangemeld en betrekking hebben op afkoppeling van verhard oppervlak van een gemengde riolering in gebied met bestaande bebouwing Het staat gemeenten vrij om afkoppelingswerkzaamheden van derden in hun eigen project mee te nemen Alleen gemeenten dus geen particulieren kunnen een beroep op de stimuleringsregeling doen dit

    Original URL path: http://www.dommel.nl/cvdr/272375_1/Stimuleringsregeling+afkoppelen+verhard+oppervlak+2006.html (2015-12-02)
    Open archived version from archive

  • Waterschap De Dommel - Regelgeving zoeken
    van de grondwatervoorraad De grondwatervoorraad is geen vast gegeven maar een evenwicht tussen aanvulling en gebruik verdamping In de zomer valt er minder regen en is de verdamping groot neerslagtekort zodat de grondwaterstanden dalen en daarmee de grondwatervoorraad afneemt In de winter stijgen de grondwaterstanden weer als gevolg van het neerslagoverschot en wordt de voorraad aangevuld Maar dit evenwicht kan uit balans raken als de zomer heel droog is en in de winter te weinig kan worden aangevuld om het verlies op te vangen Gevolg is dan dat de grondwaterstanden in het daaropvolgende voorjaar zeer laag zijn Op dat moment ontstaat het risico van een neergaande trend in de grondwaterstanden en dus de beschikbare grondwatervoorraad Dat is goed terug te zien in figuur A 1 De eerste helft van de jaren negentig was sprake van een structurele daling van de grondwaterstanden in het voorjaar zomer en de winter Beregenen uit grondwater neemt toe naarmate het droger wordt en de grondwaterstanden verder uitzakken Het onttrekkingsverbod moet er aan bijdragen om een neergaande trend in de toekomst te voorkomen Het instellen van het onttrekkingsverbod baseren we dan ook in dit geval op de grondwaterstand Figuur A 1 trendanalyse Waterschap Aa en Maas Aa en Maas 2 2 Onttrekkingsverbod is sluitstuk van serie maatregelen Het verbod op beregenen met grondwater is één van de laatste maatregelen die het waterschap zal nemen om de effecten van een langdurig droge periode tegen te gaan Allereerst zal er maximaal ingezet worden op waterconservering en optimale inzet van het beschikbare aangevoerde water uit de Maas Zo nodig wordt deze aanpak ook in de winter doorgetrokken zie paragraaf 4 2 om juist dan de grondwaterstanden te laten herstellen tot normaal niveau Pas als deze maatregelen onvoldoende resultaat boeken zal het onttrekkingsverbod aan de orde komen 2 3 Onttrekkingsverbod is maatwerk De hoeveelheid neerslag die er valt kan per regio verschillen Droogte komt dus niet overal in gelijke mate voor Zo kan tijdens een zomerperiode West Brabant veel droger zijn dan Oost Brabant Het onttrekkingsverbod houdt hier rekening mee door deelgebieden te onderscheiden Voldoende water tijdens droogte is economisch van groot belang voor de landbouw Maar hierbij kan wel onderscheid gemaakt worden naar gebruik Voor akkerbouwgewassen betekent een onttrekkingsverbod bij droogte heel snel een volledige mislukking van de oogst Voor een mislukte grasteelt hebben de betreffende melkveehouders een alternatief in de vorm van aankoop van ruwvoer Om deze reden zal het onttrekkingsverbod uitsluitend worden ingezet voor het beregenen van grasland met grondwater Daaronder vallen ook de golfbanen en sportvelden Het verbod geldt niet voor graszodenteelt Indien bij toekomstige evaluaties van dit beleid blijkt dat met een onttrekkingsverbod uitsluitend voor beregenen van grasland de grondwatervoorraad onvoldoende wordt beschermd zal het uitbreiden van het onttrekkingsverbod naar andere teelten overwogen worden Dit neemt niet weg dat het waterschap bij acuut gevaar calamiteit altijd de bevoegdheid heeft een onttrekkingsverbod af te kondigen dat ook betrekking heeft op andere teelten A 3 Reikwijdte Deze beleidsregel is van toepassing op het verbod om grondwater te onttrekken om grasland te beregenen in de overige gebieden hoofdzakelijk agrarische gebieden Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe vergunninghouders en vergunninghouders die na de inwerkintreding van de nieuwe keur onder de algemene regels voor grondwater vallen A 4 Uitwerking van het onttrekkingsverbod 4 1 Acht deelgebieden Zoals aangegeven wordt de inzet van het onttrekkingsverbod per gebied afzonderlijk bepaald Hiervoor zijn acht gebieden onderscheiden in Brabant Er is daarbij een balans gezocht tussen zo gebiedsgericht mogelijk tientallen gebieden en de praktische toepassing één gebied Waar mogelijk zijn sterk verschillende watersystemen onderscheiden zoals de zandgebieden 1 t m 6 en de polders gebied 7 en 8 Deze gebieden zijn weergegeven in figuur A 2 en beschreven in tabel A 1 Voor elk deelgebied zijn een aantal grondwatermeetpunten peilbuizen geselecteerd die de grondwaterstand volgen en bepalend worden voor het wel niet instellen van een onttrekkingsverbod Figuur A 2 deelgebieden onttrekkingsverbod in Brabant 4 2 Voorkomen van het onttrekkingsverbod Een zeer droge zomer is de opmaat voor een dalende trend in de grondwaterstand Maar alleen als er in de winter onvoldoende aanvulling plaatsvindt Door de neerslag die er valt en de inzet van alle betrokkenen om water te conserveren en de beschikbare wateraanvoer zo goed mogelijk in te zetten kan een negatieve trend zoveel mogelijk worden voorkomen In geval van een droge zomer heeft onderzoek uitgewezen dat de 25 GLG een belangrijke signaleringswaarde is Als deze waarde in meer dan de helft van de meetpunten in een deelgebied wordt bereikt is de kans reëel dat de voorjaarsgrondwaterstand ook zeer laag blijft 25 GVG In onderstaande tabel A 1 is dat zichtbaar gemaakt voor de 140 geselecteerde peilbuizen Deze meest kritische perioden 1990 1997 corresponderen in figuur A 1 met de dalende trend in de grondwaterstanden Tabel A 1 Percentage van de peilbuizen in het beleidsmeetnet waar de 25 GVG op 1 april wordt onderschreden en de 25 GLG in de zomer wordt onderschreden in de periode 1976 2011 Op het moment dat meer dan de helft van de meetpunten in een deelgebied de signaleringswaarde bereikt worden er twee sporen ingezet betrokkenen worden geïnformeerd dat er een reële kans bestaat dat er in het voorjaar een onttrekkingsverbod volgt extra inzet in de winter op het aanvullen van de grondwatervoorraad door extra peilopzet vasthouden zomerpeilen in de winter extra wateraanvoer waterconservering op perceelsniveau etc 4 3 Instellen van het onttrekkingsverbod in het voorjaar Voor het instellen van het onttrekkingsverbod worden de voorjaarsgrondwaterstanden GVG als ijkpunt genomen Daarmee is duidelijk te maken of er daadwerkelijk sprake is van een doorgaande daling van de grondwaterstanden of dat er in de winter voldoende is aangevuld In beginsel wordt een onttrekkingsverbod ingesteld op 1 april als meer dan de helft van het aantal grondwatermeetpunten in een deelgebied onder de vastgestelde kritieke voorjaarsgrondwaterstand 25 GVG staat Uit onderzoek 1 is gebleken dat de 25 GVG waarde van elke grondwatermeetpunt een goede grens is als kritieke voorjaarsgrondwaterstand Indien meer dan de helft van de peilbuizen een onderschrijding heeft van

    Original URL path: http://www.dommel.nl/cvdr/359982_1/Beleidsregel+agrarische+beregening+uit+grondwater+bij+schaarste.html (2015-12-02)
    Open archived version from archive

  • Waterschap De Dommel - Regelgeving zoeken
    vis de volgende criteria 1 Onttrekking van vis kan alleen plaatsvinden conform landelijke wet en regelgeving Hiermee wordt met name gedoeld op de Visserijwet en de Flora en faunawet De Visserijwet geeft voor aangewezen vissoorten gesloten tijden en minimummaten en de Flora en faunawet verbiedt het onttrekken van beschermde soorten Bijlage B geeft een overzicht van in Nederland voorkomende vissoorten met beschermingsstatus 2 De gewenste hoeveelheid en de onderbouwing daarvan gevolgen voor visstand en waterkwaliteitsdoelen moeten in het visplan staan Dit criterium geldt niet voor de onttrekking van exoten zie bijlage B 3 De onttrekking moet duurzaam en ecologisch verantwoord zijn en plaatsvinden volgens het wise use principe Hiermee wordt bedoeld dat de bevissing op korte en lange termijn geen nadelig effect mag hebben op de visstand en het ecologisch functioneren van het water Richtlijnen voor een duurzame benutting van visstanden staan bijvoorbeeld in Vissen met verstand Werkgroep Visstandbeheer 2003 4 De hoeveelheid daadwerkelijk onttrokken vis wordt per soort op basis van expert judgement geregistreerd en jaarlijks gerapporteerd aan het waterschap Uitzetten van vis Voor een visplan wordt met het uitzetten van vissen gedoeld op alle verplaatsingen van vissen door menselijk handelen Hier valt het uitzetten van aangekochte vis onder maar ook bijvoorbeeld het verplaatsen van vis om vissterfte wegens werkzaamheden of calamiteiten te voorkomen Het direct na de vangst terugzetten van vissen in hetzelfde water valt voor een visplan niet onder het uitzetten van vissen Voor het uitzetten van vis gelden de volgende criteria 1 Uitzettingen vinden alleen plaats als een bij de gebruiks functie passende visstand zich niet zelf kan ontwikkelen De kwaliteit inrichting en beheer van een watersysteem zijn in hoofdzaak bepalend voor de visstand die er voorkomt In de meeste gevallen zullen uitzettingen dan ook niet nodig zijn In sommige gevallen kan het wenselijk of zelfs nodig zijn om vissen uit te zetten zoals bij herintroductie van soorten verplaatsingen wegens werkzaamheden of na calamiteiten Indien de wens tot het uitzetten van vis bestaat dient het visplan daartoe de onderbouwing te geven Deze onderbouwing moet onder andere antwoord geven op vragen als hoeveel wanneer en waarom 2 Het waterschap streeft voor alle wateren naar duurzame natuurlijke visstanden passend bij de gebruiks functie uitzettingen moeten dus ook duurzaam zijn Dit betekent dat na uitzettingen een vispopulatie zichzelf in stand moet kunnen houden zonder ingrijpen van buitenaf structureel uitzetten of onttrekken van vis 3 Uitzetten van vis mag alleen als dat de waterkwaliteit het ecologisch functioneren en de gewenste visstand niet negatief beïnvloedt Het eventuele effect van de uitzettingen wordt als volgt getoetst voor KRW waterlichamen aan de KRW doelen zie bijlage C voor wateren binnen en buiten stedelijk gebied zonder aangewezen functie aan het handboek voor geïsoleerde wateren in ontwikkeling voorlopig tot vaststelling wordt voor toetsing gebruik gemaakt van de eisen voor heldere plantenrijke wateren met een passende visstand zie bijlage D in overige wateren mogen uitzettingen geen negatieve invloed hebben op de huidige waterkwaliteit het ecologisch functioneren en indien relevant moeten passen binnen het streefbeeld en eisen behorende bij de functie 4 Conform de Flora en Faunawet betreffen uitzettingen alleen uit bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vissoorten waarop de Visserijwet 1963 van toepassing is zie bijlage B 5 Alleen soorten die van nature in het betreffende watersysteem kunnen voorkomen worden uitgezet 6 Alleen inheemse soorten worden uitgezet Voor de ingeburgerde soorten karper kroeskarper en snoekbaars wordt een uitzondering gemaakt en is uitzetten onder voorwaarden mogelijk Exoten mogen nooit worden uitgezet 7 In Nederland kent karper meestal geen succesvolle voortplanting Daardoor voldoet het uitzetten van karper niet aan criterium 2 duurzaam Gezien het belang van deze soort voor de hengelsport wordt een uitzondering gemaakt en is het uitzetten van karper onder voorwaarden toch mogelijk Uitzettingen moeten minimaal voldoen aan criterium 3 en worden alleen in één van de volgende situaties toegestaan als compensatie voor natuurlijke sterfte na sterfte bij calamiteiten als spiegelkarperprojecten waarbij de verwachte karperstand wordt afgestemd op de draagkracht van het systeem in de meeste gevallen onder de 15 kg ha in wateren binnen en buiten stedelijk gebied zonder door provincie waterschap of gemeente aangewezen functie 8 Bij alle uitzettingen wordt de hoeveelheid daadwerkelijk uitgezette vis per soort geregistreerd en jaarlijks gerapporteerd aan het waterschap Voeren Het toetsingskader sluit voeren in bepaalde wateren uit zie bijlage A Voor de andere wateren moeten de visrechthebbenden richtlijnen voor het voeren in de vergunningsvoorwaarden en of het visplan opnemen Daarbij geldt dat overmatig voeren moet worden voorkomen en het voeren mag geen negatief effect op de waterkwaliteit hebben Controle handhaving Om te borgen dat de afspraken in het visplan over het onttrekken en uitzetten van vis en voeren daadwerkelijk worden nageleefd moet controle en zonodig handhaving sancties plaatsvinden Het visplan beschrijft hoe de visrechthebbenden de controle en handhaving vormgeven waarbij vergunningvoorwaarden als basis kunnen dienen Een toelichting op controle en sancties staat bijvoorbeeld in Vissen met verstand Werkgroep Visstandbeheer 2003 Dit criterium is van toepassing op alle watertypen in het visplan Verwerkte literatuur Beers M C M Koole 2007 KRW visstandonderzoek Waternet 2006 AquaTerra Water en Bodem B V Geldermalsen Flora en faunawet wet van 25 mei 1998 houdende regels ter bescherming van in het wild levende planten en diersoorten Molen D T van der R Pot red 2007 Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de Kaderrichtlijn Water STOWA RWS WD Utrecht Evers C H M A J M van den Broek R Buskens A van Leerdam R A E Knoben 2007 Omschrijving MEP en maatlatten voor sloten en kanalen voor de Kaderrichtlijn Water STOWA RWS WD Utrecht Visserijwet 1963 wet van 30 mei 1963 houdende nieuwe regelen omtrent de visserij Werkgroep Visstandbeheer 2003 Vissen met Verstand Richtlijnen aanpak benutting van visstanden voor Visstandbeheercommissies samenstelling Werkgroep Visstandbeheer Ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Visserij Nederlandse Vereniging Van Sportvissersfederaties Combinatie van Beroepsvissers Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij Zoetemeyer R B B J Lucas 2007 Basisboek Visstandbeheer Sportvisserij Nederland Bilthoven Criteria voor Toetsing Visplannen B ijlage A Toetsingskader Toetsingskader 3 Type water Voorbeeld Onttrekken van vis Uitzetten van vis Voeren Controle handhaving Beken R3 4 5 6 zonder natuurfunctie met KRW functies GEP landbouw en verweven Zandleij Aa of Weerijs Boven Mark Dommel Eindhoven Groote Aa cf algemene criteria geen paling en geen stroomminnende soorten na goedkeuring van het waterschap alleen stroomminnende doelsoorten cf algemene criteria cf algemene criteria cf algemene criteria Beken R3 4 5 6 met KRW functie GEP natuur Keersop Beerze Chaamse beken cf algemene criteria geen paling en geen stroomminnende soorten nee indien noodzakelijk door waterschap nee cf algemene criteria Sloten met KRW type M1a en kanalen met KRW type M3 Kleine wetering Eindhovenskanaal Sterksels kanaal cf algemene criteria geen paling na goedkeuring van het waterschap cf algemene criteria cf algemene criteria cf algemene criteria Kanalen met KRW type M6a zonder scheepvaart en M6b met scheepvaart Drongelenskanaal Beatrix kanaal Roode Vaart cf algemene criteria geen paling na goedkeuring van het waterschap cf algemene criteria spiegelkarperprojecten vaak mogelijk cf algemene criteria cf algemene criteria Brakke wateren met KRW type M30 Molenkreek cf algemene criteria geen paling na goedkeuring van het waterschap cf algemene criteria cf algemene criteria cf algemene criteria Kreken met KRW type M14 Tonnekreek Gat van de Ham Kruislandse kreken cf algemene criteria geen paling na goedkeuring van het waterschap cf algemene criteria cf algemene criteria cf algemene criteria Rivier met KRW type R8 Oude Maasje cf algemene criteria geen paling en geen stroomminnende soorten na goedkeuring van het waterschap cf algemene criteria spiegelkarperprojecten mogelijk cf algemene criteria cf algemene criteria Geïsoleerde wateren met de functie zwemwater WHP Staalbergven Beeksebergen Witven Markeplaat Hoefsven cf algemene criteria nee na goedkeuring van het waterschap cf algemene criteria nee cf algemene criteria Geïsoleerde wateren vennen met functie waternatuur WHP Beuven Winkelsven Ollandse en Gemondse meanders Wielen Haagse Dijk Leemputten bij Dorst Meanders Schoondonk en Notsel cf algemene criteria nee indien noodzakelijk door waterschap nee cf algemene criteria Niet openbare vijvers op afgesloten terrein fungerend als visvijver cf landelijke wet en regelgeving cf algemene criteria cf algemene criteria n v t Wateren binnen en buiten stedelijk gebied zonder aangewezen functie alle overige wateren zie bijlage D cf algemene criteria geen paling na goedkeuring van het waterschap cf algemene criteria cf algemene criteria cf algemene criteria Criteria voor Toetsing Visplannen Bijlage B Beschermingsstatus zoetwater vissoorten Onderstaand overzicht dient ter illustratie en er kunnen geen rechten aan ontleend worden Voor de actuele beschermingsstatus wordt verwezen naar de meest recente wet en regelgeving en besluiten Verder ontwikkelt het aantal exoten zich snel en zijn er al meer uitheemse soorten dan in het overzicht staan Deze bijlage dient dan ook als voorbeeld en geeft geen compleet overzicht van exoten in Nederland Vissoort Status 1 Visserijwet 2 Beschermd 3 Rode lijst 4 Aal paling Inheems 28 cm Afrikaanse meerval Exoot Alver Inheems Amerikaanse hondsvis Exoot Baars Inheems 22 cm Barbeel Inheems 30 cm Bedreigd Beekforel Inheems 25 cm Verdwenen Beekprik Inheems II Bedreigd Bermpje Inheems Bittervoorn Inheems II Kwetsbaar Blankvoorn Inheems Blauwband Exoot Blauwneus Exoot Bot Inheems 20 cm Brasem Inheems Bronforel Exoot 25 cm Bruine Amerikaanse dwergmeerval Ingeburgerd Diklipharder Inheems Donaubrasem Exoot Driedoornige stekelbaars Inheems Dunlipharder Inheems Elft Inheems II Elrits Inheems Bedreigd Fint Inheems II Verdwenen Gestippelde alver Inheems Gevoelig Giebel Ingeburgerd Goudharder Inheems Goudvis Ingeburgerd Graskarper Exoot Grootkopkarper Exoot Grote marene Inheems Grote modderkruiper Inheems II Kwetsbaar Gup Exoot Houting Inheems IV Karper Ingeburgerd Kleine marene Exoot Kleine modderkruiper Inheems II Kolblei Inheems Kopvoorn Inheems Kwetsbaar Kroeskarper Ingeburgerd 30 cm Kwetsbaar Kwabaal Inheems Bedreigd Marmergrondel Exoot Meerval Inheems Pos Inheems Regenboogforel Exoot 25 cm Rivierdonderpad Inheems II Riviergrondel Inheems Rivierprik Inheems 15 cm II Roofblei Exoot Ruisvoorn rietvoorn Inheems 15 cm Serpeling Inheems 15 cm Kwetsbaar Sneep Inheems 30 cm Bedreigd Snoek Inheems 45 cm Snoekbaars Ingeburgerd 42 cm Spiering Inheems Steur Inheems IV Verdwenen Tiendoornige stekelbaars Inheems Vetje Inheems Kwetsbaar Vlagzalm Inheems 35 cm Verdwenen Winde Inheems 30 cm Gevoelig Witvingrondel Exoot Zalm Inheems 40 cm II Zeeforel Inheems 40 cm Zeelt Inheems 25 cm Zeeprik Inheems II Zilverkarper Exoot Zonnebaars Exoot Zwarte Amerikaanse dwergmeerval Exoot 1 Inheemse soorten komen van oorsprong in Nederland voor ingeburgerde soorten vormen meer dan 100 jaar een zichzelf in stand houdende populatie exoten komen minder dan 100 jaar in Nederland voor of zijn voor het voorkomen afhankelijk van uitzettingen 2 Genoemd in Regeling aanwijzing vissen schaal en schelpdieren 1982 minimummaat gegeven in Reglement minimummaten en gesloten tijden 1985 3 Soort beschermd volgens de Flora en Faunawet en staat in tabel 2 idem in tabel 3 II soort genoemd in bijlage II van de EU Habitatrichtlijn voor deze soorten moeten de lidstaten beschermde gebieden aanwijzen IV soort genoemd in bijlage IV soorten die strikt moeten worden beschermd 4 Besluit Rode lijsten flora en fauna 5 november 2004 Criteria voor Toetsing Visplannen Bijlage C Gewenste soorten per KRW type Onderstaand volgt een uitwerking van de opgestelde referenties voor KRW typen De uitwerking richt zich op gewenste soorten In een enkel geval wordt ook aangegeven welke soorten een negatieve invloed op maatlatbeoordelingen hebben De informatie is gebaseerd op de referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen Van der Molen Pot 2007 en MEP en maatlatten voor sloten en kanalen Evers e a 2007 Beken KRW typen R4 R5 en R6 Gewenst zijn stroomminnende vissen als beekprik bermpje kopvoorn rivierdonderpad riviergrondel rivierprik serpeling en winde migrerende vissen beekprik kopvoorn paling rivierprik serpeling en winde habitat gevoelige vissen genoemde stroomminnende en migrerende vissen en vissen als kleine modderkruiper snoek tiendoornige stekelbaars en vetje Hoge aantallen algemene vissen als baars blankvoorn en brasem hebben een negatieve invloed op de maatlatbeoordeling Rivieren KRW type R8 Gewenst zijn stroomminnende vissen als alver barbeel elft houting kleine modderkruiper kopvoorn kwabaal rivierdonderpad riviergrondel rivierprik serpeling sneep steur winde zalm zeeforel en zeeprik tussen zoet en zout migrerende vissen bepaalde stroomminnende vissen en bot driedoornige stekelbaars elft fint houting paling rivierprik spiering steur zalm zeeforel en zeeprik plantminnende vissen bittervoorn grote modderkruiper kroeskarper ruisvoorn snoek vetje en zeelt Sloten en kanalen KRW typen M1a M3 M6a M6b Gewenst zijn de plantminnende vissen bittervoorn grote modderkruiper kleine modderkruiper kroeskarper ruisvoorn snoek tiendoornige stekelbaars vetje en zeelt de migrerende vissen driedoornige stekelbaars en paling Hoge gewichtsaandelen brasem en karper hebben een negatieve invloed op de maatlatbeoordeling Brakke wateren KRW type M30 Om te voldoen aan de doelstellingen voor de visstand in brakke wateren moeten vissen van verschillende groepen in evenwichtige hoeveelheden voorkomen Voorbeelden van gewenste soorten zijn tussen zoet en zout migrerende vissen als driedoornige stekelbaars en paling zouttolerante zoetwatervissen als baars blankvoorn brasem karper en snoekbaars plantminnende zoetwatervissen als bittervoorn kroeskarper ruisvoorn snoek en zeelt Kreken KRW type M14 Gewenst zijn de plantminnende vissen bittervoorn grote modderkruiper kleine modderkruiper kroeskarper ruisvoorn snoek tiendoornige stekelbaars vetje en zeelt Een hoog gewichtsaandeel brasem heeft een negatieve invloed op de maatlatbeoordeling Criteria voor Toetsing Visplannen Bijlage D Uitzetten van vis in wateren binnen en buiten stedelijk gebied zonder aangewezen functie Inleiding Voor veel wateren hebben waterbeheerders nog geen concrete KRW doelstellingen voor de visstand Ook voor dergelijke wateren geldt echter conform de KRW dat ze moeten voldoen aan een goede ecologische toestand Daarom wordt voor wateren binnen en buiten stedelijk gebied zonder aangewezen functie gestreefd naar heldere plantenrijke wateren met een passende visstand Om te voorkomen dat uitzettingen leiden tot een ongewenste visstand waterkwaliteitsproblemen of negatieve invloed op het ecologisch functioneren is er een gewenste visstand geformuleerd Eventuele uitzettingen moeten passen binnen de kaders van dit streefbeeld Gewenste visstand Bij wateren op een zandgrond die redelijk helder zijn en enige plantengroei kennen past een visstand van het snoek blankvoorntype Wateren met dit viswatertype kenmerken zich door een zichtdiepte van 40 tot 70 cm en een wateroppervlakte die voor 20 tot 60 bedekt is met waterplanten zie onderstaande schets Zoals de naam al aangeeft zijn blankvoorn en snoek kenmerkende soorten Daarnaast kunnen soorten als baars brasem karper kolblei paling ruisvoorn en zeelt voorkomen Zoetemeyer Lucas 2010 Snoek blankvoornwatertype bron Basisboek visstandbeheer van Zoetemeyer Lucas 2010 Voor wateren van het snoek blankvoorntype bedraagt de draagkracht 100 tot 150 kg ha Dit houdt in dat er per hectare water 100 tot 150 kilogram vis kan voorkomen Voor in Nederland veel voorkomende vissoorten is de draagkracht uitgewerkt tabel 1 De getallen in de tabel worden gezien als maximale quota voor het uitzetten van vissen Afhankelijk van het gewicht van de individuele uit te zetten vissen kan een lager quotum wenselijk zijn Als bijvoorbeeld karpers van 30 cm uitgezet worden kan door de groei van afzonderlijke vissen de biomassa aan karper in enkele jaren fors toenemen en daarmee de waterkwaliteit negatief beïnvloeden In voedselrijke systemen kan de draagkracht hoger liggen dan de getallen in tabel 1 ook voor het snoek blankvoorntype Toch wordt dan ook vastgehouden aan de getallen uit het overzicht als maximale quota voor uitzettingen De gedachte hierachter is dat de vissen door zich voort te planten en te groeien zelf de draagkracht verder opvullen Tabel 1 Gemiddelde draagkracht bij het snoek blankvoorntype in kilogrammen per hectare gebaseerd op Beers Koole 2007 Vissoort Gemiddelde kg ha Baars 15 Blankvoorn 25 Brasem 10 Snoek 35 Ruisvoorn 10 Zeelt 15 Overige algemene soorten zoals kolblei en karper 15 Totaal 125 Uitzettingen De bovenstaande tabel geeft de kaders voor de hoeveelheden vis die uitgezet kan worden De hoeveelheid vis zijn gegeven in kilogrammen per hectare De totale hoeveelheid voor een water wordt verkregen door te vermenigvuldigen met de oppervlakte van dat water Het verdient aanbeveling de nieuwe visstand evenwichtig op te bouwen Dit betekent dat per soort vissen van diverse lengten uitgezet moeten worden zowel jongere als oudere vissen Een uitzetting van geringe omvang kan het beste eenmalig uitgevoerd worden Bij grotere hoeveelheden worden de uitzettingen bij voorkeur gespreid over een periode van twee tot vier jaar Op deze wijze wordt het risico van sterfte van de uitgezette vissen verspreid over verschillende jaren Daarnaast is na het eerste jaar al bijsturing van de uitzettingen mogelijk Bijlage 2 Beleid uitgifte van visrecht Inleiding Op het thema uitgifte van visrechten zijn de Visserijwet het Beleidsbesluit binnenvisserij en de Adviesnota beleid waterbeheer visstandbeheer van toepassing Waterschap Aa en Maas Brabantse Delta en De Dommel hier verder aangeduid als de Brabantse waterschappen verhuren hun visrechten aan diverse sportvisserij organisaties De voorwaarden en mogelijkheden voor de uitgifte van visrechten zijn geregeld in de Visserijwet Momenteel wordt het visrecht binnen de Brabantse waterschappen op verschillende wijze verhuurd aan een groot aantal verschillende partijen De huurovereenkomsten moeten worden goedgekeurd door de Kamer voor de Binnenvisserij Visserijwet 1963 Ook worden door de hengelsportverenigingen en overkoepelende organisaties met visrecht schriftelijke toestemmingen hier verder aangeduid als vergunning verstrekt aan de individuele sportvissers Het waterschap geeft zelf geen vergunningen uit De Brabantse waterschappen kiezen ervoor om in de toekomst zoveel mogelijk te blijven werken met huurovereenkomsten en zo min mogelijk gebruik te maken van machtigingen Dit is in lijn met de aanbevelingen uit de Adviesnota waterbeheer visstandbeheer en het ELI beleid Het maakt de visserijpartners bevoegd en verantwoordelijk voor het visserijbeheer Deze strategie biedt zekerheid aan de visserijpartners iets wat een duurzame visserij ten goede komt In principe komen alle wateren waar zonder nadelige effecten aan het ecosysteem gevist kan worden in aanmerking voor verhuur van visrechten Via de beheergebieden van de waterschappen werkende visstandbeheercommissie s VBC s maken de gezamenlijke visrechthuurders de sportvisserij per VBC gebied afspraken over de vormgeving van een duurzame visserij en een daarbij passende visstand Daarnaast vormen de VBC s een overlegplatform voor bij de visserij betrokken partijen zoals de waterbeheerders en natuurtreinbeheerders De Brabantse waterschappen volgen met dit beleid voor uitgifte van visrecht het Rijksbeleid en is dit naar de Brabantse situatie vertaald en aangevuld De beleidspunten voor de wijze van verhuur van visrechten en voorwaarden in huurovereenkomsten gelden voor alle wateren die in eigendom zijn bij het betreffende waterschap Huurovereenkomsten Schubvisrecht Voor de uitgifte van vrij liggende visrechten wordt zoveel mogelijk het rijksbeleid gevolgd waarbij schubvisserij wordt verhuurd aan de sportvisserij De vrij liggende en vrijkomende schubvisrechten zullen mits het visserijkundig gebruik aansluit bij de waterkwaliteitsdoelstellingen en functies van het water worden verhuurd aan grote overkoepelende organisaties van de

    Original URL path: http://www.dommel.nl/cvdr/370453_1/Brabantbreed+Visserijbeleid+voor+de+Brabantse+binnenwateren.html (2015-12-02)
    Open archived version from archive

  • Waterschap De Dommel - Regelgeving zoeken
    vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie vervuilingseenheden 3 Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het eerste lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte dan wel van een deel daarvan door de gebruiker aanvangt of eindigt wordt hij in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte voor dat onderdeel of voor dat deel voor een evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid bepaald aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen 4 Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van een bedrijfsruimte berekend op basis van het tweede of derde lid van minder dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden en van één of minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte Artikel 15 De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte wordt bepaald op de som van de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 voor zover deze van toepassing zijn Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten Artikel 16 1 In afwijking van artikel 10 eerste lid wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden geloosd gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt 2 Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt bestaat aanspraak op vermindering De heffingsplichtige kan daartoe na afloop van het heffingsjaar of bij beëindiging van de heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de heffing Vervuilingswaarde van woonruimten Artikel 17 1 In afwijking van artikel 10 eerste lid wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden geloosd gesteld op drie vervuilingseenheden De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden geloosd bedraagt één vervuilingseenheid 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte 3 Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte wordt gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid vastgesteld met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin die situatie is ontstaan Indien de hiervoor bedoelde situatie ontstaat op de eerste dag van een kalendermaand wordt de vervuilingswaarde met ingang van die dag op één vervuilingseenheid vastgesteld 4 Indien de in het derde lid bedoelde situatie ontstaat ná de dagtekening van de aanslag bestaat aanspraak op vermindering De heffingsplichtige kan daartoe een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de heffing Schatting Artikel 18 De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen indien door de heffingsplichtige a meting bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen voorschriften b het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 13 eerste of vijfde lid 14 eerste lid 16 eerste lid of 17 eerste lid niet mogelijk is c het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 13 vijfde lid wel mogelijk is maar door de heffingsplichtige gedurende het heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in dat artikel is gedaan d d niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden verbonden aan de in artikel 10 11 of 12 bedoelde toestemming Tarief Artikel 19 Het tarief bedraagt 49 32 per vervuilingseenheid Wijze van heffing en termijnen van betaling Artikel 20 1 De belasting wordt geheven bij wege van aanslag 2 De aanslag niet zijnde een aanslag voor een woonruimte of een bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 15 moet worden betaald uiterlijk twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet 3 De aanslagen voor een woonruimte of een bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 16 moeten worden betaald tegelijk met en op dezelfde wijze als die waarop de nota s van de waterleidingmaatschappij Brabant Water moeten worden betaald In dat geval moet de aanslag worden betaald in een aantal termijnen dat overeenkomt met het aantal nota s dat in het heffingsjaar van de waterleidingmaatschappij Brabant Water verschijnt 4 Indien de heffingsplicht voor een woonruimte of een bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 16 in de loop van het heffingsjaar ontstaat dan wel indien een aanslag wordt opgelegd nadat reeds een of meer van de in het tweede lid genoemde nota s zijn verschenen is de aanslag invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als na het opleggen van de aanslag in het heffingsjaar nog nota s van de waterleidingmaatschappij Brabant Water verschijnen 5 In andere gevallen dan bedoeld in het derde lid moeten de aanslagen voor een woonruimte als bedoeld in artikel 17 eerste lid of een bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 16 worden betaald binnen twee maanden na dagtekening van de aanslag 6 Het bedrag vermeld op de beschikking inzake een bestuurlijke boete moet worden betaald uiterlijk binnen twee maanden na de dagtekening Nadere regels Artikel 21 Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering Inwerkingtreding en citeertitel Artikel 22 1 De Verordening verontreinigingsheffing Waterschap De Dommel vastgesteld bij besluit van 11 december 2013 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan 2 Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking 3 De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015 Deze verordening wordt aangehaald als Verordening verontreinigingsheffing Waterschap De Dommel 2015 Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van 10 december 2014 mr drs P C G Glas drs R E Viergever watergraaf secretaris Toelichting op de verordening verontreinigingsheffing Waterschap De Dommel 2015 A ALGEMEEN Doelstelling en karakter verontreinigingsheffing De verontreinigingsheffing vindt haar wettelijke basis in artikel 7 2 tweede lid van de Waterwet Wet van 29 januari 2009 Stb 107 Zij is daarmee de opvolger van de verontreinigingsheffing zoals die tot en met 2009 werd geheven op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren Wet van 13 november 1969 Stb 536 Die verontreinigingsheffing oude stijl tot en met 2008 diende ter financiering van alle activiteiten in het kader van het waterkwaliteitsbeheer Zowel de kosten voor het actieve beheer transporteren en zuiveren van afvalwater verbranden van zuiveringsslib en baggeren uit waterkwaliteitsoogpunt als voor het passieve beheer vergunningverlening toezicht en controle handhaving waterkwaliteitsbeheersplannen werden hiermee bekostigd Met de inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel Wet van 21 mei 2007 Stb 208 is hier verandering in gekomen Met ingang van 2009 worden de kosten ter bestrijding van de zorg voor het zuiveren van afvalwater waar ook het transporteren van afvalwater en het verbranden van zuiveringsslib toe worden gerekend gedekt uit de opbrengst van de zuiveringsheffing Het passieve waterkwaliteitsbeheer en het baggeren uit waterkwaliteitsoogpunt horen sinds 2009 tot de zorg voor het watersysteem waar ook de zorg voor de waterkering en de waterbeheersing toe worden gerekend De zorg voor het watersysteem wordt bekostigd uit de opbrengst van de watersysteemheffing Voor directe lozingen op oppervlaktewater bleef in 2009 de verontreinigingsheffing op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren wel bestaan De opbrengst kwam ten goede aan de bekostiging van het beheer van het watersysteem Die praktijk vindt ook na 2009 toepassing zij het dat de wettelijke basis voor de heffing zoals gezegd met ingang van 2010 in de Waterwet is geregeld De essentialia van de heffing zijn niet veranderd en zij vertonen grote overeenkomst met de zuiveringsheffing Het kenmerkende verschil tussen de beide heffingen is dat de zuiveringsheffing wordt geheven voor het afvoeren van stoffen op de riolering of een zuiveringtechnisch werk terwijl de verontreinigingsheffing is verschuldigd voor het lozen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam B ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Considerans Bevoegdheid algemeen bestuur Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de heffingsverordening Dit vloeit voort uit artikel 110 van de Waterschapswet Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van de heffingsverordening artikel 84 van de Waterschapswet Bevoegdheid instellen verontreinigingsheffing De bevoegdheid voor waterschappen om een verontreinigingsheffing in te stellen ligt in artikel 7 2 van de Waterwet juncto artikel 113 van de Waterschapswet voorts zijn in hoofdstuk 6 2 van het Waterschapsbesluit nog enkele nadere regels gesteld In artikel 113 van de Waterschapswet geeft de wetgever aan het waterschap de bevoegdheid om krachtens een bijzondere wet te heffen De Waterwet is een dergelijke bijzondere wet Begripsbepalingen Artikel 1 Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen is van deze begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1 Daarbij is zo veel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen in de artikelen 1 en 7 1 van de Waterwet Onderdeel a De Waterwet introduceert het begrip oppervlaktewaterlichaam Dit is meer omvattend dan het begrip oppervlaktewater zoals dat in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren wordt genoemd en later in jurisprudentie nader inhoud heeft gekregen In artikel 7 2 tweede lid van de Waterwet wordt ten aanzien van de verontreinigingsheffing een tweetal zaken uitgezonderd te weten als zodanig aangewezen drogere oevergebieden en de exclusieve economische zone Er is voor gekozen om van die uitzonderingen alleen de drogere oevergebieden als uitzondering op te nemen De exclusieve economische zone is het water in de Noordzee buiten de territoriale wateren boven het Nederlandse deel van het continentaal plat en zal daarom in geen enkel geval binnen het beheersgebied van een waterschap vallen De uitzondering van de exclusieve economische zone heeft dus alleen effect voor zover het de verontreinigingsheffing door het rijk betreft Nu het begrip oppervlaktewater is vervangen door oppervlaktewaterlichaam doet zich de vraag voor of en in hoeverre de in de loop der jaren ontstane definiëring van het begrip oppervlaktewater ook van toepassing is op oppervlaktewaterlichaam De Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel Kamerstuk 2006 2007 30 818 nr 3 geeft daarover uitsluitsel Op pagina 88 staat Onder de begripsomschrijving vallen aldus de watereenheden waarop de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake het begrip oppervlaktewater uit de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dat in die wet overigens niet is gedefinieerd betrekking heeft Vervolgens wordt ook aangegeven dat de definitie van oppervlaktewater uit de kaderrichtlijn water niet geschikt is om in de Waterwet over te nemen Zoals bekend mag worden verondersteld is er destijds bij de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bewust voor gekozen om vanwege de grote verscheidenheid in verschijningsvormen het begrip oppervlaktewateren niet in de wet te omschrijven Nadere definiëring zou moeten plaatsvinden door middel van jurisprudentie In de Memorie van Toelichting is wel aangegeven welke eisen aan oppervlaktewater zouden kunnen worden gesteld Zo zou het geschikt moeten zijn om te dienen als grondstof voor drinkwater voor de mens dat tegen een redelijke prijs is te distribueren geschikt moeten zijn om te dienen als drinkwater voor vee geschikt moeten zijn als sproei en gietwater in de agrarische sector geschikt moeten zijn voor recreatieve doeleinden geschikt moeten zijn voor industriële toepassingen of vormen van aquatisch leven kunnen bevatten Uit de Memorie van Toelichting blijkt verder dat het begrip zich niet beperkt tot openbare wateren Zoals verwacht is in de jurisprudentie aan het begrip oppervlaktewater de nodige invulling gegeven De meest uitgebreide definitie gaf de Hoge Raad in zijn arrest van 30 november 1982 BNB 1983 244 Als oppervlaktewater in de zin der wet is te beschouwen een anders dan louter incidenteel aanwezige aan het oppervlak en aan de open lucht grenzende watermassa met inbegrip van een bedding waarin zodanige watermassa al dan niet bij voortduring voorkomt tenzij daarin als gevolg van rechtmatig gebruik ten behoeve van een specifiek doel geen normaal samenhangend geheel van levende organismen en een niet levende omgeving ecosysteem aanwezig is dan wel het een ter berging van afval gegraven bekken betreft waarin slechts in een overgangsfase water aanwezig is en zich nog geen normaal ecosysteem heeft ontwikkeld Op 8 november 1978 BNB 1979 15 oordeelde de Hoge Raad dat bij een zuiveringsinstallatie behorende bezinkbedden niet als oppervlaktewater aangemerkt kunnen worden Een sloot van 300 meter lang en 2 5 meter breed die s winters is gevuld en s zomers in de regel althans gedeeltelijk enig water bevat moet onder andere vanwege het feit dat de sloot kan dienen voor landbouwdoeleinden worden aangemerkt als oppervlaktewater Hoge Raad 12 november 1980 BNB 1981 43 en na verwijzing Hof Amsterdam 28 oktober 1981 BNB 1983 55 Belastingblad 1987 blz 249 Een sloot van waaruit geregeld dat wil zeggen niet minder dan eenmaal per jaar gedurende enige tijd water wegvloeit naar een ander slotenstelsel kan als oppervlaktewater worden aangemerkt Hoge Raad 26 januari 1983 BNB 1983 89 Belastingblad 1983 blz 182 en Hoge Raad 22 juni 1983 BNB 1983 241 Belastingblad 1983 blz 465 Ook afgedamde slootgedeelten kunnen oppervlaktewater zijn Hoge Raad 25 mei 1983 BNB 1983 247 Belastingblad 1983 blz 462 Een open beekvak dat deel uitmaakt van een ondergrondse verbinding tussen twee oppervlaktewateren kan als oppervlaktewater worden aangemerkt ook als de klep in de duiker onder de naast die verbinding gelegen weg gedurende het heffingsjaar was gesloten Hoge Raad 27 maart 1985 BNB 1985 167 Belastingblad 1985 blz 464 Een greppel van vijftig meter lang en een meter breed die aan weerszijden van het lozingspunt slechts over een lengte van tien meter enig water bevat en niet in verbinding staat met enig oppervlaktewater kan niet als oppervlaktewater worden aangemerkt Hoge Raad 27 januari 1988 BNB 1988 123 Belastingblad 1988 blz 223 Onderdeel b Voor de omschrijving van stoffen is verwezen naar de stoffen genoemd in artikel 9 In dat artikel zijn de stoffen opgenomen die door het waterschap in de heffing worden betrokken alsmede de gewichtseenheden van die stoffen Onderdeel c Lozen is het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap Welke oppervlaktewaterlichamen dat zijn valt op te maken uit de gebiedsomschrijving zoals die is opgenomen in het reglement voor het waterschap Onderdeel d In artikel 7 1 van de Waterwet is een definitie van het begrip woonruimte opgenomen Dit onderdeel regelt in overeenstemming met de definitie uit de Waterwet wat onder een woonruimte moet worden verstaan Niet elke bewoonde ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt Een woonruimte wordt geacht te zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid Of dit het geval is moet blijken uit de inrichting van de ruimte In deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en derhalve niet meer dan bijkomstig afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen die voor de woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn Hierbij moet worden gedacht aan het met gebruikers van andere ruimten delen van faciliteiten als kookgelegenheid sanitair of bad en douchegelegenheid Dit komt vaak in onder meer studentenhuizen en pensions voor In een dergelijke situatie kan niet worden gesproken van een woonruimte in de zin van deze verordening Zie hiervoor ook de arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984 BNB 1984 282 Belastingblad 1984 blz 544 8 februari 1995 BNB 1995 92 Belastingblad 1995 blz 202 10 januari 1996 BNB 1996 77 Belastingblad 1996 blz 168 Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als woonruimte werd aangemerkt BNB 1991 213 Belastingblad 1991 blz 479 Onderdeel e In artikel 7 1 van de Waterwet is een definitie van het begrip bedrijfsruimte opgenomen Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een negatieve formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te geven Alles wat geen woonruimte openbaar vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk is moet als een bedrijfsruimte worden aangemerkt Onderdeel f Onder openbaar vuilwaterriool wordt verstaan het algemene gemeentelijk rioolstelsel Dat loopt door tot het zogenaamde overnamepunt waar het zuiveringtechnisch werk van het waterschap begint Dit begrip betekent een verruiming ten opzichte van het begrip riolering in artikel 17 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren Nu wordt ook rekening gehouden met de omstandigheid dat het beheer bij een rechtspersoon en niet bij de gemeente zelf berust Onderdeel g De definitie van een zuiveringtechnisch werk komt in belangrijke mate overeen met de omschrijving van het oude artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren Het gebruik van de term stedelijk afvalwater betekent wel een bekorting van de oude omschrijving Ook is de term beheer vervangen door exploitatie omdat in het kader van de Waterwet het begrip beheer betrekking heeft op watersystemen Dit doet overigens niet af aan het vereiste in artikel 3 4 van de Waterwet dat het moet gaan om een installatie onder de zorg van een waterschap of eventueel een gemeente Naast afvalwaterzuiveringsinstallaties vallen ook gemalen persleidingen vrijvervalleidingen open en dichte afvoergoten en pompstations ten behoeve van het afvalwater nog altijd onder de definitie Hiermee wordt aansluiting gezocht op de jurisprudentie van de Hoge Raad dienaangaande De gemeentelijke riolering wordt hier niet onder begrepen zie onderdeel f waar het begrip openbaar vuilwaterriool is gedefinieerd Onderdeel h De definitie van stedelijk afvalwater is ontleend aan artikel 1 1 eerste lid van de Waterwet Onderdeel i De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd In artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing verklaard voor het heffen van belastingen door waterschappen Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de inspecteur toekomen aan de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap Die aanwijzing geschiedt bij een door het dagelijks bestuur te nemen aanwijzingsbesluit Behalve het opleggen van aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften komt krachtens deze verordening aan deze functionaris ook de bevoegdheid tot het afgeven van meetbeschikkingen toe artikel 10 en verder Onderdeel j Hoewel de Waterschapswet dit begrip niet expliciet omschrijft moet onder het watersysteem worden verstaan de zorg voor de waterkering de waterbeheersing en het passieve waterkwaliteitsbeheer Hoewel hiervoor in de vorm van de watersysteemheffing een eigen financieringsmiddel in het leven is geroepen is voor directe lozingen op een oppervlaktewaterlichaam de verontreinigingsheffing blijven bestaan De opbrengst van die heffing komt ten goede aan de bekostiging van het beheer van het watersysteem artikel 7 2 vijfde lid van de Waterwet Onderdeel k De Drinkwaterwet bevat een definitie van het begrip drinkwater In het kader van deze verordening is echter al het ingenomen water van belang waaronder niet uitsluitend voor menselijke consumptie geschikt water worden verstaan Ook zaken als warm tapwater vaak afkomstig van stadsverwarmingsbedrijven en grijs water voor het wassen van kleding vallen hier onder Onderdeel l Met de inwerkingtreding van de Drinkwaterwet is het begrip warm tapwater geïntroduceerd Dit is water voor huishoudelijk gebruik dat door een leverancier wordt opgewarmd alvorens het aan de consument wordt geleverd Door de Drinkwaterwet wordt warm tapwater nadrukkelijk uitgezonderd van het begrip drinkwater Het is echter wel water dat na gebruik wordt geloosd en valt daarom binnen de ratio van ingenomen water Om die reden wordt warm tapwater afzonderlijk genoemd in dit onderdeel Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen Zo wordt op steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik hemelwater opgevangen Omdat dit water na gebruik wordt geloosd dient het eveneens in de berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken Onderdeel m Een drinkwaterbedrijf hoeft zoals blijkt uit de begripsomschrijving in artikel 1 eerste lid van de Drinkwaterwet niet uitsluitend te voorzien in het leveren van water Dergelijke leveringen kunnen deel uitmaken van een ruimer aanbod van producten bijvoorbeeld elektrische energie warmte of aardgas Onderdeel n Bij de definitie van warm tapwater wordt aangesloten bij de definitie die gegeven is in artikel 1 eerste lid van de Drinkwaterwet Bijlagen Artikel 2 De grondslag voor de verontreinigingsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die worden geloosd Als heffingsmaatstaf geldt de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd uitgedrukt in vervuilingseenheden Zoals blijkt uit artikel 7 5 eerste lid van de Waterwet is de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden wordt vastgesteld met behulp van door middel van meting bemonstering en analyse verkregen gegevens overeenkomstig bij belastingverordening te stellen regels Die regels zijn opgenomen in Bijlage I Zie in dit verband ook de artikelen 10 11 en 12 van de verordening Artikel 7 5 vijfde lid van de Waterwet verklaart een aantal bepalingen met betrekking tot de zuiveringsheffing in de Waterschapswet van overeenkomstige toepassing voor de verontreinigingsheffing Daardoor is er een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel van toepassing Deze uitzonderingen in casu voor woonruimten kleine bedrijfsruimten glastuinbouwbedrijven en bedrijven met een vervuilingswaarde van 1 000 vervuilingseenheden en minder zijn eveneens in deze verordening opgenomen Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik van 1 000 vervuilingseenheden en minder kan onder voorwaarden de berekening van het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten en dus niet door middel van meting bemonstering en analyse Deze tabel is opgenomen in artikel 122k derde lid van de Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens in Bijlage II De wijze waarop deze tabel moet worden toegepast is geregeld in artikel 10 De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening Belastbaar feit en heffingsplicht Artikel 3 Eerste lid De verontreinigingsheffing is verschuldigd wanneer stoffen in een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd Deze doelstelling is tot uitdrukking gebracht in het eerste lid van artikel 3 De opbrengst komt zoals blijkt uit het vierde lid ten goede aan de bekostiging van het beheer van het watersysteem De verontreinigingsheffing is dus primair een bestemmingsheffing die overigens wel een regulerende nevenwerking kan hebben Het belastbare feit is het lozen van stoffen dat wil zeggen het direct brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij het waterschap De vraag of het geloosde water van slechtere kwaliteit is dan dat in het oppervlaktewaterlichaam waar op wordt geloosd is niet van belang Dit bleek uit een arrest waarbij het ging om de lozing van opgepompt bronwater dat werd gebruikt als koelwater Hoge Raad 12 september 1990 BNB 1991 15 Belastingblad 1990 blz 771 Onderdeel a Vindt de lozing plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte dan is de gebruiker van die ruimte aan de heffing onderworpen Het komt voor dat een woonruimte of een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd waarbij één van de voorwaarden luidt dat de belastingen waar onder de verontreinigingsheffing worden gedragen door de verhuurder Dergelijke overeenkomsten doen niet af aan de heffingsplicht de gebruiker blijft heffingsplichtig Deze kan op grond van de huurovereenkomst zelf het bedrag van de aanslag terugvorderen bij de verhuurder De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden aangemerkt als bedrijfsruimte waarvoor de verhuurder op grond van artikel 3 derde lid onderdeel c in de heffing kan worden betrokken zie ook Hoge Raad 23 juli 1984 BNB 1984 282 Belastingblad 1984 blz 544 en Hoge Raad 8 februari 1995 BNB 1995 92 In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker van een bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden aangemerkt degene die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen behoeve van de bedrijfsruimte kan bedienen Daarom kon de aannemer die in opdracht van de landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden uitvoert om deze geschikt te maken voor de bollenteelt niet als gebruiker worden aangemerkt BNB 1991 188 Belastingblad 1991 blz 478 Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van wisselende opeenvolgende gebruikers In dergelijke gevallen is de verhuurder exploitant heffingsplichtig Onderdeel b Vindt de lozing plaats vanuit een riolering of vanuit een zuiveringtechnisch werk dan is de beheerder van die riolering of van dat zuiveringtechnisch werk heffingsplichtig Door het gebruik van het begrip riolering vallen alle soorten lozingen dus ook die via een niet openbare voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater onder het regime van de heffing Onderdeel c Wanneer er sprake is van een lozing die niet kan worden gerangschikt onder één van de in onderdeel a of onderdeel b genoemde situaties dan is degene die feitelijk loost aan de heffing onderworpen Hierdoor zijn alle denkbare wijzen van lozen anders dan vanuit een woonruimte een bedrijfsruimte een riolering of een zuiveringtechnisch werk aan de heffing onderworpen Derde lid Onderdeel a Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere gebruikers wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van de aanslag één van hen aan als heffingsplichtige De criteria op grond waarvan die heffingsplichtige wordt aangewezen liggen vast in beleidsregels Onderdeel b Wanneer een onzelfstandig deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven aan een ander dan is degene die dit in gebruik heeft gegeven de heffingsplichtige Hij kan de aan dat deel toe te rekenen verontreinigingsheffing verhalen op degene die het in gebruik heeft Hierbij kan worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen en dergelijke Onderdeel c Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere perioden aan wisselende opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt gesteld dan is degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld de heffingsplichtige Hij kan de verontreinigingsheffing verhalen op degenen aan wie hij de ruimte ter beschikking heeft gesteld Vierde lid De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt op grond van artikel 7 2 vijfde lid van de Waterwet ten goede aan de financiering van de kosten van het watersysteem Vrijstellingen Artikel 4 De vrijstellingen zijn ontleend aan artikel 7 8 van de Waterwet Onderdeel a In de oorspronkelijke tekst van de Waterwet werden lozingen vanuit een openbaar vuilwaterriool vrijgesteld van de verontreinigingsheffing Hierbij werd blijkens de aan deze vrijstelling ten grondslag liggende motie Tweede Kamer vergaderjaar 2007 2008 30 818 nr 33 gedoeld op overstorten vanuit het gemeentelijk rioleringsstelsel Bij de behandeling van de Invoeringswet Waterwet is het aantal vrijstellingen naar aanleiding van een amendement Tweede Kamer vergaderjaar 2008 2009 31 858 nr 16 uitgebreid en is het artikel opnieuw geredigeerd Daarbij is de toevoeging openbaar uit de tekst verdwenen zonder dat daar in het amendement op wordt ingegaan Wij gaan er daarom vanuit dat met deze vrijstellingsbepaling nog altijd wordt gedoeld op overstorten vanuit het gemeentelijk rioleringsstelsel Onderdeel b Een lozing vanuit een zuiveringtechnisch werk door het waterschap zelf op een eigen oppervlaktewaterlichaam is vrijgesteld van de heffing Onderdeel c Het op een zuiveringsinstallatie van het waterschap gezuiverde afvalwater is onder omstandigheden goed bruikbaar voor bedrijfsmatige toepassingen Het is daarom denkbaar dat een deel van het effluent niet wordt geloosd maar door een bedrijf wordt ingenomen Indien dat bedrijf het gebruikte water weer loost en daar zelf geen stoffen aan heeft toegevoegd dan is die lozing door het bedrijf vrijgesteld van de verontreinigingsheffing Het is daarbij anders dan bij onderdeel b geen voorwaarde dat het oppervlaktewaterlichaam bij hetzelfde waterschap in beheer is Achtergrond van deze vrijstelling is dat de regionale zoetwatervoorziening daardoor niet wordt belast Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid Artikel 5 Eerste lid Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakheffing is ontstaat bij woonruimten en kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de regeling in het eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar Dit heeft als voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd formalisering van de belastingschuld en dat niet gewacht hoeft te worden tot het heffingsjaar voorbij is Bij een tijdvakheffing is het echter niet zonder meer mogelijk om een definitieve aanslag gedurende het heffingsjaar op te leggen omdat de omvang van de belastingschuld pas na afloop van het heffingsjaar bekend is Dit blijkt uit een aantal uitspraken van de belastingrechter Zie hiervoor Hoge Raad van 2 november 1994 inzake precariorechten BNB 1995 12 Belastingblad 1994 blz 819 Hof Amsterdam 15 december 1995 inzake liggeld woonschepen Belastingblad 1996 blz 331 en Hof Amsterdam 23 april 1997 Belastingblad 1997 blz 495 inzake verontreinigingsheffing Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat om een definitieve aanslag al in het heffingsjaar zelf op te leggen de heffingsverordening in een aantal zaken moet voorzien Het gaat hierbij om 1 een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het begin van het heffingsjaar te ontstaan artikel 5 eerste lid 2 een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt voor woonruimten is dit geregeld in artikel 5 derde en vierde lid 3 een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien de heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt voor woonruimten is dit geregeld in artikel 16 derde en vierde lid en voor kleine bedrijfsruimten in artikel 18 tweede lid Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen zouden ontbreken kan het waterschap voor het einde van het heffingsjaar alleen voorlopige aanslagen opleggen Artikel 13 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe de bevoegdheid Tweede lid De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één vervuilingseenheid artikel 19 eerste lid De verontreinigingsheffing is echter een tijdvakheffing Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich niet gedurende het gehele heffingstijdvak voordoet dit gevolgen heeft voor de berekening van de hoogte van de verschuldigde heffing Artikel 122h zesde lid van de Waterschapswet bepaalt dat wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar aanvangt de heffingsplichtige aan de heffing wordt onderworpen voor een evenredig gedeelte van het vastgestelde aantal vervuilingseenheden In de verordening moet zijn aangegeven op welke wijze dat evenredig deel wordt vastgesteld In deze verordening is gekozen voor de maandnauwkeurige variant Derde lid Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt dan is de heffing op grond van artikel 122h zesde lid van de Waterschapswet eveneens voor een evenredig deel verschuldigd Ook hier is gekozen voor een maandnauwkeurig variant Vierde lid Wanneer ná het opleggen van de aanslag de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt is de ambtenaar belast met de heffing niet in de gelegenheid geweest om daar bij het vaststellen van de aanslag rekening mee te houden Artikel 132 van de Waterschapswet geeft aan op welke wijze de heffingsplichtige aanspraak kan maken op ontheffing Op de aanvraag zoals die kan worden ingediend moet worden beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking Dit opent voor de heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed Het staat het waterschap ook vrij om op grond van eigen gegevens uit eigener beweging een dergelijke ontheffing te verlenen zonder een aanvraag van de heffingsplichtige af te wachten Vijfde lid Wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere woonruimte van waaruit eveneens wordt geloosd zijn zowel het tweede als het derde lid van toepassing Er kan immers worden gesteld dat ook in dat geval sprake is van het eindigen van de heffingsplicht en het opnieuw ontstaan van de heffingsplicht Dit zou resulteren in een vermindering van een al opgelegde en mogelijk zelfs al betaalde aanslag voor de oude woning en een nieuwe aanslag voor de nieuwe woning Om pragmatische redenen is bepaald dat in een dergelijk geval het tweede en het derde lid niet van toepassing zijn De aanslag verhuist dan als het ware mee Uiteraard gaat dit niet op wanneer vanuit de nieuwe woning op een zuiveringtechnisch werk van het waterschap wordt afgevoerd dan is de zuiveringsheffing verschuldigd Aangifte In artikel 127 van de Waterschapswet is de procedure voor het uitnodigen tot het doen van aangifte geregeld In het eerste lid van dat artikel is geregeld dat de uitnodiging wordt gedaan door het uitreiken van een aangiftebiljet en in het tweede lid is geregeld dat het doen van aangifte geschiedt door het in leveren of het toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden Op grond van artikel 127 vijfde lid van de Waterschapswet kan bij de heffingsverordening van de hiervoor beschreven procedure worden afgeweken Omdat de mogelijkheid wordt geboden om langs elektronische weg aangifte te doen zijn de artikelen 5a en 5b opgenomen Artikel 6 Artikel 6 regelt de uitnodiging tot het doen van aangifte In onderdeel a is dat het uitreiken van een aangiftebiljet en in onderdeel b wordt een afwijkende methode mogelijk gemaakt Artikel 7 Dit artikel regelt de wijze waarop aangifte wordt gedaan Bij onderdeel a is dat de traditionele wijze van het inzenden van het uitgereikte formulier met de vereiste bijlagen Door middel van onderdeel b wordt de mogelijkheid geopend om dat op elektronische wijze te doen de zogenaamde digitale aangifte Heffingsjaar Artikel 8 In artikel 8 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar Grondslag en heffingsmaatstaf Algemeen Artikel 9 De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd In het tweede lid is gekozen voor één uniforme heffingsmaatstaf namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd Deze heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de zuurstofbindende als de overige stoffen en is gedefinieerd in relatie tot de stoffen ten aanzien waarvan het lozen is belast Een verbruik van 54 8 kilogram zuurstof per heffingsjaar vertegenwoordigt één vervuilingseenheid Voor de stoffen die worden genoemd in het vierde lid gelden verschillende gewichtshoeveelheden per heffingsjaar Bij de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt tussen zuurstofbindende stoffen en andere stoffen In beide gevallen is de heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde uitgedrukt in vervuilingseenheden Bij zuurstofbindende stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om die stoffen af te breken Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte die ontstaat door de gemiddelde lozing van huishoudelijk afvalwater van één persoon per jaar In 2001 is onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde van het afvalwater dat één persoon gemiddeld per jaar produceert Naar aanleiding van dit onderzoek concludeerde de toenmalige Commissie Integraal Waterbeheer dat de op dat moment geldende getalswaarde van 136 gram zuurstof per etmaal of 49 6 kilogram per jaar beter in overeenstemming moest worden gebracht met de meest recente gegevens Als gevolg daarvan is de gemiddelde zuurstofbehoefte verhoogd naar 150 gram per etmaal of wel 54 8 kilogram per jaar Meting bemonstering en analyse Artikel 10 Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de verontreinigingsheffing de vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld Deze hoofdregel geldt niet alleen ter zake van het lozen vanuit bedrijfsruimten maar ook ter zake van het lozen vanuit zuiveringtechnische werken of op andere wijze Eerste lid Voor de zuurstofbindende stoffen wordt het aantal vervuilingseenheden bepaald door middel van meting bemonstering en analyse van het afvalwater Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot 1 de wijze van meting bemonstering en monsterbehandeling 2 analysevoorschriften 3 berekeningsvoorschriften De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de heffingsplichtige Tweede lid Volgens het tweede lid dienen meting bemonstering en analyse plaats te vinden gedurende alle dagen van het heffingsjaar Hiervan kan echter onder omstandigheden worden afgeweken Zie hierna onder artikel 11 Derde lid In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering aan moeten voldoen De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I zijn een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria Als aan de voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan kan hiervan onder omstandigheden worden afgeweken Vierde lid De wijze van meting

    Original URL path: http://www.dommel.nl/cvdr/344187_1/Verordening+Verontreinigingsheffing+Waterschap+De+Dommel+2015.html (2015-12-02)
    Open archived version from archive

  • Waterschap De Dommel - Regelgeving zoeken
    voor het percentage CZV dat niet of nagenoeg niet biologisch afbreekbaar is en hun biologische eigenschappen zogenaamde productinformatie de wijze van berekening van het percentage CZV en of kwantitatieve hoeveelheden van de geanalyseerde verontreinigingen dat niet of nagenoeg niet afbreekbaar is uit te voeren methode en analysevoorschriften ter bepaling van de biologische afbreekbaarheid aantal uit te voeren biodegeneratie en respiratieremmingstesten en de te gebruiken mediums per specifieke stof afhankelijk van de eigenschappen van deze stof fen wijze van hoeveelheidsmeting en bemonstering frequentie van meten bemonsteren en analyseren zodat een representatief aantal monsters wordt afgenomen en geanalyseerd verdeeld over het jaar Stoffen waarvoor een aanvraag ter correctie wordt aangevraagd dienen minimaal onderzocht te worden op de in paragraaf 4 1 t m 4 3 beschreven methodieken Naar aanleiding van landelijk uitgebrachte adviezen wordt maximaal 10 afbraak uitgedrukt in zuurstofverbruik ten opzichte van de CZV waarde van de oorspronkelijke stof als grenswaarde aangehouden voor de classificatie niet of nagenoeg niet biologisch afbreekbare stof 2 2 Toepassingsgebied biologisch gezuiverd afvalwater Aangezien een biologische zuiveringsproces heeft plaatsgevonden is het niet mogelijk van de stoffen afzonderlijk een balans te maken door het ontstaan van onbekende afbraakproducten Om deze reden kan het effluent van de biologische zuiveringsinstallatie niet door middel van de stoffenbenadering worden onderzocht Het onderzoeksvoorstel dat moet worden ingediend bij het hoofd dient minimaal de volgende onderdelen te omvatten frequentie van meten bemonsteren en analyseren verdeeld over het jaar om een representatief aantal monsters te verkrijgen wijze van meten en bemonsteren uit te voeren toxiciteitstesten respiratieremmingstesten biodegeneratieproeven en te volgen methodieken aantal uit te voeren BZV n onderzoeken waarbij de a factor wordt bepaald herkomst en de kwaliteit van entmateriaal ten behoeve van de BZV bepaling wijze van hoeveelheidsmeting en bemonstering beschrijving en werking van de biologische zuiveringsinstallatie alsmede een opgave van de grenswaarden voor CZV N kj en BZV5 in het effluent wanneer nog sprake is van een goed werkende biologische zuiveringsinstallatie Tevens zal onderzocht moeten worden of de BZV bepaling niet wordt geremd door de aanwe zigheid van toxische en of remmende stoffen In effluenten afkomstig van biologische zuiveringsinstallaties zou volstaan kunnen worden met respiratieremmingstest en of tijdens het BZV n onderzoek na te gaan of toxische en of remmende stoffen in het te onderzoeken effluent aanwezig zijn Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de glucose glutaminezuurstandaardoplossing door het BZV te bepalen van een of meer mengsels van bekende hoeveelheden standaardoplossing en het te onderzoeken effluent en te controleren of het aandeel van de standaardoplossing overeenkomt met het BZV zonder toevoeging van het monster Indien er tussen de bio degeneratieproeven en de BZVoneindig geen significant verschil bestaat wordt de T correctie voor biologisch gezuiverd afvalwater toegestaan op basis van de BZV benadering U dient de verhouding a BZVoneindig BZV5 door middel van onderzoek aan te tonen in een representatief aantal monsters Dit aantal monsters is sterk afhankelijk van de kwaliteit van het effluent Ook de hoogte van de vervuilingswaarde wordt hierbij betrokken Bij het onderzoek dient gekeken te worden naar de werking van de biologische zuivering gedurende het ge hele jaar zomer of winter en invloeden ten gevolge van schommelingen in de samenstelling In elk geval dient minimaal tweemaal per jaar zomer of winter een BZV n onderzoek plaats te vinden De rekenkundige gemiddelde a factor zal worden gebruikt bij de berekening van de vervuilingswaarde Als er sprake is van een significant verschil tussen de resultaten van de bio degeneratieproeven en de BZVoneindig dient de correctiefactor middels bio degeneratieproeven bepaald te worden middels analysering van een representatief aantal monsters Zodra wordt aangetoond dat er toxische en of remmende stoffen aanwezig zijn in het effluent kan geen gebruik worden gemaakt van de BZV methode en zal de heffing gebaseerd moeten worden op basis van de CZV waarden Criterium goed werkende zuivering De T correctie voor biologisch gezuiverd afvalwater kan mits bovenstaand onderzoek daartoe aanleiding geeft worden toegestaan op basis van de BZV benadering De T correctie wordt toegestaan voor een goed werkende biologische zuive ringsin stallatie Als richtlijn voor een goed werkende zuiveringsinstalla tie kunnen de lozingsei sen in de lozingsver gunning worden aangehouden Indien onvoldoende eisen in de vergunning zijn opgenomen zal in de beschikking nadere voorwaarden moeten worden opgenomen waar aan de installatie moet voldoen voor toepassing van de T correctie Indien niet aan de lozingsei sen of voorwaarden wordt voldaan mag de T correctie niet worden toegepast en zal de vervui lingswaarde worden berekend op basis van de CZV formule Dit wordt per meetdag bezien 3 Wijze van berekening T correctie Zie Bijlage 1 4 Wijze van onderzoek en gebruikte analysemethodieken 4 1 Respiratieremming bepaling acute toxiciteit ten aanzien van aëroob actief slib volgens NEN EN ISO 8192 Met deze test wordt de acute toxiciteit bepaald kostprijs ca 475 ten aanzien van aëroob actief slib door meting van het respiratietempo De test wordt als volgt uitgevoerd Het monster wordt in verschillende verdunningen aan een aëroob actief slibmengsel toegevoegd Het zuurstofverbruik van het slib wordt direct na toevoeging van het al dan niet verdunde monster gemeten en geregistreerd door middel van een zuurstofmeter en schrijver Deze gegevens worden vergeleken met gegevens van hetzelfde slib zonder monster blanco De procentuele remming wordt berekend met behulp van de volgende formule I 1 Ra Rb x 100 waarin I remming in Ra het respiratietempo gemeten met het al dan niet verdunde monster mg l per uur Rb het respiratietempo gemeten zonder monster mg l per uur Op basis van het gemeten respiratietempo in het verdunde en onverdunde monsters kan worden bepaald of er remming plaatsvindt en in welke mate bacteriën adapteren op het geloosde afvalwater 4 2 LUMIStox test volgens NEN ISO 11348 3 Met de LUMIStox test kan op een snelle en eenvoudige wijze de acute toxiciteit worden bepaald in waterige oplossingen kostprijs ca 160 Het principe van de test berust op het meten van de afname van de bio luminescentie van de bacterie Photobacterium Phosphoreum Bij deze bacterie wordt de bio luminescentie veroorzaakt door energie die vrijkomt in de citroenzuurcyclus Bij verstoring van

    Original URL path: http://www.dommel.nl/cvdr/272364_1/Beleidsregels+inzake+de+correctie+op+de+gemeten+vervuilingswaarde+van+een+bedrijf+indien+deze+in+belangrijke+mate+is+be%C3%AFnvloed+door+biologisch+niet+of+in+belangrijke+mate+niet+afbreekbare+stoffen+%28T-+correctie%29.html (2015-12-02)
    Open archived version from archive

  • Waterschap De Dommel - Regelgeving zoeken
    worden vastgelegd in het Bevoegdhedenregister dat periodiek vastgesteld wordt door de secretaris directeur Bevoegdheidstoekenningen aan de projectleider worden in het Bevoegdhedenregister opgenomen voor zover die niet in de aanvullende projectopdracht is opgenomen Artikel 4 Algemene voorwaarden onder mandaat 1 De uitoefening van het onder mandaat geschiedt met inachtneming van a de in artikel 2 van de Organisatieregeling omschreven organisatie indeling en taakverdeling zoals die nader is uitgewerkt in die regeling en het daarop gebaseerd uitvoeringsbesluit b het ter zake geldende recht de vastgestelde of vast te stellen beleids en uitvoeringsregels alsmede aangegeven beperkingen en voorwaarden 2 De uitoefening van onder gemandateerde bevoegdheden met mogelijke financiële gevolgen geschiedt met inachtneming van de vastgestelde regels omtrent het budgetbeheer en de uitoefening van budgettaire bevoegdheden zoals vastgesteld in de Budgethoudersregeling 2009 en de daarbij behorende Procuratieboom 3 De onder gemandateerde besluiten die mede betrekking hebben op andere processen dan die van de onder gemandateerde worden niet genomen dan na verkregen advies van en in geval een andere onder gemandateerde betrokken budgethouder is na toestemming van de desbetreffende onder gemandateerde 4 De onder gemandateerde verschaft de mandaatgever periodiek of op diens verzoek een rapportage over de uitoefening van de bevoegdheid Hiervoor wordt in de management en bestuursrapportages die het waterschap binnen het planning controlsysteem kent ruimte gereserveerd 5 Indien de onder gemandateerde van oordeel is dan wel redelijkerwijs te verwachten is dat een te nemen beslissing bestuurlijk gevoelig is legt de onder gemandateerde de te nemen beslissing met zijn advies voor aan de mandaatgever Artikel 5 Onder Volmacht en machtiging 1 De artikelen 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op het verlenen van volmacht en machtiging Artikel 6 Verdere ondermandaat volmacht en machtiging 1 De directeur Bedrijfsvoering HR managers programmaeigenaren gemandateerd opdrachtgevers en procesmanagers zijn bevoegd om schriftelijk door middel van een standaardformulier verder ondermandaat volmacht en machtiging te verlenen deze zijn direct na ondertekening van kracht 2 De ondergemandateerden in het eerste lid wordt de bevoegdheid verleend tot het geven van nadere instructies aan een functionaris omtrent de mate waarin en de werkwijze waarop gebruik dient te worden gemaakt van het aan hen verleende verdere ondermandaat 3 De verleende verdere ondermandaten volmachten en machtigingen worden vastgelegd in het Bevoegdhedenregister dat periodiek wordt vastgesteld door de secretaris directeur Bevoegdheidstoekenningen aan de projectleider worden in het Bevoegdhedenregister opgenomen voor zover die niet in de aanvullende projectopdracht is opgenomen 4 Het bepaalde in artikel 3 vierde en vijfde lid en artikel 4 is van overeenkomstige toepassing Artikel 7 Vervanging 1 De secretaris directeur wordt in zijn functie als secretaris en als algemeen directeur bij tijdelijke afwezigheid vervangen door de directeur Bedrijfsvoering Bij afwezigheid van laatstgenoemde vervangt de door het dagelijks bestuur daartoe schriftelijk aangewezen functionaris De vervanger oefent voor de duur van de afwezigheid of verhindering de bevoegdheden van de secretaris directeur uit 2 Bij afwezigheid of verhindering van de ondergemandateerde als bedoeld in artikel 3 eerste lid gaat de bevoegdheid horizontaal over op een plaatsvervanger met een gelijke functie of bij gebreke van een dergelijke plaatsvervanger op de naasthogere functionaris 3 Indien de uitoefening van een ondergemandateerde bevoegdheid de persoon functie of enig ander belang van de ondergemandateerde zelf betreft gaat het ondermandaat over op de hiërarchisch naast hogere functionaris voor het geval het een directielid betreft wordt de bevoegdheid uitgeoefend door het andere directielid 4 De vervangingsregeling waarin de concrete vervanging overeenkomstig voorgaande leden is vastgelegd wordt beheerd door een nader door de secretaris directeur aan te wijzen proces Artikel 8 Ondertekening 1 Het in een document vastleggen van een besluit of een privaatrechtelijke rechts handeling vastgesteld op basis van mandaat volmacht of machtiging vermeldt afhankelijk van wie de bevoegdheid afkomstig is aan het slot Namens het dagelijks bestuur Namens de watergraaf de secretaris directeur de secretaris directeur Handtekening Handtekening naam secretaris directeur naam secretaris directeur 2 Het in een document vastleggen van een besluit of een privaatrechtelijke rechts handeling vastgesteld op basis van ondermandaat volmacht of machtiging vermeldt afhankelijk van wie de bevoegdheid afkomstig is aan het slot Namens het dagelijks bestuur de functie van de ondergemandateerde gevolmachtigde gemachtigde Handtekening naam van de ondergemandateerde gevolmachtigde gemachtigde Of Namens de watergraaf de functie van de ondergemandateerde gevolmachtigde gemachtigde Handtekening naam van de ondergemandateerde gevolmachtigde gemachtigde 3 In geval van plaatsvervanging als bedoeld in artikel 7 van deze regeling wordt ondertekend door de plaatsvervanger als volgt Namens het dagelijks bestuur de functie van de ondergemandateerde gevolmachtigde gemachtigde met toevoeging plv Handtekening plaatsvervanger naam van de plaatsvervanger Of Namens de watergraaf de functie van de ondergemandateerde gevolmachtigde gemachtigde met toevoeging plv Handtekening plaatsvervanger naam plaatsvervanger Artikel 9 Overgangsbepaling bestaande mandaten machtigingen en volmachten De vóór de inwerkingtreding van deze gewijzigde regeling overeenkomstig de Ambtelijke bevoegdhedenregeling 2009 reeds uitgeoefende bevoegdheden worden geacht te zijn gebaseerd op de in dit besluit opgenomen regeling Artikel 10 Slotbepalingen 1 Bij deze regeling behoort een Bevoegdhedenregister met betrekking tot de verleende onder mandaten volmachten en machtigingen 2 Deze regeling wordt in afschrift verzonden aan de in artikel 3 genoemde functionarissen 3 Ondertekening van deze regeling vindt plaats met inachtneming van de eigen bevoegdheden Artikel 11 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op de dag van bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2015 Artikel 12 Citeertitel Dit besluit kan worden aangehaald als Ambtelijke bevoegdhedenregeling Waterschap De Dommel 2009 Chronologisch en in onderstaande volgorde Aldus vastgesteld in het dagelijks bestuur op 17 maart 2015 Het dagelijks bestuur van Waterschap De Dommel de watergraaf de secretaris mr drs P C G Glas drs R E Viergever Aldus vastgesteld door de watergraaf op 17 maart 2015 De watergraaf van Waterschap De Dommel mr drs P C G Glas Aldus vastgesteld door de secretaris directeur op 17 maart 2015 De secretaris directeur van Waterschap De Dommel drs R E Viergever Bijlage Bevoegdhedenregister behorende bij de Ambtelijke bevoegdhedenregeling 2009 Bevoegdhedenregister Klik hier om het document te downloaden ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING BEHORENDE BIJ DE AMBTELIJKE BEVOEGDHEDENREGELING WATERSCHAP DE DOMMEL 2009 Algemene toelichting Algemene toelichting Het karakter van de bevoegdheden in de Ambtelijke bevoegdhedenregeling en het annexe Bevoegdhedenregister

    Original URL path: http://www.dommel.nl/cvdr/362464_1/Ambtelijke+bevoegdhedenregeling+2009.html (2015-12-02)
    Open archived version from archive

  • Waterschap De Dommel - Regelgeving zoeken
    projectbudget toekennen aan een projectleider 4 Gebruikmaking van het toegekende budget vindt indien sprake is van bestuurlijke gevoeligheid enkel plaats met gelijktijdige melding aan het dagelijks bestuur 5 Het boven de formatie plaatsen van medewerkers blijft voorbehouden aan de secretaris directeur Artikel 4 Aanwijzing budgethouders 1 Het budgethouderschap wordt op basis van de productenstructuur toegekend met de navolgende niveaus programma beleidsproducten beheerproducten 2 Voor de exploitatiebudgetten wordt de volgende indeling in budgethouderschap aangehouden a programma budgethouder programmaeigenaar b beleidsproducten budgethouder procesmanager c beheerproducten budgethouder de HR manager voor het ontwikkelbudget en de procesmanager voor de overige budgetten 3 Bij investeringskredieten geldt de volgende indeling in budgethouderschap voor investeringen die vallen onder a programma budgethouder programmaeigenaar b investeringsproject budgethouder projectleider indien dit in de projectopdracht is geregeld middels de kredietaanvraagvan de opdrachtgever zijnde programmaeigenaar of procesmanager dan wel een gemandateerd opdrachtgever c vervangingsinvesteringen budgethouder procesmanager 4 In schriftelijke opdracht van de budgethouder kan een functionaris anders dan de budgethouder beschikken over een deel van het budget en de daarbij horende bevoegdheden 5 In de Procuratieboom een bijlage bij deze budgethoudersregeling is geregeld wie budgethouders zijn Artikel 5 Verantwoordelijkheden van de budgethouder De budgethouder is verantwoordelijk voor het opstellen van een raming de bewaking van de uitgaven inkomsten en het afleggen van verantwoording over a alle onder het budget vallende kosten en opbrengstsoorten b alle onder het budget vallende interne kosten en opbrengstsoorten c de aanwending en inzet van mens machine en voertuiguren Artikel 6 Bevoegdheden en verplichtingen van de budgethouder 1 Bij het uitvoeren van het budgethouderschap hebben de budgethouders de volgende bevoegdheden en verplichtingen a het doen van uitgaven met inachtneming van de grenzen van het budget b het zorgdragen voor het realiseren van de in de begroting opgenomen inkomsten per product c restant budgetten binnen de exploitatie worden in beginsel niet overgeheveld naar een volgend dienstjaar d in overleg met de naast hogere verantwoordelijke kan de budgethouder een overschrijding bij de financiële middelen van het ene budget compenseren met een onderschrijding bij de financiële middelen van het andere budget Budgetcompensatie vindt primair plaats binnen het beheerproduct Uitgesloten van budgetcompensatie zijn het aanwenden van eventuele meevallers opbrengsten extra bijdragen van derden of subsidie uitkeringen voor dekking van kosten zoals kapitaallasten personeelslasten en de post voor onvoorzien e het verstrekken aan het proces Beheren Financiën van alle gegevens en stukken die nodig zijn voor een juiste verzorging van de financiële administratie f bij het factureren van interne uren aan derden wordt gebruik gemaakt van de jaarlijks door de secretaris directeur vast te stellen uurtarieven berekeningen Artikel 7 Uitoefening bevoegdheden anders dan door de budgethouder 1 In de Procuratieboom is in elk geval voor ieder exploitatiebudget geregeld welke functionaris bevoegd is tot het verrichten van een uitvoeringshandeling 2 Het proces Beheren Financiën actualiseert de Procuratieboom 3 De geactualiseerde procuratieboom wordt vastgesteld en getekend door de secretaris directeur Artikel 8 Registratie en informatie 1 Het proces Regievoeren Planning Control draagt zorg voor de toetsing op de tijdige signalering van budgetafwijkingen over en onderschrijdingen

    Original URL path: http://www.dommel.nl/cvdr/362490_1/Budgethoudersregeling+waterschap+De+Dommel+2009.html (2015-12-02)
    Open archived version from archive



  •