archive-nl.com » NL » M » MSWEB.NL

Total: 1123

Choose link from "Titles, links and description words view":

Or switch to "Titles and links view".
  • MSweb
    verdeling van de laesies Als het gaat om de gevolgen van MS bij kinderen hebben tot op heden de meeste studies zich gericht op cognitieve verslechtering Vermoeidheid en depressie zijn echter ook bekende en belangrijke symptomen van MS op de volwassen leeftijd en deze ziekteverschijnselen kunnen een grote impact op de kwaliteit van leven hebben We onderzochten of vermoeidheid en depressie ook bij kinderen voorkomen in een kleine groep kinderen met MS monofasische ADEM en gezonde kinderen aan de hand van verschillende vragenlijsten Met name vermoeidheid bleek vaker voor te komen bij kinderen met MS in vergelijking met beide andere groepen Vermoeidheid en depressie waren gecorreleerd in de groep met MS patiënten De MS patiënten ervoeren een slechtere gezondheid gerelateerde kwaliteit van leven domeinen functioneren van het bewegingsapparaat cognitief functioneren en interactie met leeftijdsgenoten Aangezien het hier om verborgen beperkingen gaat moet de behandelend arts zelf zich bewust zijn van het voorkomen van deze ziektekenmerken en ingrijpen indien nodig Het bepalen van antistoffen gericht tegen het eiwit aquaporine 4 AQP4 in het bloed kan helpen om het onderscheid tussen NMO en MS te maken Hiervoor onderzochten we in totaal 273 patiënten met inflammatoire demyeliniserende aandoeningen van het CZS Patiënten met NMO konden met 99 zekerheid worden onderscheiden van alle andere patiënten Onze cell based assay heeft een sensitiviteit van 56 in de gehele groep van NMO patiënten en van 74 in alleen de patiënten met een recidiverende NMO Een interessante bevinding was de afwezigheid van antistoffen in de groep monofasische NMO patiënten Van sommige patiënten met een recidiverende ziekte konden longitudinaal verkregen samples worden onderzocht en deze toonden aan dat de antistoffen aanwezig bleven gedurende het beloop Onze hypothese is dat monofasische NMO een andere ziekte is dan recidiverende NMO Antistoffen gericht tegen myelin oligodendrocyte glycoprotein MOG zijn een interessante kandidaat om te gebruiken als ziekte specifieke biomarker voor ADS op de kinderleeftijd Deze antistoffen waren aanwezig bij 15 van alle kinderen met ADS bij geen van de gezonde kinderen of kinderen met andere neurologische ziekten en bij slechts één volwassen patiënt met ADEM Tot op heden is nog onbekend hoe de subgroepen van patiënten bij wie deze antistoffen aanwezig zijn geclassificeerd moeten worden In onze studie bleken de antistoffen vooral aantoonbaar bij jonge kinderen met een ADEM achtig fenotype zoals kinderen met een polyfocaal ziektedebuut met encefalopathie bij 42 van de patiënten in deze groep of een subgroep van patiënten met een polyfocal ziektedebuut zonder encefalopathie die geen kenmerken van MS hebben Verder zijn de antistoffen aanwezig bij subgroepen patiënten met AQP4 antistof negatieve NMO of NMO spectrum ziekten Een interessante subgroep bevat de patiënten met ADEM bij debuut gevolgd door recidiverende NO Geen van de patiënten bij wie MOG antistoffen konden worden aangetoond kregen een latere diagnose MS De aanwezigheid van de antistoffen pleit mogelijk tegen MS In het juni nummer van MSzien verschijnt een interview met Immy Keteslegers Promotie Acquired demyelinating syndromes and paediatric MS Promotor Prof dr RQ Hintzen Copromotor dr CE Catsman Berrevoets Curriculum Vitae

    Original URL path: http://www.msweb.nl/proefschriften/4358 (2016-02-04)
    Open archived version from archive


  • MSweb
    component van MS en Alzheimer Interactie tussen genetische risicogenen en omgevingsfactoren De bekende omgevingsfactoren en genetische variaties kunnen op dit moment maar een klein deel van het risico om MS te ontwikkelen verklaren Een mogelijke verklaring hiervoor is dat met name de interactie tussen de bekende omgevingsfactoren en de genetische risicovariaties een versterkend effect op elkaar hebben Op dit moment zijn interacties tussen de MS risicogenen en omgevingsfactoren erg slecht gekarakteriseerd De belangrijkste omgevingsfactor voor het krijgen van MS is het doormaken van een infectie met het Epstein Barr virus EBV Nagenoeg alle MS patiënten hebben in het verleden een infectie met EBV doorgemaakt terwijl dit percentage in de gezonde Nederlandse populatie tussen de 90 en 95 ligt Daarnaast geldt dat MS patiënten een versterkte afweerreactie tegen EBV hebben vergeleken met gezonde controles Aangezien de meeste MS risicogenen geassocieerd zijn met een functie in het immuunsysteem hebben wij de hypothese gepostuleerd dat sommige van MS risicogenen een versterkend effect hebben op de afweerrespons tegen EBV Om dit te onderzoeken hebben wij een studie opgezet waarin ongeveer 700 MS patiënten en 150 gezonde controles hebben deelgenomen Allereerst hebben wij gevalideerd dat MS patiënten een versterkte respons tegen EBV hebben Vervolgens hebben wij onderzocht of dit gedeeltelijk verklaard kon worden door de MS risicogenen Wij vonden dat vier risicogenen onafhankelijk van elkaar geassocieerd zijn met een versterkte respons tegen EBV Mensen die drager zijn van alle vier de risicovarianten hebben een sterkere respons tegen EBV dan mensen die maar één of twee risico varianten hebben Sommige van deze genen zijn onafhankelijk van onze studie in andere publicaties geassocieerd met EBV en het is dus zeer aannemelijk dat deze bijdragen aan de versterkte immuunrespons tegen EBV Conclusies Onze kennis over genetische variaties die een licht verhoogd risico geven op de kans om MS te ontwikkelen is de afgelopen zes jaar sterk gestegen De belangrijkste vervolgstap in het MS onderzoek is beter begrijpen hoe deze genetische variaties het risico op MS verhogen In ons onderzoek hebben we een eerste stap in die richting gezet Door zowel gezonde controles als MS patiënten met en zonder deze risicovariaties te vergelijken kunnen we onderzoeken wat de functionele effecten van de risicogenen zijn Een andere belangrijke stap is te onderzoeken wat de functie van de risicogenen is Een andere uitdaging is om te onderzoeken hoe de omgevingsfactoren en de risicovariaties elkaar beïnvloeden Dit zal er uiteindelijk toe leiden dat we een beter inzicht krijgen in de ontstaanswijze van MS wat mogelijk kan leiden tot het ontwikkelen van meer specifieke geneesmiddelen tegen MS die effectiever zijn en minder bijwerkingen hebben Functional immunogenetics of MS Promotoren Prof dr R Q Hintzen en Prof dr J D Laman Curriculum Vitae Naam Karim L Kreft Geboren 25 oktober 1984 Opleiding 2003 VWO Comenius College te Capelle aan den IJssel 2007 Doctoraal geneeskunde Erasmus Universiteit Rotterdam 2008 Master of Science Clinical Research Erasmus Universiteit Rotterdam met uitwisselingsprogramma naar Harvard University Boston MA USA Thesis Callosal lesion predicts future attacks after clinically isolated syndrome

    Original URL path: http://www.msweb.nl/proefschriften/4304 (2016-02-04)
    Open archived version from archive

  • MSweb
    de omgeving zijn recentelijk beschreven en zijn afkomstig van voorlopercellen in het embryonale CZS Deze cellen zullen zich uiteindelijk ontwikkelen tot astrocyten de stervormige steuncellen van de hersenen en neuronen de zenuwcellen die informatieoverdracht mogelijk maken De voorlopercellen van astrocyten radiale gliacellen zijn ook belangrijk voor de signalen aan neuronale voorlopercellen om neuronen te worden Eén van die signalen is het molecuul retinolzuur afkomstig van vitamine A Aangezien de vasculaire en neuronale ontwikkeling bepaalde signalen delen hebben wij gekeken naar het effect van retinolzuur op de ontwikkeling van de BHB We hebben gevonden dat retinolzuur dat wordt geproduceerd door radiale gliacellen de BHB versterkt Zo zorgt retinolzuur niet alleen voor een betere fysieke barrière door het beïnvloeden van TJ eiwitten maar heeft het ook invloed op de aanwezigheid van belangrijke transporteiwitten Verdere experimenten leerden ons dat een bepaalde retinolzuur receptor RARβ de belangrijkste receptor lijkt te zijn voor het verwerken van het retinolzuur signaal We hebben daarom gekeken naar de aanwezigheid van deze receptor tijdens humane hersenontwikkeling met behulp van immunohistochemie We hebben laten zien dat deze receptor tijdens een bepaalde ontwikkelingsperiode aanwezig is in de endotheelcellen van het CZS wat aangeeft dat deze cellen op dat moment ontvankelijk zijn voor retinolzuur Door het inactiveren van de retinolzuurreceptoren tijdens de embryonale ontwikkeling van muizen konden we zien dat de BHB in deze muizen niet goed ontwikkeld was Zo was de BHB in deze muizen niet in staat om lekkage van eiwitten vanuit de bloedbaan tegen te gaan en waren belangrijke BHB eiwitten niet voldoende aanwezig Deze bevindingen staan beschreven in hoofdstuk 2 en geven aan dat retinolzuur een belangrijk signaal is tijdens de vorming van de BHB Het vinden van lichaamseigen signalen die BHB formatie ondersteunen kan belangrijk zijn in de zoektocht naar manieren om de beschadigde BHB te repareren Een interessant gegeven hierbij is de mogelijkheid dat de endotheelcellen van de BHB tijdens ontstekingen in het CZS hun specifieke eigenschappen verliezen en meer gaan lijken op niet CZS endotheel Een aanwijzing hiervoor staat beschreven in hoofdstuk 3 Hier we beschrijven we dat het eiwit PLVAP dat normaal gesproken niet aanwezig is op hersenendotheel maar wel op alle andere endotheelcellen in het lichaam alleen terug te vinden is op BHB endotheel dat zich bevindt in een gebied waar een ontsteking gaande is Hoewel deze bevindingen zijn gedaan in het diermodel voor MS experimentele autoimmuun encephalomyelitis EAE zijn soortgelijke bevindingen ook gedaan door anderen in humane hersenaandoeningen Het verliezen van deze BHB specifieke eigenschappen in hersenendotheel kan betekenen dat signalen die normaal gesproken alleen aanwezig zijn tijdens de ontwikkeling een belangrijke bijdrage kunnen leveren tijdens het herstel van de barrière tijdens MS Astrocyten en de bloed hersen barrière in MS een dubbele rol De rol van astrocyten bij de BHB tijdens ontstekingen in het brein is al door velen uitgebreid onderzocht Dit komt met name door de belangrijke rol die astrocyten vervullen bij de totstandkoming en onderhoud van de BHB Astrocyten staan in continu contact met de bloedvaten in de hersenen door middel van vele uitlopers ook wel eindvoetjes genoemd zie figuur 1 Wanneer men astrocyten plotseling weg zou halen leidt dit tot een snelle achteruitgang van de barrièrefuncties van de BHB Naast deze cruciale rol in BHB onderhoud communiceren ze ook met alle andere cellen van het CZS en met naburige astrocyten Hierdoor kunnen astrocyten snel reageren op veranderingen in de omgeving zoals een ontsteking in MS laesies Tijdens de vorming van een MS laesie reageren astrocyten op ontstekingssignalen van zowel CZS cellen als geïnfiltreerde cellen van het immuunsysteem Dit leidt tot een reactie van de aanwezige astrocyten op dat moment reactieve astrocyten genoemd In hoofdstuk 4 en 5 hebben we gekeken naar de veranderingen in de interactie tussen endotheelcellen en reactieve astrocyten tijdens MS In hoofdstuk 4 hebben we gekeken naar de aanwezigheid van 4 belangrijke BHB transporteiwitten die betrokken zijn bij het uitscheiden van schadelijke stoffen naar de bloedbaan in MS laesies Uit deze studie en eerder werk uit onze groep bleek P gp het enige transporteiwit te zijn dat minder aanwezig was in MS laesies Wel zagen we dat drie transport eiwitten P gp MRP1 en MRP2 verhoogd aanwezig waren op reactieve astrocyten Door het nabootsen van reactieve astrocyten en het isoleren van astrocyten uit MS laesies hebben we laten zien dat deze transport eiwitten betrokken zijn bij het uitscheiden van een signaalmolecuul dat de ontsteking bevordert CCL2 Dit molecuul zorgt er niet alleen voor dat er meer immuuncellen naar een ontsteking worden geloodst maar kan ook directe negatieve gevolgen hebben op de barrièrefunctie van de BHB Het blokkeren van deze transporteiwitten had dan ook tot gevolg dat reactieve astrocyten minder in staat waren om immuuncellen aan te zetten tot het passeren van de BHB Hieruit kunnen we afleiden dat het dempen van de reactie van astrocyten op ontsteking zou kunnen helpen om BHB schade in MS laesies te beperken We weten echter uit studies in het EAE model dat het belemmeren van de reactieve astrocyten juist zorgt voor meer schade in de laesies Er lijkt dus ook een beschermende rol te zijn voor reactieve astrocyten in MS laesies die niet over het hoofd gezien mag worden Recent onderzoek heeft aangetoond dat bepaalde signalen die belangrijk zijn tijdens de totstandkoming van de BHB ook kunnen fungeren als beschermende en ontstekingsremmende signalen tijden BHB schade en ontsteking Wij hebben daarom gekeken naar de aanwezigheid van de retinolzuur signaleringsroute in MS laesies We laten in hoofdstuk 5 zien dat het enzym dat retinolzuur produceert RALDH in hoge mate aanwezig is in reactieve astrocyten in MS laesies Dit zou kunnen duiden op de productie van retinolzuur door reactieve astrocyten Wanneer we astrocyten blootstellen aan inflammatoire stoffen zien we dat deze cellen in staat zijn om retinolzuur te produceren en uit te scheiden Vervolgens hebben we gekeken naar de effecten van retinolzuur op BHB schade door ontsteking Retinolzuur bleek in staat te zijn om veel van de schadelijke effecten van ontsteking op BHB endotheel cellen ongedaan te maken of te verminderen

    Original URL path: http://www.msweb.nl/proefschriften/4210 (2016-02-04)
    Open archived version from archive

  • MSweb
    1 evenals de ziekte impact zoals gemeten met twee patiënt georiënteerde schalen de Multiple Sclerosis Impact Scale MSIS 29 een vragenlijst die de impact van MS op het dagelijks leven meet en de Multiple Sclerosis Walking Scale MSWS 12 een vragenlijst over het lopen hoofdstuk 3 2 Hierbij werd gekeken naar korte termijn veranderingen in de EDSS T25FW en 9HPT We lieten zien dat niet alleen korte termijn verandering in de EDSS zelf maar ook korte termijnverandering in de T25FW de invaliditeit op de lange termijn zoals gemeten met de EDSS kon voorspellen Korte termijn T25FW verandering bleek als enige parameter in het predictiemodel naast de EDSS zelf de voorspelling van de invaliditeit op de lange termijn te verbeteren Deze resultaten ondersteunen het gebruik van de T25FW in klinische trials in progressieve MS omdat deze test als enige onafhankelijke prognostische informatie geeft Korte termijn Uit een onderzoek waarin de relatie tussen de korte termijn veranderingen op veelgebruikte objectieve schalen en de door de patiënt ervaren ziekte impact op de lange termijn behandeld werd bleek dat vooral korte termijn verandering op de T25FW geassocieerd was met de ervaren ziekte impact Korte termijn T25FW verandering was als enige geassocieerd met de fysieke impact minstens 5 jaar later Qua relatie tussen de verschillende objectieve korte termijn veranderingen en de door de patiënt ervaren loopproblemen na tenminste 5 jaar bleek opvallend genoeg de relatie met de T25FW het sterkst en bleek zelfs de 9HPT sterker geassocieerd met de ervaren loopproblemen dan de EDSS waarin de mobiliteit zwaar weegt Tenslotte werd onderzocht welke veranderingen vooral bijdragen aan een toename in de ervaren ziekte impact zoals gemeten met de MSIS 29 Hierbij werd weer gekeken naar kortetermijn veranderingen in de EDSS T25FW 9HPT en daarnaast ook in de Guy s Neurological Disability Scale GNDS een patiënteninterview waarbij de beperkingen tengevolge van MS geëvalueerd worden Verandering in de GNDS vooral in het spinal plus domein droeg het meest bij aan een toename in de ervaren ziekte impact Aangezien de GNDS en de MSIS 29 beide subjectieve meetschalen zijn is deze bevinding niet geheel onverwacht Daarnaast droeg verandering in de T25FW duidelijk bij aan een toename in de ervaren ziekte impact De relatie tussen de T25FW en de door de patiënt ervaren ziekte impact was sterker dan die tussen de EDSS en de ziekte impact Het is opvallend dat een objectieve kwantitatieve test als de T25FW toch een dergelijk sterke relatie laat zien met de impact zoals de patiënt deze ervaart Dit ondersteunt het gebruik van T25FW metingen in klinische trials in progressieve MS Verder suggereerden de bevindingen van hoofdstuk 4 specifieke profielen van veranderingen in de T25FW en MSIS 29 De resultaten suggereerden een trend van minder toename in ervaren ziekte impact bij patiënten met een hogere baseline impact en invaliditeit en een langere ziekteduur mogelijk door een response shift fenomeen wat bij de MSIS 29 fysieke schaal hoort In patiënten op een hoger niveau van invaliditeit liet een subgroep van patiënten duidelijke fysieke verslechtering zien op

    Original URL path: http://www.msweb.nl/proefschriften/4075 (2016-02-04)
    Open archived version from archive

  • MSweb
    naïeve Breg was vooral verlaagd in RRMS patiënten gedurende een relapse We hebben ook de associatie tussen B cel subsets en vitamine D status bestudeerd Er was geen correlatie tussen vitamine D status en B cel subsets inclusief Breg Dit wil niet zeggen dat er geen effect van vitamine D op B cellen is wij denken dat de functie in plaats van relatieve aantallen aangedaan kan zijn Vitamine D suppletie en MS We schakelden daarna over van immunologische uitkomstmaten naar klinische uitkomstmaten We beschrijven een literatuurstudie over vitamine D en klinische uitkomsten We onderzoeken het bewijsmateriaal dat vitamine D een rol speelt in MS en of vitamine D suppletie effectief is als behandeling van MS Observationele studies suggereren dat een hogere vitamine D status geassocieerd is met een lager risico op relapses Daarnaast is er veelbelovend bewijs dat vitamine D effect heeft op MRI uitkomstmaten ziekteprogressie geestelijke gezondheid en vermoeidheid We concluderen echter dat er op dit moment nog niet genoeg bewijsmateriaal is van gerandomiseerde gecontroleerde trials om vitamine D suppletie aan te bevelen als een behandelingsoptie om bovenstaande uitkomstmaten te verbeteren Maar er is wel genoeg bewijs om vitamine D en calcium status te corrigeren om de botgezondheid te optimaliseren in MS patiënten die een hoog risico hebben op bot fracturen Vitamine D en klachten over zien Om de effecten van vitamine D op klinische uitkomstmaten breder te onderzoeken zijn we gestart met het onderzoeken van een correlatie tussen vitamine D status en visus klachten Naast visus kleurenzien en visual evoked potentials VEP werd ook de dikte van de retinale zenuwvezel laag RNFL gemeten met optical coherence tomografie OCT Een afname van de dikte van de RNFL kan beschouwd worden als neurodegeneratie We konden geen correlatie aantonen in 27 MS patiënten met een korte ziekteduur 3 jaar met of zonder neuritis optica NO tussen visuele uitkomstmaten en vitamine D status Tegen onze verwachting in vonden we in dit cohort een negatieve correlatie tussen de dikte van RNFL en vitamine D status Dit zou kunnen betekenen dat in MS patiënten zonder doorgemaakte NO een hoge vitamine D status niet voldoende beschermt tegen axonale schade We concludeerden dat de vitamine D suppletie trials in MS ook uitkomstmaten zouden moeten includeren welke neurodegeneratie meten zoals bijvoorbeeld de dikte van de RNFL Het is ook aanbevolen om visuele uitkomstmaten mee te nemen om daadwerkelijk te bevestigen dat er geen effect is op oogheelkundige uitkomstmaten Vitamine D en psychische factoren We hebben in MS patiënten de associatie tussen vitamine D status en depressieve symptomen angst vermoeidheid en cognitieve functie onderzocht We hadden de hypothese dat vitamine D status negatief correleerde met symptomen van depressie angst vermoeidheid en cognitief functioneren In een retrospectieve studie vonden we echtereen negatieve correlatie tussen vitamine D status en depressie scores In een prospectieve studie vonden we deze negatieve associatie alleen in patiënten met de hoogste categorie vitamine D 80 nmol L De zon en psychische factoren We breidden onze bevindingen uit door ook de associatie tussen depressie angst vermoeidheid cognitie en zonblootstelling te onderzoeken We observeerden een negatieve associatie tussen gerapporteerde zonblootstelling en depressie scores in MS patiënten Deze associatie was bovendien grotendeels onafhankelijk van vitamine D status wat suggereert dat zonblootstelling een effect heeft op depressie buiten vitamine D om We concludeerden dat vitamine D suppletie trials zullen moeten bevestigen of een hoge vitamine D status de capaciteit heeft om depressieve symptomen te verminderen in MS Daarnaast zouden vitamine D suppletie trials uitkomstmaten van zonblootstelling moeten includeren om te onderzoeken of zonblootstelling nog onafhankelijke voordelige effecten heeft Conclusies Al met al hebben we in dit proefschrift de rol van vitamine D op immunologische en klinische uitkomstmaten verkend Onze in vivo studies konden de immuun modulerende effecten van vitamine D op B cellen voorheen gevonden in de in vitro studies niet bevestigen Echter zoals beschreven groeit het bewijs dat B cellen betrokken zijn in de pathofysiologie van MS met als consequentie meer onderzoek naar B cellen in MS Deze onderzoeken leiden tot nieuwe markers B cel subsets en B cel functies welke weer interessant zijn om te onderzoeken of zij geassocieerd zijn met vitamine D in MS Daarnaast hebben we interessante associaties gevonden tussen vitamine D status en klinische uitkomstmaten in MS patiënten We vonden dat in enkele van deze associaties zonblootstelling onafhankelijk van vitamine D geassocieerd was met de klinische uitkomstmaten De laatste jaren zijn er enkele vitamine D suppletie studies in MS patiënten gepubliceerd Slecht één van deze studies heeft naast de standaard klinische uitkomstmaten zoals aantal relapses of gadolinium aangekleurde laesies klinische uitkomsten zoals vermoeidheid geïncludeerd In deze trial werd er geen associatie gevonden tussen vitamine D suppletie en minder moeheid in MS patiënten Deze bevindingen moeten echter nog wel bevestigd worden Verder onderzoek Het is daarom van belang dat toekomstige gerandomiseerde klinische trials het effect van vitamine D op een grotere schaal van MS symptomen onderzoeken om de klinische effecten van vitamine D als een ziekte modulator volledig in beeld te brengen Tot slot het moet uitgesloten worden dat de associaties die voorheen gevonden zijn tussen vitamine D status en klinische uitkomstmaten niet een epifenomeen zijn van zonblootstelling Proefschrift Vitamin D and Multiple Sclerosis immunological and clinical outcom Promotoren Prof dr R M M Hupperts en Prof dr J W Cohen Tervaert Copromotoren Dr J G M C Damoiseaux en dr Y Bol Curriculum Vitae Naam Stephanie Alexandra Marieke Knippenberg Geboren 29 januari 1983 te Bergen op Zoom Opleiding 2001 VWO diploma Moller Lyceum te Bergen op Zoom 2007 Geneeskunde aan de Universiteit Maastricht 2007 WESP aan de Duke University Durham North Carolina VS Werkervaring 2007 arts assistent op de afdeling Neurologie Maasland ziekenhuis Sittard 2008 PhD student onderzoek naar vitamine D in MS patiënten 2012 arts assistent Neurologie in het Orbis Medisch Centrum Sittard Promotie 28 maart 2013 Universiteit Maastricht Relatie met MS De reden dat ik onderzoek ben gaan doen in MS zijn er meerdere Ten eerste vind ik Neurologie natuurlijk zeer interessant Wat me bij MS aangrijpt is dat het een jonge

    Original URL path: http://www.msweb.nl/proefschriften/4083 (2016-02-04)
    Open archived version from archive

  • MSweb
    de etiologie is nog onduidelijk In onderzoek bij MS worden voornamelijk vragenlijsten over MS gerelateerde vermoeidheid gebruikt om de ernst van de symptomen en de impact die vermoeidheid heeft op het dagelijks leven te bepalen Energieverbruik is een meer objectieve maat gerelateerd aan vermoeidheid die gebruikt kan worden om te onderzoeken of de ervaren vermoeidheid veroorzaakt wordt door fysieke inefficiëntie Van 75 patiënten die deelnamen aan de 10 jaars meting werd de ECw vermoeidheid en het fysiek functioneren bepaald Vermoeidheid werd bepaald met drie verschillende meetinstrumenten twee vragenlijsten namelijk de fatigue severity scale FSS en de medical outcome study short form subschaal vitality SF36 V en een visueel analoge schaal VAS Het fysiek functioneren werd bepaald met de medical outcome study short form subschaal physical functioning SF36 PF De drie vermoeidheidsmetingen vormden samen het construct vermoeidheid Aan de hand van structural equation modeling werden de onderliggende hypothetische constructen en hun onderlinge relaties bepaald De resultaten lieten zien dat ECw geen determinant van vermoeidheid was terwijl vermoeidheid ECw en ernst van de ziekte 75 van de variantie in fysiek functioneren verklaarden We concludeerden dat de ervaren vermoeidheid van MS patiënten met minimale tot gemiddelde loopproblemen niet gerelateerd is aan ECw Een mogelijk verklaring kan het verschil zijn in perifere vermoeidheid bv spiervermoeidheid en centrale vermoeidheid meer subjectief gevoel van vermoeidheid met een cognitieve component ECw kan een meetinstrument zijn voor perifere vermoeidheid terwijl de latente variabele vermoeidheid een meetinstrument kan zijn voor centrale vermoeidheid Balansonderzoek We wilden weten wat de relatie is tussen dynamische balans uitgedrukt in margin of stability MoS en statische balans Daarnaast hebben we geëvalueerd of de MoS gerelateerd was aan de ernst van MS Verstoringen van de balans kunnen een grote impact hebben op het dagelijks leven De uitkomstmaten die op dit moment gebruikt worden zoals de Berg Balans Schaal en de Tineti Performance Oriented Assessment lijken niet sensitief genoeg om balansverstoringen te detecteren bij mild aangedane MS patiënten Posturografie lijkt beter in het registeren van kleine verstoringen in de balans Echter posturografie is een meetinstrument van statische balans terwijl balans behouden in dynamische situaties een grotere uitdaging is voor MS patiënten De MoS is een kwantitatieve maat voor de dynamische balans tijdens het lopen maar is nog niet eerder onderzocht bij patiënten met MS Naast de MoS worden de dubbele standsfase en de stapbreedte ook wel gebruikt om de dynamische balans te onderzoeken omdat mensen met balansproblemen vaak een voorzichtiger looppatroon aannemen Onze hypothesen waren 1 de meer uitdagende condities van de posturografiemeting zullen beter correleren met de dynamische balansmaten 2 patiënten met grotere balansverstoringen tijdens de posturografie zullen ook een grotere MoS hebben en 3 de MoS kan onderscheid maken in de ernst van de ziekte EDSS ook bij de minimaal aangedane patiënten Van 81 patiënten die deelnamen aan de metingen op het tiende jaar werd de statische en dynamische balans gemeten De statische balans werd gemeten in vijf verschillende condities ogen open en ogen gesloten op verharde ondergrond ogen open en ogen gesloten op een ondergrond van foam en een cognitieve taak De MoS werd bepaald aan de het center of pressure tijdens het lopen Tegelijkertijd werd ook de duur van de dubbele standsfase en de stapbreedte gemeten De correlatie tussen de dynamische balansmaten en de posturografie werden berekend De correlatiecoëfficiënten waren allemaal significant maar laag De correlatiecoëfficiënten namen niet toe naarmate de condities van de posturografie uitdagender werden Met een regressie analyse werd onderzocht of er een significante relatie aanwezig was tussen de MoS en de ernst van de MS maar slechts 12 van de variantie in de MoS kon worden verklaard met de EDSS We concludeerden dat de MoS en de andere dynamische balansmaten bij MS patiënten die lopen zonder loophulpmiddel minimaal gerelateerd waren aan de posturografiematen Verder kan men zich afvragen of de MoS als dynamische balansmaat bruikbaar is bij patiënten met MS Door de eenvoud van de dubbele standsfase en stapbreedte krijgen deze maten de voorkeur boven de meer complexe MoS Manier van lopen We hebben onderzocht of het mogelijk is verschillende gangpatronen te identificeren bij patiënten met MS door kinematica de afzet push off het loskomen van de voet tijdens de zwaaifase clearance en spiercoördinatie tijdens het lopen te combineren Beperkingen in de loopvaardigheid zijn een substantieel probleem voor patiënten met MS Voor het ontwikkelen van doelgerichte en vroege behandelingen is het belangrijk de functionele veranderingen in het lopen te begrijpen Het identificeren van looppatronen kan hieraan bijdragen Bij MS is het meeste onderzoek naar lopen gericht op de spatio temporele parameters Deze globale parameters hebben als nadeel dat niet weergeven wordt wat de mogelijke veranderingen zijn in gewrichten van de onderste extremiteit en ze geven geen beeld van de kwaliteit van het gaan Het wordt onderschreven dat kinematica een meer compleet beeld geeft van het gaan Aangezien MS in verschillende neurologische systemen kan voorkomen kan het zijn dat er verschillende stoornissen in het gaan geïdentificeerd kunnen worden Bij 81 patiënten met een ziekteduur van 10 jaar is een 2 dimensionale gangbeeldanalyse uitgevoerd Er zijn videobeelden gemaakt in zowel het sagittale als het frontale vlak en tegelijkertijd werden elektromyografische EMG signalen geregistreerd van vijf spieren in elk been Met een ingebouwd krachtenplatform werd de grondreactiekracht gemeten In totaal werden 73 kinematica EMG en krachtenplatform variabelen gescoord voor elke patiënt Latent class analysis werd gebruikt om subklassen van gerelateerde patiënten te vinden Gangpatronen werden gedefinieerd op basis van de homogeniteit van variabelen binnen een latente klasse en heterogeniteit van variabelen tussen de latente klassen We concludeerden dat in onze populatie van MS patiënten drie loopklassen konden worden gedefinieerd op basis van een set van negen variabelen die bestaat uit heel rise tijdens het laatste gedeelte van de standfase de afzet clearance initial swing plantairflexie van de enkel in mid swing bekkenrotatie arm romp bewegingen activiteit van de m gastrocnemius in pre swing de M wave en de gemiddelde afzetkracht De drie klassen lijken voornamelijk een beeld te volgen van geleidelijke achteruitgang van de afzet tijdens het gaan Discussie en conclusies

    Original URL path: http://www.msweb.nl/proefschriften/4077 (2016-02-04)
    Open archived version from archive

  • MSweb
    tijdens de ziekte die de ziekte ernst bepalen Genetische factoren en verdeling van laesies We hebben gekeken naar de genetische invloed op de verdeling van laesies binnen het centrale zenuwstelsel De lokatie van de laesies is een van de parameters die direct en indirect de ziekte ernst kunnen bepalen Sommige laesies in klinisch belangrijke gebieden zullen veel klachten geven terwijl er ook nieuwe laesies op bepaalde plaatsen in het centrale zenuwstelsel op de MRI zichtbaar kunnen zijn zonder dat deze klachten heeft gegeven bij de patiënt We verwachtten een genetische invloed gebaseerd op eerdere demografische studies We hebben onderzocht of de laesie verdeling tussen de hersenen en het ruggenmerg beïnvloed wordt door genetische invloeden Onze studie laat zien dat het HLA DRB1 1501 genotype het genotype waarvan reeds bekend is dat het een vier keer verhoogde kans geeft op het ontwikkelen van MS geassocieerd is met een hoger aantal en groter totaal volume van de ruggenmerg laesies We hebben ook onderzocht of de laesieverdeling in de hersenen zelf onder invloed staat van genen We vonden dat een bepaalde variatie binnen het MHC klasse II gen rs2227139 geassocieerd is met een hogere kans op het hebben van een laesie op de MRI ter plaatse van de rechter voorhoorn Nog tien andere genetische variaties waren borderline significant geassocieerd met het ontwikkelen van laesies op specifieke plaatsen in de hersenen Hoewel uiterst interessant dienen deze bevindingen verder te worden onderzocht door andere onderzoeksgroepen Ziekteprognose op grond van afwijkingen in het ruggenmerg We onderzochten de klinische relevantie van ruggenmerg afwijkingen laesies in het gehele ruggenmerg en het volume van het cervicale ruggenmerg op het diagnosticeren van MS en op het voorspellen van de ernst van de ziekte In het verleden heeft de nadruk gelegen op de MRI scan van de hersenen Wij laten zien dat de aanwezigheid van laesies in het ruggenmerg zowel kunnen helpen bij het vroeg stellen van de diagnose MS in CIS patiënten als ook op het voorspellen van de tijd tot een volgende klinische episode van klachten Naar aanleiding van onze studie adviseren we om vaker een ruggenmerg MRI scan te maken om zo sneller de diagnose te stellen en om accurater een prognose te geven Dit zou kunnen leiden tot minder onzekerheid bij patiënten in de vroege fase Ook laten we zien dat niet alleen laesies relevant zijn in de prognose van MS patiënten maar dat ook het volume van het cervicale ruggenmerg ruggenmerg ter plaatse van de nek zeer gerelateerd is aan de mate van invaliditeit Een lager volume van het cervicale ruggenmerg is geassocieerd met een hogere mate van invaliditeit Conclusie Concluderend is het nauwkeurig voorspellen van het ziektebeloop van MS patiënten erg belangrijk mede ook gezien de ontwikkelingen op het gebied van nieuwe ziekte modulerende medicatie die binnenkort zeer waarschijnlijk op de markt zal komen Een nauwkeurige selectie van patiënten die mogelijk baat zou kunnen hebben bij deze therapieën is uiterst belangrijk Meest waarschijnlijk zal de combinatie van klinische gegevens radiologische bevindingen en resultaten van biomarker

    Original URL path: http://www.msweb.nl/proefschriften/4070 (2016-02-04)
    Open archived version from archive

  • MSweb
    en geheugen afwijkend is bij MS patiënten Van mensen met de ziekte van Alzheimer weten we al heel lang dat de hippocampus wordt aangetast en dat het cholinerge neurotransmitter systeem is aangedaan Vandaar dat we ter vergelijking hippocampus materiaal van Alzheimer patiënten meenamen in ons onderzoek Ten eerste hebben we gekeken naar de activiteit en eiwitexpressie van het enzym choline acetyltransferase ChAT dit enzym zorgt voor de synthese van acetylcholine Daarnaast hebben we gekeken naar de activiteit en eiwitexpressie van het acetylcholine degraderende enzym acetylcholinesterase AChE Net als bij de ziekte van Alzheimer vonden we in de hippocampi van MS patiënten een duidelijke afname in de activiteit en expressie van het acetylcholine synthetiserende enzym ChAT Dit duidt waarschijnlijk op een afname van cholinerge input vanuit het basale voorbrein de plaats waar de cholinerge neuronen gelegen zijn Wat betreft het enzym AChE zagen we geen afname of toename van de activiteit en expressie van dit enzym in MS hippocampi dit i t t de ziekte van Alzheimer waar we zoals verwacht wel een afname van AChE vonden Dit alles kan erop wijzen dat er een verstoorde cholinerge balans is in de hippocampi van MS patiënten In een correspondentie waarbij we reageren op een recent uitgevoerde klinische trial waarbij de AChE inhibitor donepezil is gebruikt om het geheugen van MS patiënten te herstellen door de acetycholine levels te doen laten stijgen In onze correspondentie pleiten we ervoor dat gezien het feit dat AChE nog intact is bij MS patiënten zie boven dit enzym harder moet worden geremd om in de synapsspleet een adequate concentratie acetylcholine over te houden d w z een hogere dosis donepezil geven Dit i t t de situatie bij de ziekte van Alzheimer waarbij we geen imbalans vonden Onze onderzoeksgegevens zouden dus mogelijk kunnen verklaren waarom de onderzoekers geen effect vonden op het cognitief functioneren van de patiënten Verder waren we van mening dat in de betreffende studie er een scherper contrast had moeten worden aangebracht tussen patiënten met een nog intacte cognitie en patiënten die cognitieve problemen ervaarden Hopelijk kunnen in de toekomst alsnog trials worden opgezet waarbij het geheugen van daarvoor geschikte MS patiënten wordt getracht te verbeteren d m v het herstellen van de cholinerge imbalans Genetische activiteit en Epstein Barrvirus bij het krijgen van laesies We hebben d m v genexpressie analyses microarray getracht inzicht te krijgen in pathogenetische mechanismen die mogelijk ten grondslag liggen aan grijze en wittestof laesies Aanvankelijk vonden we geen grote verschillen tussen genexpressie niveau s in corticale laesies en normaal ogende cortex van MS patiënten Toch werd in het corticale weefsel een opregulatie gevonden van immuunglobuline gerelateerde genen Toen we terug gingen kijken naar het weefsel waar we het materiaal vandaan hadden gehaald zagen we dat het corticale weefsel nog meningeaal weefsel bevatte Aangezien in eerdere publicaties aanwijzingen werden gevonden dat de meningen van MS patiënten een niche zouden zijn voor Epstein Barr virus geïnfecteerde B cellen besloten wij om met een zeer gevoelige detectiemethode d w z kwantitatieve PCR de aanwezigheid van dit virus te verifiëren Echter wij vonden geen aanwijzingen voor aanwezigheid van het Epstein Barr virus Ook andere onderzoeksgroepen hebben na ons tevergeefs geprobeerd het Epstein Barr virus in de breinen van MS patiënten aan te tonen Dit maakt dat de aanwezigheid van het Epstein Barr virus en zijn mogelijke rol bij het ontstaan van zowel wittestof laesies en corticale demyelinsatie vooralsnog tot een onbesliste zaak Genexpressie van het hele genoom We hebben m b v microarray technologie gekeken naar de genexpressie niveau s van het hele genoom en tegelijkertijd naar micro RNA mi RNA expressie niveau s van chronisch actieve wittestof laesies en subpiale corticale laesies Mi RNA s zijn korte stukjes RNA die de expressie van genen op mRNA niveau kunnen reguleren Zo is het mogelijk om zogenaamde pathway analyses uit te voeren door de expressie niveau s van miRNA s en mRNA s met elkaar te vergelijken en voorspelde mRNA targets te koppelen aan de expressie niveau s van miRNA s Hieruit volgde een aantal interessante miRNA mRNA pathways Een van de meest in het oog springende miRNA s die was gedownreguleerd in zowel chronische actieve wittestof laesies als subpiale corticale laesies was miRNA 219 Deze downregulatie hebben we vervolgens geconfirmeerd m b v in situ hybridisatie Van miRNA 219 was namelijk recentelijk aangetoond dat deze essentieel is voor myelinisatie In een separate studie binnen onze groep Strijbis et al 2012 submitted hebben we recentelijk kunnen aantonen dat er in corticale laesies van MS patiënten grote aantallen oligodendrocyt voorloper cellen aanwezig zijn maar dat deze niet allemaal lijken te kunnen uitrijpen tot volwassen oligodendrocyten Mogelijk is de downregulatie van miRNA 219 met dit fenomeen geassocieerd Betere visualisatie van corticale laesies Omdat corticale laesies met standaard MRI technieken veelal gemist worden ook één van de redenen waarom corticale laesies zo lang over het hoofd zijn gezien hebben we getracht door middel van verschillende MRI technieken de visualisatie van corticale laesies d m v MRI te verbeteren We hebben geprobeerd te achterhalen waarom de meeste corticale laesies met conventionele MRI worden gemist en waarom een klein deel wel wordt gedetecteerd Daartoe hebben we m b v kwantitatieve MRI en histopathologische vergelijkingen gekeken of er verschillen aan te wijzen waren voor MRI zichtbare en MRI onzichtbare corticale laesies Uiteindelijk bleek dat de zichtbaarheid van corticale laesies op conventionele MRI beelden voornamelijk afhing van de totale hoeveelheid aanwezige corticale demyelinisatie D w z dat wanneer een corticale laesie wordt gedetecteerd met conventionele MRI het waarschijnlijk is dat er uitgebreidere corticale demyelinisatie aanwezig is en dat daarmee dus slechts het topje van de pathologische ijsberg zichtbaar is op standaard MRI We hebben sensitiviteit en specificiteit voor de detectie van corticale laesies van een relatief nieuwe MR sequentie namelijk 3D DIR bepaald d m v een directe vergelijking met de goud standaard van de histopathologie De 3D DIR sequentie hebben we vervolgens vergeleken met een andere MRI sequentie die vaak wordt gebruikt voor de detectie van corticale laesies namelijk

    Original URL path: http://www.msweb.nl/proefschriften/3997 (2016-02-04)
    Open archived version from archive



  •