archive-nl.com » NL » T » TEURLINGSELLENS.NL

Total: 153

Choose link from "Titles, links and description words view":

Or switch to "Titles and links view".
  • Echtscheiding Scheiden Al vanaf 163,50 euro Strafrecht Teurlings & Ellens Advocaten : Teurlings & Ellens Advocaten / Lawyers Zwarte Cobra
    2005 was de jury bijna tot een vrijspraak gekomen De jury mocht tijdens het beraadslagen vragen stellen aan de rechter De verdediging was er getuige van hoe de rechter besloot niet het recht uit te leggen maar een zodanig antwoord aan de jury te geven zodat het leek alsof Henk R iets strafbaars had gedaan Op onze protesten buiten tegenwoordigheid van de jury gaf de rechter aan dat wij bij ons pleidooi onze uitleg al hadden duidelijk gemaakt aan de jury en dat ook al was die uitleg juist hij geen zin had dat opnieuw te doen Op die wijze kreeg de jury de indruk dat ons pleidooi door de rechter niet werd ondersteund Vlak daarna velde de jury haar oordeel schuldig In een persoonlijke email aan de Amerikaanse Aanklagers heb ik de week voor de uitspraak nog verzocht de waarheid na te streven aangezien ik in hun stukken aan de rechter zag dat zij net deden alsof wij de leugens niet hadden aangetoond Zij lieten de Amerikaanse advocaat vandaag de dag van het vonnis weten mij niet te zullen antwoorden De Minister van Justitie mr Donner heeft tijdens kort gedingen en op kamervragen altijd gezegd geen aanwijzingen te hebben voor de theorie van de raadsman dat een Nederlandse burgerinfiltrant is ingeschakeld en uitlokkingshandelingen op Nederlands grondgebied hebben plaats gevonden Minister Donner zag ook geen reden de theorie te onderzoeken Nu staat vast dat de Minister daar wel van moet hebben geweten aangezien een rechtshulpverzoek daartoe door het Ministerie was afgewezen en er de jaren daarna veelvuldig contact met de Amerikanen is geweest teneinde mijn cliënt achter slot en grendel te krijgen Zo werd bijvoorbeeld tijdens de zitting nog een Amsterdamse politie agente gestuurd die kon bevestigen dat in één van 15 000 aan de VS toegezonden pagina s Nederlandse dossierstukken vanaf 1995 tot heden een tapgesprek van mijn cliënt betrof Hoe wist ze dat zo zeker Ze had van een collega gehoord dat het mijn cliënt was Waar de band nu is Die had al vernietigd moeten zijn en kon dus niet aan de Amerikanen worden gegeven en ook niet door ons worden beluisterd Mijn cliënt ontkent dat gesprek te hebben gevoerd In plaats van dat de Minister op mijn verzoek opheldering aan de verdediging heeft verschaft heeft hij zonder overleg besloten mijn brief door te zenden aan de Amerikanen Tegen mij en de pers zegt de Minister dat de Amerikanen pas officieel kunnen antwoorden na de uitspraak omdat ze tijdens een zaak niets kunnen laten weten De Minister gaat er aan voorbij dat ik hem om opheldering heb gevraagd en dat jarenlang veelvuldig overleg mogelijk is en nu opeens niet Ik heb een hekel aan onrecht Ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat mijn cliënt zichzelf geen lieverdje vindt en dat ook niet is Wanneer iemand echter gedurende vele jaren door een zogenaamde vriend bewust wordt overgehaald om te spreken over drugs maar vervolgens niets doet om daadwerkelijk iets naar de Verenigde Staten te transporteren en

    Original URL path: http://www.teurlingsellens.nl/dezwartecobra.php (2016-04-27)
    Open archived version from archive

  • Echtscheiding Scheiden Al vanaf 163,50 euro Strafrecht Teurlings & Ellens Advocaten : Kenneth Muskiet en het Amerikaanse Uitleveringsverzoek
    aangaf dat de antwoorden die de Amerikaanse officier van justitie Cooley heeft gegeven totaal irrelevant zijn en slechts ongegronde beschuldigen bevatten die een povere poging zijn om via effectbejag de zaak te redden dat er in die antwoorden juist nieuwe feiten staan waaruit overduidelijk blijkt dat het XTC transport waar Kenneth zogenaamd aan zou hebben meegedaan in Parijs en Brussel is onderschept en het verband met Amerika dus in geheel niet aanwezig is waardoor de uitlevering van Kenneth aan Amerika sowieso geen enkele basis meer heeft en het verzoek tot uitlevering alleen al op die gronden moet worden afgewezen En dat was nog maar het begin Teurlings sloeg de Nederlandse officier van justitie om de oren met illegale onderzoeksmethoden van de Amerikanen pogingen van de Amerikanen Kenneth te vervolgen voor een reeds veroordeeld feit het DHL pakketje citaten van gerenommeerde Amerikaanse rechters en juristen die het Amerikaanse rechtsysteem zwaar bekritiseren en praktijkvoorbeelden van hoe oneerlijk de rechtsgang in Amerika toegaat Tenslotte deed hij andermaal een verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie m a w voorlopige vrijlating van Kenneth die nu al 11 maanden vastzit en legde hij uit dat er totaal geen ontsnappingsgevaar bestaat en dat Kenneth eventueel bereid is om zich tweemaal daags te melden bij het politiebureau zijn paspoort in te leveren en dat zijn vrienden borg voor hem willen staan De rechter vroeg Kenneth of hij nog iets wilde zeggen en Kenneth nam heel rustig en waardig het woord richtte zich tot de officier en legde heel duidelijk uit waarom hij nooit naar Suriname of een ander land zou vluchten niet alleen omdat hij daar geen enkele binding meer mee heeft en zijn sociale leven zich volledig in Nederland afspeelt maar ook omdat het tegen zijn karakater indruist om te vluchten en niet de confrontatie aan te gaan met degenen die hem beschuldigen Daarna zwoer hij ten overvloede nog bij alles wat hem lief was dat hij niet zou vluchten Het requisitoor van de officier was uiterst zwak en op veel punten van Teurlings ging ze niet eens in Kortom de hele publieke tribune we waren met zo n dertig á veertig supporters was het erover eens dat het een positieve rechtzitting was Wat ook erg positief was in vergelijking met 3 september was de rechter dezelfde als destijds veel inschikkelijker geduldiger vriendelijker en aandachtiger dan toen Het leek wel een totaal ander persoon Duidelijk was dat alle publiciteit rond de petitie de krantenartikelen en tv programma s van de afgelopen weken haar niet ontgaan was Helaas stelde ze Kenneth niet in voorlopige vrijheid al bestaat de kans dat ze dat alsnog de komende dagen doet Haar uitspraak is op 17 december En nu maar duimen Pleitnotities mr M C J Teurlings Zitting 3 december 2002 Op 7 december 2002 werd Kenneth Muskiet vrijgelaten geschorst Op 17 december 2002 volgde de beslissing van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat het uitleveringsverzoek toelaatbaar is De uitspraak kan hier worden bekeken Beschikking rechtbank Amsterdam 17 12 2002

    Original URL path: http://www.teurlingsellens.nl/kennethmuskiet.php (2016-04-27)
    Open archived version from archive

  • Echtscheiding Scheiden Al vanaf 163,50 euro Strafrecht Teurlings & Ellens Advocaten : Ajax Supporters
    dat van hem bij gelegenheid van het incident bij de A 10 of bij Beverwijk een gewelddadige handeling is uitgegaan in bovenomschreven zin moet verdachte worden vrijgesproken van het hem onder 2 en 3 primair tenlastegelegde 4 4 De tenlasteleggingen onder 2 en 3 primair zijn toegesneden op het misdrijf van art 141 eerste lid Sr Die bepaling luidde ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen Zij die openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen of goederen worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden of geldboete van de vierde categorie 4 5 De ontstaansgeschiedenis van die bepaling houdt onder meer in dat het onnoodig is naast het misdrijf van dit artikel en de deelneming aan zamenscholing strafbaar gesteld in art 186 nog een bijzonder misdrijf van zamenrotting aan te nemen Stelt men de geheele zaâmgevloeide menigte strafbaar indien zij een dreigend karakter aanneemt men komt bij de toevloed van tal van onschuldigen gelijk steeds pleegt te geschieden in allerlei moeijelijkheden Zoodra werkelijk geweldpleging tegen personen of goederen gerigt wordt zullen diegenen uit de menigte die zich daaraan schuldig maken en ook zij die daaraan medepligtig zijn alsmede zelfs zij die pogen het te doen onder het bereik der strafwet vallen en dit is toch voldoende Rapport aan den Koning H J Smidt Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht tweede deel Haarlem 1881 blz 91 Niemand kan daaraan worden schuldig verklaard dan die werkelijk geweld pleegt Alzoo gaat het niet aan met het duitsche wetboek strafbaar te stellen ieder die tot de vereenigde menigte behoort die aan de zamenrotting een woord wegens zijne onbepaaldheid te vermijden deel neemt ook al is door hem geen enkele daad van geweld bedreven H J Smidt Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht tweede deel II Haarlem 1881 blz 90 4 6 Zoals ook uit deze ontstaansgeschiedenis blijkt levert het enkele feit dat de verdachte tot een groep heeft behoord die geweld heeft gepleegd zonder dat is komen vast te staan dat van de verdachte zelf enige gewelddadige handeling is uitgegaan geen geweldpleging aan de kant van die verdachte op in de zin van art 141 eerste lid Sr vgl HR 9 oktober 1990 NJ 1991 30 4 7 Uit de hiervoor onder 4 3 weergegeven overwegingen blijkt niet dat het Hof bij zijn beraadslaging en beslissing is uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent de betekenis die aan de woorden openlijk met verenigde krachten geweld plegen moet worden toegekend Aangezien ook overigens niet blijkt van enige omstandigheid op grond waarvan de vrijspraken zouden zijn aan te merken als andere dan die waarop in voormeld art 430 eerste lid Sv wordt gedoeld kan de Advocaat Generaal bij het Hof in zijn beroep met betrekking tot de onder 2 en 3 primair tenlastegelegde feiten niet worden ontvangen 5 Beoordeling van het eerste middel 5 1 Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte niet heeft geantwoord op het ter terechtzitting door de raadsman gevoerd verweer dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is wegens schending van het verbod van willekeur en schending van het recht van de verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht 5 2 Het Hof heeft in zijn arrest in dit verband als volgt overwogen Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard Het betoog van de raadsman behoeft geen bespreking gelet op de hierna te nemen beslissing ten aanzien van het tenlastegelegde Het Hof heeft de verdachte vervolgens van de gehele tenlastelegging vrijgesproken 5 3 Het middel zou in beginsel slechts bespreking behoeven indien daarin zou zijn aangevoerd dat het Hof het Openbaar Ministerie ten onrechte ontvankelijk zou hebben geacht in de vervolging Dan zou dienen te worden onderzocht of zich een van de uitzonderingen op het verbod van de toetsing in cassatie van vrijspraken voordoet Een vrijspraak die voortbouwt op het onjuist eventueel impliciet gegeven oordeel dat het openbaar ministerie in de vervolging ontvankelijk is leent zich immers inzoverre wel voor toetsing in cassatie Een dergelijke stelling is evenwel in het middel niet te lezen Daarom is de Advocaat Generaal bij het Hof niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep voorzover hij daarmee opkomt tegen het verzuim van het Hof te beslissen op het in hoger beroep gevoerde verweer dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is in de vervolging 6 Slotsom Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist 7 Beslissing De Hoge Raad Verklaart de Advocaat Generaal bij het Hof niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep Dit arrest is gewezen door de vice president W J M Davids als voorzitter en de raadsheren G J M Corstens A M M Orie A M J van Buchem Spapens en E J Numann in bijzijn van de griffier S P Bakker en uitgesproken op 10 juli 2001 CONCLUSIE Mr Fokkens Nr 1618 00 Zitting 8 mei 2001 Conclusie inzake verdachte Edelhoogachtbaar College 1 Verdachte is op 18 november 1999 door het Gerechtshof te Amsterdam vrijgesproken van hetgeen hem ten laste was gelegd 2 Tegen deze uitspraak heeft de advocaat generaal bij het hof te Amsterdam beroep in cassatie ingesteld 3 De tijdig ingediende schriftuur bevat drie middelen van cassatie die betrekking hebben op de vrijspraak van het onder 1 deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven alsmede het onder 2 en 3 primair openlijke geweldpleging ten laste gelegde Nu het cassatieberoep onbeperkt is ingesteld en geen middelen zijn voorgesteld voor wat betreft het onder 3 subsidiair ten laste gelegde is het in zoverre niet ontvankelijk art 437 eerste lid Sv Gelet op het bepaalde in art 430 Sv rijst ten aanzien van het onder 1 2 en 3 primair ten laste gelegde de vraag of er sprake is van een onzuivere vrijspraak 4 Onder 1 is ten laste gelegd dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie te weten de harde kern van Ajax aanhangers die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven waaronder de confrontatie met Feijenoord aanhangers bij Beverwijk op 23 maart 1997 Van dezelfde organisatie zouden ook deel hebben uitgemaakt de volgende verdachten in wiens zaak eveneens beroep in cassatie is ingesteld verdachte A 1588 00 verdachte B 1589 00 verdachte C 1590 00 verdachte D 1597 00 verdachte E 1598 00 verdachte F 1600 00 verdachte G 1619 00 verdachte H 1620 00 verdachte I 1621 00 verdachte J 1622 00 verdachte K 1623 00 Ook in deze zaken neem ik heden conclusie 5 Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het ter terechtzitting door de raadsvrouw gevoerde verweer dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is wegens a schending van het verbod van willekeur en b schending van het recht om binnen redelijke termijn te worden berecht 6 Het hof heeft in zijn arrest aangegeven dat dit verweer geen bespreking behoeft gelet op de te nemen beslissing ten aanzien van hetgeen verdachte ten laste is gelegd lees vrijspraak 7 Het middel kan niet slagen omdat verzoeker tot cassatie geen in rechte te respecteren belang heeft bij bespreking van het middel Het gaat hier immers om het niet naleven van een vormvoorschrift dat is gegeven ten behoeve van de verdachte zo is art 358 lid 3 ook niet van toepassing op vertogen van de OvJ HR 27 november 1973 NJ 1974 53 Niet valt in te zien dat het OM in zijn vervolging in deze zaak op enigerlei wijze geschaad is doordat het Hof niet op het bedoelde verweer heeft beslist Verzoeker voert aan dat het belang voor het OM is gelegen in de omstandigheid dat het OM daardoor in het ongewisse wordt gelaten over de vraag of vervolging van andere verdachten in deze strafzaak of soortgelijke andere strafzaken nog wel zin heeft Dat belang is echter buiten deze zaak gelegen en kan daarom geen grond opleveren om tot vernietiging van de bestreden uitspraak over te gaan Zie Van Dorst Cassatie in strafzaken vierde druk p 29 e v 8 Het tweede middel behelst de klacht dat het hof door een onjuiste uitleg van hetgeen verdachte onder 1 ten laste is gelegd deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven ten onrechte tot vrijspraak is gekomen Het hof zou door een onjuiste uitleg van hetgeen verdachte ten laste is gelegd ten onrechte tot vrijspraak is gekomen Het hof zou achtereenvolgens a het begrip organisatie b het vereiste oogmerk en c het begrip deelnemen onjuist hebben uitgelegd 9 De vrijspraak van hetgeen verdachte onder 1 ten laste is gelegd heeft het hof als volgt gemotiveerd Aan de advocaat generaal kan worden toegegeven dat uit het door de regio politie Amsterdam Amstelland verrichte en gerelateerde onderzoek blijkt dat ten minste een aantal van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven door Ajax supporters is gepleegd Genoemd worden hier het openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen en deelneming aan een vechterij Tevens is op zichzelf genoegzaam komen vast te staan dat deze misdrijven meermalen een zeker georganiseerd karakter hadden Het hof wijst hier bij wege van voorbeeld op de afgesproken confrontaties tussen Ajax en Feijenoord supporters bij de A 10 op 16 februari 1997 en bij Beverwijk op 23 maart 1997 Niet bewezen echter acht het hof dat de in de tenlastelegging bedoelde misdrijven uitvloeisel zijn geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband dat het plegen van misdrijven tot oogmerk had Veeleer lijken die misdrijven voort te vloeien uit initiatieven van individuele personen dan wel van incidenteel samenwerkende personen of groepen van personen Van een organisatie waarin de deelnemers niet ieder voor zich maar in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren is onvoldoende gebleken Ook ten aanzien van de door de officier van justitie tenlastegelegde feitelijke handelingen waaruit de deelneming van de verdachte aan de in artikel 140 Sr bedoelde organisatie zou hebben bestaan is niet komen vast te staan voor zover zij al door de verdachte en of andere Ajax supporters zijn verricht dat zij voortvloeiden uit iets anders dan particulier of incidenteel groepsinitiatief 10 Volgens de primaire klachten van het middel heeft het hof het begrip organisatie in de zin van art 140 Sr verkeerd uitgelegd door daaronder ten onrechte te verstaan een organisatie waaruit daadwerkelijk misdrijven voortvloeien Het in art 140 Sr vereiste oogmerk zou het hof ten onrechte zo hebben uitgelegd dat de gepleegde misdrijven een uitvloeisel zijn van de organisatie Tot slot zou het hof ten onrechte hebben aangenomen dat voor het deelnemen in de zin van art 140 Sr een duurzame onderlinge samenwerking vereist is 11 Over al deze klachten kan ik kort zijn Zij berusten op een verkeerde lezing van de overwegingen van het Hof en missen derhalve feitelijke grondslag Ik licht dit toe 12 De overweging van het Hof dat niet bewezen is dat de bedoelde misdrijven een uitvloeisel zijn van een gestructureerd samenwerkingsverband dat tot oogmerk had het plegen van misdrijven moet gelezen worden in verband met hetgeen het Hof in de daaraan voorafgaande passage vaststelt Daarin constateert het Hof dat een aantal van de in de tenlastegelegde misdrijven een zeker georganiseerd karakter hadden Vervolgens overweegt het Hof dat dit onvoldoende is om tot de slotsom te komen dat er sprake is geweest van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven Die conclusie zou zo begrijp ik het Hof slechts getrokken kunnen worden indien de misdrijven voorvloeiden uit een gestructureerd samenwerkingsverband Dat betekent niet dat het Hof als eis voor een organisatie in de zin van art 140 Sr stelt dat daaruit misdrijven voortvloeien maar dat het Hof terecht oordeelt dat uit gepleegde misdrijven slechts tot het bestaan van een dergelijke organisatie kan worden geconcludeerd indien blijkt dat die misdrijven uit een gestructureerd samenwerkingsverband voortvloeien 13 Uit het voorgaande volgt dat het Hof in deze overweging ook niet als zijn rechtsopvatting tot uitdrukking heeft gebracht dat oogmerk in art 140 Sr moet worden uitgelegd als uitvloeisel van 14 Aan een organisatie als bedoeld in art 140 Sr stelt het hof de eis dat sprake moet zijn van een gestructureerd samenwerkingverband waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren Anders dan de steller van het middel meent kan daarin niet worden gelezen dat het hof hiermee eisen stelt aan het deelnemen aan de organisatie Het hof stelt slechts eisen waaraan moet zijn voldaan wil er sprake zijn van een organisatie 15 Beide door het hof gestelde eisen welke zijn samen te vatten als duurzame structuur geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting Dat blijkt reeds uit hetgeen de minister van justitie heeft opgemerkt bij de bespreking van het wetsontwerp waarbij het begrip rechtspersoon in art 140 Sr werd vervangen door het begrip organisatie Stb 1988 104 De bepaling zo schreef de minister heeft betrekking op voorbereidingshandelingen bestaande uit het aangaan en in stand houden van een duurzame samenwerking gericht op het plegen van misdrijven Beter dan met de woorden rechtspersoon of organisatie zonder rechtspersoonlijkheid kan dit tot uiting worden gebracht met het enkele woord organisatie een term die geen juridische organisatievorm veronderstelt maar wel een bepaalde duurzame en gestructureerde samenwerking Kamerstukken II 1984 1985 17 476 nr 5 MvA blz 8 16 Daarmee verwierp de minister tevens een voorstel van Van Veen om in art 140 Sr strafbaar te stellen het organiseren of het zich verbinden met groepen die het plegen van misdrijven tot oogmerk hebben Th W van Veen De verboden vereniging en art 140 Sr NJB 1983 blz 12 13 op blz 12 Kamerstukken II 1984 1985 17 476 nr 5 MvA blz 8 14 en 15 17 Ook in eerdere uitspraken inzake art 140 Sr heeft de Hoge Raad de eis gesteld dat het moet gaan om een gestructureerd samenwerkingsverband met enige continuïteit HR 30 september 1997 AA 1998 blz 113 119 rov 5 5 m nt Y Buruma HR 16 oktober 1990 NJ 1991 442 rov 13 1 en 13 3 HR 22 juli 1985 NJ 1987 323 rov 6 2 18 Remmelink spreekt ook van een duurzaam samenwerkingsverband in zijn conclusie voor HR 30 mei 1978 NJ 1979 11 De Vries Leeman benadrukt in haar dissertatie de hechtheid van het samenwerkingsverband en bespreekt vervolgens in aansluiting bij hetgeen de minister opmerkte de organisatie als een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband Eerst indien het samenwerkingsverband een eenheid vormt waarbinnen eigen regels gelden waaraan de individuele deelnemers onderworpen zijn en waarbij van een gemeenschappelijke doelstelling sprake is kan van een organisatie gesproken worden M J H J de Vries Leemans Art 140 Wetboek van Strafrecht diss Tilburg 1995 blz 31 36 op blz 31 en 33 19 Swart wijst op de rechtvaardiging van art 140 Sr als strafbaarstelling de eigen dynamiek welke bepaalde samenwerkingsverbanden kunnen bezitten en die verhoogde risico s voor het begaan van specifieke strafbare feiten schept Daarom valt niet iedere vorm van samenwerking tussen personen onder het bereik van art 140 Sr Het zal moeten gaan om een zodanige gestructureerde en duurzame samenwerking dat deze dynamiek ook werkelijk de kans krijgt zich te ontplooien A H J Swart Verboden organisaties en verboden rechtspersonen in Naar eer en geweten Liber Amicorum Remmelink 1987 blz 607 624 op blz 614 20 Bij deze stand van zaken geeft het oordeel van het hof waarmee het vereiste van enige duurzaamheid en structuur wordt gesteld om het bestaan van een organisatie als bedoeld in art 140 Sr te kunnen aannemen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting 21 Daarmee kom ik bij de bespreking van de subsidiaire klacht Deze richt zich op de begrijpelijkheid van het feitelijke oordeel van het hof voor zover het enerzijds niet het bestaan van een organisatie wil aannemen terwijl het hof anderzijds wel aanneemt dat Ajax supporters misdrijven hebben gepleegd en dat deze meermalen een zeker georganiseerd karakter hadden 22 Anders dan de steller van het middel zie ik tussen beide vaststellingen geen tegenstrijdigheid maar een verschil dat is terug te voeren op het onderscheid tussen misdrijven welke in groepsverband worden begaan en het bestaan van een organisatie in de zin van art 140 Sr Het feit dat meermalen misdrijven worden gepleegd die vooraf of ter plekke zijn georganiseerd betekent niet automatisch dat daar een organisatie in de zin van art 140 Sr achter schuilt Aan de steller van het middel kan weliswaar worden toegegeven dat een wisselende samenstelling van een groep personen niet in de weg staat aan het bestaan van een organisatie in de zin van art 140 Sr HR 29 januari 1991 NJB 1991 blz 718 719 nr 49 maar uit de overwegingen van het hof kan ik niet opmaken dat dit vluchtige karakter van de organisatoren de reden is waarom het hof het bestaan een organisatie afwijst 23 Het hof heeft vastgesteld dat de misdrijven lijken te zijn voortgekomen uit initiatieven van individuele personen of van incidenteel samenwerkende personen of groepen van personen Die vaststelling maakt het oordeel dat niet is gebleken van een organisatie waarin de deelnemers niet ieder voor zich maar in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren niet onbegrijpelijk 24 Anders dan het middel wil betogen blijkt dus niet dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door van iets anders vrij te spreken dan ten laste is gelegd Het middel faalt 25 Het derde middel behelst de klacht dat het hof door een onjuiste uitleg van hetgeen verdachte onder 2 en 3 primair ten laste is gelegd ten onrechte tot vrijspraak is gekomen Het hof zou het gewelddadig optrekken in de richting van rivaliserende supportersgroepen gevolgd door een vechtpartij ten onrechte niet hebben aangemerkt als openlijke geweldpleging zoals bedoeld in art 141 eerste lid Sr en zoals verdachte ook ten laste was gelegd De steller van het middel betoogt dat in die omstandigheden ook degene die vervolgens a blijft staan na gewelddadig te zijn opgetrokken dan wel b vlucht openlijk met verenigde krachten geweld pleegt als bedoeld in art 141 Sr 26 De vrijspraak van hetgeen verdachte onder 2 en 3 primair ten laste is gelegd heeft het hof als volgt gemotiveerd Voor een veroordeling

    Original URL path: http://www.teurlingsellens.nl/ajaxsupporters.php (2016-04-27)
    Open archived version from archive

  • Echtscheiding Scheiden Al vanaf 163,50 euro Strafrecht Teurlings & Ellens Advocaten : Tobe-Toobe
    tussen haar en Tobe Sales bestaat indirecte verwarring d Op grond van de gegevens in het Handelsregister zijn Tobe Sales en TooBe geen ondernemingen die zich op dezelfde markt begeven een groothandel in relatiegeschenken Tobe Sales is van geheel andere aard dan een full service reclamebureau TooBe Daarnaast blijkt ook uit de praktijk dat Tobe Sales en TooBe niet op hetzelfde vlak actief zijn Tobe Sales levert ook fysieke producten zoals een stropdas terwijl TooBe uitsluitend ontwerpt en adviseert De vervaardiging van producten drukwerk relatiegeschenken etc valt geheel buiten het werkterrein van TooBe Dat beide ondernemingen hooguit aanvullend zijn in hun dienstverlening blijkt uit het feit dat beide in elk geval tot twee maal toe in opdracht van eenzelfde klant de gemeente plaatsnaam resp Pingo Poultry hebben gewerkt zonder dat bij die klanten sprake was van directe of indirecte verwarring e De vennoten van TooBe waren te goeder trouw toen zij de naam voor hun onderneming registreerden in het Handelsregister Afgaande op de omschrijving in datzelfde Handelsregister van het bedrijf van Tobe Sales mochten zij erop vertrouwen dat zij met de handelsnaam TooBe geen inbreuk zouden maken op het handelsnaamrecht van Tobe Sales Tobe Sales is blijkbaar nalatig geweest bij het aanpassen van de gegevens in het Handelsregister zodat het Handelsregister eind 2000 geen reëel beeld gaf van de bedrijfsactiviteiten van Tobe Sales Aldus heeft Tobe Sales onnodig verwarring gezaaid en zij zal daarvan de consequenties dienen te aanvaarden in het bijzonder dient Tobe Sales te dulden dat er in haar omgeving een onderneming werkzaam is waarvan de handelsnaam heel in de verte zou kunnen lijken op die van Tobe Sales 4 Beoordeling van het geschil 4 1 Tussen partijen staat vast althans zij hebben dienaangaande geen verschil van mening geuit dat zij op geringe afstand van elkaar gevestigd zijn en dat zij hun bedrijfsactiviteiten mede ontplooien in de ruime omgeving van hun plaats van vestiging 4 2 Verweer a Kenmerkend element in de namen van partijen is de lettercombinatie T O O B E De toevoeging van Sales dan wel Sales plaatsnaam in de naam van eiseres is niet als kenmerkend te beschouwen de nadruk ligt op het eerste deel van de handelsnaam nl Tobe Anders dan TooBe betoogt is de president van mening dat de beoordeling dient plaats te vinden op grond van de kenmerkende gedeelten van beide namen te weten Tobe naast TooBe 4 3 Verweer b TooBe hanteert een afwijkende schrijfwijze met een B kapitaal binnen het woord De president is echter van mening dat een dergelijke schrijfwijze op zich onvoldoende visueel verschil oplevert om het naast elkaar bestaan van beide handelsnamen zonder meer te rechtvaardigen 4 4 Wat betreft de auditieve verschillen verwerpt de president het argument van TooBe dat de Engelse uitspraak van die naam het gevaar voor verwarring wegneemt Immers too en be zijn dan wel ieder voor zich Engelse woorden maar anders dan TooBe betoogt in haar productie 1 brief d d 18 juni 2001 verklaring naam de woordcombinatie too be heeft

    Original URL path: http://www.teurlingsellens.nl/tobe-toobe.php (2016-04-27)
    Open archived version from archive

  • Echtscheiding Scheiden Al vanaf 163,50 euro Strafrecht Teurlings & Ellens Advocaten : De Hakkelaar
    en omstandigheden die zich reeds hebben voorgedaan en op welke feiten en omstandigheden dat instrument geen invloed kan hebben in zoverre verschilt het tevens van bijzondere opsporingsmethoden als pseudo koop infiltratie e d 3 2 3 In de derde plaats zijn de onderhavige overeenkomsten niet gesloten teneinde gegevens te verzamelen om vast te stellen of van een redelijk vermoeden van door de verdachte gepleegde strafbare feiten sprake is doch ter verkrijging van bewijs omtrent strafbare feiten waarvan de verdachte reeds werd verdacht in zoverre is dit instrument niet gehanteerd als middel in enige pro actieve onderzoeksfase 3 2 4 In de vierde plaats is hetgeen als gevolg van de overeenkomst wordt verkregen een verklaring van een getuige over hetgeen deze als medeverdachte met betrekking tot de aan de verdachte tenlastegelegde feiten zelf heeft meegemaakt en ondervonden in zoverre verschilt dit bewijsmateriaal van materiaal dat door toepassing van opsporingsmethoden van de verdachte zelf is verkregen of van de verdachte zelf afkomstig is 3 2 5 Ten slotte verdient aantekening dat het belang gevrijwaard te blijven van zeer belastende verklaringen op zichzelf niet een rechtens te respecteren belang van de verdachte is De verdediging verkeert weliswaar in een nadeliger positie door de op grond van de overeenkomst afgelegde zeer belastende verklaringen maar dit nadeel verschilt niet van het nadeel dat de verdediging ondervindt indien getuigen zulke verklaringen tegen een verdachte hebben afgelegd zonder dat daaraan overeenkomsten tussen het openbaar ministerie en die getuigen ten grondslag liggen Dat nadeel is aan elke belastende getuigenverklaring verbonden en dient telkens door uitoefening van de aan de verdediging mede in artikel 6 derde lid EVRM toegekende rechten de nodige compensatie te vinden Telkens moet worden onderzocht of er kort gezegd voldoende gelegenheid is geweest de getuige te ondervragen en de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de getuige en zijn verklaring te onderzoeken De wijze van verkrijging van dergelijke verklaringen kan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de getuige en zijn verklaring nadelig beïnvloeden de vereiste mate van compensatie hangt daarmee samen Eerst bij gebreke van voldoende compensatie kan niet van een eerlijke behandeling worden gesproken 3 3 Bijzondere wettelijke grondslag vereist 3 3 1 Als meest verstrekkend verweer is door de verdediging aangevoerd dat zonder bijzondere wettelijke grondslag de officieren van justitie niet gerechtigd waren tot het sluiten van de overeenkomsten en dat het de rechter bij gebreke van een wettelijke democratisch verankerde legitimatie niet vrij staat om het instituut van de kroongetuige te erkennen 3 3 2 Aan tekst noch ratio van artikel 107 van de Grondwet kan de verplichting worden ontleend tot een bijzondere wettelijke voorziening vooraf voor het toekennen aan het openbaar ministerie van de bevoegdheid om afspraken te maken met getuigen teneinde belastende verklaringen tegen een verdachte te verkrijgen 3 3 3 De wet verbiedt het aangaan van overeenkomsten als de onderhavige niet Anderzijds ontbreekt een uitdrukkelijke wetsbepaling waarin aan de officier van justitie de bevoegdheid wordt toegekend om een dergelijke overeenkomst te sluiten Aan richtlijnen van het openbaar ministerie kan uit de aard der zaak niet een zodanige bevoegdheid worden ontleend 3 3 4 Uit het ontbreken van een uitdrukkelijke bevoegdheidsbepaling valt echter niet af te leiden dat zo n bevoegdheid niet bestaat de wet bevat immers geen limitatieve opsomming van in het kader van de opsporing te hanteren methoden of instrumenten 3 3 5 Het opportuniteitsbeginsel brengt mee dat het het openbaar ministerie in beginsel vrij staat al of niet tot vervolging van verdachten over te gaan 3 3 6 Bij deze stand van zaken aanvaardt het hof in het licht van de gegeven typering van de overeenkomsten dat in beginsel aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toekomt ter vervulling van de in artikel 141 WvSv aan de officieren van justitie opgedragen opsporingstaak en ter uitoefening van de bevoegdheid te beslissen omtrent het al of niet vervolgen van verdachten de onderhavige overeenkomsten aan te gaan 3 3 7 Deze handelingsbevoegdheid van het openbaar ministerie wordt in beginsel door het hof aanvaard ook al worden in het juridisch en maatschappelijk debat over deze overeenkomsten belangrijke argumenten aangevoerd die de gevaren van het gebruik van dit instrument ter verkrijging van een getuigenverklaring en de noodzaak van een wettelijke regeling belichten Zonder af te doen aan de ernst van de bezwaren die aan een onbeperkte toepassing van dit instrument kleven voor de geloofwaardigheid van de strafrechtspleging in een democratische rechtsstaat niet reeds bij voorbaat valt te zeggen dat deze bezwaren uit hun aard een zodanig ernstig gevaar voor een integer strafproces vormen dat zij aan de toelaatbaarheid van elke overeenkomst in elk concreet geval in de weg zouden moeten staan Evenmin kan gezegd worden dat de bevoegdheid deze overeenkomsten aan te gaan zonder uitdrukkelijke wettelijke bevoegdheidstoedeling niet aan de algemene opsporings en vervolgings bevoegdheden van het handelende orgaan zouden mogen worden ontleend Het moge juist zijn dat bij afspraken als de onderhavige fundamentele rechten van de getuige zelf op het spel staan en dat het met het oog op de gevaren voor een integere strafrechtspleging wenselijk is dat de wetgever de grenzen bepaalt waarbinnen het maatschappelijk gezien aanvaardbaar of toelaatbaar is zulke afspraken te maken Niet juist is dat de strafrechter die op de grondslag van de tenlastelegging moet beoordelen of de strafbare feiten door de verdachte zijn begaan uit een oogpunt van rechtseenheid of rechtszekerheid dient te wachten tot een wettelijke regeling is tot stand gekomen die nadere grenzen stelt aan de inhoud van de afspraken en die de belangen van de getuige waarborgt Het zijn de verdachte en diens belangen die de kern uitmaken van deze strafprocedure 3 3 8 Aan het vorenstaande ligt vanzelfsprekend mede een rechtspolitieke keuze ten grondslag In de juridische en maatschappelijke discussie heeft het hof echter onvoldoende overtuigende aanwijzingen gevonden dat vormen van beloning als de onderhavige onder alle omstandigheden als uit den boze dienen te worden bestempeld Daarbij speelt een rol dat zoals reeds de Memorie van Toelichting op het Wetboek van Strafvordering aangeeft uitgangspunt bij een goed ingericht strafproces moet zijn zoveel mogelijk te bevorderen dat toepassing van de strafwet op de werkelijk schuldige kan plaatsvinden en dat aan politie en justitie de middelen in handen moeten worden gegeven om misdrijven en schuldigen op te sporen 3 3 9 Waar niet op voorhand gezegd kan worden dat fundamentele rechten van de verdachte worden geschonden niet op voorhand de in het geding zijnde belangen van de verdachte zich niet voor compensatie lenen niet op voorhand kan worden aangenomen dat de inhoud van de als gevolg van de overeenkomst verkregen verklaringen onbetrouwbaar is en het instrument van de afspraak zelf in tegenstelling tot bijvoorbeeld marteling waarmee de verdediging meermalen een vergelijking heeft getrokken niet uit zijn aard een middel is dat in een rechtsstaat niet behoort te worden toegepast acht het hof deze keuze gerechtvaardigd 3 3 10 Anders dan wel is aangevoerd is er geen grond om aan te nemen dat elke overeenkomst met een crimineel per definitie in strijd is met de openbare orde of de goede zeden 3 4 Algemene toetsingscriteria 3 4 1 Tegen de achtergrond van de geschetste kenmerken van de onderhavige overeenkomsten wordt duidelijk dat het concrete belang van de verdachte dat door het hanteren van het instrument in het geding kan zijn dat tot adequate uitoefening van zijn mede in artikel 6 EVRM gewaarborgde verdedigingsrechten is Dat betekent dat getoetst dient te worden of en in hoeverre de overeenkomst inbreuk maakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak wordt tekortgedaan Voor een niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is eerst plaats indien sprake is van ernstige inbreuken op deze beginselen waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling wordt tekortgedaan 3 4 2 In onderdeel 4 zal worden beoordeeld of aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling is tekortgedaan 3 4 3 Het sluiten van de overeenkomsten door het openbaar ministerie teneinde belastende verklaringen te verkrijgen tegen een verdachte raakt tevens aan wezenlijke algemene belangen van een integer strafproces De ene verdachte van strafbare feiten verkrijgt een vorm van straffeloosheid terwijl de ander in verband met min of meer hetzelfde feitencomplex wèl wordt vervolgd en berecht Dat schept ongelijkheid De overeenkomst vormt bovendien een factor die de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de daardoor verkregen verklaringen negatief kan benvloeden 3 4 4 De uitoefening van de bevoegdheid van het openbaar ministerie tot het sluiten van de overeenkomsten moet dan ook gelet op de daarbij betrokken algemene belangen van een integere strafrechtspleging voldoen aan normen van behoorlijk strafvorderlijk handelen De beslissing tot het aangaan van de overeenkomst met de getuige en het bepalen van inhoud en doel van de overeenkomst dienen in de gegeven omstandigheden zorgvuldig te zijn geschied 3 4 5 Het hof acht het zijn taak deze toetsing aan normen van behoorlijk handelen te verrichten juist waar wettelijke regels ontbreken die daarvoor aan het openbaar ministerie houvast bieden Het strafproces is het forum bij uitstek waar verantwoording voor dit handelen dient te worden afgelegd Die toetsing verricht het hof in onderdeel 5 3 4 6 Ten slotte moet worden nagegaan of het openbaar ministerie door de overeenkomsten met Karman en Abbas aan te gaan inbreuk maakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor de beslissing tot strafvervolging van de verdachte jegens hem in strijd is met normen van een behoorlijke vervolgingsbeslissing Die toetsing vindt plaats in onderdeel 6 4 Recht op een eerlijke behandeling 4 1 Inleiding Zoals hierboven onder 3 4 1 en 3 4 2 is aangekondigd zal in dit onderdeel worden onderzocht of inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor aan het concrete recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan 4 2 Openheid met betrekking tot de overeenkomsten 4 2 1 Deze beginselen van een behoorlijke procesorde brengen voor alles mee dat aan de verdediging die wordt geconfronteerd met een overeenkomst die het openbaar ministerie met een getuige heeft gesloten met het oog op de uitoefening van haar rechten volledige openheid moet zijn gegeven omtrent bestaan wijze van totstandkomen en inhoud van de overeenkomsten en dat de verdediging ten volle in de gelegenheid moet zijn geweest de wijze van totstandkomen en de inhoud van de overeenkomsten ter discussie te stellen 4 2 2 Aan die normen is volledig voldaan Omtrent het bestaan van de overeenkomsten en de identiteit van Karman en Abbas is van den beginne openheid betracht De overeenkomsten zijn schriftelijk vastgelegd en deze en alle daarvoor van belang zijnde bescheiden zijn in het dossier gevoegd Karman en Abbas zijn in alle stadia van de procedure op dit punt in aanwezigheid van de verdediging als getuige gehoord en mrs Teeven en Witteveen zijn daaromtrent ter terechtzitting in hoger beroep als getuige gehoord Gebleken is dat tussen de officieren van justitie en Karman en Abbas geen wezenlijk verschil van mening bestaat omtrent de betekenis van de overeenkomsten en de wijze waarop deze zijn tot stand gekomen Ook overigens heeft de verdediging de gelegenheid gehad alle noodzakelijke informatie omtrent de overeenkomsten te verkrijgen 4 2 3 Daaraan doet niet af wat door de verdediging is aangeduid als het NOVA incident Na het sluiten van de overeenkomst heeft de toenmalige raadsman van Karman blijkens correspondentie met de officieren van justitie nadere onderhandelingen geopend De desbetreffende brief van de raadsman van Karman mr Van Gessel van 18 juni 1996 en het antwoord van de officieren van justitie zijn door het openbaar ministerie aanvankelijk niet in het geding gebracht Op de terechtzitting in eerste aanleg van 17 januari 1997 heeft de rechtbank deze informatie in door haar geschoonde vorm alsnog aan het dossier doen toevoegen De inhoud daarvan heeft in eerste aanleg voorwerp van debat uitgemaakt en de rechtbank heeft daarmede bij haar eindbeslissing rekening kunnen houden In hoger beroep heeft de verdediging daaromtrent naast de officieren van justitie Karman en mr Van Gessel als getuigen kunnen ondervragen Aldus is de verdediging in de gelegenheid geweest een en ander ten volle in het onderzoek te betrekken 4 2 4 Door de verdediging is aangevoerd dat de officieren van justitie doelbewust een onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven over de omvang van de geldelijke beloning die aan Karman is toegezegd en de inhoud van de financiële onderhandelingen 4 2 5 Uit de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep in het bijzonder ook uit hetgeen uit de verhoren van Karman mr Van Gessel en de officieren van justitie als getuigen naar voren is gekomen acht het hof niet aannemelijk geworden dat dit het geval is geweest De verklaring van de getuige R op dit punt heeft het hof niet aan het twijfelen gebracht Verwezen zij ook naar hetgeen het hof onder 5 4 5 overweegt in verband met de evenredigheid van de overeenkomst met Karman 4 2 6 Door de verdediging is aangevoerd dat de officieren van justitie de toezegging aan Abbas dat hij niet als getuige ter terechtzitting zou behoeven te verschijnen doelbewust buiten de schriftelijke overeenkomst met Abbas hebben gehouden 4 2 7 Uit de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep in het bijzonder uit het verhoor van de getuigen mr Teeven en mr Witteveen is niet aannemelijk geworden dat zodanige toezegging in ruil voor het afleggen van belastende verklaringen daadwerkelijk is gedaan Abbas is ook ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep als getuige verschenen en heeft verklaringen afgelegd 4 3 Equality of arms Betoogd is door de verdediging dat het aangaan van de overeenkomsten in strijd komt met het beginsel van equality of arms aangezien de verdediging anders dan het openbaar ministerie geen toezeggingen van strafrechtelijke aard aan getuigen kan doen Die enkele omstandigheid brengt echter nog geen schending van het beginsel van een eerlijke behandeling mee Deze ongelijkheid vloeit immers voort uit het verschil in taak en positie in het strafproces tussen het openbaar ministerie en de verdediging 4 4 Zuiverheid van oogmerk 4 4 1 De zonder de overeenkomst niet verkregen zeer belastende verklaringen van Karman en Abbas plaatsen de verdediging in een nadeliger po sitie Die enkele omstandigheid doet evenwel geen afbreuk aan een eerlijke behandeling van de zaak en doet de overeenkomst niet reeds daardoor onrechtmatig zijn Het belang van de verdachte dat dient te worden gewaarborgd is het belang de als gevolg van deze overeenkomst verkregen verklaringen op adequate wijze ter discussie te kunnen stellen Het sluiten van de overeenkomst als instrument tot het verkrijgen van de verklaring is jegens de verdachte niet rechtmatig als deze wordt aangegaan met het uitsluitend oogmerk om het voeren van de verdediging onredelijk te bemoeilijken 4 4 2 Uit de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat dit oogmerk bij de officieren van justitie heeft voorgezeten 4 5 Subsidiariteit en proportionaliteit 4 5 1 De verdediging heeft in den brede betoogd dat de onderhavige overeenkomsten zijn gesloten in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde in het bijzonder die van subsidiariteit en proportionaliteit 4 5 2 Hier staat ten toets of door de overeenkomsten aan de concrete belangen van de verdachte bij een eerlijke behandeling wordt tekortgedaan 4 5 3 Door de overeenkomst wordt zoals in onderdeel 3 2 is overwogen geen rechtstreekse inbreuk gemaakt op fundamentele rechten van de verdachte of op verdedigingsrechten die zich niet voor compensatie lenen Gebrek aan proportionaliteit of subsidiariteit bij het sluiten van de overeenkomst maakt dit niet anders Door overtreding van deze normen van een redelijke belangenafweging worden anders gezegd de genoemde fundamentele rechten van de verdachte of zijn recht op een eerlijke behandeling niet geschonden 4 5 4 Daarom behoeft met het oog op het concrete belang van de verdachte bij een eerlijke behandeling een afzonderlijke toetsing aan normen van subsidiariteit en proportionaliteit niet plaats te vinden 4 6 Overige stellingen in verband met het recht op een eerlijke behandeling 4 6 1 Voor toetsing van het interne besluitvormingsproces binnen het openbaar ministerie aan de ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten bestaande modelbrief Deals met criminelen uit 1983 bestaat voor de beoordeling van de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of de rechtmatigheid van de overeenkomsten uit het oogpunt van bescherming van de belangen van de verdachte bij een eerlijke behandeling geen noodzaak Deze instructies in zoverre is het hof het met de verdediging eens vormen geen recht in de zin van artikel 99 RO De daarin neergelegde normen strekken evenwel anders dan de verdediging meent niet ter bescherming van de bedoelde rechten van de verdachte 4 6 2 De omstandigheid dat zoals door de verdediging is betoogd de met Karman gemaakte afspraak tot het niet tenuitvoerleggen van een eventueel door de rechter op te leggen straf en de afspraak met Abbas tot het betalen van een transactiebedrag in strijd met de wet zijn gemaakt vormt geen inbreuk op enig recht of enig rechtens te respecteren belang van de verdachte De mogelijk overtreden wettelijke norm strekt immers niet ter bescherming van de belangen van de verdachte in het bijzonder ook niet dat bij een eerlijke behandeling van zijn zaak Van strijd met het in artikel 1 WvSv neergelegde legaliteitsbeginsel zoals door de verdediging is aangevoerd is geen sprake 4 6 3 Datzelfde geldt ook voor andere gebreken die in de verhouding tot Karman en Abbas aan de overeenkomst mochten kleven Aangevoerd is dat Karman en Abbas geen afstand konden doen van hun zwijgrecht als verdachte of hun verschoningsrecht als getuige Wat daarvan rechtens zij in de verhouding tussen de partijen die de overeenkomst hebben gesloten het recht om te zwijgen of het recht zich te verschonen strekt niet ter bescherming van de verdachte doch uitsluitend ter bescherming van Karman en Abbas zelf 4 6 4 In dit verband is voorts zo nodig subsidiair gesteld dat aan Karman en Abbas als getuige ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep geen verschoningsrecht toekwam omdat zij

    Original URL path: http://www.teurlingsellens.nl/dehakkelaar.php (2016-04-27)
    Open archived version from archive

  • Echtscheiding Scheiden Al vanaf 163,50 euro Strafrecht Teurlings & Ellens Advocaten : Urka
    en of belastingplichtig was en of het belastbare bedrag hoger was terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven Gevoerde verweren I De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van door hem ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep overgelegde pleitnotities het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging Hiertoe heeft hij kort en zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd 1 Het onderhavige onderzoek is niet pas gestart op 1 april 1994 er is sprake van een doorlopend pro actief onderzoek vanuit het IRT Bruinsma onderzoek en het IRT Delta onderzoek zodat daaruit voortkomend materiaal is overgegaan naar het onderhavige onderzoek van het KTR 2 Een aanzienlijk deel van de in het Radar onderzoek verschafte CID informatie was jaren eerder ook aan het IRT ten behoeve van het Delta onderzoek verstrekt zoals ook door de getuigen Van Hecke en Schouten ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard Derhalve staat vast dat er sprake is van besmetting van het Radar onderzoek vanuit het Delta onderzoek 3 Aan de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek van 5 oktober 1994 ligt geen enkel concreet gegeven tegen de verdachte U ten grondslag Noch het op 4 oktober 1994 door Gooijer opgemaakte milieu onderzoek noch het proces verbaal van 28 september 1994 van Augusteijn levert een redelijke verdenking van concrete strafbare feiten jegens verdachte op nu de CID informatie van het zogenaamde rondje Augusteijn allemaal oude CID informatie bevatte op basis waarvan eerder was vastgesteld dat daarin geen concrete gegevens of aanknopingspunten voorkwamen waaruit U als verdachte zou kunnen worden bestempeld 4 Het openbaar ministerie heeft ter ondersteuning van de nadere vordering gerechtelijk vooronderzoek van 2 augustus 1995 tegen de uitdrukkelijke wil van de zaaksofficier Wortel gebruik gemaakt van telefoontaps uit het IRT Bruinsma dossier welk bewijsmateriaal ingevolge de beslissing van de rechter commissaris vernietigd had behoren te zijn 5 Het openbaar ministerie heeft stelselmatig en diepgaand inbreuk gemaakt op de privacy van verdachte door het buitensporig lang aanwenden van dwangmiddelen en bijzondere opsporings methoden Dit klemt temeer nu het gerechtelijk vooronderzoek onvoldoende ernstige bezwaren heeft opgeleverd Vervolgens heeft het openbaar ministerie strafbare feiten in het dossier gevoegd terwijl ten aanzien van de verdachte met betrekking tot deze feiten bij de aanhouding geen enkele reële verdenking bestond 6 De op verzoek van de verdediging als getuigen opgeroepen CID chefs en opsporingsambtenaren zijn door het KTR doelbewust en met schending van de belangen van verdediging ten behoeve van het verhoor ter terechtzitting in hoger beroep getraind Door de trainingen zijn de getuigen dusdanig beïnvloed dat zij ter terechtzitting niet vrijelijk hun verklaring hebben kunnen afleggen zodat er geen sprake meer kan zijn van een fair trial 7 In maart 1998 zijn twee rechercheurs van het KTR naar Amerika gereisd om aldaar de reeds eerder gehoorde getuigen W A V d E en S opnieuw te horen terwijl er op dat moment in de onderhavige zaak al hoger beroep was ingesteld en de verdediging en de procureur generaal van die nadere verhoren niet op de hoogte waren gesteld 8 In juni 1998 hebben CID functionarissen in de Verenigde Staten personen die in het onderzoek als getuigen waren gehoord en die naar verwachting ook in hoger beroep wederom gehoord zouden gaan worden benaderd met de vraag of zij CID matig informatie wilden verschaffen 9 In verband met de twee voorgaande punten heeft de verdediging er nadrukkelijk op gewezen dat de officier van justitie Van Straelen heeft verklaard er geen moment aan gedacht te hebben dat de verdediging tijdig op de hoogte gesteld had moeten worden van de reis van de rechercheurs in maart 1998 de verdediging acht dit onvoorstelbaar Voorts acht de verdediging het onvoorstelbaar dat Van Straelen niet heeft begrepen zo niet heeft geweten dat de gedetineerde personen die tijdens de CID verkenningsexpeditie in juni 1998 in Amerika benaderd zouden worden de zogenaamde Amerika getuigen waren Met betrekking tot dit laatste heeft de verdediging in dat verband benadrukt dat de hoofdofficier Van Brummen die verder van de zaak afstond dan de zaaksofficier Van Straelen met wie de CID officier Oldekamp samen met Van Straelen over die reis gesproken heeft verklaard heeft dat híj dat wel meteen begrepen had De gevolgtrekking moet zijn dat mr Van Straelen toen hij door het hof als getuige werd gehoord niet overeenkomstig de waarheid heeft verklaard Door te handelen als hiervoor omschreven alle handelingen ook in onderling verband en samenhang beschouwd heeft het openbaar ministerie doelbewust de rechter misleid en op grove wijze de belangen van verdediging geschaad dan wel zodanig inbreuk gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte dat er in deze geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces waardoor het openbaar ministerie zijn recht op vervolging heeft verspeeld aldus de raadsman II Het hof overweegt hieromtrent als volgt Het hof blijft bij zijn eerder op enige terechtzitting gegeven en in het proces verbaal van die zitting opgenomen oordelen omtrent voormelde verweren ad 1 Het gerechtelijk vooronderzoek tegen onder anderen verdachte U in het IRT Delta onderzoek is op 14 december 1993 gesloten Het onderzoeksmateriaal dat in het kader van dit gerechtelijk vooronderzoek is verzameld is onder verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie te Haarlem verwijderd uit de computerbestanden en opgeslagen in een kluis Op 1 april 1994 heeft het openbaar ministerie te Haarlem Dros als teamleider van het KTR opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de vermeende organisatie waaraan leiding zou worden gegeven door E L M U De onderzoeksopdracht vond zijn oorsprong in een kort daarvoor gehouden ressortsvergadering van het openbaar ministerie in het ressort Amsterdam In het kader van deze opdracht heeft vervolgens een nieuw opsporingsonderzoek plaatsgevonden resulterend in de vordering gerechtelijk vooronderzoek van 5 oktober 1994 Het hof ziet gelet onder meer op hetgeen daaromtrent in eerste aanleg en in hoger beroep door onder anderen Dros is verklaard geen enkele aanwijzing dat het RADAR onderzoek als een voortzetting van het IRT Delta onderzoek moet worden beschouwd Deze stelling van de raadsman is dan ook geenszins aannemelijk geworden en evenmin diens stelling dat er een zekere verwevenheid tussen die onderzoeken bestaat Dientengevolge kunnen de eerdere onderzoeken niet als pro actief onderzoek van het RADAR onderzoek worden bestempeld Het hof handhaaft zijn beslissing dat het Delta dossier niet alsnog moet worden overgelegd ad 2 Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder anderen G W Dekker L F P van Rede D Schouten J D A Oosterhout T M J Hecke en F van der Putten en voorts A W P Augusteijn als getuigen ter zitting gehoord Bij het verhoor van deze getuigen is gebleken dat de CID informatie die eerstgenoemden of hun voorgangers aan Augusteijn hebben verstrekt afkomstig is van informanten die bij de desbetreffende RCID s stonden ingeschreven dat er geen sprake is geweest van U bocht constructies en dat deze informanten niet door de RCID Kennemerland of de RCID van het IRT werden gerund Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van de gehoorde getuigen Derhalve is niet aannemelijk geworden dat in het Delta onderzoek verkregen gegevens via een CID circuit in het proces verbaal van Augusteijn van 28 september 1994 O CID 007 terecht zijn gekomen Daarop strandt het in dit opzicht door de verdediging gevoerde verweer Aan de noodzakelijk te beantwoorden vragen of indien informatie uit het Delta onderzoek in het Radar onderzoek zou zijn terechtgekomen die informatie is verkregen op een wijze die het openbaar ministerie niet ontvankelijk doet zijn en of die informatie voor het bewijs gebezigd kan worden komt het hof niet toe Besmetting is dus niet aannemelijk geworden Van besmetting zou pas sprake kunnen zijn wanneer in het Delta onderzoek verkregen informatie van daaruit in het Radar onderzoek terecht is gekomen en voor een mogelijk fataal effect zou het dan ook nog op onrechtmatige wijze moeten zijn verkregen in het Delta onderzoek Of sprake is van besmetting in de betekenis die de raadsman naar het hof begrijpt daaraan geeft namelijk dat informatie die aan het IRT is aangeleverd later ook aan het KTR is verstrekt acht het hof niet relevant nu niet aannemelijk is geworden dat dit ooit door gebruik te maken van een U bocht constructie of andere simulatie van oorspronkelijkheid is gebeurd ad 3 Naar het oordeel van het hof levert de CID informatie opgenomen in het proces verbaal van 28 september 1994 van Augusteijn jegens verdachte voldoende verdenking van tenminste een concreet strafbaar feit op te weten deelname aan een criminele organisatie Hieraan doet niet af dat deze informatie bij de onderscheiden RCID s grotendeels is binnengekomen in de periode voor 1 april 1994 Deze informatie is immers op één niet relevante uitzondering na voor het eerst aan het KTR in de persoon van Augusteijn verstrekt in september 1994 De stelling van de raadsman dat eerder was vastgesteld dat op basis van deze informatie geen concrete gegevens of aanknopingspunten voorkwamen waaruit U als verdachte zou kunnen worden bestempeld mist derhalve feitelijke grondslag ad 4 Bruinsma taps a Het proces verbaal met nummer 2 INH V0104 in de wettelijke vorm opgemaakt op 18 april 1997 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar 23040 houdt zakelijk weergegeven onder meer het volgende in Met betrekking tot de vraag of er sprake is van binnenlandse belastingplicht van E L M U heb ik verbalisant op 23 juni 1995 overleg gevoerd met de belastinginspecteur belast met de aanslagregeling van E L M U Hij deelde mee dat vaststelling van de woonplaats van een belastingplichtige ingevolge artikel 4 lid 1 Awr naar de omstandigheden dient te worden beoordeeld Daarbij is van belang om vast te stellen waar het middelpunt van iemands levensbelangen ligt Op grond van de in het kader van de aanslagregeling aan de Belastingdienst Amsterdam Ondernemingen II overgelegde bescheiden en de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek tot dan toe ontstond het vermoeden dat E L M U in werkelijkheid nimmer Nederland metterwoon heeft verlaten en dat in verband daarmee de door hem ingevulde aangiftebiljetten opzettelijk onjuist gedaan zijn door het niet aangeven van zijn inkomen Het vermoeden omtrent het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften heeft geleid tot een uitbreiding gerechtelijk vooronderzoek met artikel 68 Awr Daartoe zijn twee processen verbaal opgemaakt respectievelijk op 27 juni 1995 voor de biljetten over de jaren 1990 91 tot met 1994 95 en 17 mei 1996 voor het biljet over het jaar 1995 96 Het proces verbaal met nummer 2 A AH 31 opgemaakt in de wettelijke op 27 juni 1995 door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar 23040 houdt zakelijk weergegeven het volgende in Ten behoeve van de beoordeling van de plaats waar de levensbelangen van E L M U waren gelegen over de jaren 1990 en 1991 zijn aan de belastinginspecteur belast met de aanslagregeling van E L M U gegevens voorgelegd uit tap en observatieverslagen over deze jaren uit het zogenaamde Bruinsma onderzoek Ten behoeve van de beoordeling over 1994 zijn soortgelijke gegevens voorgelegd uit het in dat jaar contra E L M U geopende gerechtelijke vooronderzoek Op grond van die gegevens het hof begrijpt de door U ingeleverde Aangiftebiljetten Inkomstenbelasting 1990 1991 en 1994 tap en observatieverslagen uit het Bruinsma onderzoek en de tussen de Belastingdienst en door of namens U gevoerde correspondentie die bij vervolg proces verbaal worden geverbaliseerd heeft voornoemde belastinginspecteur gesteld dat er over de jaren 1990 1991 en 1994 sprake is van binnenlandse belastingplicht b Uit de hiervoor aangehaalde processen verbaal leidt het hof af dat de nadere vordering gerechtelijk vooronderzoek van 2 augustus 1995 niet uitsluitend op de Bruinsma taps steunde maar dat andere gegevens waaronder de observatieverslagen en de door verdachte ingeleverde aangiftebiljetten op zich reeds voldoende verdenking van opzettelijk handelen in strijd met artikel 68 AWR rechtvaardigden Naar het oordeel van het hof kon de rechter commissaris ook zonder de Bruinsma taps overgaan tot de uitbreiding van het gerechtelijk vooronderzoek Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat al hetgeen na de uitbreiding van het gerechtelijk vooronderzoek aan bewijs is vergaard onrechtmatig is geweest wordt dit door het hof verworpen Het hof begrijpt dat de Bruinsma taps aan de inspecteur zijn voorgelegd zodat hij deze kon betrekken bij zijn beoordeling van de vraag waar het middelpunt van de levensbelangen van U in 1990 en 1991 lag Het hof blijft bij zijn eerder 17 juli 1998 uitgesproken oordeel dat de Bruinsma taps niet gebruikt hadden mogen worden en dus ook niet aan de inspecteur hadden mogen worden voorgelegd nu deze vernietigd hadden behoren te zijn Niet is evenwel gebleken of aannemelijk geworden dat deze taps met doelbewuste schending van of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte of van zijn recht op een eerlijk proces aan de inspecteur zijn voorgelegd Het hof acht het gebruik van de Bruinsma taps van onvoldoende belang om hieraan in deze strafzaak gevolgen te verbinden ad 5 Hoewel kan worden betoogd dat het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk vooronderzoek achteraf bezien niet veel bezwarende gegevens hebben opgeleverd kan niet worden volgehouden dat de in de loop van die onderzoeken gebleken feiten en omstandigheden gezien in het licht van de verdenking van op grote schaal gepleegde strafbare feiten onvoldoende grond boden om telkens tot verlenging van de dwangmiddelen over te gaan Het is juist dat dit gebruik lang heeft geduurd Alle omstandigheden in aanmerking nemend is het hof niet van oordeel dat te dezen langduriger gebruik is gemaakt van dwangmiddelen dan als door de omstandigheden gerechtvaardigd kan worden beschouwd Derhalve is niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte dat er hierdoor in het licht van artikel 6 van het EVRM geen sprake meer zou zijn van een eerlijke berechting Ook de stelling van de raadsman dat later nieuwe bezwaren tegen verdachte aan het dossier zijn toegevoegd kan niet leiden tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie nu deze bezwaren eerst in de loop van het voortgezette onderzoek waren gebleken Dat uiteindelijk onvoldoende bewijs bleek te bestaan voor een deel van de tenlastegelegde feiten doet hieraan niet af ad 6 getuigentraining a Op 28 september 1998 heeft het hof onder meer het volgende oordeel uitgesproken met het voorbehoud dat het een voorlopig oordeel was aangezien het hof nader onderzoek getuigenverhoren noodzakelijk achtte Gebleken is dat nadat het hof op 17 juli 1998 had beslist dat enige chefs van regionale CID s en enige observanten op verzoek van de verdediging op de lijst van getuigen werden geplaatst op initiatief van onder anderen de chef CID van het KTR Van de Streek aan deze getuigen is aangeboden op het bureau van het KTR een zogenaamde rechtbanktraining te volgen De getuigen hebben aan die uitnodiging gehoor gegeven De training is telkens gegeven door de bedrijfspsycholoog drs H Verhoef Bij de training van de CID chefs waren verder aanwezig Van de Streek en ongeveer vijf CID runners van het KTR bij de training van de observanten was naast Verhoef de chef van het observatieteam van het KTR aanwezig Verhoef heeft voor de training van elke getuige een vragenlijst opgesteld dit mede aan de hand van een door de betrokkene opgemaakt e proces sen verbaal dan wel poces sen verbaal waarin observaties van de getuige zijn gerelateerd Het hof gaat er vanuit dat bij het entameren van de training niets anders heeft voorgezeten dan de door onder anderen Verhoef meegedeelde drievoudige doelstelling te weten a bijdragen aan de stressbestendigheid mede om te voorkomen dat de getuige in paniek of verwarring zou raken als in snelle opeenvolging een groot aantal vragen op hem zou worden afgevuurd b aanwijzingen geven over gedrag en houding tijdens het verhoor c opfrissen van dossierkennis noodzakelijk geacht vanwege de omvang van de zaak mede ter wille van het zelfvertrouwen Op deze meervoudige doelstelling valt op zichzelf niets aan te merken Het hof is van oordeel dat uit een oogpunt van een eerlijk proces het in het algemeen gesproken niet ontoelaatbaar is dat op initiatief van leidinggevenden bij de politie een cursus training als hier aan de orde met de hiervoor onder a en b genoemde doelstellingen wordt aangeboden aan de politie ambtenaren van wie bekend is dat zij ter terechtzitting of bij een rechter commissaris opgeroepen zijn of zullen worden Het aansporen en het gelegenheid geven tot het ophalen van de dossierkennis voorafgaande aan het verhoor is evenmin bedenkelijk Bijzondere aspecten van dit geval zijn het feit dat het om getuigen à décharge gaat het gebruik van de casus van deze zaak als oefenstof het feit dat de training is gegeven door en bij het KTR de aanwezigheid van CID rechercheurs van het KTR bij de training van de externe CID chefs Het hof deelt niet het naar het hof begrijpt door de verdediging aangehangen standpunt dat zodra politie ambtenaren door de verdediging als getuigen zijn opgegeven respectievelijk op haar verzoek op de lijst van getuigen zijn geplaatst ambtelijk contact met deze getuigen met betrekking tot de zaak waarover het gaat niet meer is toegelaten Dat de door Verhoef gestelde vragen telkens waren ontleend aan en vrijwel uitsluitend betrekking hadden op juist de materie waarover naar kennelijk ook door Verhoef verwacht de getuige ter terechtzitting zou worden gehoord acht het hof onverstandig Voor geen van de hiervoor vermelde drie doelstellingen was dat noodzakelijk de getuigen zouden hun geheugen ook zeer wel op eigen houtje aan de hand van de oude stukken hebben kunnen opfrissen Onverstandig omdat daardoor de schijn is gewekt dat het tevens de bedoeling was te voorkomen dat de getuigen zouden verklaren in een door KTR functionarissen niet gewenste zin Die schijn is versterkt doordat de trainingsgesprekken met de externe CID chefs op uitnodiging van het KTR en in een KTR setting hebben plaatsgevonden met nota bene in elk geval naar de schijn belanghebbende KTR leden als toehoorder en of klankbord Dit levert een drievoudige onderstreping van het woord oordeel onverstandig op Dit laatste geldt minder ten aanzien van de trainingsgesprekken met de KTR observanten Dat waren gesprekken met het eigen personeel en het is normaal te achten dat die gesprekken werden gehouden in de eigen omgeving Niettemin was het ook hier verstandiger geweest het opfrissen van het geheugen aan de getuigen zelf over te laten Het oordeel van de raadslieden dat ten gevolge van de gehouden trainingen sprake is van een zo niet doelbewuste schending van de belangen van de verdediging dan toch een schending als gevolg van grove veronachtzaming van die belangen deelt het hof niet Beslissend acht het hof dat zoals uit het uitgebreide door het hof ingestelde onderzoek is gebleken al deze handelingen geen wezenlijke schending van die belangen tot resultaat hebben gehad doordat niet overeenkomstig de waarheid is verklaard Opgemerkt dient te worden dat al hetgeen thans bekend is nader beschouwd veel ruimte voor een wezenlijke beïnvloeding er niet was gelet op alles wat al in processen verbaal die tot het dossier behoren was vastgelegd en gelet op hetgeen uit hoofde van bronbescherming terecht aan de openbaarheid onttrokken dient te blijven was er voor de getuigen weinig ruimte om te schipperen met de waarheid b Vervolgens heeft het hof getuigen onder wie Verhoef en Van de Streek wederom gehoord Ook na deze verhoren blijft het hof bij het eerder voorlopig overwogene en derhalve bij het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de training tot gevolg heeft gehad dat de getrainde getuigen de hun ter zitting gestelde vragen niet naar behoren en naar waarheid hebben beantwoord Evenmin is aannemelijk geworden dat geprobeerd is de getuigen te beïnvloeden ten detrimente van het waarheidsgehalte van hun verklaring en of van de mogelijkheid van een behoorlijk verhoor van hen Hoewel het beter ware geweest als de getuigen zich op een andere manier op hun verhoor hadden voorbereid dan is gebeurd is het niet zo dat de verdediging daardoor wezenlijk in haar belangen is geschaad ad 7 reis van 2 rechercheurs in maart 1998 a Kort gezegd gaat het hier om het volgende Nadat door de verdachte hoger beroep was ingesteld tegen het op 26 januari 1998 uitgesproken vonnis waarin ook een in de telastelegging uitvoeriger vermeld vervoer c a van hashish per Great Alexzander en Orcadia bewezen was verklaard namelijk in maart 1998 zijn twee rechercheurs van het KTR waaronder Warmerdam naar Amerika gereisd en zij hebben daar de reeds eerder ook als getuige gehoorde A V d E S en W gehoord die bij onder meer dat vervoer c a betrokken zouden zijn geweest Dit is gebeurd met medeweten van de zaaks officier Van Straelen en is noch tevoren noch naderhand aan de verdediging meegedeeld laat staan dat deze was uitgenodigd de verhoren bij te wonen De procureur generaal is evenmin hierover geïnformeerd b Het verhoor van de genoemde getuigen had in geen geval buiten de verdediging om mogen gebeuren Het hof is echter niet van oordeel dat hier een opzettelijke grove schending van het belang van de verdediging aannemelijk is geworden Wel is door onachtzaamheid een verdedigingsbelang geschaad Aangezien het hof anders dan de verdediging voorts van oordeel is dat te dezen herstel in beginsel mogelijk is doordat de vier getuigen opnieuw door een rechter commissaris worden gehoord in aanwezigheid van de raadslieden waarbij ook de verklaringen die in maart 1998 zijn afgelegd in het verhoor kunnen worden betrokken zoals ook is geschied acht het hof de sanctie van niet ontvankelijkverklaring hier niet geboden c Door de raadslieden is beklemtoond dat herstel niet meer mogelijk is omdat de getuigen nadat zij hun verklaring hebben afgelegd in het geheimgehouden verhoor van maart 1998 niet meer onbevangen anders zouden kunnen verklaren Hierover oordeelt het hof anders Het gaat immers om getuigen die al vóór maart 1998 ettelijke malen in verband met vorenbedoeld hash transport zijn gehoord zowel als verdachte als ook als getuige niet aannemelijk is dat zij zich opeens bevangen zouden gaan voelen doordat zij in dat ene verhoor in maart tegenover opsporingsambtenaren nog hebben verklaard d De raadsman van verdachte heeft afgezien van het bijwonen van het nader verhoor van deze getuigen door de rechter commissaris Dit is voor zijn rekening nu hij tot het bijwonen van een dergelijk verhoor uitdrukkelijk is uitgenodigd ad 8 de CID reis in juni 1998 a Het hof gaat mede gelet op de ter terechtzitting van het hof afgelegde getuigenverklaringen uit van de volgende gang van zaken Na een gesprek met KTR rechercheur Warmerdam die zoals onder ad 7 weergegeven in maart 1998 de in Amerika gedetineerde A V d E S en W in de RADAR zaak als getuigen had gehoord is bij Van de Streek chef CID van het KTR de gedachte opgekomen dat aangezien aangenomen werd dat deze getuigen niet het achterste van hun tong hadden laten zien lees wel wat meer zouden kunnen verklaren dan zij tot dusver hadden gedaan het opportuun kon zijn te trachten CID matig informatie van deze getuigen te verwerven Hij heeft deze zienswijze met de CID officier mr G Oldekamp besproken Deze schaarde zich achter het idee en heeft in het gezamenlijk overleg van hem met de hoofd officier van justitie Van Brummen en de officier van justitie Van Straelen zaaksofficier in deze zaak meegedeeld dat drie in Amerika gedetineerde personen wellicht CID matig informatie zouden kunnen verstrekken die van belang kon zijn voor het gedeelte kort gezegd de Great Alexzander van de Radar zaak Daarbij heeft hij de namen Burns en Klindt genoemd Hij heeft toestemming gevraagd voor een dienstreis van hem en Van de Streek met het doel te onderzoeken of die personen bereid waren informatie te verstrekken Van Brummen heeft een door Van de Streek uitgetikte en op 5 juni 1998 gedateerde reisopdracht ondertekend Oldekamp en Van de Streek zijn onverrichter zake teruggekeerd b Geen geschreven of ongeschreven regel van geldend recht betreffende de bescherming van belangen van een verdachte in een in welke instantie ook aanhangige strafzaak verzet zich ertegen dat in de loop van het strafgeding en zonder dat zulks aan de verdediging wordt meegedeeld CID functionarissen als getuige in het voorbereidend onderzoek gehoorde personen benaderen met de vraag of zij CID matig informatie willen verschaffen De vraag of aan de belangen van de verdachte verdediging tekort is of kan zijn gedaan is in beginsel alleen relevant voor zover het gaat om de wijze waarop vervolgens met de eventueel verkregen informatie is gehandeld c Tijdens het verhoor van genoemde officieren van justitie als getuige ter zitting van het hof is telkens ter sprake gekomen hoe gehandeld zou moeten zijn in het zich niet voorgedaan hebbende geval dat een of meer van die personen meegedeeld zou den hebben bereid te zijn informatie aan CID functionarissen te verschaffen of dat zij zelfs terstond over de RADAR zaak en dan in het bijzonder over U en diens pretense organisatie zouden zijn gaan verklaren De officieren hebben daarover niet gelijkluidend verklaard d Naar de regels van de kunst zou in het geval een van de bedoelde personen te kennen had gegeven dat hij wel informatie wilde verschaffen het als volgt zijn gegaan Oldekamp en Van de Streek zouden het gesprek hebben afgebroken en zouden vervolgens een koppel runner s naar die persoon hebben gestuurd In het geval die persoon onmiddellijk spontaan een verklaring zou hebben afgelegd zou er niets aan in de weg hebben gestaan dat Oldekamp Van der Streek deze verklaring hadden opgenomen Indien de persoon te kennen zou hebben gegeven dat hij als getuige onder naam zou willen verklaren dan hadden Oldekamp Van de Streek niet die verklaring maar slechts de mededeling dat de persoon tactisch wilde verklaren op de voor CID informatie gebruikelijke wijze aan het tactisch team kenbaar gemaakt waarna tactische rechercheurs zonder enige kennis omtrent de inhoud van hetgeen de persoon zou kunnen verklaren die persoon konden gaan horen uiteraard na de verdediging daarvan op de hoogte te hebben gesteld en te hebben uitgenodigd bij het verhoor aanwezig te zijn een en ander in overleg met en na instemming van de procureur generaal die de zaak in hoger beroep behandelt e De omstandigheid dat Van Straelen Oldekamp en ook Van de Streek als getuigen een enigszins ander scenario hebben geschetst voor het hypothetische geval dat de bedoelde personen nog iets zouden hebben willen zeggen acht het hof in het kader van het niet ontvankelijkheidsverweer alleen in zoverre relevant dat bezien moet worden of daarmee steun wordt gegeven aan de stelling dat een of meer van deze functionarissen er niet voor terugdeinst deinzen al dan niet stelselmatig en bewust af te doen aan belangen van de verdediging Dit laatste is niet aannemelijk geworden f Het hof is van oordeel dat door de juni expeditie geen beginselen van behoorlijk strafprocesrecht zoals het beginsel dat de verdachte recht heeft op een eerlijk proces zijn geschaad ad 9 wetenschap van Van Straelen a Het hof gaat er van uit dat bij het gesprek van de officieren en eventuele andere gesprekken over die reis de gouden regel dat een CID officier geen namen noemt en dat die hem ook niet gevraagd worden is nageleefd Overigens is het gelet op hetgeen hiervoor is opgemerkt met betrekking tot de CID expeditie naar Amerika nauwelijks relevant of Van Straelen wel of niet begrepen heeft om welke personen het ging b Zoals ook op 28 september 1998 uitgesproken heeft het bij het hof verbazing gewekt dat mr Van Straelen er niet aan gedacht heeft dat de verdediging in kennis gesteld moest worden van de maart reis en uitgenodigd moest worden alsmede dat hij niet begrepen heeft om welke getuigen het in juni 1998 ging Het hof blijft bij zijn oordeel dat mr Van Straelen niet al dan niet opzettelijk daaromtrent in strijd met de waarheid heeft verklaard III Met betrekking tot andere in eerste aanleg aangevoerde gronden voor het verweer strekkende tot niet ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie waarnaar de raadsman bij pleidooi in hoger beroep al dan niet uitdrukkelijk heeft verwezen verwijst het hof naar de in het vonnis waarvan beroep onder 2 2 1 tot en met 2 2 11 vermelde overwegingen en oordelen van de rechtbank die het hof hier overneemt en tot de zijne maakt IV Het hof heeft op 28 september 1998 laten blijken dat het aan het einde van de rit alle aannemelijk geworden fouten van de zijde van het openbaar ministerie en of het KTR nader zou wegen en zou beoordelen welke gevolgen daaraan verbonden zouden moeten worden Hierbij stelt het hof voorop dat gebleken is dat bij het in het voorjaar van 1994 aangevangen onderzoek waaraan overigens een zekere verbetenheid niet kan worden ontzegd fouten zijn gemaakt sommige van ernstige aard namelijk de reis in maart 1998 naar Amerika en het gebruik van de Bruinsma taps Niet aannemelijk is geworden dat opzettelijk of door onachtzaamheid zozeer en onherstelbaar tekort is gedaan aan de belangen van de verdediging of dat de grenzen van het door een fair trial verlangd fatsoen zodanig zijn overschreden dat een sanctie in de vorm van het niet ontvankelijkverklaren van het openbaar ministerie of in enige andere vorm passend en geboden is V Dat geldt voor alle in beide instanties aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden deze op zichzelf en gezamenlijk en in onderling verband beschouwd VI Het verweer wordt derhalve verworpen Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep voor zover aan s hofs oordeel onderworpen kan niet in stand blijven omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de eerste rechter De bewijslevering Het hof acht het onder 1 tenlastegelegde niet bewezen Er zijn sterke aanwijzingen voorhanden dat verdachte en zijn medeverdachten met enigen van de in de tenlastelegging met name genoemde anderen deel uitmaakten van een samenwerkingsverband dat zich bezighield met zaken die het daglicht niet konden velen Naar het oordeel van het hof is er geen andere verklaring voor het feit dat verdachte zijn medeverdachten en de hiervoor bedoelde anderen het kennelijk noodzakelijk vonden om onder meer het afluisteren en begrijpen door derden van door hen onderling gevoerde telefoongesprekken te belemmeren door gebruik te maken van wisselende telefoonaansluitingen en verhullende taal Er viel blijkbaar iets te verbergen In dit verband verwijst het hof naar de door de rechtbank terzake gebezigde bewijsmiddelen Bij gebrek aan wettig bewijs kan niet bewezen worden verklaard dat verdachte deel uitmaakte van een samenwerkingsverband dat het plegen van een of meer van de in de tenlastelegging onder 1 opgesomde misdrijven als oogmerk had Voor enige is er geen enkel concreet bewijs Voor andere is er wel iets maar om de twijfel te overwinnen of dat aangevuld of in verband gebracht mag worden met andere voorhanden gegevens dient gebruik gemaakt te worden van op speculatie rustende redeneringen Dat kan geen wettig bewijs opleveren Ook voor het onder 6 tenlastegelegde is geen voldoende bewijs Van beide feiten moet verdachte worden vrijgesproken Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 9 10 11 en 12 is tenlastegelegd met dien verstande dat ten aanzien van feit 9 hij op 28 mei 1993 te Amsterdam opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting voor hemzelf over het jaar 1990 en de vermogensbelasting voor hemzelf over het jaar 1991 onjuist en onvolledig heeft gedaan immers heeft verdachte opzettelijk op een bij de Inspecteur der Belastingen te Amsterdam ingeleverd en door hem ondertekend aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting over het jaar 1990 en de vermogensbelasting over het jaar 1991 in strijd met de waarheid opgegeven dat hij gedurende een deel van het bedoelde belastingtijdvak niet in Nederland woonachtig zou zijn geweest en dat zijn belastbaar inkomen in het jaar 1990 zou zijn geweest 178 330 zulks terwijl hij wel gedurende het hele jaar in Nederland woonachtig en belastingplichtig was en het belastbare bedrag hoger was terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven ten aanzien van feit 10 hij op 30 mei 1994 te Amsterdam telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting voor hemzelf over het jaar 1991 en de vermogensbelasting voor hemzelf over het jaar 1992 en een aangifte voor de inkomstenbelasting voor hemzelf over het jaar 1992 en de vermogensbelasting voor hemzelf over het jaar 1993 en een aangifte voor de inkomstenbelasting voor hemzelf over het jaar 1993 en de vermogensbelasting voor hemzelf over het jaar 1994 onjuist en onvolledig heeft gedaan immers heeft verdachte telkens opzettelijk op die bij de Inspecteur der Belastingen te Amsterdam ingeleverde en door hem ondertekende aangiftebiljetten in strijd met de waarheid opgegeven dat hij gedurende de telkens in die aangiftebiljetten bedoelde tijdvakken niet in Nederland woonachtig zou zijn geweest en dat zijn belastbaar inkomen over die tijdvakken nihil zou zijn geweest zulks terwijl hij telkens wel in Nederland woonachtig en belastingplichtig was en het belastbare bedrag telkens hoger was terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven ten aanzien van feit 11 hij op 28 april 1995 te Amsterdam opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting voor hemzelf over het jaar 1994 en de vermogensbelasting voor hemzelf over het jaar 1995 onjuist en onvolledig heeft gedaan immers heeft verdachte opzettelijk op dat bij de Inspecteur der Belastingen te Amsterdam ingeleverde en door hem ondertekende aangiftebiljet in strijd met de waarheid opgegeven dat hij gedurende het in dat aangiftebiljet bedoelde tijdvak niet in Nederland woonachtig zou zijn geweest en dat zijn belastbaar inkomen in 1994 nihil zou zijn geweest zulks terwijl hij wel in Nederland woonachtig en belastingplichtig was en het belastbare bedrag hoger was terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven ten aanzien van feit 12 hij op 1 april 1996 te Amsterdam opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting onjuist en onvolledig heeft gedaan immers heeft verdachte opzettelijk op een bij de Inspecteur der Belastingen te Amsterdam ingeleverd en door hem ondertekend aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting over het jaar 1995 en de vermogensbelasting over het jaar 1996 in strijd met de waarheid opgegeven dat hij gedurende het jaar 1995 niet in Nederland woonachtig en belastingplichtig zou zijn geweest en dat zijn belastbaar inkomen over het jaar 1995 nihil zou zijn geweest zulks terwijl hij wel in Nederland woonachtig en belastingplichtig was en het belastbare bedrag hoger was terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven Hetgeen onder 9 10 11 en 12 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat De bewijsmiddelen p m Nadere bewijsoverwegingen De bewijsmiddelen worden ook in onderdelen telkens slechts gebezigd voor het bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben De inhoud van de onder 3 9 18 19 21 23 25 26 28 29 30 31 en 32 genoemde geschriften wordt slechts tot bewijs gebezigd in verband met de overige bewijsmiddelen Uit het als bewijsmiddel 16 opgenomen proces verbaal volgt dat verdachte in de hierna vermelde jaren tenminste het daarbij vermelde aantal dagen in Nederland is geweest Uit de mededeling van verbalisanten dat naar het hof begrijpt eerst in de laatste jaren het vaststellen van verdachtes aanwezigheid hier te lande vergemakkelijkt werd door de toepassing van enige opsporingsmiddelen als taps en observaties leidt het hof af dat de discrepantie tussen de aantallen dagen voor respectievelijk vanaf 1994 mede daarin haar oorzaak vindt zodat gevoeglijk kan worden aangenomen zoals het hof wil doen dat de aantallen in de jaren 1990 t m 1993 naar alle waarschijnlijkheid kleiner zijn dan met de werkelijkheid overeenstemt in 1990 58 dagen in 1991 57 dagen in 1992 36 dagen in 1993 77 dagen in

    Original URL path: http://www.teurlingsellens.nl/urka.php (2016-04-27)
    Open archived version from archive

  • Echtscheiding Scheiden Al vanaf 163,50 euro Strafrecht Teurlings & Ellens Advocaten : Millinxbuurt, Rotterdam
    103432 99 Datum uitspraak 4 januari 2000 Tegenspraak VONNIS van de ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen Y geboren te y op y wonende te y Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 december 1999 TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding onder parketnummer 10 103432 99 Van deze dagvaarding is een kopie in dit vonnis gevoegd bladzijde genummerd 1a DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie mr Oskam heeft gerekwireerd zakelijk weergegeven de bewezenverklaring van het ten laste gelegde en de veroordeling van de verdachte tot een geldboete van fl 400 bij niet betalen en geen verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van acht dagen NIET BEWEZEN Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken DE RECHTMATIGHEID VAN DE BEWIJSGARING Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende Bij verdachte heeft een onderzoek in de kofferbak van de door hem bestuurde auto plaatsgevonden op grond van een last afgegeven door de hoofdofficier van justitie op 25 november 1999 op grond van artikel 51 tweede lid van de Wet wapens en munitie WWM waarbij deze heeft gelast dat de bij of krachtens artikel 141 Sv aangewezen ambtenaren op 26 en 27 november 1999 bevoegd waren elk vervoermiddel te onderzoeken zich bevindende in een gebied aangeduid als de Millinxbuurt te Rotterdam De hoofdofficier van justitie heeft deze last gegeven op grond van de uitzonderlijke concentratie van vuur wapenbezit en vuur wapengebruik onder personen die zich ophouden in de Millinxbuurt blijkende uit het feit dat zich in de afgelopen vijf jaar 424 geweldsincidenten hebben voorgedaan in de Millinxbuurt waarbij 38 vuurwapens zijn aangetroffen Artikel 51 van de

    Original URL path: http://www.teurlingsellens.nl/millinxbuurt,rotterdam.php (2016-04-27)
    Open archived version from archive

  • Echtscheiding Scheiden Al vanaf 163,50 euro Strafrecht Teurlings & Ellens Advocaten : Kelly de Heer De Telegraaf 25 juli 2008
    niet eens meer kan hechten maar moet vastnieten Het is echt geen gezicht Bij ons bezoek tilde ze haar broek op en liet ze een rits van vijftig nietjes zien Haar ogen staan somber Ze is net een junk vertellen de ouders die net zijn teruggekeerd van hun zoveelste gevangenisbezoek in Madrid We vrezen dat ze het niet redt als ze nog langer blijft vastzitten Kelly belandde in de gevangenis nadat ze volgens haar eigen verklaring jarenlang was mishandeld bedreigd en gedwongen om de prostitutie in te gaan Op haar zeventiende raakte ze verstrikt in de tentakels van loverboy Earl Walden L bijgenaamd Don Hij stelde haar tewerk in seksclubs Reeperbahn in Breda en Boobs en Booties in Nijmegen Dit wordt bevestigd in een rechercherapport van de Brabantse hoofdagentes Meeusen en Beckers Kelly moest werken om haar schulden af te betalen Vorig jaar schopte en sloeg hij haar dusdanig in elkaar dat ze niet meer kon werken Daarop werd ze op vakantie gestuurd naar Colombia Sporttas Via Madrid zou ze terugvliegen naar Nederland Vlak voor de terugreis bleek haar rode sporttas echter te klein om al haar bagage mee terug te nemen De Nederlander die haar vergezelde Henk K kocht voor haar een koffer en zette haar af bij de luchthaven Henk K zelf moest zogenaamd met spoed weg en liet Kelly alleen reizen Op de Spaanse luchthaven sloeg een drugshond aan In Kelly s nieuwe koffer zat vijf kilogram cocaine Kelly wist dat Earl en Henk K samen zaken deden in drugs verklaarde Kelly s moeder tegenover de politie in Almere Volgens de moeder zat Kelly in een ijzeren wurggreep van de Surinamer Ze had geen keuze Kelly was al meerdere keren in elkaar geslagen en werd voortdurend bedreigd en in de gaten gehouden door vrienden van Earl Hij sloeg haar ook en zei dat dat haar eigen schuld was Ik heb haar ribben blauw gezien Ook sloeg Earl haar met een ijzeren veer waaraan met tape een handvat was gemaakt om haar zo tot de orde te roepen Kelly kon niet tegen Earl op verzucht haar moeder thuis in Almere Eén keer heeft ze aangifte gedaan maar ze werd gesnapt bij het verlaten van het politiebureau Diezelfde avond werd ze in elkaar geschopt en werden sigaretten op haar huid uitgedrukt Ze heeft talrijke littekens In het Nederlandse onderzoek naar loverboy Earl wordt Kelly gezien als slachtoffer Volgende kolom Ouders Fred en Yvonne de Heer strijden dagelijks voor de terugkeer van hun zieke dochter Op deze foto ziet ze er nog redelijk uit maar ze draagt vijf lagen kleding en een sjaal om te verhullen dat ze broodmager is FOTO BOB FRIEDLÄNDER Maar voor de Spaanse autoriteiten is Kelly slechts een drugskoerier en die hebben het minste aanzien bij de Madrileense justitie De ouders begrijpen er niets van dat L nog steeds vrij rondloopt Zaterdag liep hij hier nog over de Grote Markt We bellen bijna dagelijks met het parket in Lelystad met de vraag waarom er niks gebeurt

    Original URL path: http://www.teurlingsellens.nl/nieuws_detail.php?nieuws_id=15 (2016-04-27)
    Open archived version from archive



  •