archive-nl.com » NL » M » MSWEB.NL

Total: 1123

Choose link from "Titles, links and description words view":

Or switch to "Titles and links view".
  • MSweb
    in het midden van het brein zoals periventriculaire laesies gesatureerd raken en het onderscheid tussen losse laesies verloren gaan De toegepaste procedure voor het tellen van laesies stelde als eis dat confluerende laesies als één werden geteld wanneer geen duidelijk onderscheid tussen de laesies viel te maken Dit effect zou vervolgens minder sterk aanwezig moeten zijn bij patiënten met slechts weinig laesies in deze gebieden de kans dat er dan confluerende laesies zijn is lager Daarom is er gekeken naar laesie aantallen bij patiënten met de hoogste en laagste aantallen periventriculaire en diepe witte stof laesies Hieruit bleek dat patiënten met de hoogste aantallen laesies op 3 Tesla 22 minder laesies vertoonden op 7 Tesla beelden terwijl geen verschil aantoonbaar was bij patiënten met de laagste aantallen laesies in de beschreven gebieden Ook in gezonde controles werden een aantal laesies gevonden waarbij er vanuit werd gegaan dat dit geen MS laesies waren Op 7 Tesla beelden werden meer laesies gezien dan op lager veld maar in een subject wise analyse was dit verschil niet significant Deze laesies zijn waarschijnlijk van vasculaire oorsprong en worden gezien als een normaal fenomeen dat past bij het ouder worden Een aantal van de laesies in MS patiënten zal daarom ook niet veroorzaakt zijn door MS Met betrekking tot de corticale laesies werden er significant meer gevonden op 7 Tesla beelden De klinische waarde van corticale laesies wordt hoog geacht omdat corticale schade verschilt tussen de verschillende subtypes MS Dit geldt voor zowel de fysieke als de cognitieve symptomen Hoewel de aanwezigheid van corticale laesies momenteel nog niet wordt meegenomen in de diagnostische criteria zou dit in de toekomst wel de nauwkeurigheid van de criteria kunnen verhogen Daarmee zou dan ook meteen de waarde van 7 Tesla MRI worden vergroot Naast de conventionele sequenties zoals deze worden toegepast in MS protocollen hebben op 7 Tesla ook sequenties met T2 weging laten zien dat ze goed in staat zijn om corticale laesies aan te tonen Eigenschappen zoals het vaak voorkomen van de laesies vlak naast de venen of een hypointense rand veroorzaakt door ijzerophopingen worden goed weergegeven door ultra hoog veld MRI Verschillende parameters konden in deze studie niet constant worden gehouden bij de overgang van 3 Tesla naar 7 Tesla Het gelijk houden van de ene parameter zou de andere weer zwaar beïnvloeden Toch wordt er vanuit gegaan dat de gekozen configuratie waardevol is omdat ook gekeken moet worden naar de klinische implementeerbaarheid van het potentieel van ultra hoog veld MRI Op lager veld heeft de DIR sequentie die zowel het signaal van de grijze als de witte stof onderdrukt en daarmee corticale laesies beter zichtbaar maakt zichzelf bewezen ten opzichte van FLAIR T1 en T2 gewogen sequenties De totale signaalsterkte is echter laag bij deze sequentie Het toepassen van DIR op ultra hoog veld dat zorgt voor een sterker signaal zou dus voordelig kunnen zijn voor het detecteren van corticale laesies met deze sequentie In hoofdstuk 5 is daarom deze hypothese onderzocht Van 37 MS patiënten en 7 gezonde controles werden 3D DIR 3D FLAIR T1 en T2 gewogen beelden vergeleken Wederom werden laesies gesorteerd naar de eerder beschreven groepen hoofdstuk 3 en 4 In tegenstelling tot de resultaten op lager veld werden met FLAIR 89 meer corticale laesies gezien vergeleken met DIR Omdat grote verschillen in laesie aantallen per patiënt dit verschil zouden kunnen veroorzaken is ook een subject wise analyse uitgevoerd Hieruit bleek dat het hogere aantal corticale laesies gezien met FLAIR ten opzichte van DIR ook dan statistisch significant was en dat dit vooral veroorzaakt werd door het feit dat minder mixed laesies gezien werden Directe vergelijking van DIR en FLAIR beelden liet zien dat de weergave van het brein op de beelden anders was Vooral de hersenschors wordt op deze beelden in een gelaagde structuur weergegeven waarbij ook nog het relatieve contrast met de omgeving sterker is op DIR Hierdoor worden laesies in de hersenschors wellicht over het hoofd gezien Ook door de dubbele inversiepuls die wordt toegepast bij DIR treedt meer signaalverzwakking op die debet kan zijn aan het lagere aantal gedetecteerde laesies Tenslotte zorgt een hoge resolutie in combinatie een hoog contrast voor een druk beeld waarbij naast laesies ook veel kleine vaatjes hyperintens worden afgebeeld Hierdoor kunnen laesies over het hoofd worden gezien of ten onrechte niet als laesie worden aangeduid De resultaten van deze studie laten zien dat met de toegepaste configuratie van de aanbevolen sequenties voor klinische toepassing op 7 Tesla corticale grijze stof afwijkingen het best gezien worden met 3D FLAIR en niet met 3D DIR of met conventionele sequenties Kwantitatieve MRI in MS op hoog veld T1 relaxatietijden van normaal ogende witte stof De witte stof in de hersenen van MS patiënten ziet er op kwalitatieve MRI beelden vaak normaal uit maar verschilt toch van dat van gezonde controles wanneer er met verschillende kwantitatieve technieken naar wordt gekeken Dit lijkt een bevestiging van de veranderingen die in histopathologische studies al werden gevonden Veranderingen in normaal ogende witte stof worden gezien in alle subtypes en worden door het gehele brein gevonden In genormaliseerde histogrammen van T1 relaxatietijd beelden van de hersenen van MS patiënten worden typische lagere piekhoogten en verhoogde relaxatietijden gevonden Dit geldt ook voor de grijze stof zij het meer subtiel Op 7 Tesla zijn T1 relaxatietijden langer en in combinatie met een hogere signaalsterkte kunnen beelden met een hogere resolutie en of hogere nauwkeurigheid gemaakt worden De klinische studie in hoofdstuk 6 gebruikte een sequentie die T1 relaxatietijden kwantitatief bepaalt 29 MS patiënten en 8 gezonde controles ondergingen 7 Tesla MRI onderzoek om beelden met T1 relaxatietijden en conventionele T1 en T2 gewogen beelden te maken Van de T1 relaxatietijd beelden werden histogrammen gemaakt ter controle van de methode maar ook werden op de conventionele beelden grote witte stof gebieden geselecteerd uit een gebied net boven de laterale ventrikels Daarbij werd er voor gezorgd dat laesies niet meegenomen werden Daarna werden de gebieden na registratie gekopieerd naar de T1 relaxatietijd beelden

    Original URL path: http://www.msweb.nl/proefschriften/3898 (2016-02-04)
    Open archived version from archive


  • MSweb
    acute Schub en 6 weken na de behandeling Anti MOG IgG concentraties waren significant afgenomen na behandeling met coriticosteroiden maar dat gold niet voor anti MOG IgM antilichaam concentraties Patiënten bij wie de klinische symptomen volledig waren hersteld na een acute MS Schub hadden een significante toename in anti MOG IgM antilichaam concentraties ten opzichte van concentraties op baseline en tijdens de Schub De conclusie was dat het meten van anti natief MOG antilichamen van belang kan zijn voor klinische beslissingen tijdens acute Schubs met name voor wat betreft de dosis en of duur van behandeling met corticosteroiden of een escalatie therapie SGIII als biomarker voor ziekteprogressie van MS Wij wilden een nieuwe serum biomarker een fragment van secretogranine III SGIII valideren als potentiële biomarker voor ziekteprogressie in MS Deze nieuwe biomarker was recent geïdentificeerd in een studie van onze groep waarin MALDI TOF massa spectrometrie was toegepast om biomarkers te identificeren We hebben serum monsters van 90 MS patiënten RRMS n 50 and primary progressive PPMS n 50 geanalyseerd en van 24 gezonde controles Om het eiwit aan te tonen hebben we een polyklonaal antilichaam ontwikkeld door immunisatie van konijnen met het SGI II specifieke peptide Cys KP GGSQDKSLHNRELSAERPLNEQIAEAEED A Alle analyses zijn gedaan met behulp van Western Blot De aanwezigheid en intensiteit van verschillende banden werd op een semi kwantitatieve en geblindeerd geëvalueerd en genormaliseerd met behulp van een referentiemonster Voor de kwantificatie hebben Odyssey beeldverwerkings software gebruikt De resultaten lieten verschillende SGI II isovormen zien die verschillend tot expressie kwamen in MS patiënts en controles met name was dat het geval voor de Western Blot banden met de massa van 12 kD 23 kD 37 kD en 100 kD p 0 01 Patiënten met PPMS hadden een significant sterkere intensiteit van de banden op 37 kD dan de patiënten met RRMS p 0 05 Correlatie van de Western Blot resultaten met klinische uitkomstmaten liet zien dat de intensiteit van de band op 37 kD correleerde met fysieke achteruitgang r 0 238 p 0 05 MS patiënten die onbehandeld waren hadden een hogere intensiteit van de banden op 23 en 100 kD vergeleken met mensen die immunomodulerende therapie ontvangen p 0 05 Uit deze eerste validatie kunnen we concluderen dat specifieke isovormen van SGIII bruikbaar kunnen zijn om MS subtypes te onderscheiden met name de PPMS en RRMS subtypen en om ziekteprogressie en behandelingseffecten te monitoren Bepaling neurofilamenten en NAA als biomarkers Wij wilden de waarde van een aantal mogelijke biomarkers voor axonale schade in liquor bepalen in patiënten met CIS en de relatie van deze markers met beschadiging van hersenweefsel gemeten met behulp van MRI te onderzoeken De concentraties van neurofilamenten en N acetyl aspartaat NAA in liquor zijn op dit moment de meest veelbelovende markers om de mate van axonale schade vast te stellen Daarom hebben we de concentraties van de markers neurofilament zware isovorm NfH neurofilament lichte isovorm NfL en NAA in liquor geanalyseerd in 67 CIS patiënten en 18 controles met non inflammatoire neurologische aandoeningen NC De CIS patiënten ondergingen op baseline een MRI met een 3Tesla scanner met daarnaast sequenties om het T2 lesie volume te analyseren Bij 21 CIS patiënten was een jaar later het genormaliseerde regiospecifieke en totale hersenvolume nogmaals geanalyseerd Concentraties van NfL p 0 001 en NfH p 0 05 levels waren significant verhoogd vergeleken met NC We vonden een sterke correlatie tussen zowel NfH r 0 713 p 0 005 als NfL concentraties r 0 929 p 0 001 met leeftijd in de groep van NC Deze correlatie was zwakker in CIS patiënten voor NfH r 0 325 p 0 01 en afwezig voor NfL NfH correleerde met fysieke achteruitgang r 0 304 p 0 05 en met verlies van hersenvolume gedurende een jaar r 0 518 p 0 01 in CIS patiënten maar niet met de verandering in het totale T2 lesie volume De conclusie was dat onze bevindingen bewijs leveren dat verhoging in concentraties van neurofilamenten reeds in de vroegste stadia van MS plaatsvinden De correlatie van de NfH concentratie met klinische achteruitgang en afname in hersenvolume maar niet met verandering in lesie volume ondersteunt het idee dat deze markers geassocieerd zijn aan axonale schade NCAM als biomarker Wij bestudeerden of de liquor concentraties van neural cell adhesion molecule NCAM als biomarker in de klinische praktijk kan dienen in patiënten met CIS en MS NCAM speelt een centrale rol in neuronaal herstel en regeneratie Verlaagde concentraties van NCAM in liquor waren waargenomen in een MS patiënten in een studie met een beperkt aantal MS patiënten en een geleidelijke toename werd gezien in MS patiënten in een relapse die een klinische verbetering lieten zien na een immunomodulerende behandeling Echter tot nu toe was het onduidelijk of oplosbaar NCAM ook gecorreleerd was aan klinische en MRI uitkomstmaten in CIS en MS Daarom hebben we NCAM concentraties geanalyseerd in liquor van 85 patiënten CIS n 66 MS n 19 Patiënten ondergingen een gedetailleerd klinisch onderzoek en een 3T MRI scan Een follow up MRI scan na gemiddeld één jaar was verkregen van 32 patiënten Liquor monsters van 17 patiënten met andere neurologische aandoeningen dienden als controles De NCAM concentraties waren vergelijkbaar tussen CIS en MS patiënten samen ten opzichte van de controles De resultaten lieten zien dat NCAM concentraties in liquor van RRMS patiënten significant lager waren dan in CIS patiënten p 0 05 en ook lager in patiënten met klinische exacerbatie Schub vergeleken met patiënten in een stabiele fase p 0 05 Hogere concentraties van NCAM in liquor correleerden met het totale weefselverlies in de hersenen en in de grijze stof en de cortex over een periode van een jaar r 0 4 tot 0 6 p 0 05 p 0 005 De conclusie was dat NCAM is veranderd in liquor van MS patiënten afhankelijk van de fase en activiteit van de ziekte NCAM concentraties kunnen toenemen tijdens regeneratie wat waarschijnlijk alleen op korte termijn gunstige effecten op weefselverlies heeft gezien de correlatie met weefselverlies op lange termijn

    Original URL path: http://www.msweb.nl/proefschriften/3875 (2016-02-04)
    Open archived version from archive

  • MSweb
    zou moeten uitwijzen welk van de twee de overhand heeft en of dit verschillend is de verschillende laesie stadia Mitochondriale disfunctie Het onderwerp van de andere onderzoeken van dit proefschrift is mitochondriale disfunctie in de grijze stof van MS patiënten Eerder onderzoek heeft uitgewezen dat mitochondriën in de neuronen van MS patiënten ernstig beschadigd zijn Zo is er een verlaagde expressie van bepaalde onderdelen van de OxPhos keten en is er verminderde activiteit van OxPhos complexen I III en IV Hiernaast is het mitochondriaal DNA in corticale neuronen in MS ernstig beschadigd De meest logische verklaring voor schade aan mitochondriaal DNA is oxidatieve stress dat veroorzaakt kan worden door naburige geactiveerde microglia en of door radicaal productie in de mitochondriën zelf Gevolg van beschadiging van mitochondriaal DNA is verminderd functioneren van de OxPhos keten wat weer zal leiden tot minder energie productie en verhoogde superoxide productie De verminderde expressie van vele genen die coderen voor verschillende OxPhos onderdelen leidde er toe dat wij vermoedden dat er iets mis was met de transcriptie van OxPhos genen Om die reden hebben wij gekeken naar de expressie van transcriptiefactoren en cofactoren betrokken bij OxPhos gen expressie Zo hebben wij verminderde PGCla geïdentificeerd als een mogelijke verklaring voor de mitochondriale veranderingen in MS neuronen PGC la is een transcriptionele cofactor die de expressie reguleert van diverse genen betrokken bij energie metabolisme en mitochondrieel functioneren Zo reguleert PGC la onder andere de expressie van OxPhos onderdelen mitochondriale antioxidanten en uncoupling proteins Het is daarom ook niet verassend dat al deze eiwitten verminderd tot expressie komen in neuronen in MS cortex zoals wij in dit proefschrift beschreven In vitro hebben wij laten zien dat een verlaging van de hoeveelheid PGC 1 a in neuronen leidt tot mitochondriale dysfunctie verhoogde ROS productie en een verhoogd percentage celdood onder exogene oxidatieve stress Aangezien er ook sprake is van exogene oxidatieve stress in de cortex van MS patiënten vermoeden wij dat verlaagde PGC la expressie in neuronen bijdraagt aan het neuronaal verlies Het is dan ook erg interessant dat wij een relatie vinden tussen de hoeveelheid neuronale celdood en PGC 1a expressie in neuronen in MS patiënten In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht is de mitochondriale populatie van een cel erg veranderlijk De processen die leiden tot veranderingen in vorm hoeveelheid en distributie van mitochondriën zijn fissie en fusie beide het onderwerp van het laatste hoofdstuk van dit proefschrift Mitochondriale fissie en fusie zijn essentiële processen in neuronen die er samen voor zorgen dat de mitochondriale populatie kan voldoen aan de lokale behoefte aan energie Daarnaast zorgen fissie en fusie er voor dat de totale mitochondriale populatie van een cel gedurende lange tijd goed blijft functioneren Aangezien het functioneren van mitochondriën in neuronen in MS cortex verstoord is hebben wij onderzocht of er mogelijk veranderingen zijn in genen en eiwitten betrokken bij mitochondriele fissie en fusie in MS cortex De resultaten laten zien dat genexpressie van de vijf genen betrokken bij mitochondriale fissie en fusie verminderd zijn in

    Original URL path: http://www.msweb.nl/proefschriften/3874 (2016-02-04)
    Open archived version from archive

  • MSweb
    MOG34 56 autoreactive T cellen NK CTL achtige zijn Bevestiging dat MOG 34 56 bruikbare EAE veroorzaakt In een laatste experiment van het verfijningsproces van het EAE model in de penseelaap zijn in hoofdstuk 6 de dieren met rhMOG in IFA geïmmuniseerd Alle dieren ontwikkelden klinische verschijnselen grijze en witte stof laesies in de hersenen en antilichamen tegen rhMOG en de MOG peptiden 14 36 24 46 54 76 maar niet tegen 34 56 Aangezien de immunologische analyse op het moment van schrijven incompleet was kan nog niet worden vastgesteld in welke mate het model vergelijkbaar is met de andere EAE modellen in de penseelaap en of het gebruikt kan worden als een preklinisch model voor therapieën die gericht zijn tegen B en of T cellen De rol van B cellen We hebbenonderzocht in welke opzichten B cellen bijdragen aan de ziekte in het T cel gemedieerde MOG34 56 in IFA model Hier werd één helft van vijf tweelingen behandeld met een anti CD20 antistof dat B cellen verwijdert en de ander helft werd behandeld met fysiologisch zout De anti CD20 behandeling resulteerde in 100 verwijdering van B cellen uit bloed en de milt en onderdrukking van klinische en pathologische EAE symptomen Dit leidde tot de veronderstelling dat B cellen direct betrokken zijn bij de activatie van de pathogene autoreactieve T cellen Onlangs hebben anti CD20 studies bewezen effectief te zijn in MS patiënten maar het bleek dat langdurige verwijdering van de B cellen in andere autoimmuunziekten kan leiden tot ernstige bijwerkingen zoals het ontwikkelen van meerdere laesies in de hersenen Alternatieve verwijdering van B cellen We hebben daarom gekozen voor een alternatieve benadering van B cel verwijdering te weten met antistoffen tegen B Lymfocyten Stimulator BLyS en Een Proliferatie Inducerende Ligand APRIL Deze twee antistoffen zijn in staat moleculen te inactiveren die betrokken zijn bij B cel overleving Behandeling met anti BLyS en anti APRIL hebben het begin van de ziekte aanzienlijk vertraagd en hadden ook een positief effect op de pathologie in het ruggenmerg Immunologische parameters gaven aan dat antistoffen tegen rhMOG en MOG peptiden gereduceerd waren en er was een verminderde activiteit van Th1 IFN en Th17 IL 17A gerelateerde cytokinen na de anti BLyS behandeling De anti APRIL behandeling leidde tot een afname van de mRNA transcripten van Th1 en Th17 gerelateerde cytokinen en tot een verhoogd mRNA transcript niveau van de regulerende cytokine IL 10 Deze waarnemingen suggereren dat het T cel activiteitsprofiel door de behandeling met anti APRIL is verschoven van een pro naar een anti ontstekingsreactie De rol van Th17 cellen Zoals eerder is aangegeven wordt de kern van de ziekte in de MOG34 56 in IFA model toegewezen aan de activatie van NK CTL en Th17 cellen We hebben een mogelijke rol van Th1 cellen onderzocht in het Th17 gemedieerde ziektemodel Penseelapen die met MOG34 56 in IFA waren geïmmuniseerd hebben een profylactische en therapeutische behandeling ondergaan met recombinant humaan IFN Hieruit bleek dat de behandeling geen positief effect had op de

    Original URL path: http://www.msweb.nl/proefschriften/3796 (2016-02-04)
    Open archived version from archive

  • MSweb
    eerste en derde trimester van de zwangerschap bij MS patiënten en gezonde controles We vonden geen verschillen in percentages van circulerende Th17 cellen tijdens en na de zwangerschap bij MS patiënten en gezonde controles Wij concludeerden dat circulerende Treg en Th17 cellen niet direct betrokken zijn bij de verbetering van MS tijdens de zwangerschap Serumwaarden van leptine voor tijdens en na zwangerschap We observeerden dat leptine significant verhoogd was tijdens de zwangerschap bij MS patiënten vergeleken met voor de zwangerschap en tijdens het eerste trimester van de zwangerschap Leptine waarden in serum tijdens de zwangerschap waren niet geassocieerd met een aanval in de eerste drie maanden na de bevalling Daarom kan leptine niet gebruikt worden om een aanval direct na de bevalling te voorspellen Wel vonden we dat vrouwen met de grootste relatieve daling in serum waarden van leptine na de bevalling de grootste kans hadden op een aanval in de eerste drie maanden na de bevalling Debuut van MS op de kinderleeftijd Wij bespreken een retrospectieve studie waarin alle grote kinderneurologische centra in Nederland participeerden Wij onderzochten bij ons onderzoek kinderen met aandoeningen binnen het volledige spectrum van verkregen auto immuun demyeliniserende aandoeningen van het centrale zenuwstelsel 44 van de kinderen met een monofocale aanval kreeg uiteindelijk de diagnose MS Van de kinderen met een polyfocale aanval werd bij 21 uiteindelijk de diagnose MS gesteld Wij vonden dat zowel de Barkhof MRI criteria en de KIDMUS MRI criteria in staat waren om een uiteindelijke diagnose MS te voorspellen ten tijde van de eerste aanval Echter bij kinderen jonger dan tien jaar was de sensitiviteit van met name de KIDMUS MRI criteria erg laag 18 Analyse van de liquor cerebrospinalis toonde dat een verhoogde IgG index en de aanwezigheid van oligoklonale banden in liquor cerebrospinalis een toekomstige diagnose MS konden voorspellen Opvallend was dat zowel kinderen met als zonder encefalopathie afwijkingen op de MRI hebben die typisch zijn voor een acute gedissemineerde encefalomyelitis ADEM grote afwijkingen en afwijkingen in de basale kernen en thalamus Kinderen met MS waarbij de MRI ten tijde van de eerste aanval aan minimaal drie van de vier Barkhof MRI criteria voor disseminatie in plaats voldeed krijgen sneller een aanval na hun tweede aanval We konden de voorspellende waarde van de childhood onset MS potential index for early severity ontworpen om snelle progressie van MS te voorspellen niet aantonen ADEM of MS We beschreven de capaciteit van alle bekende diagnostische MRI criteria bij kinderen om MS van ADEM te differentiëren Wij vonden dat van alle vier onderzochte criteriasets de Callen criteria voor het onderscheid tussen ADEM en MS de beste testeigenschappen hadden Discussie In de discussie worden alle bevindingen van de studies samengevat en besproken in relatie tot de huidige literatuur Vervolgens worden aanbevelingen voor toekomstig onderzoek gedaan Proefschrift Childhood onset MS and MS during pregnancy Promotoren prof dr R Q Hintzenen prof dr J D Laman Curriculum Vitae Naam Rinze Frederik Neuteboom Geboren 24 november 1976 te Apeldoorn Opleiding 1995 Stedelijk Gymnasium Apeldoorn 2001 Artsexamen

    Original URL path: http://www.msweb.nl/proefschriften/3756 (2016-02-04)
    Open archived version from archive

  • MSweb
    om de door de patiënt ervaren aandachtspunten in het dagelijks leven te identificeren prioriteren en te evalueren De COPM inventariseert de door de patiënt ervaren uitvoering en tevredenheid met deze uitvoering De reproduceerbaarheid en de responslvitelt van de COPM zijn onderzocht Verder presenteren wij de resultaten van het verrichte onderzoek naar de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de COPM Geïncludeerd werden 95 volwassenen 31 mannen en 64 vrouwen met diverse diagnosen De onderzoekspersonen zijn door de arts verwezen naar de poliklinische afdeling van twee ergotherapie afdelingen De COPM werd tweemaal afgenomen door twee verschillende therapeuten De inhoud van de geprioriteerde problemen liet een matige interbeoordelaarsbetrouwbaarheid 66 zien De reproduceerbaarheid van de gemiddelde uitvoeringscore score lCC 0 67 95 Cl 0 54 0 78 en van de gemiddelde tevredenheidscore lCC 0 69 95 CI 0 56 0 79 was matig De reproduceerbaarheid van de uitvoering en tevredenheidscores van de afzonderlijk geprioriteerde problemen was zwak gewogen kappa s varieerden van 0 37 tot 0 49 Wij concludeerden dat het semi gestructureerde design van de COPM waardevol is maar kan leiden tot een matige interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de geprioriteerde problemen matige gemiddelde scores en slechte waarden voor de scores per probleem Om de reproduceerbaarheid van de COPM te verbeteren pleiten wij voor een meer verfijnde wijze van het definiëren en prioriteren van de geïdentificeerde problemen Voor individuele beoordelingen zouden de gemiddelde scores gebruikt moeten worden en niet de scores van elk van de afzonderlijk geprioriteerde problemen Bruikbaarheid instrumenten voor meten verbetering Wij beschrijven de mate waarin de COPM verbetering in de tijd kan opmerken criterium responsiviteit en in welke mate veranderingen in de COPM correleren met veranderingen in andere meetinstrumenten construct responsiviteit Op twee momenten voor de start van de ergotherapie en drie maanden later werden de COPM en drie zelfbeoordelingvragenlijsten over de gezondheidsstatus afgenomen bij 152 opeenvolgende patiënten met uiteenlopende diagnosen Alle patiënten waren door de arts verwezen voor poliklinische ergotherapie De criterium responsiviteit werd bepaald met een transitie index welke werd gebruikt om het gebied onder de receiver operating characteristic curves en de optimale afkappunten voor de COPM scores te berekenen Voor het bepalen van de construct responsiviteit werden correlaties berekend tussen de verandering in COPM scores en de veranderingen in de scores van de Sickness Impact Profile SIP68 de Disability and Impact Profile DIP en de Impact on Participation and Autonomy IPA Gedurende het herhglingsonderzoek werden blinde scores verkregen dat wil zeggen scores die zijn verkregen zonder dat de scores van het eerste onderzoek zichtbaar waren en reflectieve scores dat wil zeggen scores die zijn verkregen door vooraf de scores van het eerste onderzoek te laten zien Significante positieve correlaties werden gevonden tussen de COPM en de SIP68 DIP en IPA scores De optimale afkappunten voor het evalueren van de ervaren verbetering voor respectievelijk de blinde en de reflectieve scores waren 1 37 en 0 90 voor de uitvoering scores en 1 90 en 1 45 voor de tevredenheidscores Wij concludeerden dat de veranderingen op de COPM op valide wijze veranderingen in de door

    Original URL path: http://www.msweb.nl/proefschriften/3740 (2016-02-04)
    Open archived version from archive

  • MSweb
    bij 15 patienten dit is 4 van de hele patienten groep en 20 van de patienten die initieel geen diagnose kregen het geval te zijn Zeven patienten kregen alsnog de diagnose MS en 8 patienten een andere diagnose waarvan bij 4 patienten de andere diagnose cerebrovasculaire ziekte was Hieruit wordt geconcludeerd dat de kans op een andere diagnose na een verwijzing naar een tertiair MS centrum klein is In Hoofdstuk 2 4 wordt de waarde van de MRI gedemonstreerd voor het stellen van een andere diagnose bij een verdenking op MS Er wordt een casus beschreven van een patient met fluctuerende progressieve sensibiliteitsstoornissen aan het been bij wie de diagnose MS is gesteld vanwege witte stof laesies op de MRI cerebrum die echter niet aan de MRI criteria voldoen Vanwege de klinisch mogelijke localisatie in het ruggenmerg wordt een MRI van het ruggenmerg gemaakt waarop een schwannoom de oorzaak van de klachten blijkt te zijn Er wordt een flow chart gesuggereerd voor het gebruik van de MRI bij de verdenking op MS Spreiding in ruimte In hoofdstuk 3 staat een mogelijke klinische definitie van spreiding in ruimte centraal Hoewel voor de MRI regels zijn opgesteld waaraan deze moet voldoen om te mogen spreken van spreiding in ruimte een van de voorwaarden om de diagnose MS te mogen stellen staat er in de diagnosche criteria niet wanneer de bevindingen uit de anamese en het lichamelijk onderzoek voldoende zijn om te spreken van spreiding in ruimte Uit eerder onderzoek bleek dat er veel verschillen zijn tussen artsen wanneer er sprake is van spreiding in ruimte In 2005 werd een klinisch classificatiesysteem voorgesteld om deze spreiding in ruimte uniform te definieren In dit systeem worden de klachten en de bevindingen bij lichamelijk onderzoek vertaald naar onderliggende laesies en zo bepaald of er sprake zal zijn van één laesie monofocaal of meer dan één laesie multifocaal In Hoofdstuk 3 1 wordt dit systeem geëvalueerd door het te vergelijken met MRI laesies Patiënten waarvan de presentatie gedefinieerd wordt als monofocaal zouden minder laesies moeten hebben dan patienten waarvan de presentatie gedefinieerd wordt als multifocaal en zouden minder vaak moeten voldoen aan de criteria voor spreiding in ruimte volgens MRI Hiervoor werden gegevens van alle patiënten bij aanvang en van de placebo patiënten over de tijd uit de BENEFIT studie gebruikt In deze studie wordt interferon beta 1 b met placebo vergeleken De geïncludeerde pátiënten werden geclassificeerd als mono of multifocaal De multifocale patiënten bleken inderdaad meer T2 lesies en meer T1 hypointense lesies te hebben en vaker aan de MRI criteria voor spreiding in ruimte te voldoen Er was geen verschil in het aantal aankleurende lesies Hiermee lijkt deze classificatie inderdaad klinische betekenis te hebben In hoofdstuk 3 2 wordt gekeken naar de prognostische waarde van het classificatieysteem Er wordt gekeken of er een verschil is in tijd tot een tweede episode van klachten tussen mono en multifocale patiënten Hierbij worden opnieuw data van placebo patiënten uit de BENEFIT studie gebruikt Er blijkt geen verschil

    Original URL path: http://www.msweb.nl/proefschriften/3663 (2016-02-04)
    Open archived version from archive

  • MSweb
    kost het lopen meer energie Om de verminderde enkelafzet te ondersteunen kan een verende carbon EVO worden voorgeschreven Een verende EVO slaat energie op in het begin van de standfase van het lopen en geeft deze energie weer terug aan het einde van de standfase We verwachtten dat de teruggegeven energie aan het einde van de standfase de enkelafzet zou laten toenemen en dat daardoor het energieverbruik tijdens het lopen lager zou zijn met de EVO Bij 10 patiënten met een verminderde enkelafzet door een herseninfarct of multiple sclerose werd het energieverbruik van het lopen met en zonder een verende EVO bepaald Ook werd een loopanalyse met en zonder de EVO uitgevoerd en werden de eigenschappen van de EVO bepaald met het BRUCE apparaat Met deze informatie werd vervolgens berekend welk deel van de krachten en momenten rond de enkel werden geleverd door de EVO en welk deel door de patiënt zelf De resultaten lieten zien dat het energieverbruik met de verende EVO gemiddeld met 9 8 omlaag ging Er was echter ook minder beweging in de enkel wanneer de EVO gedragen werd en ook de totale hoeveelheid arbeid rond de enkel tijdens het lopen nam af met de EVO De EVO leverde 6o van de positieve arbeid rond de enkel tijdens het lopen met de EVO waardoor de totale hoeveelheid arbeid geleverd door de patiënt daalde met 11 1 wanneer de EVO gedragen werd We concludeerden dat de afname in energieverbruik tijdens het lopen met een verende EVO wordt verklaard doordat de EVO een deel van de arbeid rond de enkel overneemt In Hoofdstuk 5 werd een computersimulatiemodel gebruikt om na te gaan of er een optimale stijfheid is voor verende EVO s waarbij het energieverbruik het laagste is Ook keken we naar de hoeveelheid opgeslagen energie in de EVO bij EVO s van verschillende stijfheid Er werd een optimale EVO stijfheid gevonden waarbij het model met het laagste energieverbruik liep Bij deze optimale stijfheid was de hoeveelheid door de EVO opgeslagen en teruggegeven energie niet maximaal Bij de EVO stijfheid waar het meeste energie in de EVO werd opgeslagen was de teruggave van energie namelijk te laat om voor een efficiënt looppatroon te kunnen zorgen Bij hoge EVO stijfheid was de energieteruggave juist te vroeg Bij de optimale EVO stijfheid werd een grote hoeveelheid energie teruggeven vlak voordat het andere been de grond raakte waardoor er weinig energie verloren ging bij de botsing van dit been met de grond We concludeerden dat het energieverbruik van het lopen met een verende EVO kan worden verlaagd door de keuze van de stijfheid van de EVO en dat het energieverbruik tijdens het lopen met een verende EVO niet alleen afhankelijk is van hoeveelheid opgeslagen en teruggegeven energie door de EVO maar ook van het moment waarop de energie wordt teruggegeven door de EVO In Hoofdstuk 6 werd nagegaan wat het effect van de stijfheid van verende EVO s is op het energieverbruik van het lopen bij 8 patiënten met een verminderde

    Original URL path: http://www.msweb.nl/proefschriften/3519 (2016-02-04)
    Open archived version from archive



  •